Christiaan Snouck Hurgronje was een Nederlandse oriƫntalist van internationale faam. Een grootheid binnen zijn vakgebied, mag men wel zeggen. Het feit dat de mensen die de hedendaagse kruistocht tegen Islam zich door hem geleid voelen, is een goede reden eens te kijken naar wie deze Christiaan Snouck Hurgronje precies was.
De mens Snouck Hurgronje
Christiaan Snouck Hurgronje werd op 8 februari 1857 geboren te Oosterhout, Noord-Brabant. Zijn vader was Jacob Julianus Snouck Hurgronje (1812 ā 1870), een predikant van de Nederlands-Hervormde kerk. Jacob Julianus Snouck Hurgronje was voor een tijd uit zijn ambt gezet geweest omdat hij, terwijl hij getrouwd was met Adriana Magdalena van Adrichem (1813 ā 1854), een affaire had met Anna Maria de Visser (1819 ā 1892). Na het overlijden van Adriana kon Jacob in 1855 eindelijk met Anna Maria trouwen. Hierop keerde hij terug in het priesterambt en uit dit huwelijk werd Christiaan geboren.
De moeder van Christiaan Snouck Hurgronje was afkomstig uit een geslacht van predikanten. Haar grootvader was de beroemde Nederlands Hervormde predikant Jan Scharp (1756 ā 1829). Jan Scharp was ook actief binnen de zending. Om zendelingen te helpen bij hun pogingen om moslims te bekeren tot het christendom schreef hij in 1824 een boek over Islam.
Christiaan Snouck Hurgronje doorliep de HBS (hogereburgerschool) in Breda van 1870 tot 1874. Hierna begon hij in 1874 een studie theologie in Leiden, met als doel zelf ook Nederlands-Hervormde predikant te worden. Hij studeerde in 1878 af in de theologie, maar op dat moment was zijn geloof in de christelijke leer al sterk verwaterd. Snouck ging daarom verder met studeren. Hj begon een studie semitische talen met als specialisatie Arabisch en Islam. In 1880 promoveerde hij ook hierin, cum laude, op zijn onderzoek naar de Hadj van de moslims. Dit onderzoek resulteerde in het boek āHet Mekkaansche feestā, dat Snouck opdroeg aan zijn moeder.
Hierna, tijdens 1881, nam Snouck voor enige tijd speciale lessen bij de op dat moment wereldberoemde Duitse oriƫntalist Theodoor Nƶldeke, alvorens zelfstandig als oriƫntalist aan de slag te gaan.

Een jonge Christiaan Snouck Hurgronje.
De wetenschapper Snouck Hurgronje
Snouck was vrienden met collega oriĆ«ntalist Ignac Goldziher (1850 ā 1921), een Hongaarse jood die ook een tijd in Leiden had gestudeerd. In 1873 had Goldziher een beurs gekregen van de Hongaarse regering om een reis te maken door Palestina, Asj Sjaam en Egypte. Deze reis had hem de mogelijkheid gegeven om als eerste niet-moslim lessen te volgen aan de Al Azhar universiteit in CaĆÆro. De ervaringen opgedaan tijdens deze reis beschreef Goldziher in een boek en dit maakte van hem een wereldberoemde oriĆ«ntalist.
Snouck ambieerde eenzelfde positie binnen de oriĆ«ntalistiek en in 1884 kreeg hij zijn kans. De Nederlandse consul in Djeddah, heden ten dage in Saoedi-ArabiĆ« maar op dat moment nog onderdeel van de Islamitische Staat Al Khilafa, J.A. Kruyt, zorgde ervoor dat het Nederlandse Ministerie voor KoloniĆ«n Snouck een beurs gaf van 1500 gulden waarmee hij een reis naar en verblijf in Mekka kon bekostigen. Snouck was niet een moslim, echter, en dat was wel een probleem omdat niet-moslims niet in Mekka toegelaten worden. Snouck reisde daarom eerst naar Djeddah, waar het Nederlandse consulaat gevestigd was. Na enige tijd in het consulaat gewoond te hebben trok hij op 1 januari 1885 in bij Raden Hadji Aboe Bakr Djajadiningrat, een Indonesische edelman uit Pandeglang. Vanaf dat moment gebruikt Snouck de naam āAbdoel Ghaffaar en deed hij zich voor als bekeerling tot Islam. Op 5 januari liet hij zich zelfs besnijden. En toen hij weer later op 16 januari 1885 bezoek krijgt van de rechter van Djeddah, Ismaāiel Agha, en twee vertegenwoordigers van de walie [2] van de Khalifa voor de Hidjaaz, legde hij in hun bijzijn officieel de Islamitische geloofsgetuigenis de sjahada af. De volgende dag werd Snouck geĆÆnformeerd dat de wali van de Khalifa voor de Hidjaaz, wiens officiĆ«le kantoor in Mekka was, hem uitnodigde om als zijn gast naar Mekka te reizen.
Snouck zelf verklaarde dat zijn bekering tot Islam niet oprecht was maar een door hem noodzakelijk geachte was om zijn doel, een verblijf in Mekka, te kunnen realiseren. In een brief aan zijn vriend Ignaz Goldziher op dezelfde dag als zijn officiĆ«le bekering zei hij: āVoor u wil ik niet verhullen dat ik mogelijk of zeer waarschijnlijk naar Mekka zal reizen (…). Zonder het veinzen van Islam (Izhaar al Islam) gaat dat natuurlijk niet.ā
Snoucks vermomming als moslim was succesvol. Brieven die hij tijdens zijn verblijf in Mekka ontving waren geadresseerd aan āAbdoel Ghaffaar en ze noemden Snouck ābroeder in naam van Allahā. Snouck ontving ook per brief bericht dat de geleerden van Mekka hem als moslim geaccepteerd hadden en niet aan zijn bekering twijfelden. En dus dat hij de door hen gegeven lessen mocht bijwonen. Wat Snouck vervolgens ook deed.
Snouck Hurgronje als moslim in Mekka.
Na vijfeneenhalve maand, echter, slechts enkele dagen voor de aanvang van de bedevaart, moest Snouck halsoverkop uit Mekka vluchten omdat vanuit de Franse ambassade geruchten werden verspreid dat Snouck niet oprecht was en in Mekka verbleef om heiligheden te stelen. Zo kwam slechts enkele dagen voor het begin van de bedevaart een einde aan het verblijf van Snouck in Mekka.
Terug in Nederland begon Snouck te werken aan een boek over zijn ervaringen in de Heilige Stad. Waar zijn eigen aantekeningen te kort schoten daar hielp zijn vriend Raden Aboe Bakar hem middels brieven. In 1888 kon Snouck zo het boek āMekkaā publiceren dat van hem ook een wereldberoemd oriĆ«ntalist maakte. Ongeveer 100 van de 300 paginaās van het boek zijn gebaseerd op de brieven van Raden Aboe Bakar, zoals de behandelingen van het persoonlijke leven der Mekkanen en de biografieĆ«n van de Indonesische āoelemaaās [3] in Mekka. Maar Snouck maakt echter geen enkele melding van de hulp van Raden Aboe Bakr in zijn boek en deed alsof al de informatie in het boek door hemzelf verzameld was.
Zijn faam als oriĆ«ntalist was op dat moment zo groot dat zowel de Universiteit Leiden als de Universiteit van Cambridge hem een hoogleraarschap aanboden. Maar Snouck wees beide aanbiedingen af om onderzoek te doen naar Islam in IndonesiĆ«. Op 1 april 1889 verliet Snouck Nederland hiervoor. Ook in IndonesiĆ« deed hij zich voor als moslim en liet hij zichzelf āAbdoel Ghaffaar noemen. Hij reisde er rond, gewoonlijk onder begeleiding van IndonesiĆ«rs met wie hij in Mekka vrienden had gemaakt. Raden Hadji Hasan Moestafa uit Garoet vergezelde hem bijvoorbeeld op zijn eerste reis door West- en Midden-Java. Snouck vertrok hiervoor op 15 juli 1889 uit Batavia. [4] Hij bezocht achtereenvolgens Soekaboemi, Bandoeng, Garoet, Tjalintjing, wederom Garoet, Ceribon, Mangoenredja, Ciamis, wederom Ceribon, Tegal, Pekalongan, Wiradesa, Boemiadjoe, Banjoemas, Poerbollinggo, Wonosobo, Poerworedjo, Keboemen, wederom Garoet en Ciandjoer, en keerde terug in Batavia in januari 1890. In een brief aan de Duitse oriĆ«ntalist Theodoor Nƶldeke op 12 november 1889 schreef Snouck over zijn reis: āRuim drie maanden ben ik thans onderweg en ik heb de belangrijkste punten in 6 van Javaās 26 residentiĆ«n bezocht, intiem kennis gemaakt met het hoogst interessante volksleven der Soendanezen [5] en West-Javanen, vooral met de godsdienstige zijde ervan, maar ook met allerlei van de hier zo geliefde en geĆ«erde āadatā [6]…ā.
Van 16 juli 1891 tot begin februari 1892 verbleef Snouck vervolgens in Atjeh. Hij leerde er als eerste Nederlander de taal van Atjeh, waarover hij in 1900 een boek publiceerde: āAtjehsche taalstudiĆ«nā. En wederom samen met Raden Hadji Hasan Moestafa uit Garoet reisde Snouck langs de pesantrens [7] van Atjeh om inzicht te krijgen in het religieus onderwijs aldaar. Op basis hiervan publiceerde Snouck het boek āDe Atjehersā, in twee delen verdeeld over 1893 ā 1894. āDe Atjehersā is een antropoligisch boek dat alle facetten van het leven der Atjehers beschrijft, zoals hun politieke situatie, hun religieuze situatie, hun taal, hun tradities en gewoonten, et cetera.
In 1906, uiteindelijk, keerde Snouck terug naar Nederland om alsnog in Leiden hoogleraar Arabische taal te worden. Hij zou dit blijven tot 1927.
In 1914 en 1915 reisde Snouck op uitnodiging langs verschillende Amerikaanse universiteiten om gastcolleges te geven. Zijn lezingen daar werden in 1916 in boekvorm gepubliceerd onder de titel āMohammedanism: Lectures on Its Origin, Its Religious and Political Growth, and Its Present Stateā. Deze lezingen zetten Snouckās visie op Islam goed uiteen.
Volgens Snouck is Islam het verzinsel van de Profeet Mohammed (saw). Hij zei: āZelfs voor de delen (van de Koran) die we wel begrijpen, zijn we niet in staat om de chronologische ordening vast te stellen die nodig is om inzicht te verkrijgen in de persoonlijkheid en het werk van Mohammed.ā Deze opmerking impliceert dat Snouck van mening was dat de Profeet Mohammed (saw) de Koran had verzonnen, omdat volgens hem uit de Koran de persoonlijkheid van de Profeet Mohammed (saw) blijkt. Zoals de persoonlijkheid van een schrijver blijkt uit het boek dat hij schrijft. De Profeet Mohammed (saw) had volgens Snouck wat dingen geleerd over het jodendom en het christendom en op basis daarvan de Koran gemaakt. Hij zei: āWe zullen waarschijnlijk nooit weten door interactie met wie dat het kwam dat Mohammed wat kennis verkreeg van de inhoud van de heilige boeken van het jodendom en christendom: waarschijnlijk was het middels verschillende mensen en over een behoorlijke periode van tijd. Het waren geen geleerde mannen die de in hem ontluikende nieuwschierigheid bevredigden, want anders kunnen de behoorlijke verwarde ideeĆ«n (in de Koran) niet verklaard worden. Verwarringen (…) kunnen toegeschreven worden aan onjuist begrip door Mohammed (saw) zelf, die dit (voor hem) vreemde materiaal niet allemaal in ƩƩn keer kon begrijpen. Maar de onjuiste weergave van jodendom en christendom (in de Koran) en een aantal andere vormen van openbaring (…) zouden niet bestaan kunnen hebben als hij (Mohammed) kennis had gemaakt met joods of christelijk geleerde mannen.ā Daarom, zei Snouck, was de ethiek van Islam niet veel anders dan een samenraapsel van de ethiek uit het oude en het nieuwe testament. Hij noemde de Koran daarom een ārijke authentieke bron (…) van aanmoedigingen tot de beoefening van de vleselijke deugden uit het oude en het nieuwe testament…ā.
Voor wat betreft de hadieth, volgens Snouck waren dezen grotendeels verzonnen door de moslims: āIn de eerste eeuwen van Islam kon niemand zich een andere manier voorstellen om een doctrine of idee geaccepteerd te krijgen, dan door een hadieth in omloop te brengen, volgens welke Mohammed de doctrine verkondigd had of voorgeschreven had of ervolgens geleefd hadā. Volgens Snouck was Islam niet af bij de dood van de Profeet Mohammed (saw) en waren vele belangrijke zaken onbesproken gebleven. Dus verzonnen de moslims na de dood van de Profeet Mohammed (saw) hadieth om deze problemen op te kunnen lossen, en om deze oplossingen geaccepteerd te krijgen door de mensen. Bijvoorbeeld de bekende boeken over het leven van de Profeet Mohammed (saw), de siera boeken, waren daarom verzinsels volgens Snouck. āDe generaties die werkten aan de biografie van de Profeet waren te ver verwijderd van zijn tijd om correcte gegevens en opvattingen te hebben; en, bovendien, het was niet hun doel om de geschiedenis te kennen zoals deze was, maar om er een beeld van te schetsen zals het had moeten zijn naar hun mening.ā
Met zijn opvatting betreffende de hadieth en de siera stelt Snouck feitelijk ook dat de moslim auteurs allemaal onbetrouwbaar waren. Dit was meest waarschijnlijk ook gewoon zijn mening en daarom zei hij waarschijnlijk betreffende uitleg van de Koran, oftewel tafsier: āWe moeten er naar streven om onze uitleg van de Koran onafhankelijk te laten zijn van overleveringenā. Met andere woorden, wat de Koran volgens de moslims betekent doet er niet toe volgens Snouck. De uitleg van de moslims was onbetrouwbaar en meest waarschijnlijk fout.
De politiek adviseur Snouck Hurgronje
Snouck leefde tijdens de hoogtijdagen van het kolonialisme. Nederland was de koloniale heerser over IndonesiĆ« en de Nederlandse kranten berichtten daarom geregeld over de gebeurtenissen en voorvallen in āNederlands-IndiĆ«ā. Bovendien bevatten de Nederlandse kranten geregeld opiniestukken die ingingen op de problemen voor de Nederlanders in IndonesiĆ« en die adviezen formuleerden ter oplossing van deze problemen. De koloniale politiek, met andere woorden, was een vraagstuk dat leefde in Nederland. Een groot probleem voor Nederland in IndonesiĆ« was het verzet door de IndonesiĆ«rs tegen de Nederlandse overheersing. Dit verzet was in hoofdzaak gemotiveerd door Islam. IndonesiĆ« probeerde zich vrij te vechten van Nederland om terug eenheid met de rest van de Islamitische wereld tot stand te brengen in de Islamitische Staat Al Khilafa [8]. Vooral in Atjeh was dit het geval en in Atjeh voerde Nederland daarom vanaf 1873 continu en zonder veel succes oorlog. Islamitische geleerden in IndonesiĆ«, velen waarvan naar Mekka waren gereisd voor de bedevaart maar daar ook Islam hadden gestudeerd, speelden bij dit verzet vaak de rol van leider en aanvoerder.
Het is duidelijk dat Snouck zich realiseerde dat hij, als Islamkenner, een belangrijke rol zou kunnen spelen in deze kwestie. En vanaf het prille begin van zijn carriere als oriĆ«ntalist probeerde hij in deze kwestie ook een rol te spelen. Bijvoorbeeld in zijn dissertatie, het boek āDe Mekkaansche feestenā, verwerkte Snouck het volgende advies aan de Nederlandse regering voor wat betreft het koloniaal beleid: āWaar in Nederlands-Oost IndiĆ« de Hadjiās een nadelige invloed uitoefenen op de bevolking, daar behoort men zo gestreng mogelijk de bepalingen toe te passen, ook met het doel het aantal Mekkagangers te doen verminderen.ā
Maar ook Snouckās reis naar Mekka was niet zo puur wetenschappelijk als men het deed voorkomen. De reden dat de Nederlandse consul in Djeddah J.A. Kruyt ervoor zorgde dat Snouck een beurs kreeg van de Nederlandse overheid om deze reis te maken was namelijk omdat de consul in Mekka een geheim agent wou hebben die voor Nederland kon spioneren onder de Indonesische Hadj-gangers. Daarom was het meest waarschijnlijk niet toevallig dat het huis dat Snouck samen met Raden Aboe Bakr betrok in Djeddah uitkeek op het huis van een vooraanstaande edelman uit Atjeh, dat door Hadj -gangers uit Atjeh als een soort van hotel gebruikt werd. Ook in zijn boek over zijn tijd in Mekka verwerkte Snouck vervolgens een advies aan de Nederlandse regering voor wat betreft het koloniaal beleid: de koloniale overheid moest de terugkerende Hadj -gangers in de gaten houden en proberen hun sympathie te winnen. Lukte dit niet, zei Snouck, dan moest de overheid er alles aan doen om ze onschadelijk te maken.
Snouckās latere reis naar IndonesiĆ« was in feite een spionageopdracht vermomd als wetenschappelijk onderzoek. Snouck zelf had hierom gevraagd: āNaar aanleiding van het mondeling onderhoud, dat ik de eer had met Uwe Excellentie [9] te voeren, neem ik de vrijheid, op het vroeger in een particulier schrijven door mij gedane verzoek om naar Atjeh te worden gezonden, terug te komen…ā. De Nederlandse regering ging op zijn verzoek en stuurde hem dan ook als hun agent. Snouck wilde zich in eerste instantie concentreren op Atjeh: āAlvorens naar IndiĆ« te vertrekken (…) zette ik den minister uiteen, dat, waar vooral de politieke betekenis van den Islam de regeering interesseerde, Atjeh een voorname plaats zou bekleeden onder de objecten van mijn onderzoek.ā Daarom stuurde de Nederlandse regering een brief naar haar hoofden van de Indische gewesten betreffende de komst van Snouck, waarin zij hen de volgende opdracht gaf: ā(Dat) directe bemoeing met dit onderzoek van U of U ondergeschikte ambtenaren zorgvuldig dient te worden vermeden, opdat het officiĆ«le karakter ervan tegenover de inlandse bevolking zoo weinig mogelijk op de voorgrond trede, wat voor de resultaten ervan hoogst schadelijk zou zijn.ā Met andere woorden, de koloniale regering had de opdracht zich in het openbaar zo ver als mogelijk van Snouck te houden om hem te helpen het vertrouwen van de Indonesische moslims te winnen.
In Nederland, echter, was deze realiteit van Snouckās missie algemeen bekend. Vele mensen hoopten dat Snouck de Nederlandse problemen voor eens en voor altijd op zou kunnen lossen en verschillende kranten probeerden daarom hun lezers op de hoogte te houden van Snouckās reilen en zeilen in IndonesiĆ«. Tot er in de krant de N.R.C. een ingezonden brief verscheen: āIn onzer bladen kan men van tijd tot tijd berichten vinden over Dr. Snouck Hurgronje, zijn persoon, zijn verblijf in onze koloniĆ«n en zijn zending. Ik zou den redactie dier bladen, der Indische vooral, met aandrang willen verzoeken daarmee op te houden, zij doen er geen goed werk aan. Het doel van dr. S.H. is onder de Mohammedanen zelf den Islam te leeren kennen, en daarmede de groote beweging in onzer Oost, die zich onder de fanatieke leiding der hadjiās voortplant, en reeds in bloedigen toneelen van hare beteekenis heeft doen blijken.ā Deze ingezonden brief was dus een oproep om niet meer spreken over de reis en het werkelijke werk van Snouck, zodat dit geheim gehouden zou kunnen worden voor de IndonesiĆ«rs.
Toen Snouck vertrok naar IndonesiĆ« was het plan dat hij incognito naar de binnenlanden van Atjeh zou reizen om te proberen in de buurt te komen van de Soeltan van Atjeh in Keumala, zodat hij inlichtingen zou kunnen vergaren waarmee het Nederlandse leger haar voordeel zou kunnen doen. Het Nederlandse leger wilde echter geen hulp en daarom stuurde de Nederlandse Gouverneur-Generaal voor IndonesiĆ« Snouck naar Batavia. Daar arriveerde hij op 11 mei 1889. In Batavia aangekomen bleek al snel dat de Indonesische moslims niet op de hoogte waren van Snouckās werkelijke missie. Snouckās Indonesische vrienden en contacten uit Mekka hadden hun landgenoten op de hoogte gebracht van de komst van Snouck naar IndonesiĆ« en hem gepresenteerd als een echte moslim, hadji en grote geleerde bovendien! Snouck ontving in Batavia uitnodigingen voor bezoek waarin hij werd aangeduid als āAl Hadj āAbdoel Ghaffaarā, āMoeftiā en zelfs als āSjeich oel Islam van Bataviaā.
Tijdens zijn al genoemde eerste reis door IndonesiĆ« probeerde Snouck, naast het verzamelen van allerhande informatie over de mensen en hun gebied, zijn status onder de Indonesische moslims verder te verhogen. Hij bezocht hiervoor niet alleen de vooraanstaande geleerden en andere mensen van invloed in de regio. Toen hem de kans werd geboden trouwde hij zelfs met de dochter van ƩƩn van de vooraanstaande geleerden. Haar naam was Sangkana, ze was de dochter van hoofd-panghoeloe [10] van Ciamis, Raden Hadji Mohammed Taāib en diens vrouw Nata Rasmi, en ze was 17 jaar oud. Sangkana zelf wilde niet trouwen met de veel oudere en niet echt aantrekkelijke Snouck, maar ze werd er feitelijk toe gedwongen door haar ouders die in een huwelijk van hun dochter met de āgrote Nederlande geleerdeā een kans zagen voor statusverhoging. Snouck trouwde met Sangkana volgens Islamitisch ritueel omdat hij hierdoor zijn band met de elite van Java kon versterken. Maar, de Nederlandse wet verbood een huwelijk tussen een Europeaan en een āinlandseā vrouw. Dus toen de Nederlandse media melding begonnen te maken van de geruchten omtrent het huwelijk van Snouck met een āinlandseā, liet Snouck deze geruchten officieel ontkennen.
Voor wat betreft Snouckās tijd in Atjeh van 16 juli 1891 tot begin februari 1892, Snouck werd door het koloniale bewind naar daar gestuurd met een zuiver politieke rol. Hij werd er aangesteld als āAdviseur Oosterse Talen en Mohammedaanse Wetā. Het boek āDe Atjehersā dat Snouck later zou publiceren over deze tijd was eigenlijk een deel van het geheime rapport voor het koloniale bewind dat hij schreef over die periode, genaamd āVerslag omtrent de religieus politieke toestand in Atjehā. Snouck completeerde dit rapport op 23 mei 1892. De eerste twee delen van dit āVerslagā werden gepubliceerd als het boek āDe Atjehersā. De overige twee delen werden door Nederland tot staatsgeheim verklaard. Pas in 1957 werden zij vrijgegeven door de Nederlandse regering en publiekelijk gemaakt onder de titel āAmbtelijke adviezen van C. Snouck Hurgronjeā. In zijn āAmbtelijke adviezenā stelde Snouck dat het verzet in Atjeh niet geleid werd door de Soeltaanās van het gebied, oftewel de politieke leiders, maar door de āoelemaa, de Islamitische geleerden. Dit was nieuw voor de Nederlandse overheid die er tot dat moment er altijd van uit was gegaan dat de Soeltaans de kern van de opstand waren. Snouck gaf de Nederlandse regering daarom het advies om te proberen de soeltaans om te kopen, zodat ze het Nederlandse gezag zouden accepteren; en om de āoelemaa hardhandig te vervolgen. Zoals Snouck zei: āMet de oelamaās valt niet te onderhandelen, daar hun leer en eigenbelang meebrengen, dat zij alleen voor geweld zwichten. Hen zeer gevoelig slaan, zodat vrees de Atjehers weerhoudt van de gevaarlijk geworden aansluiting aan die bendehoofden, is eene conditio sine qua non van het herstel der rust in Groot-Atjeh.ā Het doel dat Snouck probeerde te realiseren met de door hem voorgestelde vervolging van de Islamitische geleerden in Atjeh was het volgende: āTen slotte zal hij moeten toegeven; de djihaad-leer zal hij ronduit moeten laten varen en voor een deel overbrengen naar de praktisch onschuldige leer omtrent de laatste dagen. Dan zal de islam zich van andere grote godsdiensten alleen onderscheiden door de aanprijzing van een andere catechismus en een ander ritueel ter verwerving van eeuwige zaligheid.ā Oftewel, de āoelemaa moesten hardhandig vervolgd worden zodat zij de Islam die ze aan de moslims in IndonesiĆ« leerden zouden veranderen. Zodat ze niet meer zouden spreken over de āpolitieke Islamā, zoals de Islamitische Staat Al Khilafa, de Islamitische wet en Heilige Oorlog; maar enkel nog over het Hiernamaals en de rituelen van aanbidding.
In eerste instantie deed de Nederlandse overheid niets met Snouckās adviezen en ging men door met de oorlog gericht tegen de Soeltaans. Maar toen de oorlog in Atjeh maar niet gewonnen werd, werd in 1896 besloten het over een andere boeg te gooien. Joannes Benedictus Van Heutsz werd aangesteld als gouverneur voor Atjeh om de complete onderwerping te organiseren, en die stelde direct in 1898 Snouck aan als zijn āadviseur voor Inlandse en Arabische Zakenā voor Atjeh.

Snouck Hurgronje (rechts) samen met Koning Saoed (links).
Snouck zou deze positie bekleden tot 1901. Van Heutsz liet het Nederlandse leger in Atjeh de adviezen van Snouck uit 1892 opvolgen. Dientengevolge kreeg Van Heutsz al snel de bijnaam āSnouckās zwaardā. Onder aanvoering van Van Heutsz concentreerde het Nederlandse leger zich op het vervolgen en doden van de āoelemaa in Atjeh. En met groot succes. In 1903, na 30 jaar, werd de oorlog in Atjeh eindelijk gewonnen verklaard. In 1904, echter, werd bekend dat Van Heutsz en Snouck ook waren doorgegaan met de traditioneel Nederlandse tactieken tegen de Atjehers. Ook onder Van Heutsz en Snouck werden opstandige dorpen platgebrand waarna de inwonende mannen vrouwen en kinderen werden vermoord. Snouck had dus enkel voor een nieuw verder element in de Nederlandse oorlog gezorgd.

De Nederlandse oorlog in Atjeh. Complete dorpen werden uitgemoord om de bevolking de Nederlandse overheersing te laten accepteren. In deze foto zijn de honderden doden in een greppel geworpen. Linksboven staan de Nederlandse soldaten staan ernaar te kijken.
Na zijn tijd in Atjeh bleef Snouck politieke adviezen geven. Bijvoorbeeld betreffende opstanden in Djambi, Krintji, Bandjarmasin, Riau-Lingga en Boni adviseerde hij de Nederlandse regering over de te volgen strategie.
Snouck Hurgronjeās visie op de āIslamquestieā
Net zoals nu stond Islam ook in Snouckās tijd hoog op de agenda. Enkel ging de āIslamquestieā [11] toen over het onder controle brengen en houden van de moslims in de Nederlandse kolonie IndonesiĆ«. De wetenschapper Snouck Hurgronje hield zich duidelijk niet afzijdig bij deze politieke kwestie. Als spion en adviseur voor de Nederlandse regering werkte hij actief mee aan oplossingen voor acute problemen met de moslims in IndonesiĆ«. Waar er ābrandā was, daar werd Snouck gestuurd om de Nederlandse dominantie over de moslims terug te herstellen. Maar hij werkte ook aan de ontwikkeling van ideeĆ«n die op langere termijn de kwestie voorgoed zouden kunnen oplossen.
In de visie van Snouck was de politieke zijde van Islam, oftewel het geloof in de plicht tot eenheid van de moslims in de Islamitische Staat die over hen regeert met Islam, het kernprobleem. In een brief aan Goldziher in 1886, ƩƩn jaar na zijn Mekka reis, zei Snouck bijvoorbeeld: ā.. dat ik eigenlijk nooit bezwaren heb gevonden tegen het religieuze deel van dit instituut (Islam). Enkel de politieke invloed van Islam is naar mijn mening afkeurenswaardig en ik, vooral als Nederlander, voel alsmaar meer de plicht om hiervoor nadrukkelijk te waarschuwen.ā
De politieke zijde van Islam was volgens Snouck hetgeen dat voor de problemen van de Nederlanders zorgde in IndonesiĆ«, omdat het ervoor zorgde dat de moslims in IndonesiĆ« zich bleven verzetten tegen de Nederlandse overheersing. Maar volgens Snouck was de politieke zijde van Islam ook een probleem voor de moslims zelf. Naar de mening van Snouck hield het geloof van de moslims in de Islamitische Staat Al Khilafa hen namelijk achterlijk. Volgens Snouck waren de Islamitische wetten niet werkelijk geopenbaard door God, maar gemaakt door de moslims zelf tijdens de vroege middeleeuwen. Doordat de moslims desalniettemin geloofden dat deze wetten bij Islam horen en er dus geen afstand van wilden doen, zaten de moslims volgens Snouck vast in de middeleeuwen. En daarom was kolonialisme, volgens Snouck, eigenlijk een zegen voor de moslims. Omdat kolonialisme de moslims de moderne ideeĆ«n van het humanisme bracht, oftwel secularisme, vrijheid en democratie. Snouck zei: āDe ongeveer 230.000.000 mohammedanen die onder niet-moslim bestuur leven hebben meestal niet voldoende historisch geheugen om in te zien dat de verandering van bestuur voor hen een verbetering betekende. Zij bezien het politieke verleden van de Islam slechts door de sluier van legende, en wanneer het heden aanleiding geeft voor klachten en bezwaren ā en waar ontbreekt zulks? ā zijn ze eerder geneigd te geloven dat al hun klachten zouden worden opgelost, als alleen maar de Bevelhebber van de Gelovigen [12] hun belangen ter hand zou kunnen nemen.ā
Wat Snouck dus voor ogen had als finale oplossing voor de Islamkwestie was een verandering van Islam. Snouck wilde Islam precies zoals het christendom laten worden. Een religie die enkel uit religieuze rituelen bestaat en die alle andere zaken zoals wetgeving en politiek overlaat aan de mens. āDe eenige ware oplossing voor het probleem ligt in de associatie der Mohammedaanse onderdanen van den Nederlandschen staat aan de Nederlanders. Gelukt deze, dan bestaat er geen Islamquestie meer; dan is er genoeg eenheid van cultuur tussen de onderdanen der Koningin van Nederland aan het Nordzeestrand en die van Insulinde [13] om aan het verschil in godsdienstige belijdenis zijne politieke en sociale beteekenis te ontnemen.ā Snouck noemde dit āgeestelijke annexatieā. Als Indonesische moslims zouden geloven in de westerse ideologie, zouden ze zich ƩƩn voelen met de Nederlanders, ook al waren beider religieuze rituelen anders.
Snouck adviseerde de Nederlandse overheid daarom om een strikte scheiding te maken tussen de āeigenlijke geloofsdogmataā ā zoals bidden, vasten, pelgrimage, geloof in het hiernamaals en andere volgens Snouck staatsongevaarlijke geloofszaken ā en āal hetgeen een staatkundig karakter heeft of dit licht kan aannemenā. Aan de āeigenlijke geloofsdogmataā, of wat Snouck ook wel āhet zuiver godsdienstigeā noemde, moest de overheid alle ruimte geven [14]. Tegen de politieke Islam, daarentegen, zou de overheid volgens Snouck ākrachtdadigā moeten optreden. Het kalifaat, Heilige Oorlog, de Islamitisch wet, er zou niet meer over gesproken mogen worden.
Snouck geloofde dat het mogelijk was om de moslims te ābevrijdenā van de politieke zijde van Islam, zo zei hij in een brief aan Goldziher: ā(Ik heb de) Stellige overtuiging (…) dat in IndonesiĆ« een compromis tussen Islam en humanisme mogelijk isā. En hij zag dit als zijn werkelijke taak als oriĆ«ntalist: āDe ontwikkeling der Mohammedaanse wereld in de richting van onze cultuur met mijn levenswerk saamgeweven isā.
Het persoonlijke leven van Snouck Hurgronje
Snouck zou van zijn Indonesische vrouw Sangkana uiteindelijk vier kinderen krijgen, Salmah Emah, āOemar, Aminah en Ibrahiem. Nadat Sangkana stierf trouwde Snouck voor een tweede maal in IndonesiĆ«, in 1898. In Bandoeng trouwde hij met Siti Sadijah, toen 13 jaar oud en dochter van panghoeloe Raden Hadji Mohammed Soeāaib, bekend als Kalipa Apo, en zijn vrouw Siti Khadidjah. Raden Hadji Mohammed Soeāaib was de zoon van de hoofdpanghoele van Bandoeng, Raden Hadji Moehammed Nasier; zijn moeder was de kleindochter van een eerdere hoofdpanghoele van Bandoeng. Siti Sadijah was dus ook, evenals Sangkana, afkomstig van een elite familie. Siti Sadijah gaf Snouck ƩƩn zoon, Joesoef. Opvallend genoeg werd deze Joesoef hoofd van de politieke inlichtingendienst van de Nederlanders in Pontianak. Oftewel, de speciale politiedienst die spioneerde onder de moslims om degenen die opriepen tot de Islamitische Staat onschadelijk te kunnen maken.
Toen Snouck in 1906 Indonesiƫ verliet, liet hij zijn vrouw en al zijn kinderen achter. Hij gaf zijn kinderen de opdracht nooit de naam Snouck Hurgronje te gebruiken en om niet naar Nederland te komen. In Nederland ontkende hij het bestaan van zijn Indische kinderen altijd.
In Nederland werd Snouck hoogleraar Arabisch in Leiden. In Nederland trouwde Snouck opnieuw, ditmaal met Ida Oort. Zij schonk hem een dochter, Christien, en tegenover bekenden noemde Snouck deze dochter zijn enige kind.

Christiaan Snouck Hurgronje als hoogleraar in Leiden.
In 1927 ging Snouck met pensioen en in 1937 uiteindelijk overleed hij. Tot aan zijn dood bleef hij officieel aangesteld als adviseur van de Nederlandse regering voor koloniale zaken. Ook adviseerde hij de Franse regering over hoe zij het best de moslims van Marokko onder hun controle zouden kunnen houden.
[1] āDe Roon: Spil in Wildersā keurbendeā, www.refdag.nl/nieuws/politiek/de_roon_spil_in_wilders_keurbende_1_337183
[2] In het systeem van regeren van Islam is de Walie verantwoordelijk voor een provincie, oftewel de gouverneur.
[3] Arabisch voor āgeleerden in Islamā. Het enkelvoud is āaalim.
[4] Hedendaags Jakarta.
[5] De Soenda zijn een stam op het eiland Java.
[6] Indonesische term voor āgoede manierenā of ātraditieā.
[7] Scholen voor Islamitisch onderwijs.
[8] Zie: āHet Kalifaat in de Nederlandse media (deel 1): Het verzet tegen Nederlands kolonialisme in IndonesiĆ«ā, Expliciet Magazine 44, Januari ā Maart 2011.
[9] Snouck refereert hier aan de Gouverneur-Generaal in Nederlands-Indiƫ, de hoogste ambtenaar in het bestuursorgaan.
[10] Hoogste Islamitische autoriteit in Indonesiƫ, belast met rechtspreken volgens Islamitische wet bij conflicten en met de aangelegenheden van de moskee.
[11] Oud-Nederlands voor āIslamkwestieā.
[12] Snouck bedoelt de Emier al Moeāumien, oftewel de Khalifa.
[13] Oude term voor de Nederlandse kolonie in Indonesiƫ.
[14] Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog week Snouck echter deels van dit standpunt af. Op dat moment adviseerde hij de Nederlandse regering om de Hadj voor Indonesische moslims compleet te verbieden, om te voorkomen dat de Indonesische moslims de oorlog tegen de Islamitische Staat zouden kunnen bespreken met andere moslims.
Bronnen:
āSnouck Hurgronjeās Izhaar oel Islaamā ā, P.Sj. van Koningsveld, Leiden, 1985
āSnouck Hurgronje alias Abdoel-Ghaffarā, P.Sj. van Koningsveld, Leiden, 1982
āSnouck Hurgronje and the study of Islamā, G. Drewes, Leiden, 1957
āChristiaan Snouck Hurgronje and the foundations of Dutch Islamic Policy in Indonesiaā, Harry J. Benda, in āReadings on Islam in Southeastā door Ahmad Ibrahim (editor), Singapore, 1985
āHeilige Oorlog made in Germanyā, Christiaan Snouck Hurgronje, in De Gids, 1915

