Intellectueel

Een kritiek op pragmatisme

De betekenis van pragmatisme

Pragmatisme is een stroming in de filosofie die ontstond tijdens de 19e eeuw. Pragmatisme wordt soms ook “pragmaticisme” genoemd, en deze stroming in de filosofie was een reactie op de destijds dominante stromingen binnen de filosofie. Om het pragmatisme te beschrijven kan men haar derhalve het best vergelijken met de destijds dominante stromingen binnen de filosofie.

Voor wat betreft de zoektocht naar kennis, hetgeen de filosofen epistemologie noemen, hier waren twee contrasterende filosofische ideeën dominant tijdens de 19e eeuw. Enerzijds was er het rationalisme, waaronder beweerd wordt dat kennis enkel resulteert uit een proces van deductie vertrekkende van basisprincipes. De basisprincipes zijn zoiets als “oerkennis” en de aanhangers van het rationalisme erkennen twee bronnen waaruit deze oerkennis resulteert. Ten eerste, sommigen van hen noemen intuïtie, bewerende dat de mens soms dingen weet zonder te weten hoe of waarom hij over deze kennis beschikt. En ten tweede, sommigen van hen noemen de aangeboren natuur van de mens en zij beweren dat de mens wordt geboren beschikkende over bepaalde kennis. Volgens het rationalisme moet het verstand denken, vertrekkende van deze oerkennis, om tot verdere kennis te kunnen komen. Waarnemingen uit de realiteit zijn volgens de rationalisten niet noodzakelijk om tot kennis te kunnen komen. Sterker nog, volgens de rationalisten kunnen waarnemingen niet tot kennis leiden, omdat het nooit zeker is dat de waarnemingen correct de realiteit weergeven. Descartes (1596 – 1650), Spinoza (1632 – 1677) en Leibnitz (1646 – 1716) zijn bekend als de “vaders van het rationalisme”.

Tegenover het rationalisme stond destijds het empirisme, waaronder wordt beweerd dat kennis enkel resulteert uit de ervaring van de mens. Oftewel, uit hetgeen de mens middels zijn waarnemingsorganen waargenomen heeft en de ervaringen die resulteerden uit deze waarnemingen. Volgens de empiristen is kennis dus feitelijk conclusies getrokken uit waarnemingen (induceren, inductie). Francis Bacon (1561 – 1626), John Locke (1632 – 1704), George Berkely (1685 – 1753) en David Hume (1711 – 1776) zijn bekend als de “vaders van het empirisme”.

De “vaders” van het pragmatisme zijn Charles Pierce (1839 – 1914), William James (1842 – 1910) en James Dewey (1859 – 1952). Bij de zoektocht naar kennis moeten volgens hen de rationele methode en de empirische methode niet gezien worden als twee tegenovergestelden, die elkaar uitsluiten en waartussen men moet kiezen, maar als twee methoden die elkaar complementeren. Anders gezegd, de pragmatisten zijn van mening dat zowel de rationele methode als de empirische methode gebruikt moeten worden wanneer men tot kennis probeert te komen. Volgens de pragmatisten, namelijk, moet het proces om tot kennis te komen allereerst beginnen met waarneming van de realiteit. Hierna moet het verstand gebruikt worden om theorieën te ontwikkelen die de waarneming kunnen verklaren. Ten slotte moeten deze theorieën dan in de praktijk getoetst worden om te kunnen oordelen of ze correct zijn of niet. En als ze correct zijn en passen bij de waarneming dan betekent dit volgens de pragmatisten dat nieuwe kennis gevonden is. En als ze niet correct zijn en niet passen bij de waarneming dan betekent dit volgens de pragmatisten dat geen nieuwe kennis gevonden is. Oftewel, de methode voor totstandbrenging van kennis zoals de pragmatisten die voorstaan is dat begonnen wordt met het empirisme; dat vervolgens het rationalisme los gelaten wordt op de waarnemingen die gedaan zijn, om dezen te verklaren; en dat ten slotte wederom middels het empirisme nagegaan wordt of het resultaat van het op de empirie gebaseerde rationalisme inderdaad nieuwe kennis is, of toch niet.

Deze pragmatistische methode voor de vergaring van kennis in een voorbeeld, de empirie leert dat verstoringen van het aardmagnetisch veld en aardschokken altijd tezamen plaatsvinden. Middels rationalisme kan een theorie tot stand gebracht worden over de relatie tussen de verstoringen van het aardmagnetisch veld en aardschokken. Gebruik makend van de empirie, ten slotte, kan dan nagegaan wordt of deze theorie correct is en dus kennis heeft verschaft over verstoringen van het aardmagnetisch veld en aardschokken, of juist niet.

Vanwege hun theorie betreffende de vergaring van kennis zien de pragmatisten kennis niet als iets dat definitief is. Volgens de pragmatisten ontstaat kennis immers als een theorie die gebaseerd is op waarneming bevestigd wordt door verdere waarneming. Maar, zeggen de pragmatisten, het valt nooit uit te sluiten dat iets dat vandaag door de waarneming bevestigd wordt, en dus vandaag als kennis geaccepteerd zal worden, morgen door een nieuwe waarneming ontkracht zal worden. Een voorbeeld dat door de pragmatisten gebruikt wordt om dit idee betreffende kennis te beargumenteren betreft zwarte zwanen. In Europa bestonden historisch gezien enkel witte zwanen. En omdat de Europeanen dus altijd enkel witte zwanen waarnamen trokken zij hieruit de conclusie dat zwanen altijd wit zijn. Omdat al de zwanen die zij zagen inderdaad wit waren, geloofden de Europeanen in deze kennis (“zwanen zijn wit”) en deze kennis was voor hen juiste kennis. Later, echter, toen de Europese ontdekkingsreizigers in Nieuw Zeeland aankwamen, toen zagen zij daar voor het eerst zwarte zwanen. En vanaf dat moment was “zwanen zijn wit” voor hen geen kennis meer maar een onjuist idee. De pragmatisten zeggen dat dit een voorbeeld is van hoe kennis tijdelijk kan zijn.

Deze uiteenzetting van de pragmatische ideeën omtrent epistemologie is noodzakelijk om het pragmatisme binnen de ethiek, waar de filosofen zich bezighouden met de bepaling van “goed” en “kwaad”, goed te kunnen begrijpen. Ook hier onderscheiden de pragmatisten zich met hun ideeën van de in hun tijd dominante filosofische ideeën. Deze dominante ideeën waren absolutisme in ethiek enerzijds, en relativisme in ethiek anderzijds.

Absolutisme in ethiek stelt dat er een maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” bestaat die compleet, constant en één is. Dat wil zeggen, volgens de absolutisten kan een maatstaf ontwikkeld worden waarmee “goed” en “kwaad” beoordeeld kan worden bij al de mogelijke kwesties. Een complete maatstaf, derhalve. Ook geloven de absolutisten dat het oordeel “goed” of “kwaad” onafhankelijk is van de tijd of de omstandigheden. Oftewel, de maatstaf is een constante die altijd op dezelfde manier oordeelt in een kwestie. De absolutisten stellen verdermeer dat er slechts één correcte maatstaf bestaat voor de bepaling van “goed” en “kwaad”, en dat al de mogelijke andere maatstaven om “goed” en “kwaad” mee te beoordelen onjuist zijn.

Daarentegen zegt het relativisme in ethiek dat niet gezegd kan worden dat er slechts één maatstaf bestaat voor de bepaling van “goed” en “kwaad”. Volgens de relativisten, namelijk, is deze maatstaf afhankelijk van culturele, persoonlijke en geschiedkundige omstandigheden. De relativisten zeggen dat voor een persoon afkomstig uit een specifieke cultuur en met specifieke persoonlijke en geschiedkundige omstandigheden een bepaalde handeling mogelijk “kwaad” is, maar dat dezelfde handeling voor een andere persoon afkomstig uit een andere cultuur en met andere persoonlijke en geschiedkundige omstandigheden mogelijk “goed” kan zijn. Want volgens de relativisten moet men bij de beoordeling van “goed” en “kwaad” rekening houden met culturele, persoonlijke en geschiedkundige omstandigheden. En dus kan volgens hen een handeling in de ene omstandigheid “goed” zijn maar in een andere omstandigheid “kwaad”. En dus kan volgens hen een persoon met specifieke culturele, persoonlijke en geschiedkundige omstandigheden niet oordelen over de maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” van een persoon in andere culturele, persoonlijke en geschiedkundige omstandigheden. In feite zeggen de relativisten dus dat er weliswaar een complete en constante maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” bestaat, maar dat er meerdere van deze maatstaven zijn. Eentje voor iedere specifieke culturele, persoonlijke en geschiedkundige omstandigheden, waarbij men niet kan zeggen dat de ene maatstaf beter is dan de andere.

De pragmatisten, ten slotte, ontkennen allereerst de mogelijkheid van het bestaan van een complete maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad”. Hun argument is dat de mens niet eens in staat is geweest om een formule voor het schaakspel te bedenken waaronder wit, ongeacht de zetten van zwart, altijd zal winnen. Terwijl bij het schaakspel het aantal zetten dat zwart mogelijk kan zetten toch beperkt is. Voor de pragmatisten is dit een bewijs dat de complete maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” onmogelijk kan bestaan, omdat de kwesties in verleden, heden en toekomst die met de maatstaf opgelost zouden moeten worden ontelbaar zijn. En, zo zeggen de pragmatisten, als de mens al niet de telbare kwesties op kan lossen middels één regel, maatstaf of formule, dan kan de mens zeker ook niet de ontelbare kwesties op lossen middels één regel, maatstaf of formule.

Ook ontkennen de pragmatisten het bestaan van een constante maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad”. Bij een constante maatstaf zou het oordeel betreffende “goed” en “kwaad” niet veranderen, ongeacht tijd of plaats. Maar dit is onzinnig zeggen de pragmatisten. Hun argumentatie is dat bijvoorbeeld de goede manier van lesgeven afhankelijk is van de persoon aan wie les gegeven wordt (vergelijk de kleuter met de universiteitsstudent), de tijd waarin lesgegeven wordt (vergelijk de jeugd van de 19e eeuw met de jeugd van de 21e eeuw) en zelfs van de locatie waar les gegeven wordt (vergelijk de jeugd in China met de jeugd in Amerika). Volgens de pragmatisten is de bepaling van “goed” en “kwaad” evenzo afhankelijk van factoren die kunnen veranderen. Daarom zeggen de pragmatisten dat de maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” flexibel is, oftewel rekening houdt met de situatie, in plaats van constant en altijd hetzelfde. En dus dat iets wat vandaag “goed” is dit morgen niet meer hoeft te zijn omdat morgen de omstandigheden anders kunnen zijn.

Tegelijkertijd, echter, verwerpen de pragmatisten het idee van de relativisten dat er meerdere maatstaven bestaan om “goed” en “kwaad” mee te beoordelen. De pragmatisten geloven weliswaar niet dat er een complete, constante maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” te vinden is, oftewel dat een maatstaf bepaald kan worden die op alle mogelijke situaties “goed” en “kwaad” kan beoordelen en dat dit oordeel altijd hetzelfde zal zijn ongeacht omstandigheid, tijd en plaats. Maar de pragmatisten zeggen dat wel beoordeeld kan worden of een specifiek oordeel “beter” of “slechter” is dan een ander oordeel. De pragmatisten zeggen: vanwege de beperktheid van de mens kan deze misschien niet zeggen wie de perfecte leraar is, maar hij kan toch wel zeggen wie een betere en wie een slechtere leraar is. Oftewel, zo zeggen de pragmatisten, omdat de mens zelf niet perfect is kan hij niet de perfecte maatstaf vinden om “goed” en “kwaad” mee te bepalen, maar hij kan wel de betere van de slechtere maatstaven leren onderscheiden.

Er bestaat volgens de pragmatisten dus geen kant-en-klare, vooraf vastgestelde maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad”. Daarom moet de mens volgens de pragmatisten op zoek naar de correcte maatstaf. En net zoals bij de zoektocht naar kennis zou ook bij de zoektocht naar de correcte maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” de pragmatistische methode gehanteerd moeten worden, die gebaseerd is op zowel rationalisme als empirisme. De mens zou gebruik moeten maken van de ideeën en maatstaven waarmee de absolutisten aankomen, zo zeggen de pragmatisten, maar de mens zou dezen niet a priori voor waar aan moeten nemen. De mens zou dezen moeten toetsen in de praktijk, om na te gaan welke van de ideeën en maatstaven hem het beste bevalt. De maatstaf die naar het oordeel van de mens in de praktijk de beste resultaten laat bestaan, die is volgens de pragmatisten dan de correcte maatstaf.

Maar, volgens de pragmatisten is deze maatstaf noch compleet, noch constant. Een specifieke maatstaf kan volgens de pragmatisten weliswaar bij een specifieke kwestie de juiste zijn, dit betekent volgens hen niet dat dezelfde maatstaf ook bij andere kwesties de juiste zal zijn. Enkel toetsing van de maatstaf in de praktijk van de andere kwestie kan dit bewijzen, zeggen de pragmatisten. Daarom zeggen de pragmatisten dat bij alle kwesties het proces van toetsing in de praktijk opnieuw doorlopen moet worden. En dit betekent dat volgens de pragmatisten geen enkele maatstaf compleet is. Ook kan het volgens de pragmatisten voorkomen dat een maatstaf in specifieke omstandigheden bevalt, maar dat dezelfde maatstaf in andere omstandigheden niet bevalt. Dus ook wanneer de omstandigheden veranderen dan moet volgens de pragmatisten het proces van toetsing in de praktijk opnieuw doorlopen worden. Wat betekent dat volgens de pragmatisten het proces van toetsing in de praktijk continue doorlopen moet worden omdat de omstandigheden altijd aan verandering onderhevig zijn. En dit betekent dat volgens de pragmatisten geen enkele maatstaf constant is.

Vandaag de dag is dit pragmatisme van invloed op vele van de bereiken van het leven. In het bijzonder in de politiek is pragmatisme sterk van invloed. Wanneer politici slogans gebruiken zoals “de tijd van praten is geweest, we moeten nu oplossingen hebben die werken”, dan is dit een uiting van de invloed van het pragmatisme. En wanneer ideeën voor de oplossingen van problemen besproken worden en er gezegd wordt “we moeten wel realistisch blijven”, dan is dat eveneens een uiting van de invloed van het pragmatisme.

Een kritiek op de ethiek van pragmatisme

De pragmatisten zijn correct wanneer zij zeggen dat de mens onmogelijk een complete ethische moraal, een maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad”, tot stand kan brengen. Want de mens is beperkt in wat hij weet. We kunnen zien dat het verstand van de mens zelfs de bestaande problemen niet kan oplossen. Het is daarom onvoorstelbaar dat de mens in staat zal zijn een oplossing te bedenken voor de bepaling van “goed” en “kwaad” voor al de mogelijke kwesties van zowel verleden, heden en toekomst. Oftewel, ook voor de kwesties die zich nog voor moeten doen.

De pragmatisten zijn ook correct wanneer zij zeggen dat de mens onmogelijk een constante ethische moraal, een universele maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad”, tot stand kan brengen. Want het kan waargenomen dat het denken van de mens wordt beïnvloedt door de omstandigheden waarin hij opgegroeid is en de omstandigheden waarin hij verblijft. De door de mens verzonnen ethische moraal zal daarom altijd beïnvloedt zijn door de omstandigheden waarin de verzinner van de ethische moraal is opgegroeid en de omstandigheden waarin hij verblijft. En dit impliceert dat de toepasbaarheid van deze ethische moraal altijd beperkt zal zijn tot de plaats en de tijd waarin de verzinner van de ethische moraal is opgegroeid en waarin hij verblijft.

Dus om in pragmatisten-termen te spreken, de empirie bevestigt het idee van beperktheid en feilbaarheid van de mens. Maar de vraag is: waarom concluderen de pragmatisten hieruit dat er geen complete, constante ethische moraal kan bestaan? Zij mogen dit eigenlijk enkel concluderen als ze aangetoond hebben dat er naast de mens geen enkel ander wezen met verstandelijk vermogen bestaat, of dat de andere wezens met verstandelijke vermogens allen inferieur aan de mens zijn in termen van intellectualiteit en/of kennis. Als de pragmatisten dit aangetoond zouden hebben, dan zouden ze kunnen zeggen “als de mens het niet kan, dan kan niemand het”. Maar, de pragmatisten hebben zich niet met deze vragen bezig gehouden. Ze hebben niet onderzocht of er een ander wezen met verstandelijk vermogen bestaat, en of de andere wezens met verstandelijke vermogens werkelijk allen inferieur aan de mens zijn in termen van intellectualiteit en/of kennis. Ze hebben het idee “als de mens het niet kan, dan kan niemand het” niet in de praktijk onderzocht. Wat betekent dat de pragmatisten hier niet hun eigen opvattingen gevolgd hebben en op vooringenomen basis gedacht hebben.

Zouden de pragmatisten deze kwesties op de juiste wijze onderzocht hebben, of er ander wezens met verstandelijk vermogens bestaan en of de andere wezens met verstandelijke vermogens inferieur zijn aan de mens in termen van intellectualiteit en/of kennis, dan zouden de pragmatisten ingezien hebben dat er een wezen bestaat die in termen van capaciteit niet met de mens te vergelijken valt. Een wezen dat alwetend is, die de kennis zelve is: Allah (swt). De waarneembare realiteit bewijst namelijk het bestaan van de Schepper. Alles in het universum is immers beperkt in tijd, behoeftig en afhankelijk van andere dingen die bestaan. Als men bij deze waarneming na denkt over de mogelijke verklaringen voor het bestaan van het universum – het heeft altijd zo bestaan en kent geen begin en geen eind, of het heeft zichzelf tot bestaan gebracht, of het is door Allah tot bestaan gebracht – dan is de enige verklaring die het verstand kan accepteren dat Allah (swt) het tot bestaan heeft gebracht. Want iets dat een begin en een einde kent kan niet altijd hebben bestaan. En iets dat in zijn bestaan afhankelijk is van andere dingen die bestaan kan zichzelf niet tot bestaan hebben gebracht. Dus de Almachtige Schepper Allah (swt) moet wel bestaan, omdat anders dit universum niet bestaan zou kunnen hebben. Als vanzelfsprekend is de Almachtige Schepper de kennis zelve. Hij (swt) heeft alles geschapen en dus kent en weet Hij (swt) alles. En omdat Zijn (swt) bestaan bewezen is, en omdat Hij (swt) wel Alwetend moet zijn, is het mogelijk dat er een complete, constante ethische moraal bestaat. Want Hij (swt) is in staat om een complete, constante ethische moraal te geven aan de mens, die alle mogelijke kwesties op de juiste manier oplost. En Hij (swt) heeft ons deze complete, constante ethische moraal gegeven middels Islam.

Als we dan ingaan op de details van hetgeen de pragmatisten zeggen, zij zeggen dus dat de mens moet oordelen of een bepaalde maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” de juiste maatstaf is, en wel door te zien of deze maatstaf het naar het oordeel van de mens gewenste resultaat tot stand brengt. Deze opvatting is voor verschillende redenen problematisch.

Ten eerste, de mens moet dus zien of een maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” het gewenste resultaat tot stand brengt. Maar de vraag is dan, wat is precies een wenselijk resultaat en wat is een onwenselijk resultaat? Om dit te kunnen bepalen heeft de mens een maatstaf nodig. Oftewel, om volgens de methode van de pragmatisten de juiste maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” vast te kunnen stellen heeft de mens een maatstaf nodig waarmee hij het “wenselijke resultaat” en het “onwenselijke resultaat” vast kan stellen. Maar volgens de opvatting van de pragmatisten mag de mens geen maatstaf aannemen zonder deze getoetst te hebben. Hij moet eerst de maatstaf toetsen om te zien of deze het gewenste resultaat heeft of niet. Dus, ook de mogelijke maatstaven voor de bepaling van het “wenselijke resultaat” moeten getoetst worden in de praktijk. En degene die het wenselijke resultaat heeft moet dan geadopteerd worden als de juiste maatstaf voor de bepaling van het “wenselijke resultaat”. En dan zijn we in een vicieuze cirkel geraakt: de juiste maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” laat het gewenste resultaat tot stand brengt; om vast te kunnen stellen wat precies het wenselijke resultaat is, is een maatstaf nodig; de juiste maatstaf voor de bepaling van het wenselijke resultaat moet vastgesteld worden door te kijken welke van de mogelijke maatstaven voor de bepaling van het wenselijke resultaat het wenselijke resultaat laat bestaan; dus ook voor de bepaling van de juiste maatstaf voor de bepaling van de juiste maatstaf voor de bepaling van het wenselijke resultaat is een maatstaf nodig; et cetera, et cetera…

Ten tweede, de mens beschikt feitelijk maar over één maatstaf indien hij niet een externe maatstaf mag aannemen zonder deze getoetst te hebben. Dit is zijn interne maatstaf. De interne maatstaf waarover de mens beschikt kijkt of zijn organische en instinctieve behoeftes bevredigd worden. Als dezen bevredigd worden dan oordeelt de interne maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” dat het goed is, en als dezen niet bevredigd worden dan ook oordeelt de interne maatstaf voor de bepaling van “goed” en “kwaad” dat het kwaad is. De mens deelt deze interne maatstaf met de dieren. Ook de dieren beschikken over deze interne maatstaf en dit is de enige maatstaf die zij gebruiken. Daarom eet de koe geen stenen want dit bevredigt hem niet, maar eet hij wel gras. Ongeacht of dit gras nu van zijn eigenaar is (en hij dus toestemming heeft om het te eten) of van de buurman (en hij dus geen toestemming heeft om het te eten), want dit zijn overwegingen die de capaciteit van de interne maatstaf voor de bepaling van goed en slecht te boven gaan. Als de mens op deze manier “goed” en “kwaad” zou beoordelen, dan zou hij zich dus verlagen tot het niveau van de dieren. En dit is het niveau waartoe de pragmatisten de mensen oproepen. Want hun idee staat niet toe dat de mens een externe maatstaf a priori aanneemt, hij moet de externe maatstaven immers altijd eerst toetsen. Maar dit kan de mens feitelijk niet, hij geraakt dan in een vicieuze cirkel zoals hierboven uitgelegd. Dus als de mens geen externe maatstaf aan mag nemen, dan kan hij enkel nog de interne maatstaf aannemen en zich verlagen tot het niveau van de dieren.

Bovendien, wie zegt dat de mens zijn interne maatstaf moet aannemen als rechter voor de bepaling van “goed” en “kwaad”, die is effectief een aanhanger van het absolutisme in ethiek waartegen het pragmatisme zich zegt te verzetten. Want wie zegt “geen externe maatstaf a priori aannemen”, die zegt eigenlijk “altijd de interne maatstaf gebruiken”. En dit is een vorm van absolutisme.

Ten vierde, de pragmatisten lijken effectiviteit te verwarren met ethiek, althans hierop duiden de voorbeelden die zij geven ter argumentatie van hun idee dat de mens vast kan stellen waar en wanneer het resultaat slecht, goed of beter is. Zoals reeds gezegd gebruiken de pragmatisten ondermeer lesgeven als voorbeeld. De pragmatisten zeggen dat alhoewel men niet kan zeggen welke methode van lesgeven de beste is, omdat dit kan verschillen van tijd tot tijd en van plaats tot plaats, men wel kan zeggen welke methode van lesgeven beter is en welke slechter. Maar de vraag “hoe zal ik lesgeven?” is anders dan “zal ik stelen?”. Bij lesgeven is het onderwerp dus niet een ethische kwestie maar een kwestie van effectiviteit. Terwijl effectiviteit en ethiek toch echt verschillende onderwerpen zijn. Effectiviteit valt onder de economische wetenschap en niet onder de filosofische wetenschap van de ethiek. Men kan de realiteit van lesgeven dus niet hanteren om ideeën betreffende ethiek te beargumenteren, omdat dit twee verschillende onderwerpen zijn. En men kan ook niet zeggen dat “goed” en “kwaad” bepaald moeten worden op basis van effectiviteit, want dan heft men feitelijk het onderwerp ethiek op ten gunste van het onderwerp effectiviteit.

Een kritiek op de pragmatische politiek

In het bereik van de politiek is het pragmatisme de doodsteek wanneer problemen resulteren uit een systeem, in plaats van uit de manier van tenuitvoerbrenging van een systeem. Als de problemen te maken hebben met de manier waarop het systeem ten uitvoer wordt gebracht, dan is de oplossing voor dit probleem een aanpassing van de manier waarop het systeem ten uitvoer wordt gebracht. Dit is iets wat aan de orde van de dag is in de kapitalistische wereld. Daarom worden ieder jaar duizenden pagina’s met nieuwe wetten uitgevaardigd, omdat men van mening is dat het systeem aangepast moet worden.

Maar het is anders wanneer het probleem resulteert uit het systeem. Een voorbeeld van een probleem dat resulteert uit het systeem is de huidige crisis op de financiële markten. Deze schuldcrisis is reeds door zovele eerdere schuldcrises voorafgegaan dat van een unieke situatie niet meer gesproken kan worden. Derhalve moet geconcludeerd worden dat deze crises onderdeel zijn van het kapitalistische economische systeem. Vroeger of later zullen zij altijd weer plaatsvinden. Een ander bewijs dat de crises echt resulteren uit het systeem van kapitalisme is het feit dat de oplossing voor deze crises altijd gezocht wordt in maatregelen die tegen de kernwaarden van het systeem ingaan. Het kapitalisme staat voor vrijheid en beperking van de rol van de overheid in het leven, maar om de crises op te lossen worden socialistische maatregelen geïmplementeerd zoals nationalisatie van banken en overheidscontrole over marktwerking. Dit betekent dat het systeem deze crises niet kan op lossen, wat ook aangeeft dat deze crises horen bij het systeem.

Als een probleem onderdeel is van het systeem dan kan aanpassing in de tenuitvoerbrenging van het systeem het probleem onmogelijk oplossen. De oplossing van een probleem dat onderdeel is van het systeem, dat resulteert uit het systeem, vereist namelijk verandering van systeem. Het onjuiste systeem moet weggedaan worden en ingeruild worden voor het correcte systeem. De oplossing van een probleem dat onderdeel is van het systeem vereist revolutie, met andere woorden. Revolutie, echter, wordt altijd als “irrealistisch” beschouwd en de mensen die spreken over revolutie worden altijd “idealisten” genoemd. Dus de pragmatische politicus zal nooit de echte oplossing aandragen voor een probleem dat voortkomt uit het systeem. Voor hem zijn revolutionaire oplossingen immers altijd irrealistische dromen. En dit toont aan dat de pragmatische politicus een probleem dat voortkomt uit het systeem nooit zal op kunnen lossen.

De pragmatische politicus is zelfs een opstakel voor de oplossing van het probleem indien het probleem resulteert uit het systeem in plaats van uit de manier van tenuitvoerbrenging van het systeem. Hij zal de oplossing desalniettemin toch altijd zoeken in aanpassing van de manier van tenuitvoerbrenging van het systeem, omdat enkel dit “realistische” oplossingen worden geacht. Op deze manier zal hij de revolutionairen die de noodzakelijke verandering van systeem voorstaan, altijd tegenwerken. Door de mensen te laten denken dat het probleem niet in het systeem is, maar in de manier van uitvoering van het systeem. Zelfs wanneer dit in de realiteit niet zo is.

Back to top button