Oorsprong van de olie industrie

De moderne olie-industrie begon omstreeks het midden van de 19e eeuw, toen een groep zakenmannen in Amerika professor Benjamin Silliman Jr. inhuurden voor een onderzoek van een zwarte, dikke substantie die op verschillende plaatsen in Pennsylvania uit de grond opborrelde. De zakenmannen wilden weten of deze substantie die algemeen bekend stond als “rotsolie” gebruikt kon worden als brandstof voor olielampen. Professor Silliman onderzocht de rotsolie en toonde aan dat door een proces van distillatie een heldere vloeistof uit de rotsolie gewonnen kon worden die een uitstekende brandstof voor olielampen was. Deze heldere vloeistof werd bekend als kerosine.

Korte tijd later, in 1859, wist ene Edwin D. Drake middels een technologie die was ontwikkeld voor het boren van waterputten, een directe verbinding te maken met een ondergrondse bron van de rotsolie, waardoor de kerosine-industrie een enorme vlucht kon nemen. Dankzij “Kolonel” Drake hoefde men namelijk niet langer de rotsolie bijeen te schrapen op de plaatsen waar de substantie van nature aan de oppervlakte kwam, maar kon men het in grote hoeveelheden oppompen van onder de grond. De beschikbaarheid van de grondstof voor de kerosine-industrie nam hierdoor een vlucht terwijl ook de kost ervan substantieel daalde. Kerosine kon voortaan goedkoper geproduceerd worden dan de plantaardige oliën die voor olielampen gebruikt werden, waardoor de kerosine-industrie bijna overnacht een wereldwijde industrie werd, waar miljoenen in omgingen.

In 1865 nam de Amerikaanse ondernemer John D. Rockefeller zijn eerste stap in de kerosine-industrie middels de opening van een kleine raffinaderij voor verwerking van de rotsolie tot kerosine. Overtijd, echter, integreerde steeds meer aan zijn raffinaderij gerelateerde activiteiten in zijn ondernemen, zoals de productie van de rotsolie (upstream) en het transport en de verkoop van de kerosine (downstream). Zo bouwde Rockefeller zijn Standard Oil Company, die aan het begin van de 20e eeuw een feitelijk monopolie had over heel de Amerikaanse olie-industrie. Uit deze Standard Oil Company zouden later ExxonMobil en Chervron voortkomen.

In reactie op het succes van de kerosine-industrie in Amerika begonnen ook op andere plaatsen in de wereld ondernemers rotsolieproductie en distillatie activiteiten te ontwikkelen.

De stad Baku ligt tegenwoordig in Azerbeidjan maar aan het begin van de 20e eeuw behoorde het nog tot het Rusissche keizerrijk. Baku was bekend voor haar “eeuwige vuren”, plaatsen waar rotsolie naar de oppervlakte borrelde en vlam had gevat. De Zweedse broers Robert, Ludvig en Alfred Nobel deden in Baku wat Rockefeller in Amerika had gedaan. Ondersteund door geld van de Rothschild familie uit Frankrijk vestigden zij de Branobel oliemaatschappij die de productie en raffinage van rotsolie in Rusland onder haar controle bracht.

Verder oostwaards in Indonesië bouwde de Nederlander Aeilko Zijlker een concurrent voor Standard Oil and Branobel. Zijlker was eens op reis door Sumatra en hij leerde van de lokale mensen over het bestaan van plaatsen waar een zwarte, dikke substantie naar de oppervlakte borrelde, die door de mensen gebruikt werd om fakkels te maken. Zijlker verbaasde zich over de krachtige, heldere vlam van deze fakkels en liet daarom een laboratorium in Jakarta onderzoek doen naar deze zwarte substantie. Het onderzoek bevestigde dat de zwarte substantie rotsolie was, waarna Zijlker de Koninklijke Oliemaatschappij vestigde om de Indonesische rotsolie te verkopen op de wereldmarkt. Uiteindelijk zou deze Koninklijke Oliemaatschappij met het Britse zeetransportbedrijf SHELL van Walter Samuel samengaan en Royal Dutch SHELL worden.

Voor wat betreft het Midden-Oosten, daar begon de kerosine-industrie in 1901 nadat een Britse zakenman genaamd William Knox D’Arcy besloot gebruik te gaan maken van de rotsolie die in Iran aan de oppervlakte kwam. Hij betaalde de Sjah van Perzië een kleine som geld en kreeg in ruil hiervoor voor 60 jaar het alleenrecht op de productie van rotsolie in Iran. Knox D’Arcy kreeg echter te maken met geldproblemen waardoor de echte productieactiviteiten pas een paar jaar later van de grond kwamen nadat hij steun had gekregen van de Britse overheid. Op advies van Thomas Boverton, de meest vooraanstaande expert op het gebied van rotsolie in de wereld op dat moment, benaderde Knox D’Arcy de Britse overheid met een verzoek voor steun. Redwood was ook adviseur van de Britse overheid en hij voorzag dat rotsolie een brandstof voor de Britse marine zou kunnen worden. Een brandstof beter dan het tot dan toe gebruikte steenkool. Redwood wilde daarom dat Groot-Brittannië onafhankelijk van Amerika en Rusland toegang zou krijgen tot rotsolie en daarom probeerde hij Knox D’Arcy en de Britse overheid bijeen te brengen. Uit de samenwerking van deze twee partijen kwam de Anglo-Persian Oil Company voort, wiens naam later veranderde tot British Petroleum oftewel BP.

De opkomst van olie als strategisch product

Min of meer gelijktijdig met de opkomst van de olie-industrie betrad Duitsland de geopolitieke arena. Nadat Otto von Bismarck de verschillende Duitse staten had verenigd onder het leiderschap van Pruisen in 1870, ontwikkelde dit verenigd Duitsland zich zeer snel op zowel technologisch als economisch gebied. Het resultaat hiervan was dat Duitsland een uitdager werd van Groot-Brittannië voor wat betreft controle over de wereldzeeën.

Ten gevolge van de competitie met Groot-Brittannië probeerde Duitsland een relatie op te bouwen met het Ottomaanse Kalifaat. Het motto “de vijand van mijn vijand is mijn vriend” verklaarde deels dit Duitse initiatief, maar er waren meer redenen voor de Duits – Islamitische alliantie.

In 1871 had een team van wetenschappers de gebieden bezocht die tegenwoordig Irak, Koeweit en Saoedi-Arabië zijn, en geconcludeerd dat olie daar wel aanwezig moest zijn. Men concludeerde ook, echter, dat vanwege verschillende geografische en klimatologische omstandigheden die het transport van deze olie naar de markten in het westen en oosten duur zouden maken, het zeer moeilijk zou zijn voor de olie in het Midden-Oosten om te concurreren met de olie uit Amerika en Rusland. Rond de eeuwwisseling stuurde de Duitse Keizer Wilhelm een technische commissie naar de moslimlanden om het potentieel van de olie daar nogmaals te onderzoeken. Dit team concludeerde dat de moslimlanden feitelijk op een “meer van olie” dreven, een bijna onuitputtelijke voorraad. De commissie adviseerde de Duitse regering dan ook om te werken aan het totstandbrengen van een verbinding met deze gebieden, zodat de Amerikaanse / Russische / Britse controle over de olieindustrie gebroken zou kunnen worden.

De ideale oplossing was een treinverbinding tussen het Midden-Oosten en Duitsland, en Duitsland beschikte over de financiële middelen om een dergelijk project te ondernemen. De Khalifa van de moslims Abdul Hameed II deelde het Duitse enthousiasme voor een dergelijk plan, omdat een treinverbinding de integratie van de verschillende moslimlanden in de Khalifa ten goede zou komen. Het zou groei in de landbouw, handel en overige economische activiteiten ondersteunen.  Het moslimleger zou zich ook veel sneller en veel efficiënter kunnen verplaatsen, waardoor de militaire macht van de Islamitische Staat vergroot zou worden.

In 1904 ondertekenden de Deutsche Bank en de Khilafah daarom een contract, waarin de Duitsers het recht kregen om naar olie te zoeken in het land tussen de Tigris en Eufraat en een begin werd gemaakt met de bouw van de gewenste treinverbindingen. Allereerst werd een treinverbinding tot stand gebracht tussen Constantinopel en Centraal Europa, de zogenaamde “Orient Express” treinverbinding. Hierna bouwde de Duits-Islamitische alliantie het Anatolische Spoor dat Constantinopel verbond met Konya. Hierna begon het werk aan het slotakkoord, de zogenaamde Hejaz Spoorlijn van Konya via Damascus naar Al Madina en Mekka, en de Bagdad Spoorlijn van Damascus via Bagdad naar de haven in Basra. De Duitsers maakten de technische ontwerpen, moslimarbeiders verrichten het zware werk, en de Keizer en de Khalifa deelden de kosten.

Het plan was een spoorwegverbinding tussen de moslimlanden en Berlijn, zodat het Duitse thuisland directe toegang zou hebben tot de olie van de moslims, middels een een route waar de Britse marine geen invloed op uit zou kunnen oefenen.

Een gebeurtenis in 1911 overtuigde de Britten van de noodzaak tot drastische maatregelen tegen de stormachtig opkomende Duitsers. In dat jaar stuurde Keizer Wilhelm een marineschip naar de haven van Agadir in Marokko, om te onderzoeken of de Fransen in staat zouden zijn iets te ondernemen tegen de Duitse marine. De Britten leerden hieruit dat Duitsland actief werkte om het Britse imperium over te nemen.

Ene Winston Churchill was op dat moment admiraal van de Britse marine. Na geleerd te hebben dat schepen met verbrandingsmotor veel sneller konden varen dan stoomschepen, en ook sneller konden accelereren, een groter bereik hadden en veel minder mariniers nodig hadden om te opereren, besloot hij dat de Britse marine als eerste marine in de wereld stoomschepen zou afschaffen en vervangen door schepen met verbrandingsmotor. De Britse regering nationaliseerde daarom de Anglo-Persian Oil Company om de hiervoor benodigde olie uit Iran te kunnen halen. En het werkte met Koninklijke Olie / SHELL om van de Indonesische olie een alternatief te maken, in het geval dat iets de bevoorrading door Iraanse olie in de war zou schoppen. Olie werd zo van essentieel belang voor het Britse imperium.

Olie was nu niet enkel belangrijk om economische redenen, maar ook voor strategische redenen. Dit maakte de treinverbinding tussen Duitsland en de moslimlanden nog belangrijker en Groot-Brittannie begon daarom activiteiten om de plannen van de Duits-Islamitische alliantie te dwarsbomen. Uiteindelijke wendde Groot-Brittannië zich tot militaire middelen om de wederopleving van de Islamtische Khilafa, en toegang voor de Duitsers tot olie, te blokkeren. Daarom haastte het zich tot oorlog tegen Duitsland en de Khilafa nadat in 1914 de Oostenrijkse hertog Ferdinand in Sarajevo werd doodgeschoten. De Eerste Wereldoorlog was dus de eerste oorlog om olie in de geschiedenis.

Voorbeelden van geopolitieke conflicten voor olie

De Eerste Wereldoorlog zou niet de enige oorlog om olie blijken. Na Churchill’s beslissing om de Britse marine uit te rusten met interne verbrandingsmotoren, en dus afhankelijk te maken van olie, werd olie meer dan enkel het “zwarte goud”. Het werd ook het “zwarte wapen” waarover oorlogen gevoerd werden en dat oorlogen besliste.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden verschillende van de Duitse plannen als doel het onder controle brengen van de voornaamste olie-producerende gebieden in de wereld. Adolf Hitler viel de Soviet Unie binnen om de olievelden van de Kaukasus en die rond Baku te veroveren. Het uiteindelijke doel, echter, was om vanuit Baku zuidwaarts op te trekken en de Britse olie-installaties in Iran te veroveren. Deze Duitse aanval op het noorden van Iran moest ondersteund worden door een “westers Iraans front”. Hitler stuurde daarom zijn meest gerespecteerde legeraanvoerder, generaal Erwin Rommel, naar Noord-Afrika. Rommel moest allereerst het Suez kanaal onder zijn controle brengen om het transport van Iraanse olie naar Groot-Brittannië ernstig te bemoeilijken. Hierna moest hij het Arabisch schiereiland binnentrekken en via Irak optrekken naar Iran. Ironisch genoeg faalde dit grootse Duitse plan door een tekort aan olie. Rommel vernietigde de Britse legers die hij tegenkwam in Noord-Afrika en trok razendsnel richting Suez. Zo snel, dat hij zijn vliegtuigen, tanks en transportvoertuigen niet op tijd kon bevoorraden met de brandstof die ze nodig hadden, waarna de Britten Rommel’s leger eenvoudig tot stand konden brengen en in een tegenaanval konden vernietigen. In Rusland slaagde het Duitse leger er niet in voor de komst van de winter de olievelden van de Kaukasus in te nemen. De hele Operatie Barbarossa mislukte hierdoor, omdat het Duitse leger niet uitgerust was voor de koude Rusissche winter, maar ook omdat het Duitse leger nu op alle fronten met een tekort aan brandstof kwam te zitten. Door olie, met andere woorden, verloor Hitler zijn oorlog.

De uitkomst van de Tweede Wereldoorlog veranderde de machtbalans in de wereld. Amerika en de Sovjet Unie werden de nieuwe supermachten in de wereld. Samen namen ze een groot deel van de invloed in de wereld  over die Groot-Brittannië en Frankrijk lange tijd in handen hadden gehad. Maar niet alles.

Bijvoorbeeld behield Groot-Brittannië haar dominante positie in Iran en dus de controle over één van de belangrijkste olieproducenten in de wereld op dat moment. De Amerikanen, echter, begonnen al snel plannen te maken om deze invloed over te nemen van de Britten.

Onder het leiderschap van George McGhee begonnen de Amerikaanse diplomaten in het Midden-Oosten de lokale bevolkingen op te jutten tegen Groot-Brittannië. Zo werd het een publiek geheim in Iran dat tussen 1945 en 1950 de Anglo-Persian oliemaatschappij 250 miljoen pond had verdiend aan Iraanse olie en de Iraanse overheid over dezelfde periode slechts 90 miljoen pond –de Britse regering had meer dan dit verdiend aan haar belastingen op Anglo-Persian. Het werd ook bekend dat Anglo-Persian de Iraanse olie met een grote korting verkocht aan de Britse marine. Op datzelfde moment kwamen de Amerikaanse oliebedrijven naar het Midden-Oosten met een veel beter aanbod voor de lokale heersers dan de Britten aanvankelijk deden – 50% van de winst op de olie en complete Amerikaanse steun indien een vreemde mogenheid, oftewel Groot-Brittannië, iets zou ondernemen om het akkoord tegen te werken. Al deze factoren samen hadden als resultaat in Iran dat de mensen nationalisatie van de olieindustrie begonnen te eisen.

In reactie eiste het Iraanse parlement (Majlis) dat de Britten 50% van de winst op Iraanse olie aan Iran zouden geven, precies zoals de koning van Saoedi-Arabië middels een door George McGhee tot stand gebracht akkoord overeen was gekomen met Amerikaanse olie-ondernemingen. Toen de Britten het Iraanse verzoek weigerden en terzijde schoven, ontstond grote onrust in Iran. Het Iraanse parlement stemde vervolgens – in 1951 – voor nationalisering van Iraanse olie en zette de Anglo-Persian oliematschappij op straat. Dit maakte de Britten dan weer woedend. Middels de Verenigde Naties organiseerde Groot-Brittannië een wereldwijd embargo op Iraanse olie en het dreigde met een militaire invasie van Iran. Op dat moment intervenieerden de Amerikanen. Amerika liet Groot-Brittannië weten dat het een militaire invasie van Iran niet zou tolereren, maar bewust van de Britse steun voor Amerika in de Korea Oorlog, zeiden ze de Britten ook dat ze zouden helpen om een politieke oplossing voor de situatie in Iran te vinden. Amerika bood Groot-Brittannië aan om de Iraanse premier Mohammed Mossadeq af te zullen zetten, als de Britten daarna de Iraanse olie zouden delen met Amerika. Volgens Amerika was deze laatste stap, het stoppen van het monopolie van Anglo-Persian over de Iraanse olie, noodzakelijk om het Iraanse publiek een voortduring van westerse controle over Iraanse olie te laten accepteren. De Britten gingen met tegenzin akkoord waarop Amerika in 1953 CIA Operatie Ajax ten uitvoer bracht, waardoor, zoals tegenwoordig welbekend is, premier Mossadeg afgezet werd. De Iraanse olie werd hierna onder controle gebracht van een consortium van zeven westerse oliemaatschappijen, te weten Anglo-Persian uit Groot-Brittannië; Standard Oil of New Jersey (later Exxon), Standard Oil of New York (later Mobil), Standard Oil of California (later Chevron), Texaco (sinds 2001 onderdeel van Chevron) en Gulf Oil (sinds 1984 onderdeel van Chevron) uit Amerika; Royal Dutch/Shell en CFP uit Frankrijk (tegenwoordig Total genaamd).

Meer recent waren de Amerikaanse Golfoorlogen, van 1990 en 2003, vanwege olie. Kort na de invasie van Koeweit door het Irak van Saddam Hoessein in 1990, sprak Dick Cheney, toen de Amerikaanse Secretary of Defence (Minister van Defensie) onder president Bush (de vader), tegenover het leger-committee van de Amerikaanse Senaat: “Onze strategische belangen in de Golf-regio zijn, denk ik, welbekend, maar verdienen het om herhaald te worden. We hebben vanzelfsprekend ook substantiële interesse in de olie waar het allemaal om draait in de Golf”. Op dat moment bezat Irak 10% van de wereldoliereserves en door de inname van Koeweit bracht het een verdere 10% van deze reserves onder haar controle. De invasie van Koeweit bracht het Irakese leger ook aan de rand van het Ghawar olieveld in Saoedi-Arabië, het grootste olieveld ter wereld dat ongeveer 5 miljoen barrels olie per dag produceert. Cheney gebruikte deze feiten om de Amerikaanse oorlog tegen Saddam Hoesein te rechtvaardigen: “Hij (Saddam) was duidelijk in een positie waar hij de toekomst van het wereldwijde energiebeleid kon dicteren, en hierdoor had hij onze economie, en die van de meeste andere landen, in een houdgreep”. [1]

Na een tijd gewerkt te hebben als hoofd van het bedrijf Halliburton, een dienstverlener in de olie- & gasindustrie, keerde Cheney in 2001 terug in de Amerikaanse regering als vice-president onder president Bush (de zoon). Één van zijn eerste handelingen in deze positie was de ontwikkeling van een nieuw energiebeleid voor Amerika. Reeds tijdens de tweede week na zijn benoeming organiseerde Cheney een serie ontmoetingen met de bazen van de grote oliemaatschappijen in de wereld – ExxonMobil, Conoco, SHELL en BP. [2] Het resultaat van deze ontmoetingen was een rapport waarin stond dat voor de langere termijn de Amerikaanse doelstellingen moesten zijn om de energieconsumptie te verminderen en meer energie uit hernieuwbare bronnen zoals water en wind moest halen. Het rapport erkende echter dat tot deze doelstellingen gerealiseerd waren, Amerika afhankelijk zou blijven van geïmporteerde olie. Hierna zette het rapport uiteen wat voor belangen precies Amerikaanse ondernemingen op dat moment hadden in buitenlandse olie en maakte het duidelijk waar in de wereld Amerika verdere olie vandaan zou kunnen halen. [3] Voor dit advies had Cheney zeer gedetailleerde kaarten met de locatie van de Irakese olievelden bijeengebracht, alsook kaarten met de olievelden en olietransportroutes in Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten en informatie over gas-projecten in deze landen. [4] Zes maanden na de publicatie van dit rapport vond 9/11 plaats en haaste Amerika zich tot een nieuwe oorlog met Irak.

De rol van olie in de geopolitiek van vandaag de dag

Een onjuist idee waar veel mensen vandaag de dag toch in geloven is dat voor olie oorlogen gevoerd worden omdat met olie veel geld verdiend kan worden. Dit onjuiste idee heeft mensen doen concluderen dat oliemaatschappijen hun regeringen dwingen tot actie in de geopolitiek, waaronder de actie van het voeren van oorlog, zodat zij de winsten uit olie voor zichzelf kunnen garanderen.

Dit idee onderschat het belang van olie echter schromelijk. Al de economieën in de wereld vandaag de dag zijn volkomen afhankelijk van energie. Aangezien de meeste energie (in het bijzonder de energie gebruikt voor transport) uit olie en/of gas gehaald wordt, kan gezegd worden dat olie en gas de levensader zijn van de hedendaagse wereldeconomie. Als voor willekeur welk land deze levensader geblokkeerd of afgesneden zou worden, zouden desastreuze gevolgen resulteren voor de inwoners van dat land. De transportsector van de economie zou stilgelegd worden en de fabrieken zouden sluiten, waardoor de markten niet langer bevoorraad zouden worden. Complete chaos zou het resultaat zijn.

In de geopolitiek is het primaire doel van de meeste landen daarom het verzekeren van bevoorrading met olie en gas. Natuurlijk zou geen enkel land een aanbod om haar nationale oliemaatschappij deze bevoorrading te laten organiseren weigeren, omdat hiermee immense winsten kunnen gemaakt. Maar als het betrekken van de nationale oliemaatschappij risico’s met zich meebrengt voor wat betreft het primaire doel (van verzekeren van bevoorrading met olie en gas), dan zou ieder land de belangen van de nationale oliemaatschappij negeren omdat bevoorrading met olie en gas een veel belangrijker doel is. Tegenwoordig is het financieel profiteren van olie en gas dus een secundair doel, na het verzekeren van bevoorrading met olie en gas.

Voor wat betreft de landen die de ambitie hebben om heel de wereld onder hun controle te brengen, zoals Amerika en Groot-Brittannië, zij hebben naast het doel van verzekeren van bevoorrading met olie en gas nog een tweede doel. Zij willen tevens het transport van olie rond de wereld onder hun controle brengen. Henry Kissinger, de Amerikaanse Secretary of State (minister van buitenlandse zaken) ten tijde van president Carter zou gezegd hebben: “Wie het eten controleert, controleert de mensen; wie de energie controleert, controleert continenten; wie het geld controleert, controleert de wereld”.

In het verleden gebruikten de westerse landen het kolonialisme om al deze drie doelen met betrekking tot olie en gas – oftewel het verzekeren van bevoorrading met olie en gas; het controleren van het transport van olie en gas rond de wereld; en het financieel profiteren van de productie, verwerking en transport en verkoop – tegelijkertijd te realiseren. Groot-Brittannië maakte van Iran een effectieve kolonie waarna Britse ondernemingen financieel profiteerden van de Iraanse olie en het transporteerden naar de plaatsen waar de Britse regeringen het wilde hebben, in het bijzonder de havens van de Britse marine. Nadat Amerika “nationale onafhankelijkheid” begon te promoten om de positie van Groot-Brittannië in de wereld te ondermijnen, veranderde de politiek van de koloniserende landen. Kolonialisme werd ingeruild voor neo-kolonialisme, oftewel in plaats van westerse regenten in de koloniën kregen de mensen in deze gebieden heersers vanuit hun eigen midden die van achter de schermen werden gecontroleerd door de oude kolonisator. Deze verandering had implicaties voor het olie-beleid van de koloniserende landen. Neo-kolonialisme kan alleen werken als er onder de bevolking van het gekoloniseerde land steun is voor de agent die namens het koloniserende land heerst. Hiervoor moet de indruk gewekt worden dat de agent zelfstandig beslissingen neemt. De westerse oliemaatschappijen die de olie en gas in de gekoloniseerde landen gecontroleerd hadden, moesten daarom na de intrede van neo-kolonialisme contracten tekenen met de agent-heerser. Om dit te laten lijken op een onafhankelijke handeling van de agent bedoelt om de belangen van zijn onderdanen te behartigen en niet die van de oude kolonisator, moesten deze contracten iets meer aan het gekoloniseerde land geven dan zij ten tijde van kolonialisme hadden gekregen voor hun olie en gas. Omdat overtijd de bevolkingen van de gekoloniseerde landen meer bewust zijn geworden van de realiteit van hun situatie, hebben de agenten-heersers in deze landen alsmaar meer moeten krijgen van het koloniserende land om de agenten-heersers in hun positie te kunnen houden. Dit is ten koste gegaan van het financiëel profijt voor de oliemaatschappijen. Maar aangezien het primaire doel van de koloniserende landen het verzekeren van bevoorrading met olie en gas is, wordt dit niet als een groot probleem ervaren. Vooral niet aangezien de agenten-heersers het extra geld dat zij ontvangen voor de olie en het gas uitgeven in het land van hun meesters.

In reactie op deze tendens heeft de Amerikaanse regering ten tijde van Bush (de zoon) besloten om de activiteiten van het Amerikaans leger te concentreren op het onder Amerikaanse controle brengen van het wereldwijde transport van olie, in plaats van te concentreren op de productie van olie. De Amerikanen hebben er daarom voor gezorgd dat zij de beschikking hebben over militaire basissen rond de wereld, die haar in staat stellen om de olietransportroutes direct te controleren, of op zijn minst te beïnvloeden door de dreiging van haar militaire macht. [5] Amerika heeft er ook voor gezorgd dat de internationale militaire alliantie de NAVO dit Amerikaanse plan steunt en Amerika dus helpt om op de kritieke plaatsen in de wereld door Amerika gecontroleerde soldaten te plaatsen. In 2008 tijdens de Boekarest Bijeenkomst kwamen de NAVO landen overeen dat “helpen bij het beschermen van kritieke (olie) infrastructuur” onderdeel is van het mandaat van de NAVO. [6]

De belangrijkste knelpunten voor wat betreft het wereldwijde transport van olie en gas zijn ten gevolge hiervan de plaatsen van geopolitiek conflict geworden:

  • In de Arabische / Perzische Golf en de Straat van Hormuz is een conflict gecreërd tussen Iran en de landen van het Arabisch schiereiland, om voortdurende Amerikaanse aanwezigheid in en bemoeienissen met het gebied te rechtvaardigen.

 

  • In Jemen en Somalië is chaos gecreëerd omdat de Bab al Mandab en de Golf van Aden van cruciaal belang zijn voor het transport van de olie uit de Golf naar de westerse markten.

 

  • In Egypte vocht Abdul Nasser tegen de door de Britten gesteunde koning Farouk, en later tegen de Moslim Broederschap, om het land in de greep van de Amerikanen te brengen en te houden. Alles vanwege het belang van het Suez kanaal voor wat betreft het transport van de olie van het Oosten naar het Westen.

 

  • In de Indische Oceaan zijn Amerika en Groot-Brittannië in conflict over Sri Lanka omdat dit eiland een strategische positie inneemt op de transportroute van het Midden-Oosten naar Azië.

 

  • Het conflict tussen China en Amerika (middels haar agenten in de Filipijnen, Zuid-Korea en Japan) over controle over de Zuid-Chinese Zee wordt alsmaar intenser, niet enkel omdat in dit gebied substantiële voorraden aan olie en gas aanwezig zouden zijn maar vooral omdat dit gebied van cruciaal belang is voor het zeetransport van olie en gas naar China, Zuid-Korea en Japan.

 

  • Het conflict tussen de door Amerika gesteunde AK Partij van Erdogan, en het traditioneel aan de Britten gelieerde Turkse leger, is ten minste ten dele omdat de Bosporus van cruciaal belang is voor het transport van de olie en het gas uit de Kaspische Zee.

 

  • In Georgië kwamen Rusland en Amerika aan de rand van een militaire confrontatie omdat de Baku-Tbilisi-Ceyhan oliepijpleiding zo belangrijk is voor het transport van olie uit de Kaspische Zee.

 

  • De Urengoy-Pomary-Uzhgorod pijpleiding die door Oekraïne loopt verbindt de Siberische olie- en gasvelden met West-Europa en was daarom één van de voornaamste redenen voor het conflict tussen Rusland en Europa (en Amerika) in de Oekraïne.

 

Een beschouwing van de invloed van “fracking” op de geopolitiek

Het wordt vaak gedacht dat olie wordt geproduceerd door een gat te boren naar een groot ondergronds meer gevuld met de zwarte substantie. In werkelijkheid, echter, is van zulke “meren van olie” geen sprake. De olie onder de grond zit opgesloten in poreuze rotsformaties. De traditionele techniek voor oliewinning produceert olie door een gat te boren naar deze rotsformaties. De van nature onder het aardoppervlakte aanwezige druk duwt de olie dan door de porieën van de rotsformatie in de richting van dit gat, en door dit gat naar de oppervlakte.

Op sommige plaatsen in de wereld  zit de olie opgesloten in rotsformaties met minimale poreuziteit. Op deze plaatsen is de traditionele oliewinningtechniek niet effectief omdat maar heel weinig olie naar het boorgat kan stromen. De porieën van de rotsformatie zijn hiervoor simpelweg te klein.

Een oliewinning techniek genaamd “fracken” (formeel: hydraulisch kraken), lost dit probleem op. Bij deze techniek wordt een mengsel van water en chemicaliën onder druk in de rotsformatie gespoten zodat in de rotsformatie kleine haarscheurtjes ontstaan. De chemicaliën in het water voorkomen dat deze haarscheurtjes zich door de onderaardse druk weer sluiten. De olie kan zich vervolgens door de haarscheurtjes bewegen in de richting van het boorgat en van daar naar het aardoppervlak.

Sinds men op grote schaal fracken is gaan gebruiken in Amerika, omstreeks 5 jaar geleden, is de olie en gas productie daar substantieel toegenomen. In 2008 produceerde Amerika ongeveer 5 miljoen barrels olie per dag maar in 2013 was dit dankzij fracken met 30% gestegen tot 6,6 miljoen barrels. Volgens het Amerikaanse Department van Energy (American Energy Information Administration, EIA) bestaat de mogelijkheid dat, “onder bepaalde omstandigheden”, Amerika dankzij fracken onafhankelijk wordt van olie-importen, of zelfs een exporteur van olie zal worden. [8] Dit zou verregaande invloed hebben op de geopolitiek.

Het is hoogst echter onwaarschijnlijk dat de “bepaalde omstandigheden” waarnaar het EIA verwijst ook werkelijkheid zullen worden. Onder de grote kwesties die opgelost zullen moeten worden hiervoor, is het sterke en snelle verval in de productie aan de hand bij fracken. De gemiddelde boorput in Amerika produceert omstreeks 600 barrels olie per dag, met een vervalratio van 40%. Dit betekent dat na een jaar dezelfde boorput 40% minder produceert, oftewel nog maar 360 barrels per dag, en dit heeft  als gevolg dat voortdurend nieuwe boorputten geboord moeten worden om de olieproductie op hetzelfde niveau te houden. Het produceren van olie middels fracken is daarom relatief duur. [9]

Een andere kwestie is water. Zoals gezegd wordt bij fracken water onder druk in de rotsformatie gespoten. Het gaat hierbij om zeer grote hoeveelheden water en het meeste van dit water gaat verloren en komt niet terug naar de oppervlakte. Het deel dat wel terug naar het boorgat stroomt en aan de oppervlakte komt is ernstig vervuild door de chemicaliën en de olie of het gas waarmee het beneden de grond in aanraking komt. Alhoewel Amerika over grote watervoorraden beschikt zal er uiteindelijk competitie ontstaan over het Amerikaanse water: zal het gebruikt worden voor drinkwater, irrigatie van landbouwgrond, of fracken? In andere plaatsen op de wereld zal de watervereiste van fracken het onmogelijk maken om deze techniek op grote schaal te gebruiken. In China, bijvoorbeeld, beschikt men over grote reserves olie in rotsformaties met minimale poreuziteit. Maar bijna al deze reserves bevinden zich op plaatsen waar water zeer schaars is en dus zullen deze reserves waarschijnlijk niet geproduceerd kunnen worden.

De implicatie van is dat een blijvend effect op de energiebalans in sommige landen, zal de energiebalans voor dit land niet ondersteboven zetten. [10] Dit geldt nog meer voor het Globale energie balans, wat betekent dat de geopolitieke gevolgen van fracking meest waarschijnlijk beperkt zal blijven.

Ten gevolge hiervan zal fracken meest waarschijnlijk voor een een bepaalde periode een substantiële invloed hebben op de energie-balans van sommige landen, zoals Amerika. Het is echter onwaarschijnlijk dat fracking voor een langere periode de wereldenergie-balans zal beïnvloeden.

Met toestemming vertaald van www.revolutionobserver.com

 

Voetnoten:

[1] “Bush-Cheney Energy Strategy: Procuring the Rest of the World’s Oil”, Michael T. Klare, 2004 www.commondreams.org/views04/0113-01.htm

[2] “Document Says Oil Chiefs Met With Cheney Task Force”, www.washingtonpost.com/wp-dyn/content/article/2005/11/15/AR2005111501842.html

[3] http://en.wikipedia.org/wiki/Energy_Task_Force

[4] “Group: Cheney Task Force Eyed on Iraq Oil”, H. Josef Hebert, www.globalpolicy.org/component/content/article/185/40573.html

[5] “US military on the scent of oil”, Colonel Daniel Smith, www.atimes.com/atimes/Front_Page/FK20Aa01.html

[6] “NATO’s role in energy security”, www.nato.int/cps/en/natolive/topics_49208.htm

[7] “World Oil Transit Chokepoints”, www.eia.gov/countries/regions-topics.cfm?fips=wotc&trk=p3

[8] “Annual Energy Outlook 2013”, www.eia.gov/forecasts/aeo/pdf/0383%282013%29.pdf

[9] “Why Americas shale oil boom could end sooner than you think”, www.forbes.com/sites/christopherhelman/2013/06/13/why-americas-shale-oil-boom-could-end-sooner-than-you-think/

[10] “Scientists Wary of Shale Oil and Gas as U.S. Energy Salvation”, www.sciencedaily.com/releases/2013/10/131028141516.htm

Overige bronnen:

“The Prize: The Epic Quest for Oil, Money and Power”, Daniel Yergin, 1990

“Legacy of Ashes: The History of the CIA”, Tim Weiner, 2007

“A Century of War: Anglo-American Oil Politics and the New World Order”, F. William Engdahl, 2004

“Turkey, the great powers, and the Bagdad Railway: a study in imperialism”, Edward Meade Earle, 1923, https://archive.org/details/turkeygreatpower00earlrich

Comments

comments

DELEN