Definities (moestalahaat)

Een definitie (moestalih) is een specifieke benaming welke neergelegd is vanuit een bepaalde invalshoek voor een bepaalde kwestie. Vanwege de verschillende invalshoeken zijn er ook verschillende benamingen en betekenissen; de taalkundige (loeghawiyya) betekenis zoals leeuw (asad), de traditionele (‘oerfiyya) betekenis zoals jurisprudentie (fiqh) en de sjar’ie betekenis zoals gebed (salaat). Er is dus een taalkundige betekenis, een traditionele betekenis, en een sjar’ie betekenis. Indien een woord gebruikt wordt zoals het door de taalkundigen is neergelegd, en dit zijn de pure Arabieren die de taal uitstekend beheersen, dan wordt dit de letterlijke taalkundige betekenis genoemd zoals bijvoorbeeld asad wat een benaming is die duidt op het bekende roofdier; de leeuw. Indien een woord niet gebruikt wordt vanuit de taal, ofwel door een groep omgeruild is voor een andere betekenis, dan wordt dit de letterlijke traditionele betekenis genoemd. Een voorbeeld hiervan is fiqh. In de taalkundige betekenis betekent dit het volledig begrijpen (moetlaq oel fahm) maar bij de islamitische geleerden wordt dit gebruikt voor een specifieke vorm van begrijpen, namelijk het begrijpen van de praktische goddelijke oordelen. Voor wat betreft indien een woord gebruikt wordt voor anders dan de taalkundige betekenis vanuit het oogpunt van de sjarie’a den de betekenis omgeruild wordt naar een sjar’ie betekenis dan wordt het een letterlijke sjar’ie betekenis. Een voorbeeld hiervan is het woord ‘salaat’. Taalkundig betekent dit smeekbede ‘doe’aa’ echter in de sjarie’a staat het voor specifieke handelingen van de takbier, roekoe’ en soedjoed. Indien er voor een woord een sjar’ie betekenis wordt gevonden dan heeft deze voorrang boven de taalkundige en traditionele betekenis.

Definities (ta’riefaat)

Een ta’rief is een uiteenzetting van de aard, eigenschappen en realiteit van een kwestie en bestaat altijd uit twee onderdelen: verstandelijk (‘aqlie) en wettelijk (sjar’ie). Verstandelijk is hetgeen het verstand bedenkt bij de totstandkoming van de omschrijving van de realiteit zoals de definitie van het verstand, samenleving, instincten enzovoort. Aangaande de sjar’ie definitie, dit is hetgeen de Wetgever (Asj Sjaar’i) heeft bedacht of aangeduid.

De sjar’ie definitie bestaat uit twee onderdelen:

  • Een onderdeel waarbij de Sjaar’i een duidelijke tekst voor heeft, met andere woorden is het overgeleverd vanuit de Koran en Soenna. Een voorbeeld hiervan is de definitie van Islam, Iemaan en Ihsaan. Boegaarie heeft overgeleverd van Aboe Hoeraira:

كان النبي صلى الله عليه وسلم بارزا يوما للناس فأتاه جبريل فقال: ما الإيمان؟ قال: الإيمان أن تؤمن بالله وملائكته وبلقائه ورسله وتؤمن بالبعث. قال: ما الإسلام؟ قال: الإسلام أن تعبد الله ولا تشرك به وتقيم الصلاة وتؤدي الزكاة المفروضة وتصوم رمضان. قال: ما الإحسان؟ قال: أن تعبد الله كأنك تراه فإن لم تكن تراه فإنه يراك”.

 

De Profeet (saw) was onder de mensen toen Djibriel bij hem kwam en zei: “Wat is Al Iemaan?” Hij zei: “Al Iemaan is dat je gelooft in Allah, zijn engelen, in Zijn ontmoeting, zijn profeten en dat je gelooft in de wederopstanding.” Hij zei: “Wat is Al Islaam?” Hij zei: “Al Islam is dat je Allah aanbidt en geen deelgenoten aan Hem toekent, het gebed verricht, de verplichte zakaat geeft en de Ramadan vast.” Hij zei: “Wat is Al Ihsaan?” Hij zei: “Dat je Allah aanbidt alsof je Hem kunt zien, en als jij Hem niet kunt zien dan ziet Hij jou wel”

Of zoals de definitie van Al Roewaida:

“سيأتي على الناس سنوات خداعات، يصدق فيها الكاذب، ويكذب فيها الصادق، ويؤتمن فيها الخائن، ويخون فيها الأمين، وينطق فيها الرويبضة، قيل: وما الرويبضة؟ قال: الرجل التافه يتكلم في أمر العامة”. وأخرج أحمد عن أنس بن مالك قال: قال رسول الله صلى الله عليه وسلم: “إن أمام الدجال سنين خداعة، يكذب فيها الصادق، ويصدق فيها الكاذب، ويخون فيها الأمين، ويؤتمن فيها الخائن، ويتكلم فيها الرويبضة. قيل: وما الرويبضة؟ قال: الفويسق يتكلم في أمر العامة”.

Ibn Maadja heeft overgeleverd en Al Haakim in zijn Moestadrak van Aboe Hoeraira dat hij zei: “De Profeet (saw) zei: “Er zullen jaren van bedrog komen over de mensen waarbij de leugenaar wordt geloofd en degene die de waarheid spreekt niet geloofd wordt, en waarbij de verrader wordt veilig gesteld en de betrouwbare wordt verraden en de “Roewaida” zal in deze tijd spreken”. Er werd gezegd: “Wat is “Roewaida”?” Hij zei: “De kleine overtreder die spreekt over de kwesties van de gemeenschap.” 

  • Een ander onderdeel bestaat uit hetgeen uit de teksten wordt geëxtraheerd door de geleerden nadat zij alle teksten hebben bestudeerd. Voorbeelden hiervan zijn de definities van scheiden (talaaq) of het land van Islam (daar oel islaam) en huur (iedjaara) enzovoort.

De sjar’ie definitie  is dus een omschrijving van de realiteit van het oordeel zoals deze overgeleverd is van de sjar’ie teksten, ofwel de Koran en Soenna. Een voorbeeld hiervan is de erfenis (wasiejja) welke de sjarie’a toegestaan heeft, wat is dit? Het antwoord is dat de wasiejja inhoudt: “Een overeenkomst die het recht van een derde van de contractant geeft wat gegeven moet worden bij zijn overlijden of een ander doet dit namens hem”. Of het kan zijn: “Een naam voor hetgeen degene die de erfenis zal afstaan na zijn dood zal afstaan van zijn bezittingen”. Deze definitie van wisaaja is een omschrijving van e realiteit van het oordeel en zet de bedoeling van de Wetgever uiteen met het woord: ‘wasiejja’. De geleerden hebben deze extractie gebaseerd op vele bewijzen waarvan de volgende:

{كُتِبَ عَلَيْكُمْ إِذَا حَضَرَ أَحَدَكُمُ الْمَوْتُ إِنْ تَرَكَ خَيْرًا الْوَصِيّةُ لِلْوَالِدَيْنِ وَالْأَقْرَبِينَ بِالْمَعْرُوفِ حَقّا عَلَى الْمُتّقِينَ}

 “Het is u voorgeschreven, dat wanneer de dood tot één uwer komt, en hij een vermogen nalaat, hij een testament opmaken voor ouders en naaste familieleden, billijkerwijze. Dit is een verplichting voor de godvruchtigen.” (Zie VBK soera Al Baqara aaja 180)

En Zijn uitspraak:

{مِنْ بَعْدِ وَصِيّةٍ يُوصِي بِهَا أَوْ دَيْنٍ}

dat hij heeft nagelaten of van (niet vereffende) schuld.” (Zie VBK soera An Nisaa’ aaja 11 )

عادني النبي صلى الله عليه وسلم عام حجة الوداع من مرض أشفيت منه على الموت فقلت يا رسول الله بلغ بي من الوجع ما ترى وأنا ذو مال ولا يرثني إلا ابنة واحدة أفأتصدق بثلثي مالي؟ قال: لا. قال فأتصدق بشطره؟ قال: لا. قال: الثلث يا سعد والثلث كثير إنك إن تذر ورثتك أغنياء خير من أن تذرهم عالة يتكففون الناس”

Tevens heeft Boegaarie overgeleverd van ‘Aamir bin Sa’d bin Maalik van zijn vader:  “De Profeet (saw) kwam bij me langs in het jaar van de hadjatoel wadaa’ waarin ik een doodsbedreigende ziekte had, waar ik van genezen ben, dus ik zei: ‘O Profeet van Allah u ziet de hoeveelheid pijn die mij treft en ik ben een weeldig persoon en niemand erft van mij behalve één dochter, zal ik twee derde van mijn weelde schenken aan liefdadigheid?’ De Profeet (saw) zei: “Nee”, Hij zei: “Zal ik de helft schenken aan liefdadigheid?” Hij zei: “Nee” Hij (saw) zei: “Een derde o Sa’d en een derde is veel. Het is beter om je erfgenomen rijk achter te laten dan dat je hen arm achterlaat bedelende bij de mensen”.

 Meningsverschil over de definitie

We hebben gezegd dat er van de sjar’ie definities hetgeen is wat geëxtraheerd is van de bewijzen van de sjarie’a en dus onderworpen is aan idjtihaad van de moedjtahid en zijn visie op de bewijsvoering.  Om deze reden zijn er een aantal definities vatbaar voor meningsverschil  tussen de geleerden omdat hun idjtihaad kan verschillen. Een voorbeeld hiervan is de definitie van i’tikaaf. Bij de Maalikieten en de Hanafieten is dit: ‘Het verblijf in de moskee terwijl je vast en intentie hebt’, en bij de Hanbalieten en de Sjaafi’ieten is dit: ‘Het verblijf in de moskee van een specifieke persoon met intentie’. Aldus stellen de Hanafieten en Maalikieten als voorwaarde het vasten voor een rechtsgeldige i’tikaaf. Om deze reden hebben zij dit toegevoegd in de definitie in tegenstelling tot de Hanbalieten en Sjaaf’ieten. Voor een ieder van hen is er een bewijs waarop zijn leunen in de definitie van i’tikaaf. Hetgeen in beschouwing wordt genomen bij verschil van mening is de juiste methode van extractie en de kracht van het bewijs.

 De definitie (ta’rief) van bid’a (innovatie)

 De taalkundige betekenis van bid’a

In het woordenboek Lisaan oel ‘Arab staat: “Bid’a is hetgeen gebeurt en hetgeen bedacht wordt in de religie nadat het compleet is geworden….en abda’toe asj sjai’ betekent ik heb het verzonnen zonder te baseren op een voorbeeld. Al Badie’ (De Verzinner) is één van de namen van Allah (swt) omdat hij de materie verzonnen heeft en gebracht heeft en hij is de eerste Verzinner alvorens alles bestond. Het is tevens toegestaan Uitvinder te betekenen of Degene die de schepping is begonnen. En Allah (swt) is zoals Hij omschrijft: “De Uitvinder van de hemelen en aarde”. Ofwel hij is haar creator en uitvinder, aldus is hij de Bedenkende Schepper zonder genomen voorbeeld. Aboe Ishaaq zegt: “Dit betekent dat hij haar tot bestaan heeft laten komen zonder dat er een voorganger of voorbeeld is geweest.”

Ar Raaghib al Asfahaanie heeft gezegd in moefradaat alfaadh ilKoraan: ‘Al Ibdaa’: ‘Het voortbrengen van een uitvinding zonder voorbeeld…en bid’a betekent in de wetschool: ‘De overlevering van een uitspraak welke degene die het uit heeft gesproken en naar heeft gehandeld niet de Wetgever en de voorgaande voorbeelden of haar beheerste fundamenten heeft gevolgd.”

Aboe Hilaal Al ‘Askarie heeft gezegd in Moe’djam oel faroeq al loeghawiejja: “Al ibtidaa’ is het voortbrengen van hetgeen waargeen voorganger voor is geweest. Er wordt gezegd: ‘abd’a foelaanoen’ indien hij met iets vreemds is gekomen.’

Aboe al Baqaa’ Al Koefwie in Al Koelliejaat: ‘Een iedere handeling wat wordt gedaan zonder dat er een voorafgaand voorbeeld van is geweest is een bid’a

Al Galiel bin Ahmad Al Foeraahidie zegt in Al ‘ain: ‘Al bid’oe: Het tot stand komen van een kwestie welke niet eerder gekend is in vorm, genoemd is of gekend.’

De definitie (istilaah) van bid’a (innovatie)

Al Djardjaanie zegt in At ta’riefaat: ‘Bid’a is een daad welke ingaat tegen de soenna en bid’a wordt genoemd omdat de uitspreker ervan het heeft uitgevonden zonder dat een imam dit heeft gezegd. Het is een uitgevonden kwestie wat de sahaaba noch de tabi’ien deden en niet gebaseerd is op een sjar’ie bewijs.’

Ibn Radjab Al Hanbalie heeft gezegd in zijn Djaami’oe al ‘oeloem wal ahkaam: ‘Hetgeen bedoeld wordt met bid’a is hetgeen uitgevonden is en geen oorsprong heeft vanuit de sjarie’a. Voor wat betreft hetgeen een oorsprong heeft in de sjar’ie dan is dit geen bid’a vanuit de sjarie’a ook al is dit wel het geval taalkundig gezien… Aldus een ieder die een kwestie toevoegt en dit refereert naar de dien en geen basis heeft in de dien waar het naar terug te voeren is, dit is dwaling en de dien heeft hier niets mee te maken. Dit geldt voor zowel geloofszaken als handelingen of openlijke of innerlijke uitspraken. Voor wat betreft hetgeen is gebeurd bij de salaf met het goedkeuren van sommige bid’a zaken, dit zijn taalkundige bid’a’s en geen bid’as in de sjarie’a.’

Al ‘Izz bin ‘Abdi as Salaam zegt in zijn Qawaa’id al Ahkaam: ‘Bid’a: Een daad welke niet is voorgekomen in de tijd van de Profeet (saw) en bestaat uit een verplichte bid’a (bid’atoen waadjiba), een verboden bid’a (bid’atoen moeharrama), een aangeraden bid’a (bid’atoen mandoeba), een afgeraden bid’a (bid’atoen makroeha) en een vrijgelaten bid’a (bid’atoen moebaaha). De methode om dit te weten is de betreffende bid’a af te meten aan de sjarie’a principes.’

Ibn Taymiyya heeft gezegd in zijn Madjmoe’ oel fataawa: ‘Een bid’a in de dien is hetgeen Allah en Zijn Profeet (saw) niet hebben verordend en het is hetgeen niet in overeenkomst is noch aangeraden. Voor wat betreft hetgeen in overeenstemming is of aangeraden is en dit geweten wordt doormiddel van bewijs, dan behoort dit in de dien aan hetgeen Allah (swt) heeft verordend.’ En hij heeft gezegd: ‘Bid’a is hetgeen de Koran en Soenna en de consensus van de salaf van de oemma aangaande geloofszaken en aanbiddingen tegengaan zoals de uitspraken van de Gawaaridj en de Rawaafidh en de Qadariejja en de Djahmiejja. En tevens degenen die aanbidden doormiddel van dansen en muziek in moskeeën en degenen die aanbidden door de baarden te scheren en het eten van verdovende planten en dergelijke van de bid’as waarmee groepen die ingaan tegen de Koran en Soenna hun aanbiddingen verrichten.’

Asj Sjaatibie heeft gezegd in Al I’tisaam: ‘Bid’a dus is een uiting van een weg in de dien die verzonnen is en de sjarie’a tegengaat waarbij het handelen ernaar bedoeld is ter overdrijving in het aanbidden van Allah (swt). Dit is de mening van degenen die de gewoonten niet onder de betekenis van bid’a hebben laten vallen en dit hebben beperkt tot aanbiddingen. Aangaande de mening van degenen die de gewoonten hebben laten vallen onder de betekenis van bid’a, zij zeggen: ‘Bid’a is de weg van de dien die verzonnen is en de sjarie’a tegenspreekt waarbij het handelen ermee wordt bedoeld de weg van de sjarie’a te volgen.’

Ibn Hadjar Al ‘Asqalaanie heeft gezegd in zijn Al Fath: “De oorsprong van bida’ is hetgeen gebeurd is waar geen voorganger voor is geweest. In de Sjarie’a wanneer dit het tegenovergestelde van de soenna dan is het veroordelend. En om precies te zijn indien het valt onder aangeraden zaken in de sjarie’a dan is het goed (hasana) en wanneer het valt onder iets afgeraden dan is het afgeraden. Indien het hier buiten valt dan is het vrijgelaten en is het dus is het opgedeeld in de vijf soorten oordelen.

Begrip van de definities

We kunnen zien uit het voorgaande dat er verschil van mening onder de geleerden bestaat over de definitie van bid’a. Sommigen zeggen dat dit enkel te maken heeft met ibaada, anderen zeggen dat de gewoontes er ook bij horen. Sommigen maken een onderverdeling tussen goede bid´a en slechte bid´a en sommigen zeggen dat alle bid´a slecht is.

De centrale vraag in dit onderzoek luidt: Heeft de Wetgever ons laten weten wat bid’a is of niet?

Als men de betekenis wil vinden over het woord bid’a dat te vinden is in de sjar’ie teksten dan dient men eerst kijken of de sjarie’a deze gedefinieerd heeft of niet. Als de sjarie’a dit gedefinieerd heeft dan wordt deze definitie genomen. Echter indien dit niet gevonden wordt dan dient men te kijken naar het oogpunt van de taal (loeghawiejja) of traditie (‘oerfiejja).

Wanneer men alle sjar’ie teksten onderzoekt is te zien dat de Wetgever niet het woord bid’a expliciet heeft uitgelegd. Daarom is het noodzakelijk een loeghawiejja betekenis of een ‘oerfiejja betekenis te nemen.

Het argument dat elke bid’a verboden is

De Profeet (saw) heeft gezegd:

فإن خير الحديث كتاب الله، وخير الهدى هدى محمد، وشر الأمور محدثاتها، وكل بدعة ضلالة”

“Voorwaar de beste spraak is het Boek van Allah, en de beste leiding is de Leiding van Moehammad, en de slechtste der zaken zijn de toevoegingen (moehdathaat) hieraan, en een elke innovatie (bid’a) is dwaling.” (Moeslim)

Sommigen zeggen dat dit betekent dat de Profeet alle innovaties heeft verboden en hierdoor dus alle innovaties slecht zijn. Echter wanneer men een blik werkt op de soenna is te zien dat de sahaaba kwamen met innovaties en de Profeet (saw) hen niet heeft bekritiseerd hierom.  Een voorbeeld:

كنا يوما نصلي وراء النبي صلى الله عليه وسلم، فلما رفع رأسه من الركعة قال: سمع الله لمن حمده، قال رجل: ربنا ولك الحمد حمدا كثيرا طيبا مباركا فيه، فلما انصرف قال: من المتكلم؟ قال: أنا، قال: رأيت بضعة وثلاثين ملكا يبتدرونها أيهم يكتبها أول

“Wij waren op een dag achter de Profeet (saw) aan het bidden toen hij zijn hoofd ophief van de roekoe en zei: ‘Sami’ Allahoe liman hamidah’. Een man zei toen: ‘Rabbanaa wa lakal Hamdoe Hamdan Kathieran Tayyiban Moebaarakan Fiehi’. Toen de man later weg ging zei hij (saw): ‘Wie was degene die sprak?’ Hij zei: ‘Ik’. Hij (saw) zei: ‘Ik zag meer dan dertig Engelen met elkaar wedijveren wie dit het eerst zou opschrijven!’” (Boegaarie).

Ibn Hadjr heeft hierover gezegd dat dit een bewijs is dat het toegestaan is om eigen doa’s op te zeggen zolang ze maar niet tegen de overgeleverde betekenissen ingaan.

Een ander voorbeeld is het voorbeeld van Bilaal dat hij na iedere Woedoe, twee raka’aat deed en dat de Boodschapper (saw) hem hierover vroeg en dit niet wist.

“أصبح رسول الله صلى الله عليه وسلم فدعا بلالا فقال: يا بلال بم سبقتني إلى الجنة؟ ما دخلت الجنة قط إلا سمعت خشخشتك أمامي، دخلت البارحة الجنة فسمعت خشخشتك أمامي… فقال بلال: يا رسول الله ما أذنت قط إلا صليت ركعتين، وما أصابني حدث قط إلا توضأت عندها ورأيت أن لله علي ركعتين. فقال رسول الله صلى الله عليه وسلم: بهما”

“De Profeet (saw) stond op en riep Bilaal en zei: “O Bilaal, met wat ben jij voorgegaan in het betreden van djenna? Ik ging nooit de djenna binnen zonder dat ik jouw voetstappen voor mij hoorde. Ik was gister in djenna en ik hoorde jouw voetstappen voor mij.” Bilaal zei: ”O Profeet, ik doe geen adhaan of ik bid twee raka’aat en ik bevind me nooit in een staat van onreinheid of ik doe woedoe en bid twee raka’aat voor Allah.” Toen zei de Profeet (saw): “Door deze twee.” (Tirmidhie).

Hierover heeft ibn Hadjar in zijn Fath al Baari gezegd: “Hiermee wordt bewezen dat het toegestaan is de tijd van ibaada te bepalen, omdat Bilaal dit op zijn eigen houtje had gedestilleerd en de Profeet het heeft goedgekeurd.”

Een ander voorbeeld is ‘Oemar toen hij besloot om het taraawieh gebed gezamenlijk in de moskee te doen:

“خرجت مع عمر بن الخطاب في رمضان إلى المسجد، فإذا الناس أوزاع متفرقون. يصلي الرجل لنفسه، ويصلي الرجل فيصلي بصلاته الرهط. فقال عمر: والله إني لأراني لو جمعت هؤلاء على قارئ واحد لكان أمثل، فجمعهم على أبي بن كعب قال: ثم خرجت معه ليلة أخرى، والناس يصلون بصلاة قارئهم، فقال عمر: نعمت البدعة هذه “.

Abdoel Rahman ibn Abdil Qaari zei: “Ik ging in de maand Ramadan samen met ‘Oemar ibn Al Gattaab naar de moskee en de mensen waren daar apart van elkaar aan het bidden. Dus Oemar zei: ‘Bij Allah het zou beter zijn als die mensen samen zouden bidden achter één imaam.’ Dus hij verzamelde hen achter Aboe ibn Ka’ab. Vervolgens gingen we een andere nacht wederom naar de moskee en de mensen waren achter één imaam aan het bidden. Toen zei Oemar: ‘Wat een goede bid’a is dit! (Malik)

Imam Asj Sjaafi’ie heeft het volgende hierover gezegd:

“المحدثات من الأمور ضربان: أحدهما: ما أحدث يخالف كتابا أو سنة أو أثرا أو إجماعا, فهذه لبدعة الضلالة. والثانية: ما أحدث من الخير لا خلاف فيه لواحد من هذا, فهذه محدثة غير مذمومة وقد قال عمر رضي الله عنه في قيام شهر رمضان: “نعمت البدعة هذه” يعني أنها محدثة لم تكن, وإن كانت فليس فيها رد لما مضى”

“De toevoegingen in kwesties zijn van twee soorten:

  1. Hetgeen het Boek en de Soenna tegengaan of overlevering of consensus. Dit is bid’a dalaala (dwalende bid’a);
  2. Hetgeen toegevoegd wordt van het goede waar geen verschil van mening over is. Dit is een bid’a welke niet veroordeeld wordt want ‘Oemar (rA) heeft gezegd over de qiyaam in de maand Ramadaan: “Wat een goede innovatie is dit!”. Dit betekent dat het een toevoeging is die er nog niet is geweest. En indien het wel eerder is geweest dan is er geen weerlegging op zoals zojuist uitgelegd”

Al Imaam an Nawawie heeft gezegd in zijn Sjarh van Moeslim: “In de hadieth van ‘degene die een goede soenna brengt in de Islam…’, is een specificering (tagsies) van zijn uitspraak (saw): ‘Een iedere toevoeging is een innovatie en een iedere innovatie is dwaling’; waarmee slechte vernieuwingen en veroordeelde innovaties bedoeld worden. Dit ondersteunt hetgeen we eerder hebben gezegd dat de hadieth van het algemeen gespecificeerde (‘aamoel magsoes) de uitspraak van ‘Oemar ibn Al Gattaab (radiyAllahoe ‘anhoe) is over de taraawieh: ‘Wat een goede innovatie’. De kern van de hadieth sluit niet algemene specificatie uit met zijn uitspraak – ‘elke innovatie’ – waarbij ‘elke (koelloe)’ benadrukt wordt. Er is juist sprake van specificatie net zoals bij de uitspraak van Allah (swt): “Het vernietigt alles (koelloe sjai’)” (Zie VBK soera Al Ahqaaf, aaja 25).

Vanuit de teksten wordt dus duidelijk dat er ook goede innovaties bestaan. Dus niet elke nieuw uitgevonden zaak is een bid’a dalaala. Dit betekent dus dat de term ‘bida’a ad dalaala’ in de hadieth meer uitleg nodig heeft.

Het argument dat bid’a hetgeen is dat ingaat tegen de Soenna

Er is overgeleverd dat de Profeet (saw) heeft gezegd:

سيلي أموركم بعدي رجال يطفئون السنة ويعملون بالبدعة ويؤخرون الصلاة عن مواقيتها،

“Na mij zullen jullie belangen behartigd worden door mannen die die Soenna uitdoven en innovaties uitvoeren en het gebed uitstellen van haar gezette tijd.”(ibn Maadja)

Sommigen zeggen op basis hiervan dat de Profeet (saw) dus bid’a heeft gedefinieerd als  zijnde iets wat ingaat tegen de Soenna.

Echter de vraag hier is: ‘Wat bedoeld de Profeet (saw) hier precies met ‘soenna’? Is dit de soenna van uitspraken, handelingen of stilzwijgend toestaan? Of wordt hiermee de Soenna bedoeld van fard (verplicht), mandoeb (aangeraden) of moebaah (vrijgelaten)?

De Profeet (saw) heeft gezegd in een hadieth:

“يا أيها الناس، أفشوا السلام، وأطعموا الطعام، وصلوا والناس نيام، تدخلون الجنة بسلام”

“O mensen, geef de salaam en voed met voedsel en bid terwijl de mensen slapen, dan zul je djenna in vrede binnengaan.” (Ahmad, Tirmidhie)

Wordt dus nu degene die deze zaken niet doet als een moebtadi’ (innovator) beschouwd?

We kunnen dus zien dat het woord ‘soenna’ waarvan het verboden is tegenin te gaan algemeen is en verduidelijking nodig heeft.

Is elke handeling die tegen de bevelen van de sjarie’a ingaan een bid’a?

Het antwoord hierop is dat dit absoluut niet het geval is. Het bewijs hiervoor zijn de volgende ahadieth:

“أيما امرأة نكحت بغير إذن مواليها، فنكاحها باطل…”

Het is overgeleverd van ‘Aa’isjaa dat de Profeet (saw) zei:” Iedere vrouw die trouwt zonder de toestemming van haar walie, haar huwelijk is baatil (ongeldig)” (Boegaarie)

وعن جابر بن عبد الله أنه سمع رسول الله صلى الله عليه وسلم يقول عام الفتح وهو بمكة: “إن الله ورسوله حرم بيع الخمر والميتة والخنزير والأصنام، فقيل: يا رسول الله، أرأيت شحوم الميتة، فإنها يطلى بها السفن، ويدهن بها الجلود، ويستصبح بها الناس؟ فقال: لا، هو حرام…”.

Er is overgeleverd op gezag van Djaabir ibn Abdoellah dat hij de Profeet (saw) hoorde zeggen bij het jaar van de Fath terwijl hij in Mekka was: “Voorwaar Allah en zijn Profeet hebben de verkoop van alcohol het kadaver, varken en idolen haraam gemaakt.” Er werd gezegd: “O Profeet, wat dan met betrekking het vet van het kadaver? Want hiermee worden boten ingesmeerd en worden huiden ingevet en mensen gebruiken het voor versiering.” Hij (saw) zei: “Nee, het is haraam.” (Boegaarie, Moeslim)

Een handeling die tegen de sjaria ingaat wordt dus niet altijd als bid’a beschreven, maar soms ook als haraam of baatil.

Niemand bijvoorbeeld zal zeggen dat het verkopen van alcohol of varken een bid’a is. Bid’a is dus een specifieke omschrijving voor een specifieke soort welke ingaan tegen de sjarie’a.

De volgende zaken zijn uit het voorgaande duidelijk geworden:

  1. De Wetgever heeft het woord bid’a niet gedefinieerd;
  2. Niet elke nieuw uitgevonden zaak is een negatieve bid’a , er is ook een bid’a hasana;
  3. Niet elke zaak dat tegen de soenna ingaat wordt als bid’a beschouwd;
  4. Bid’a dalaala is een specifieke beschrijving voor een specifieke overtreding;

 

Taalkundig betekent bid’a:

“كل عَمل عُمل على غير مثال سبق”

“Elke handeling welke gedaan wordt waarvan er geen voorganger is.”

Er dient gespecificeerd te worden om welke handelingen het precies gaat.

Indien we de sjar’ie teksten bestuderen zien twee soorten bevelen:

  1. Een soort bevel waar niet gespecificeerd wordt hoe men precies dient te handelen omdat de bewoording op een algemene manier is gekomen zonder uitleg te geven aan de details.

Een voorbeeld hiervan is:

{وَقَاتِلُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ الَّذِينَ يُقَاتِلُونَكُمْ وَلَا تَعْتَدُوا إِنَّ اللَّهَ لَا يُحِبُّ الْمُعْتَدِينَ}

“En vecht op het pad van Allah degenen die jullie bevechten en overtreed niet, voorwaar Allah houdt niet van de overtreders.” (Zie VBK soera Al Baqara, aaja 190)

Dit is een bevel om te vechten zonder dat de details duidelijk worden gemaakt. Hij (swt) specificeert niet of het met een zwaard of tank gedaan dient te worden, noch in de zomer of winter of in wat voor hoedanigheid.

  1. Een soort bevel waar wel de details van uitgezet zijn:

{وَأَقِيمُوا الصّلَاةَ}

“En verricht het gebed” (Zie VBK soera Al Baqara, aaja 43)

Allah heeft dit niet zo gelaten, maar heeft uitgebreid en gedetailleerd uitgelegd hoe dit precies uitgevoerd dient te worden middels zijn Profeet (saw).

Het gaat dus uiteindelijk om de tweede soort. Als men hier iets wijzigt dan bestaat er een bida’. Bijvoorbeeld indien men bij  het dhoehr gebed in plaats van vier raka’aat drie raka’aat gaat bidden. Of indien men tijdens hadj in plaats van zeven stenen acht stenen gaat gooien of indien men extra woorden aan de adhaan zou toevoegen. Dit alles is bid’a dalaala.

Aldus indien de hoedanigheid niet gespecificeerd is en de moslim hier tegen in gaat, dan is het geen bid’a dalaala, maar dan is het bijvoorbeeld haraam, makroeh of baatila of faasida. Dus het gebruik van ribaa is geen bid’a maar is haraam en degene die niet bidt begaat ook geen bid’a alsmede degene die varkensvlees begaat ook geen bid’a.

Waar komt de bid’a dalaala vooral voor?

Een goede vraag die men kan stellen is: ‘Waar komt de bid’a dalaala precies voor? Is dit in de  ibaadaat (aanbiddingen) of de muaamalaat  (sociale transacties) of ergens anders?’

Hiervoor dient men te kijken naar waar de type bevelen uit voortkomen waarin de hoedanigheid gespecificeerd is. Als we de teksten nagaan zien we dat deze teksten voornamelijk voorkomen bij ibaadaat . Want alleen hier wordt de hoedanigheid gespecificeerd. Dit is ook de reden waarom de Profeet (saw) in deze sectie bijvoorbeeld in doe’a de mensen exact vroeg hen na te zeggen, woord voor woord.

Wat moet verworpen worden van de bid’a?

Er zijn sommige mensen die alles als bid’a beschouwen wat tegen hun mening ingaat. We dienen ervoor te waken dat er geen afwijzing is van hetgeen waar de geleerden over verschillen.

Al Izz ibn Abdis Salaam heeft hierover gezegd:

الإنكار متعلق بما أجمع على إيجابه أو تحريمه، فمن ترك ما اختلف في وجوبه، أو فعل ما اختلف في تحريمه، فإن قلد بعض العلماء فلا إنكار عليه إلا أن يقلده في مسألة ينقض حكمه فيها

“Het verwerpen is verbonden aan waar een overeenstemming over is dat het slecht of haraam is. Dus degene die iets verlaat waarvan er een verschil van mening over is dat het verplicht is of haraam. Dus als hij sommige ‘oelamaa volgt, dan is er geen afwijzing van hem behalve als hij hem volgt in een kwestie waar het oordeel niet geldig voor is.”

Het is daarom niet toegestaan om iemand terecht te wijzen in zaken van meningsverschil onder de geleerden.

Conclusies

Hetgeen geleerd uit het voorgaande is als volgt samen te vatten:

  1. Bid’a is een vernieuwing van hetgeen er voorheen niet was wat door de sjaria verduidelijkt is.
  2. Niet elke nieuw uitgevonden zaak is een bid’a dalaala, maar enkel hetgeen wat tegen iets ingaat waarvan de hoedanigheid verduidelijkt is door de sjarie’a;
  3. Er zijn goede uitgevonden zaken zoals het mensen bijeenbrengen bij de salaat al taraawieh en vrijgelaten uitgevonden zaken zoals een specifiek kledingstuk die de aura bedekt en er voorheen niet was;
  4. Hetgeen tegen het bevel van de Wetgever ingaat waarvan de Wetgever de hoedanigheid heeft verduidelijkt hoe het uit te voeren, dit is een bid’a dalaala;
  5. Dat er een verschil is in begrip over bid’a tussen de geleerden, er daarom dus bid’as zijn waarover verschil van mening is en dat de over deze bid’as geen afwijzing verricht behoort te worden.

 

 

 

 

 

 

Comments

comments

DELEN