Door de eeuwen heen hebben de ideeën van de oud-Griekse filosofen Socrates, Plato en Aristoteles veel filosofen beïnvloedt. Deze oud-Griekse filosofen werden zelf beïnvloed door een andere historische denker, namelijk Protagoras. Protagoras was van mening dat er niet zoiets als “de waarheid” bestaat. Voor Socrates, Plato en Aristoteles was dit een perspectief op het leven die hen aanzette om op zoek te gaan naar de waarheid van het leven. 

Protagoras observeerde dat mensen gebeurtenissen en feiten op een verschillende manier beleven. Een temperatuur van 25 graden Celsius kan bijvoorbeeld door iemand uit een land met een tropisch klimaat beoordeeld worden als koud, terwijl iemand uit Nederland of België diezelfde temperatuur warm vindt. Daarom zei Protagoras: “De mens is de maat van alle dingen. Van de dingen die zijn wat ze zijn en van de dingen die niet zijn wat ze niet zijn”. Waarmee hij bedoelde te zeggen dat de beoordeling van een waarneming door een mens – koud, warm, mooi, lelijk, et cetera – altijd waar is omdat de beoordeling van een waarneming een persoonlijk iets is. Maar volgens Protagoras was de waarheid niet enkel in gevallen van beoordeling van een waarneming een relatief iets. Ieder idee is in feite een beoordeling door een mens, stelde Protagoras, en dus concludeerde hij dat alle ideeën relatief zijn, afhankelijk van de oordeler. Daarom zij hij (tegen Socrates): “Wat waar is voor jou is waar voor jou, en wat waar is voor mij, is waar voor mij”. Dit idee heeft ook in de moderne geschiedenis veel invloed gehad op filosofen zoals Emmanuel Kant en Friedrik Nietzsche.  

Hedendaagse perspectief op waarheid 

Het waarheids-relativisme in de hedendaagse filosofie is voortgekomen uit het door Emmanuel  Kant tot stand gebrachte onderscheid tussen realiteit en de waarneming van de realiteit. Het zegt dat het onmogelijk is voor de mens om op objectieve wijze, in volkomen onafhankelijkheid, vast te stellen wat de waarheid is. En dus dat de waarheid van een individu afhankelijk is van zijn eigen beleving.

De meeste mensen zouden bijvoorbeeld zeggen dat zeewater zout is. Relativisten zouden echter wijzen op het feit dat dit oordeel over zeewater ondermeer afhankelijk is van de definitie van zout; van de aanname dat zout altijd hetzelfde smaakt en altijd hetzelfde zal smaken; van de aanname dat onze waarnemingsorganen altijd op dezelfde wijze waarnemen en altijd op dezelfde wijze zullen waarnemen; van de aanname dat de waarnemingsorganen van alle mensen altijd op dezelfde wijze waarnemen; van de aanname dat al het zeewater gelijk smaakt; et cetera. Onze oordeel betreffende zeewater is dus afhankelijk van aannames. Na deze realisatie wijzen relativisten dan op het feit dat men tot een ander oordeel betreffende zeewater zou komen als men in de beoordeling van zeewater van andere aannames gebruik zou maken. Bijvoorbeeld, als men de smaak zout “zoet” zou noemen, dan zou men oordelen dat zeewater zoet smaakt. 

Bovendien is het volgens relativisten onmogelijk om te bepalen welke aannames gebruikt zouden moeten worden. Het is bjvoorbeeld onmogelijk om de aanname dat onze waarnemingsorganen altijd op dezelfde wijze waarnemen, of de aanname dat de waarnemingsorganen van alle mensen altijd op dezelfde wijze waarnemen, te toetsen op juistheid. De aannames die de mens gebruikt om te oordelen zijn dus nooit allemaal zeker waar. En daarom zou niemand kunnen claimen dat zijn oordeel zeker waar is. Omdat niemand kan bewijzen dat zijn aannames de enige juisten zijn. Daarom is waarheid volgens hen relatief, omdat niemand definitief kan bewijzen dat zijn waarheid als enige, voor altijd en voor iedereen waar zal zijn.

Kritiek op de afwezigheid van een absolute waarheid  

Allereerst moet gezegd worden dat het onderscheid tussen “echte waarheid” en “waargenomen waarheid” kunstmatig is. Het is een filosofisch onderscheid dat de mens ertoe dwingt om te erkennen dat hij de “echte waarheid” niet kan weten, omdat hij enkel beschikt over de “waargenomen waarheid”. Maar dit is precies de reden waarom het onderwerp in deze kwestie de “waargenomen waarheid” moet zijn, en niets anders. Er bestaat geen twijfel dat de mens over waarnemingen van de realiteit beschikt. En er bestaat ook geen twijfel dat de mens deze waarnemingen van de realiteit kan beschrijven. Taal en andere definities stellen de mens immers in staat om zijn waarnemingen te beschrijven. 

Verschillen in taal zorgen weliswaar voor verschillende beschrijving van eenzelfde waarneming, maar dit maakt het niet onmogelijk voor de mens om eenzelfde boodschap betreffende een waarneming te communiceren. Het is daarom incorrect om te zeggen dat verschillen in taal voor verschillende waarnemingen zorgen, en dus voor verschillende waarheden. Enkel de uitdrukking van de boodschap is anders bij verschillende talen, namelijk, niet de waarneming zelf. Verschillen in definities zorgen eveneens voor verschillende beschrijving van eenzelfde waarheid, maar ook dit maakt het niet onmogelijk voor de mens om eenzelfde boodschap betreffende een waarneming te communiceren. Want ook in dit geval is enkel de uitdrukking van de boodschap anders, niet de waarneming zelf. 

Een waarneming kan gebruikt worden om op verschillende niveaus te oordelen over de waargenomen realiteit. Men kan een waarneming gebruiken om te oordelen over het bestaan van een realiteit, of de eigenschappen van een realiteit, of de essentie van een realiteit. Verschillende geleerden, zoals Shaykh Abdul Haq Dehlawi, imam Umar an Nasafy en Sa’d ud Dien at-Taftazaaniy zijn in hun aqeedah werken zelfs ingegaan op het bevestigen van de werkelijkheid ‘der dingen’. Zij ervaarden de noodzaak dergelijke Westerse filosofen en hun idee van een subjectieve werkelijkheid te verwerpen alvorens zij overgingen op het verder bestuderen van geloofsleer.  

Zij gaven aan dat de dingen op zich zelf bestaan en in de werkelijkheid zijn wat ze zijn, onafhankelijk van wat wij ervan denken en hoe wij ze ervaren. Met andere woorden, de dingen hebben een van ons denken onafhankelijke werkelijkheid en objectieve en universele kennis van de waarheid is dus wel mogelijk. Kennis is niet betrekkelijk en de waarheid is niet relatief of subjectief. Water is water en vuur is vuur, ongeacht wat wij ervan vinden en/of hoe wij het ervaren. Desbetreffende geleerden geven aan dat bovenstaande principe zelfs zo vanzelfsprekend zijn dat ze niet eens zouden hoeven te worden beargumenteerd om ze te kunnen accepteren en waar ieder weldenkend mens op aarde het erover eens zou moeten zijn.  

Het is dus incorrect om te zeggen dat het oordeel dat iets bestaat in reactie op een waarneming een relatieve waarheid is, omdat het enkel een waarheid is voor degene die de waarneming heeft gedaan en niet voor degenen die de waarneming nog niet heeft gedaan. De kwestie in dit geval is namelijk dat voor degene die de waarneming nog niet heeft gedaan het bestaan van iets nog niet is bewezen. Met andere woorden, de kwestie in dit geval is slechts dat hij de absoluut zekere waarheid nog niet kent. Zou hij in afwezigheid van een waarneming door hem oordelen dat er niet iets bestaat, dan zou hij gewoon fout zijn – met absolute zekerheid.  

Het is eveneens incorrect om te zeggen dat het oordeel dat iets bestaat in reactie op een waarneming een relatieve waarheid is daar dit oordeel gebonden is aan tijdperk, omdat iets dat nu bestaat later niet meer hoeft te bestaan. Slechts een kleine aanpassing van het taalgebruik is voldoende om dit argument te verwerpen: in reactie op een waarneming is het oordeel dat iets bestaan heeft een absoluut zekere waarheid. 

Het bestaan van absoluut zekere waarheid is hiermee aangetoond. In sommige gevallen, bij sommige onderzoeken, kan de mens absolute zekere waarheid vinden. Hiermee is de onjuistheid van het idee van waarheids-relativisme, wat zegt dat er geen absoluut zekere waarheid bestaat, eveneens aangetoond. De relevantie van deze conclusie is dat dit onze weg weer vrij maakt van zweverige filosofie en terug brengt naar de discussie wat deze absolute waarheid dan betreft. 

Comments

comments

DELEN