vrijdag, maart 6, 2026
HomeIslamitische wetenschappenNafsiyyaHet Paradijs is enkel voor de moslim die werkt om de mensen...

Het Paradijs is enkel voor de moslim die werkt om de mensen hun recht te geven

Leestijd: 9 minuten

Al Djenna, het Paradijs. Geen moslims twijfelt aan haar bestaan. Iedere moslim verlangt daarom naar haar en hoopt in de Aachira, het Hiernamaals, in haar te mogen leven. Maar wat is vereist van de moslim in de Doenya, het Huidige Leven, om dit voorrecht te verdienen? Wie de Edele Koran zou lezen op zoek naar een antwoord op deze vraag, die zou bij voortduring geschokt worden. Het antwoord van Allah (swt) op deze vraag zou zijn wereld op zijn kop zetten.

In soera Al Maa’oen maakt Allah (swt) duidelijk wat ondermeer vereist is van de moslim die het Paradijs wil verdienen:

Hebt gij hem gezien die deze godsdienst loochent?” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Maa’oen 107, vers 1)

Hier vraagt Allah (swt) ieder van ons of wij degene gezien hebben die Islam ontkent en negeert. Oftewel, degene die zichzelf voor de gek houdt, die weigert na te denken over de realiteit van het leven en die de Leiding van Allah (swt) probeert te vermijden. Het feit dat Allah (swt) ons een vraag stelt zou een grote mate van onrust en spanning teweeg moeten brengen in ons. Wie bijvoorbeeld als leerling op school in aanwezigheid van de al de medestudenten wel eens een vraag is gesteld door de leraar, die heeft iets van deze onrust en spanning ervaren. Het hart begint dan te kloppen, het zweet begint te stromen en men begint zichzelf af te vragen: “Heb ik wel goed opgelet? Weet ik het antwoord wel? Misschien zal ik iets doms zeggen, en zal iedereen me uitlachen!”. Maar deze onrust en spanning, die voor vele mensen al een nachtmerrie is, is feitelijk niets wanneer het vergeleken wordt met de onrust en de spanning die de mens zou moeten voelen wanneer de Almachtige Schepper van het Universum hem aanspreekt met een vraag.

Allah (swt) vraagt ons of wij degenen kennen die tot de ongelovigen behoren, of wij hun eigenschappen kennen. Oftewel, Hij (swt) vraagt ons of wij de eigenschappen van geloof en ongeloof kennen. Natuurlijk zijn wij dan geneigd om te antwoorden door te spreken over Tauwhied. Over het geloof in Allah (swt) als de Enige Almachtige Schepper. Het geloof in Mohammed (saw) als Zijn Dienaar en Boodschapper. Het geloof in het Hiernamaals, in Hemel en Hel. Dit zijn immers zaken die de gelovige onderscheidt van de ongelovige. Of wij zijn geneigd om te verwijzen naar de vijf pilaren van Islam. De sjahaada, de getuigenis van het geloof in Allah (swt) als de Enige Almachtige Schepper en het geloof in Mohammed (saw) als Zijn Dienaar en Boodschapper. De salah, vijf dagelijkse gebeden ter aanbidding van Allah (swt). Het betalen van de zakat, de jaarlijkse afdracht over het eigendom die ondermeer benut moet worden om de armen en behoeftigen te helpen. Het vasten tijdens Ramadan. En natuurlijk het verrichten van de Hadj, de pelgrimage naar het Huis van Allah (swt) in Mekka.

Maar Allah (swt) stelt ons deze vraag niet omdat Hij (swt) wil dat wij hem beantwoorden. Hij (swt) stelt ons deze vraag om onze aandacht te trekken, alvorens Hij (swt) ons met Zijn (swt) kennis begunstigt en ons leert wat het verschil is tussen geloof en ongeloof. Waaruit wij dan lering moeten trekken. Allah (swt) beantwoordt de door Hem (swt) gestelde vraag dus zelf:

Het is degene die de wees verstoot. Hij moedigt anderen niet aan de armen te voeden.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Maa’oen 107, vers 2 – 3)

Wie dit antwoord van Allah (swt) overdenkt, die zal bemerken dat dit antwoord niet de onrust en spanning in ons wegneemt die resulteerde toen Allah de Almachtige ons aansprak met een vraag. Integendeel, wie dit antwoord van Allah (swt) overdenkt, bij hem wordt de onrust en spanning enkel groter!

Want de moslims lezen allemaal over Islam, omdat we ons bewust zijn van het bestaan van Allah (swt), en omdat we ingezien hebben dat Islam Zijn (swt) boodschap is. We willen Hem (swt) daarom aanbidden, zoals Islam ons dit voorschrijft, omdat wij van Hem (swt) houden en omdat we angst voor Hem (swt) hebben. We bestuderen Islam om beter te worden in deze aanbidding, op zoek naar Zijn (swt) welbehagen. We verrichten onze gebeden. We doen ons best zoveel mogelijk extra gebeden te verrichten. We vasten, ook buiten Ramadan zo af en toe, en we proberen meer en meer tijd in de moskee door te brengen. En de besten onder ons maken tijd vrij om de mensen uit te nodigen tot Tauwhied, tot aanbidding van enkel en alleen Allah (swt). Alles om dicht bij Hem (swt) te zijn. Want zo hoort het toch?

Daarom slaat het antwoord van Allah (swt) in als een bom. Het kan niet anders. Zonder twijfel zijn de meeste moslims geneigd om zich het Pad naar Succes voor te stellen zoals dat hierboven uiteengezet. Oftewel, studeren over Islam, groeien in taqwa (vroomheid), onze handelingen meer nauwkeurig conform de geboden en verboden van Islam laten zijn, en de mensen uitnodigen tot Islam middels verstandelijke argumenten. Maar Allah (swt) spreekt hier over niets van dit alles wanneer Hij (swt) de ongelovige onderscheidt van de gelovige. In plaats van al de genoemde dingen die wij doen omdat wij altijd dachten dat dit de weg naar succes was, zegt Allah (swt):

Het is degene die de wees verstoot. Hij moedigt anderen niet aan de armen te voeden.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Maa’oen 107, vers 2 – 3)

Deze woorden zijn daarom woorden die het fundament onder de voeten van de vrome gelovige wegslaan. Wie had dit verwacht? Wie had verwacht dat Allah (swt) het helpen van en zorgen voor de wezen als onderscheider van geloof en ongeloof zou noemen? Dat Hij (swt) het aanmoedigen van de mensen om de armen, de behoeftigen te voeden, als onderscheider van geloof en ongeloof zou noemen?

Als het goed is, is er in reactie op dit antwoord van Allah (swt) een siddering door ons lijf geschoten. Want als dit volgens Allah (swt) de onderscheider tussen geloof en ongeloof is, wie van ons durft er dan nog te zeggen: “Ik behoor tot de gelovigen”? Wie heeft zichzelf in het aanzicht van Allah (swt) als gelovige onderscheiden door er op na te zien dat er voor de meest zwakken in onze samenlevingen, de wezen, gezorgd wordt? Dat zij hun rechten krijgen, materieel en emotioneel? Oftewel dat zij onderdak hebben, gepaste kleding, en dat zij gevoed worden? Dat voor de nalatenschap van hun overleden ouders gezorgd wordt tot het moment dat hun weeskinderen volwassen zijn geworden en deze in bezit kunnen nemen? Dat zij in een beschermende omgeving grootgebracht worden, met zorg en liefde, in aanbidding van hun Schepper Allah (swt)? Dat zij een goede opvoeding krijgen en een goede opleiding?

Een blik op de realiteit van deze wereld leert dat meest waarschijnlijk maar weinig mensen aan deze voorwaarde voor geloof voldoen. Want de realiteit is dat de wezen genoemde zorg niet krijgen. Sommigen van hen hebben een dak boven hun hoofd en krijgen te eten. Maar zij zijn de de meest gelukkigen der wezen. Want verreweg de meeste wezen in deze wereld leven hongerig op straat.

Eigenlijk is dit niet verwonderlijk. Want in de huidige wereld leeft een meerderheid van de wereldbevolking in diepe armoede, zonder voldoende geld voor een menswaardig bestaan. Zelfs voor de meeste volwassen mensen geldt dat zij door armoede gedwongen zijn om keuzes te maken tussen eten en kleden, tussen kleden en wonen. En vaak is er zelfs voor hen in het geheel geen keuze want is er in het geheel geen geld. Noch voor eten, noch voor kleden, noch voor wonen.

Voor een meerderheid van de mensheid geldt dat “geluk” voor hen betekent een baantje in één van de zweetlokalen van de internationale kapitalisten, zoals in Indonesië, in Bangladesh, in Pakistan en in Marokko, om voor één euro of minder per dag de kleding met de merknamen te maken die men in het westen zo graag wil dragen. Als zij iets minder geluk hebben dan worden zij dag na dag, week na week, maand na maand, platgebombardeerd. Omdat zij toevallig geboren zijn op de grond waarin zich de rijkdommen van deze aarde bevinden, het goud en de olie, zoals in Irak, in Afghanistan, in Somalië, in Tsjetsjenië. Als zelfs krachtige, volwassen mannen in deze huidige wereld tot dit mensonwaardig bestaan gedwongen worden, vanzelfsprekend zullen de hulpeloze en machteloze wezen dan ook hiertoe veroordeeld zijn.

Dus nogmaals, nadat de kennis van de verzen van soera Al Maa’oen tot ons is gekomen, en als wij kijken naar de diep armoedige situatie van de meeste mensen in de wereld, wie van ons durft er dan nog te zeggen: “Ik ben een gelovige”? Wie van ons heeft zichzelf in het aanzicht van Allah (swt) als gelovige onderscheiden door er op na te zien dat er voor deze mensen gezorgd wordt? Dat zij uit hun lijden verlost worden? Dat de rijkdommen van deze wereld ook met hen gedeeld worden, zodat ook zij een menswaardig bestaan kunnen leven? Zoals Allah (swt) ons blijkens soera Al Maa’oen verplicht heeft?

Allah (swt) maakt in soera Al Haaqa duidelijk wat de mensen die zich niet hebben ingespannen om te zorgen voor de machtelozen in deze wereld zal overkomen op de komende Dag des Oordeels:

Maar, hij wiens boek in de linker hand wordt gegeven, zal zeggen: ‘O was mijn boek mij maar niet gegeven! En had ik maar niet geweten wat mijn oordeel was! O, had de dood maar aan mij een einde gemaakt! Mijn rijkdom heeft mij niet gebaat, Mijn macht is van mij weg gegaan’. Grijp hem en boei hem! Werp hem dan in het Woedende Vuur! Bind hem vervolgens met een ketting (van vuur) vast waarvan de lengte zeventig armlengten bedraagt!” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Haaqa 69, vers 25 – 32)

Dan, in een verwijzing naar de eerder genoemde verzen uit soera Al Maa’oen, herhaalt Allah (swt) waarom deze mensen zich in deze ellendige situatie zullen bevinden:

Want hij geloofde niet in Allah, de Grote. Noch moedigde hij aan, de armen te voeden. Daarom heeft hij hier geen vriend, noch voedsel, behalve het bloed en de etter uit de wonden (Al Ghislin), dat niemand dan de zondaren zal gebruiken.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Haaqa 69, vers 33 – 37)

Deze verzen maken duidelijk dat Allah (swt) het werken voor de rechten van de wezen en de armen tot een voorwaarde voor geloof heeft gemaakt. Een absolute vereiste voor degene die op de Dag des Oordeels tot de overwinnaars wil behoren en het Paradijs wil betreden. Er is, met andere woorden, enkel hoop voor degene die zich inspant voor de belangen van de machtelozen. En er is geen hoop voor degene die zich in dit leven zich niet heeft ingezet voor deze zaak. Dit maakt in feite twee essentiële zaken betreffende Islam duidelijk.

Ten eerste, de plicht tot zorg voor het welzijn van de machtelozen maakt duidelijk dat Islam is gezonden als barmhartigheid, om de mensen te verlossen van onrecht en onderdrukking, en om hun problemen op te lossen. Allah (swt) zegt:

Heden heb Ik uw godsdienst voor u vervolmaakt, Mijn gunst aan u voltooid en Islam voor u als godsdienst gekozen.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Maida 5, vers 3)

Islam is een barmhartigheid van Allah (swt) voor de mensen. Het is hetgeen de mensen leidt naar het Rechte Pad van de juiste manier van leven. De manier van leven waar de problemen die horen bij het leven op de juiste manier opgelost worden. Het leven volgens de geboden en verboden van Allah (swt). Het leven in eerbied, vrij van onderdrukking, uitbuiting en vervolging. Dit is het doel van de Sjari’a van Allah (swt). De Wet van Allah (swt) is er niet om de mensen het leven moeilijk te maken, maar juist om het leven makkelijk te maken, door de problemen die horen bij het leven op de juiste manier op te lossen. En iedere afwijking van de Sjari’a, iedere poging om middels iets anders dan de Wet van Allah (swt) de levens van de mensen ter ordenen, dat is wat de mensheid hier op aarde in het verderf zal storten. Daarom zegt Allah (swt):

En wie niet rechtspreken volgens hetgeen Allah heeft nedergezonden, zij zijn de onderdrukkers.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Maida 5, vers 45)

Ten tweede, de plicht tot zorg voor het welzijn van de machtelozen maakt duidelijk welke taak op onze moslimschouders rust. De les in de soera’s Al Maa’oen en Al Haaqa is dat het enkel woordelijk erkennen van Islam als de enige juiste manier van leven, als de enige oplossing voor de problemen van de mens, niet voldoende is voor degenen die op de Dag des Oordeels tot de overwinnaars wil behoren en het Paradijs wil betreden. Wie dit begrip van Islam niet in handelingen omzet en zich inspant om middels Islam de problemen van de mensen op te lossen, hij zal tot de verliezers behoren op de Grote Dag en hem zal het boek in de linkerhand gegeven worden.

Maar welke handelingen precies zijn dan vereist om het correcte geloof in Islam in de juiste handelingen omgezet te krijgen? Hoe precies, met andere woorden, moet de moslim werken voor de rechten van de wezen en de armen? Allah (swt) zegt:

Jullie zijn het beste volk dat voor de mensheid is verwekt. Jullie gebieden wat goed is, verbieden wat kwaad is en jullie geloven in Allah.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Imraan 3, vers 110)

In dit vers wordt het gebieden van het goede en het verbieden van het kwade tot voorwaarde voor geloof gesteld, naast de aanbidding van enkel Allah (swt). ‘Oemar ibn Al Chattab (ra) zei over dit vers: “Wie van jullie tot deze geprezen gemeenschap wil behoren, laat hem de voorwaarde vervullen die Allah (swt) stelt in dit vers”. (Tafsier Ibn Kathier).

Het “gebieden van het goede en verbieden van het kwade” betekent het inspannen om de juiste oplossingen voor de problemen van de mensen geïmplementeerd te krijgen en te behouden. Dit is het aansporen tot regeren met enkel en alleen Islam, want zo worden de juiste oplossingen voor de problemen van de mensen geïmplementeerd. En enkel hierdoor blijft de mensheid weg van het onrecht en de onderdrukking die onvermijdelijk resulteert wanneer middels koefr over de mensen geregeerd wordt. En hierdoor zal verzekerd worden dat niet enkel de wezen de rechten krijgen die hen toekomen, maar dat al de mensen de hen toekomende rechten zullen krijgen. Voedsel, kleding en onderdak, waar zoveel mensen tegenwoordig enkel maar van kunnen dromen, behoren tot de meest elementaire van deze mensenrechten volgens Islam. De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “De zoon van Adam (as) kent geen groter recht dan een huis waarin hij mag verblijven, een stuk kleed waarmee hij zijn naaktheid mag bedekken, en een stuk brood en wat water.” (At Tirmidhi).

De overwinnaars op de Dag des Oordeels die het Paradijs zullen betreden zijn dus degenen die oproepen tot het regeren met enkel en alleen Islam. Want enkel door de tenuitvoerbrenging van de Sjari’a, namelijk, door de implementatie van de Wet van Allah (swt), worden de rechten van de mensen gegarandeerd. Laat derhalve degene die zich op de Dag des Oordeels ver verwijderd wil zien van degenen die de verliezers zullen zijn, en die daarentegen tot de overwinnaars wil behoren, Allah (swt) op de juiste wijze aanbidden en zich storten op het werk voor de terugkeer van de Islamitische Staat Al Khilafa. Want dit is een voorwaarde voor geloof, en het is het enige Pad naar Succes, in dit leven en het Hiernamaals.

RELATED ARTICLES