In het boek ‘Nederland en de islam’ staat onder meer de persoon Christiaan Snouck Hurgronje centraal, die vooral bekendstaat als de beroemde oriëntalist en adviseur die door de Nederlandse regering naar Mekka werd gezonden en vervolgens naar Indonesië trok. Gedurende deze periode deed hij zich voor als moslim, nam een moslimnaam aan, liet zich besnijden en trouwde met moslimvrouwen.

Hiermee vertolkte hij de rol die in het Nieuws van den Dag van 1884 uiteen werd gezet door een analist van de Nederlandse regering. Hij pleitte voor het aanstellen van spionnen onder de pelgrims: “Niet in de mesjdjids noch in de langgars worden de kiemen gezaaid van godsdiensthaat en fanatisme, maar in de desa’s in de kampongs en in de afgelegen woningen der inlanders. Daar sluipt de Hadji rond.”

“Vertrouwbare, met de Javaanse, Maleisische, Soendanese of Madorische taal grondig bekende Indo-Europeanen zouden door de Regering (…) als geheime politie naar die streken (Mekka, Medina) gezonden moeten worden (…).”

Het boek is vooral interessant, omdat het een blik werpt op het beleid van de Nederlandse regering in Indonesië. Destijds sprak men ook van ‘radicalisering’ en het was heel duidelijk welk doel men voor ogen had.

Christiaan Snouck Hurgronje trok naar Mekka om de ‘radicalisering’ van de Indonesiërs waar te nemen. De Nederlandse regering maakte zich namelijk zorgen om de pelgrims die moslims uit andere landen ontmoetten en huiswaarts keerden met het idee van één oemma en de verbondenheid met de Ottomaanse Sultan. Derhalve trachtte men concepten als één oemma, djihad en Khilafah zwart te maken.

Deze concepten zorgden er namelijk voor dat de Indonesiërs in opstand kwamen tegen de Nederlandse kolonisten. In het boek worden deze ‘middeleeuwse’ concepten aangevallen en wordt de Nederlandse regering op het hart gedrukt om strikt op te treden wanneer het gaat om de politieke elementen van islam en diens staatkundige karakter. In het Nieuws van den Dag van 1915, staat het volgende:

“Wie bij de inlandse bevolking de door het pan-islamisme gewekte dwaling verlevendigt dat zij iets met den Turkschen kalifah zou hebben te maken, pleegt landverraad ten opzichte van ons gezag.”

Men trachtte de lokale gebruiken (adat) te promoten en intellectuelen op te leiden die zich de westerse cultuur eigen zouden maken. Ook probeerde men Indonesische vrouwen te cultiveren met de ‘superieure’ Europese waarden. Er was toen al sprake van een assimilatiebeleid. Toen heette het ‘associatie van de inlanders aan onze cultuur.’

De Profeet صلى الله عليه وسلم wordt beschreven als iemand die realpolitik bedreef, om zodoende de indruk te wekken dat het politieke systeem van islam slechts het resultaat was van de noden van de samenleving destijds. Hij noemt het daarom niet voor niets middeleeuwse politieke idealen.

Bovendien wordt relativisme aangemoedigd, opdat de moslims de Koran en Soenna niet meer als onbetwistbare Goddelijke bronnen gaan zien, maar als bronnen die hervormingen behoeven.

Sindsdien lijkt er weinig veranderd. Hoewel de stijlen en middelen verschillen, is het doel hetzelfde. Laten we dus waakzaam zijn als het gaat om het onderschrijven van termen als ‘radicalisering’ en ‘extremisme’. Ze worden in een politieke context gebezigd en zijn bedoeld om tweespalt te veroorzaken.

 

Comments

comments

DELEN