In 2014 besloten de professoren Martin Gilens en Benjamin Page, van respectievelijk de Princeton universiteit en de Northwestern universiteit in Amerika, 1.779 beleidsbeslissingen van de Amerikaanse regering uit de periode 1981 – 2002 te onderzoeken om te achterhalen wie nu precies het meest van invloed is op het beleid van de overheid. Voor iedere van de beleidsbeslissingen keken Gilens en Page naar de beleidsvoorkeur van vier groepen in de Amerikaanse samenleving op het moment dat de Amerikaanse regering de beleidsbeslissing bediscussieerde. Deze vier groepen waren (1) de “gemiddelde” Amerikaan; de (2) rijke Amerikanen; (3) de grote lobbyorganisaties die de belangen van de “gemiddelde” Amerikaan behartigen; en (4) de grote lobbyorganisaties die de belangen van de grote Amerikaanse ondernemingen behartigen. Uit deze analyse bleek dat in alle 1.779 gevallen het Amerikaanse overheidsbeleid de voorkeur volgde van ofwel de rijke Amerikanen, ofwel de grote lobbyorganisaties die de belangen van de grote Amerikaanse ondernemingen behartigen. De keren dat de beleidsbeslissing van de Amerikaanse regering de voorkeur volgde van de “gemiddelde” Amerikaan of de grote lobbyorganisaties die de belangen van de “gemiddelde” Amerikaan behartigen, bleek er geen verschil te zijn tussen de voorkeur van alle vier groepen. Daarentegen, als er wel een verschil bestond tussen enerzijds de voorkeur van de “gemiddelde” Amerikaan of de grote lobbyorganisaties die de belangen van de “gemiddelde” Amerikaan behartigen, en anderzijds rijke Amerikanen en de grote lobbyorganisaties die de belangen van de grote Amerikaanse ondernemingen behartigen, dan kregen de “gemiddelde” Amerikaan of de grote lobbyorganisaties die zijn belangen behartigen nooit hun zin. In dergelijke gevallen volgde de beleidsbeslissing van de Amerikaanse regering altijd de voorkeur van ofwel de rijke Amerikanen, ofwel de grote lobbyorganisaties die de belangen van de grote Amerikaanse ondernemingen behartigen.[1]

Hiermee toonden de professoren Gilens en Page feitelijk aan dat in democratisch Amerika de wil van de meeste mensen niet de dienst uit maakt. Het is de wil van de meeste dollars die beslist. Dit doet de vraag reizen: Hoe kan het zijn dat in een democratie waar periodiek verkiezingen worden gehouden, en iedereen, arm of rijk, slechts één stem uit mag brengen, een minderheid van rijken de samenleving domineert?

Dit is een belangrijke vraag omdat de belangen van de rijken en de grote ondernemingen niet gelijk zijn aan de belangen van de overige groepen in de samenleving.[2] En het antwoord erop bestaat uit een verschillende elementen. Elementen die tezamen duidelijk maken dat buiten de superrijken en hun grote ondernemingen, niemand in een democratische staat iets te zeggen heeft.

Het beïnvloeden van publieke opinie

De superrijken in Amerika, de grote Amerikaanse ondernemingen en de grote lobbyorganisaties die hun belangen behartigen zijn in staat om het publieke debat te beïnvloeden zodat het grotere publiek wil wat gunstig is voor de superrijken in Amerika en de grote Amerikaanse ondernemingen.

Het medialandschap in Amerika wordt gedomineerd door slechts een handvol ondernemingen.[3] Deze ondernemingen op hun beurt worden veelal gedomineerd door individuen en families van onder de superrijken, zoals de Mohn familie achter het Bertelsmann concern, Michael Bloomberg, Rubert Murdoch, Warren Buffet, Jeff Bezos en Mark Zuckerberg.[4] Een bijzonder select gezelschap van superrijken en grote ondernemingen heeft dus een ongekend grote invloed op alles dat de Amerikaanse samenleving ziet, hoort of leest.

Naast directe controle over wat precies gepubliceerd wordt, en wat niet, kunnen de superrijken in Amerika, de grote Amerikaanse ondernemingen en de grote lobbyorganisaties die hun belangen behartigen ook door middel van geld het publieke debat beïnvloeden. Bijvoorbeeld kunnen ze door reclamecontracten aan te bieden media organisaties verleiden om bepaalde boodschappen wel en andere boodschappen niet te communiceren.[5]

De superrijken in Amerika, de grote Amerikaanse ondernemingen en de grote lobbyorganisaties die hun belangen behartigen hebben verder de middelen om PR organisaties inhuren die het publieke debat kunnen beïnvloeden. PR organisaties schrijven artikelen die media organisaties gratis mogen publiceren. De professionals van de grote PR organisaties cultiveren ook relaties met journalisten om hen te kunnen beïnvloeden. Omdat de grote PR organisaties meestal in opdracht van grote ondernemingen werken kunnen ze bijvoorbeeld journalisten verleiden om specifieke boodschappen te communiceren door hen interviews met belangrijke en invloedrijke mensen aan te bieden. Verder betalen PR organisaties invloedrijke mediapersoonlijkheden – columnisten, analitici, vloggers – om specifieke boodschappen te verkondigen.[6]

Dit toon aan dat de superrijken in Amerika, de grote Amerikaanse ondernemingen en de grote lobbyorganisaties die hun belangen behartigen een invloed hebben op het politieke debat die door niemand geëvenaard wordt. Dit stelt hen effectief in staat om de publieke opinie te manipuleren. Ze kunnen bepalen waarover gesproken wordt en waarover niet. Ze kunnen het publiek ook onjuiste informatie geven, of incomplete informatie, betreffende de dingen waarover gesproken wordt (verreweg de meeste Amerikanen onderschatten bijvoorbeeld de realiteit van inkomensongelijkheid in hun land[7]). Betreffende de kwesties waarover gesproken wordt kunnen ze het grote publiek ook laten denken dat wat gunstig is voor de superrijken en de grote ondernemingen, ook gunstig is voor alle andere mensen in de samenleving is (terwijl dit vaak niet het geval is, zoals in geval van het idee dat altijd iedereen profiteert van wetgeving die gunstig is voor de superrijken en de grote ondernemingen[8]). Op deze manier kunnen ze het grote publiek ertoe brengen om overheidsbeleid te eisen dat in werkelijkheid enkel en alleen gunstig is voor de superrijken en de grote ondernemingen.

Het financieren van politiek

Omdat het voeren van campagne rondom verkiezingen alsmaar duurder wordt, worden politici alsmaar meer afhankelijk van degenen die hun campagnes financieren. In Amerika blijken de kandidaten voor het presidentschap voor de financiering van hun verkiezingscampagnes grotendeels afhankelijk te zijn van omstreeks 400 families, de superrijken onder de superrijken en de eigenaren en bazen van de grote Amerikaanse ondernemingen.[9] Deze afhankelijkheid bij politici van het geld van de superrijken en de grote ondernemingen zorgt ervoor dat de superrijken en de grote ondernemingen veel meer invloed hebben op politici dan de overige leden van de samenleving.

Het organiseren in belangenorganisaties

Het is voor de superrijken en de grote ondernemingen veel eenvoudiger om zich te verenigen in belangenorganisaties dan voor de overige groepen in de samenleving, simpelweg omdat de superrijken en de grote ondernemingen klein in aantal zijn terwijl de meeste overige groepen in de samenleving – zoals de armen, de middenklasse, het midden- en kleinbedrijf, enzovoorts – uit grote aantallen leden bestaan.

Het is voor de superrijken en de grote ondernemingen vaak ook veel interessanter om zich te verenigen in belangenorganisaties, omdat ieder van hen vaak veel te winnen of te verliezen heeft bij beleidskwesties. Dit staat in tegenstelling tot de overige groepen in de samenleving, die vaak uit heel veel mensen bestaan, ieder waarvan vaak maar weinig te winnen of te verliezen heeft bij beleidskwesties. Als bijvoorbeeld een regering debatteert over de vraag of er belasting geheven moet worden over geïmporteerde goederen, dan zou een klein belastingpercentage als gevolg hebben dat de prijs van deze goederen voor de consumenten – een grote groep mensen – een klein beetje omhoog zou gaan. Voor de lokale producenten van deze goederen – meestal een kleine groep bedrijven – zou deze prijsverhoging een substantieel grotere winst opleveren, echter.

Daarom is het in de praktijk zo dat de superrijken en de grote ondernemingen zich vaak beter organiseren om hun belangen behartigd te krijgen door politici dan de overige groepen in de samenleving. En ten gevolge hiervan bestaan er veel meer belangenorganisaties voor de belangen van de superrijken en de grote ondernemingen, dan belangenorganisaties voor de belangen van de overige groepen in de samenleving. De belangenorganisaties voor de belangen van de superrijken en de grote ondernemingen zijn ook bijna altijd veel beter gefinancierd dan de overige belangenorganisaties omdat zij werken voor hen die het meeste geld hebben.

De belangenorganisaties werken op verschillende manieren om specifiek beleid geïmplementeerd te krijgen.[10]

Ten eerste proberen zij de publieke opinie te beïnvloeden om het grote publiek ertoe brengen om overheidsbeleid te eisen dat in werkelijkheid enkel en alleen gunstig is voor degenen voor wie de belangenorganisatie werkt. Dit doen belangenorganisaties door te werken zoals PR organisaties of door PR organisaties in te huren.

Ten tweede financieren belangenorganisaties zogenoemde denktanken (“think tanks”). Een denktank is een op het oog onafhankelijke organisatie die onderzoek doet om politici van advies te voorzien. Omdat de denktank zogezegd onafhankelijk is, heeft diens advies het imago van “onbevooroordeeld en objectief”. Het geld van de financier van de denktank stelt de financier echter in staat om de adviezen van de denktank een specifieke richting in te duwen – de richting die voor de financier het meest gunstig is. De meest rijkelijk gesponsorde denktanks kunnen vooraanstaande geleerden in dienst nemen en hen in staat stellen om nauwe banden te ontwikkelen met politici en journalisten, bijvoorbeeld door luxueuze conferenties te organiseren en de politici en journalisten daarvoor uit te nodigen. Ze kunnen ook voormalige politici in dienst nemen die reeds nauwe banden hebben met de nog actieve politici, of andere mensen van groot aanzien in de samenleving. Zo kunnen belangenorganisaties, dus effectief de superrijken en de grote ondernemingen, de visie die in hun voordeel is communiceren zonder dat de mensen tot wie gecommuniceerd wordt weten dat de superrijken en de grote ondernemingen hen proberen te manipuleren.[11]

Ten derde bieden belangenorganisaties gratis hulp en steun aan politici. Dit wordt lobbyen genoemd. Wanneer politici over beleidsvraagstukken debatteren dan steunen lobbyisten de politici met onderzoek naar de kwestie en de formulering van oplossingen voor de kwestie. In Amerika werken meer dan 11.000 lobbyisten die, met de rapporten en adviezen van de denktanks in de hand, voortdurend bezig zijn om de politici in de Amerikaanse Senaat en Congres, in totaal 535 individuen, van advies te voorzien.[12] Verreweg de meesten van deze vertegenwoordigen de belangen van de superrijken en de grote ondernemingen.[13] Dit betekent dat politici voortdurend gebombardeerd worden met de visies van de superrijken en de grote ondernemingen. Effectief bepalen de superrijken en de grote ondernemingen zo waar de politici over spreken, en ook de mogelijke oplossingen die besproken worden, waardoor de politici dus eigenlijk alleen maar werken voor de belangen van de superrijken en de grote ondernemingen. (Niet alle lobbyisten werken voor belangenorganisaties, overigens. Veel werken ook direct voor de grote ondernemingen. Het werk van beide typen lobbyisten is desalniettemin hetzelfde: ervoor zorgen dat de politici zich concentreren op de kwestie die volgens degene die de lobbyist betaalt belangrijk zijn, en ervoor zorgen dat de politici deze kwestie oplossen op de manier die degene die de lobbyist betaalt juist acht.)

Deelname aan politiek

De superrijken en de grote ondernemingen zijn ook veel vaker lid van de regering dan leden van de overige groepen in de samenleving.

Voor wat betreft de superrijken, zij doen dit door zelf politicus te worden. Meer dan de helft van de leden van het Amerikaanse Congres behoort tot de superrijken, terwijl de superrijken in de samenleving als geheel minder dan één procent uitmaken.[14]

De grote ondernemingen nemen deel aan de politiek door hun werknemers politicus te laten worden. Dit wordt de “draaideur van de politiek” genoemd: industriëlen die voor korte tijd hun posities van leiderschap in het bedrijfsleven opgeven om politicus te worden, om daarna weer terug te keren naar het bedrijfsleven. [15] Bijna al de recente ministers van financiën in Amerika (“Treasury Secretary”) zijn bijvoorbeeld afkomstig uit de bankenwereld. De huidige minister van financiën Steve Mnuchin werkte bijvoorbeeld 17 jaar voor de investeringsbank Golman Sachs, en nog eens 15 jaar voor verschillende hedge funds op Wallstreet.[16] Zijn voorganger Jack Lew werkte voor de bank Citigroup.[17] Van 2006 tot 2009 was Henry “Hank” Paulson minister van financiën. Paulson was daarvoor de baas bij investeringsbank Golman Sachs.[18] Voor Paulson was de industrialist John Snow minister van financiën.[19] Allen waren ook multimiljonair op het moment dat zij politicus werden.

Het gebruiken van hun invloed op de economie

De superrijken en de grote ondernemingen worden vanwege hun invloed op de economie gevraagd om deel te nemen aan de beleidvorming.

President Trump, bijvoorbeeld, organiseerde kort na zijn benoeming verschillende “ronde tafels” met de bazen van de grootste Amerikaanse ondernemingen, die in veel gevallen ook Amerika’s superrijken zijn, om samen met hen te discussiëren over wat het Amerikaanse beleid moet zijn.[20] Het is ook bekend dat president Bush junior de bazen van de grote Amerikaanse oliemaatschappijen vroeg wat volgens hen het energiebeleid van Amerika moest zijn.[21]

Als de superrijken en de grote ondernemingen niet worden gevraagd om deel te nemen aan beleidvorming kunnen ze zichzelf ook opdringen door te dreigen met het sluiten van fabrieken of het wegsluizen van geld. En dit doen ze ook daadwerkelijk. De grote Europese oliemaatschappijen dreigden bijvoorbeeld dat ze hun hoofdkantoren naar buiten Europa zouden verplaatsen als de Europese Unie niet naar hen zou luisteren betreffende het milieubeleid.[22]

De superrijken en de grote ondernemingen kunnen dus directe invloed uitoefenen op regeringsleiders en zorgen voor beleid dat in hun voordeel is. Recent onderzoek door de Universiteit van Illinois in Amerika bewijst dit ook. President Obama en zijn staf in het Witte Huis hadden van 2009 tot 2015 maar liefst 2.286 vergaderingen met zakenlieden. De onderzoekers van Universiteit van Illinois toonden aan dat de bedrijven die het Witte Huis het meest frequent bezochten substantieel meer zakelijke opdrachten toegewezen hadden gekregen van de Amerikaanse regering dan bedrijven die het Witte Huis niet of nauwelijks bezochten. Ook bleken de bedrijven die het Witte Huis frequent hadden bezocht vaker hun zin te hebben gekregen wanneer het aankwam op wetsveranderingen, oftewel de Amerikaanse regering paste vaker de wet in hun voordeel aan. Ten gevolge hiervan presteerden de bedrijven met nauwe banden met de Amerikaanse regeringsleiders beter op de aandelenbeurzen dan de bedrijven die niet een speciale relatie met de Amerikaanse regering hadden.[23]

Andere groepen in de samenleving, zoals de armen, de middenklasse en het midden- en kleinbedrijf, hebben deze mogelijkheid tot directe betrokkenheid bij beleidvorming niet.

Is er een democratische oplossing voor het probleem van de dominantie van de superrijken?

Men kan tal van wetten en regels bedenken die de invloed van de superrijken en hun grote ondernemingen zouden kunnen beperken. Te denken valt aan beperking van de contributies die private individuen mogen geven aan politici; een verbod op contributies van ondernemingen aan politici; beperking van de maximale grootte van ondernemingen, in het bijzonder in de media, zodat ganse industrieën niet door kleine groepen bedrijven gecontroleerd kunnen worden; een verbod op geheime vergaderingen achter gesloten deuren tussen politici en de superrijken en hun grote ondernemingen; en een verbod op draaideur politiek, oftewel politici verbieden om na hun carrière te gaan werken in de industrie waar ze als politicus verantwoordelijk voor waren, zodat industriëlen ontmoedigd worden om de politiek in te gaan omdat ze hierna niet meer terug kunnen keren naar hun industrie.

Echter, het zijn politici die deze wetten moeten voorstellen en over hen moeten stemmen – politici die zoals uitgelegd volkomen gecontroleerd worden door de superrijken en hun grote ondernemingen.

In de praktijk vereist verandering van de realiteit van democratische politiek dus dat de superrijken en hun grote ondernemingen, die zo profiteren van de huidige situatie, vrijwillig afstand doen van hun bevoorrechte positie. Het is volkomen naïef om te verwachten dat dit ooit zal gebeuren.

[1] “Testing Theories of American Politics: Elites, Interest Groups, and Average Citizens”, Martin Gilens en Benjamin Page, https://www.cambridge.org/core/journals/perspectives-on-politics/article/testing-theories-of-american-politics-elites-interest-groups-and-average-citizens/62327F513959D0A304D4893B382B992B

[2] “Democracy and the Policy Preferences of Wealthy Americans”, Benjamin Page, Larry Bartels en Jason Seawright, http://faculty.wcas.northwestern.edu/~jnd260/cab/CAB2012Page1.pdf

[3] “These 6 Corporations Control 90% Of The Media In America”, Business Insider, http://www.businessinsider.com/these-6-corporations-control-90-of-the-media-in-america-2012-6, zie ook “Who Owns the Media?”, PBS, http://www.pbs.org/independentlens/democracyondeadline/mediaownership.html, en “Who Owns the Media?”, FreePress. https://www.freepress.net/ownership/chart

[4] “Behind the Scenes, Billionaires’ Growing Control of News”, The New York Times, https://www.nytimes.com/2016/05/28/business/media/behind-the-scenes-billionaires-growing-control-of-news.html

[5] “Media and Advertising”, Global Issues, http://www.globalissues.org/article/160/media-and-advertising

[6] “PR and the Media”, Corporate Watch, https://corporatewatch.org/content/corporate-watch-pr-industry-pr-and-media

[7] “Americans Have No Idea How Bad Inequality Really Is”, Slate, http://www.slate.com/articles/business/moneybox/2014/09/americans_have_no_idea_how_bad_inequality_is_new_harvard_business_school.html

[8] “Income inequality’s sick joke: A rising tide only lifts luxury yachts”, Salon, http://www.salon.com/2014/10/04/income_inequalitys_sick_joke_a_rising_tide_only_lifts_luxury_yachts/

[9] “Small Pool of Rich Donors Dominates Election Giving”, The New York Times, https://www.nytimes.com/2015/08/02/us/small-pool-of-rich-donors-dominates-election-giving.html

[10] “The truth about lobbying: 10 ways big business controls government”, The Guardian, https://www.theguardian.com/politics/2014/mar/12/lobbying-10-ways-corprations-influence-government

[11] “Think Tanks and Policy Advice in The US”, James G. McGann, Foreign Policy Research Institute, 2005, http://www.kas.de/wf/doc/kas_7042-1522-1-30.pdf?050810140439

[12] https://www.opensecrets.org/lobby/

[13] “How Corporate Lobbyists Conquered American Democracy”, The Atlantic, https://www.theatlantic.com/business/archive/2015/04/how-corporate-lobbyists-conquered-american-democracy/390822/

[14] “Making It Rain: Members of Congress Are Mostly Millionaires”, Alan Rappeport, New York Times, https://www.nytimes.com/politics/first-draft/2015/01/12/making-it-rain-members-of-congress-are-mostly-millionaires/

[15] https://en.wikipedia.org/wiki/Revolving_door_(politics)

[16] https://en.wikipedia.org/wiki/Steven_Mnuchin

[17] https://en.wikipedia.org/wiki/Jack_Lew

[18] https://en.wikipedia.org/wiki/Henry_Paulson

[19] https://en.wikipedia.org/wiki/John_W._Snow

[20] “Donald Trump Summons Tech Leaders to a Round-Table Meeting”, New York Times, https://www.nytimes.com/2016/12/06/technology/san-francisco-donald-trump-technology-peter-thiel.html; “President Trump Is About to Meet With the Heads of the Big 3 Auto Companies”, Fortune, http://fortune.com/2017/01/24/president-trump-ceo-meeting-detroit-auto-companies/

[21] “Document Says Oil Chiefs Met With Cheney Task Force”, Washington Post, http://www.washingtonpost.com/wp-dyn/content/article/2005/11/15/AR2005111501842.html

[22] “EU dropped climate policies after BP threat of oil industry ‘exodus’”, The Guardian, https://www.theguardian.com/environment/2016/apr/20/eu-dropped-climate-policies-after-bp-threat-oil-industry-exodus

[23] “All the President’s Friends: Political Access and Firm Value”, Jeffrey R. Brown and Jiekun Huang, NBER, http://www.nber.org/papers/w23356?utm_campaign=ntw&utm_medium=email&utm_source=ntw

Comments

comments

DELEN