Een definitie van satire

Satire is niet een vorm van kunst maar een genre in de kunst. Onderzoekers zijn namelijk voorbeelden van satire tegengekomen in feitelijk alle kunstvormen, van de literatuur (poëzie, proza) tot de beeldende kunst (schilderen, beeldhouwen) en de podiumkunsten (film, toneel, muziek, dans). [1]

Wat al de algemeen geaccepteerde voorbeelden van satire gemeen hebben is dat zij een maatschappijkritiek zijn. De kunst van de satiricus heeft dus niet alleen ten doel de wereld mooier te maken, maar ook beter. [2]

De maatschappijkritiek van satire richt zich op zaken die door het algemene publiek als “goed” worden gezien maar die naar de mening van de satiricus dwaasheden of ondeugden zijn. Dit kan een idee zijn of een gedrag, maar het kan ook een persoon of een instituut zijn als deze naar de mening van de satiricus dwaasheid of ondeugd aanmoedigt. De satiricus wil zijn publiek doen realiseren dat wat zij “goed” achten in werkelijkheid onjuist en schadelijk is, in de hoop dat zij er hierdoor afstand van zullen nemen. [3]

Omdat de meeste mensen aan status quo bias leiden, wat wil zeggen dat zij het liefst hebben dat alles bij het oude blijft en dus niet meer nadenken of hetgeen zij gewend aan zijn juist is of niet [4], is de kritiek van satire een indirecte kritiek. De satiricus probeert allereerst een distantie te creëren tussen zijn publiek en het onderwerp van kritiek, in de hoop dat zij zich zullen realiseren dat wat zij “normaal” achten eigenlijk niet normaal is. De satiricus doet dit door het onderwerp belachelijk te maken. Hiervoor gebruikt de satiricus verschillende technieken, zoals:

  • Overdrijving. Hier wordt iets tot in het belachelijke uitvergroot zodat de fouten erin duidelijk worden. Een voorbeeld hiervan is de karikatuur.

 

  • Omdraaiing. Hier wordt de normale orde omgedraaid, bijvoorbeeld door het kind slim te maken en de ouder dom, of door de persoon met het goede karakter weer te geven als gehaat door de mensen en de persoon met het slechte karakter geliefd door dezelfde mensen.

 

  • Tegenstelling. Hier wordt het onderwerp in een onnatuurlijke situatie geplaatst om de fouten erin duidelijk te maken, zoals het plaatsen van een volwassen persoon in een kinderschool.

Door de distantie brengt de satiricus zijn publiek in een psychische staat die het mogelijk maakt voor hen om objectief te zijn betreffende het onderwerp, in plaats van iedere kritiek hierop bij voorbaat af te wijzen. [5]

Bij sommige satirici speelt humor een dominante rol. Dit is omdat humor een goed instrument is om de benodigde distantie tussen het publiek en het onderwerp van de kritiek tot stand te brengen. Een voorbeeld hiervan is tekenfilmserie The Simpsons. In deze serie worden zaken die de meeste mensen als normaal zien – en dus accepteren zonder hierover na te denken – overdreven om de mensen tot denken aan te zetten. Een voorbeeld hiervan is de tekenfilmserie “Itchy en Scratchy” die Bart en Lisa, de kinderen van Homer en Marge Simpson, graag kijken op hun televisie. Itchy en Scratchy gebruiken feitelijk sadistisch geweld tegen elkaar waar gewone mensen van zouden huiveren. Bart en Lisa, echter, kunnen er enkel smakelijk om lachen. Dit is feitelijk een kritiek op het gebruik van geweld in entertainment. Het geweld van Itchy en Scratchy doet de mensen denken “dit geweld is toch niet normaal, hoe kun je hier nu om lachen?”. Van hier is het een kleine(re) stap naar de vraag die de makers van de The Simpson willen dat hun publiek zich eigenlijk stelt, namelijk “is geweld in entertainment eigenlijk goed of slecht?”.

Humor is echter niet een voorwaarde voor satire. Bijvoorbeeld in de satire van Aldous Huxley (1894 – 1963) voert humor niet de boventoon. Huxley wilde de mensen waarschuwen voor de potentiële gevaren in sommige van de in zijn tijd populaire ideeën, zoals het profijt in technologische vooruitgang en materialisme. In zijn beroemde boek Brave New World schetst hij een wereld waar technologische vooruitgang en materialisme tot in het extreme uitgewerkt zijn. Technologische vooruitgang heeft in deze wereld materieel genot voor iedereen mogelijk gemaakt en honger, ziekte en oorlog beëindigt. Tegelijkertijd, echter, heeft het de individuele vrijheid en het ware geluk afgeschaft. De staat produceert kinderen in een fabriek en programmeert hun denken middels medicijnen. Iedereen in de Nieuwe Wereld denkt daarom dat hij gelukkig is, maar dit is feitelijk omdat men niet meer weet wat echt geluk is. Wat daadwerkelijk plaatsgevonden heeft is dat de staat techniek heeft gebruikt en om de mensen onder volledige controle te brengen, een vorm van slavernij waarin de slaven niet meer weten dat zij slaaf zijn. De mensen weten alleen nog maar wat de staat wil dat zij weten en ze geen toegang meer hebben tot andere, alternatieve ideeën. [6]

Om daadwerkelijk effectief te zien moet de satiricus goed en kwaad, de dwaasheid en de deugd, tegenover elkaar plaatsen, zodat het publiek het verschil kan zien. [7] Aldous Huxley doet dit in Brave New World door “wilde barbaren” op te voeren, mensen die in afgelegen gebieden leven volgens de traditionele ideeën van begin 20e eeuw. De mensen van Huxley’s Nieuwe Wereld kijken op hen neer omdat zij niet leven zoals hen. Voor de gemiddelde lezer is Huxley’s wilde barbaar zeer herkenbaar, echter, omdat Huxley deze mensen baseerde op de gemiddelde persoon in zijn tijd. Hierdoor kan de lezer zich realiseren dat de “vooruitgang” waar hij naar verlangt eigenlijk niet is wat hij goed en correct vindt. De gemiddelde persoon zal een voorkeur hebben voor de levenswijze van de wilde barbaar, boven de levenswijze van Huxley’s moderne mens. Hierdoor brengt Huxley zijn publiek tot nadenken over het goed en kwaad in de ideeën van technologische vooruitgang en materialisme. [8]

De Profeet Mohammed-cartoons: Satire, of toch niet?

Op basis van dit theoretisch raamwerk betreffende satire kunnen de Profeet Mohammed-cartoons zoals gepubliceerd door de Deense krant Jyllands-Posten, het Franse magazine Charlie Hebdo en de geannuleerde cartoonwedstrijd georganiseerd door Geert Wilders, vrij van emoties beoordeeld worden.

Omdat de cartoons niet een in de samenleving dominante persoon of dominant idee bekritiseren bestaat er een conflict tussen de cartoons en de theorie van satire. Het onderwerp van de cartoons is de religie van de moslims die een minderheid zijn in zowel de Deense, Franse als Nederlandse samenleving. Een minderheid, bovendien, die niet de meerderheid domineert maar die door de meerderheid gedomineerd wordt. Satire, echter, “richt zich op zaken die door het algemene publiek als ‘goed’ worden gezien, maar die naar de mening van de satiricus dwaasheden of ondeugden zijn”. In de context van Europa kan de satiricus dus wel op indirecte wijze het beleid van politici vis-a-vis Islam en de moslims aanvallen, of de door het algemene publiek aangenomen ideeën en gedragingen voor wat betreft de omgang met Islam en moslims in het dagelijkse leven, maar hij kan niet Islam en de moslims aanvallen. Zij behoren immers niet tot hetgeen door het algemene publiek als “goed” wordt gezien.

Satire past feitelijk niet in deze situatie waar het dominante volk het gedomineerde volk wil bekritiseren. Satire werkt in deze situatie zelfs averechts. Indien een politiek leider (de dominante persoon) de mensen (de gedomineerde persoon) wil laten inzien dat er iets mis is met hen, en daarom hen belachelijk maakt, dan brengt dit de mensen in de samenleving niet tot nadenken over henzelf maar over de politiek leider. De mensen in de samenleving zullen dan eerder denken “Wat is er mis met onze leider dat hij ons belachelijk maakt?” dan “Ja, misschien is er iets mis met ons”. Een volk kan dus wel haar president aanzetten tot verandering door diens karakteristieken met een serieuze ondertoon belachelijk te maken, maar de president kan niet zijn volk aanzetten tot verandering van hun karakteristieken met een serieuze ondertoon belachelijk te maken.

Een verder conflict tussen de cartoons en de theorie van satire is dat de cartoons de Islam van de moslims als onderwerp hadden, maar niet de moslims als publiek. Jyllands-Posten, Charlie Hebdo en Geert Wilders hebben immers niet de moslims in Europa als doelgroep. De betekenis hiervan is dat de cartoons niet verandering van het publiek ten doel hadden en dit is strijdig met echte satire omdat de satiricus “zijn publiek (wil) doen realiseren dat wat zij ‘goed’ achten in werkelijkheid onjuist en schadelijk is, in de hoop dat zij er hierdoor afstand van zullen nemen”.

Satire past feitelijk ook niet in deze situatie waar een volk een ander volk wil bekritiseren en ook in deze situatie werkt satire gewoonlijk averechts. Wanneer tradities door buitenstaanders belachelijk worden gemaakt dan reageert het volk van wie deze tradities zijn in de meeste gevallen door juist sterker aan hen vast te houden. Een volk kan dus wel aanzetten tot haar eigen verandering door haar eigen karakteristieken met een serieuze ondertoon belachelijk te maken, maar het kan niet aanzetten tot verandering van een ander door diens karakteristieken met een serieuze ondertoon belachelijk te maken.

De humor van de cartoons kan daarom niet satirische humor genoemd worden. De humor van de cartoons probeert namelijk niet een distantie tot stand te brengen tussen het onderwerp en het publiek, om het publiek in staat te stellen om na te denken. Deze distantie bestaat immers al wanneer een Europese publicatie de religie van de moslims tot onderwerp neemt in een communicatie die is gericht tot een niet-moslim publiek.

De cartoons waren dus niet enkel slechte of smakeloze satire. Ze waren geen satire.

Het gevaar van de Profeet Mohammed-cartoons

De ervaring leert dat het gevaarlijk is om de technieken van satire te gebruiken in de situaties die niet bij satire passen. Het belachelijk maken van personen of ideeën waar het publiek het al niet mee eens zijn kan het publiek namelijk leiden tot minachting van deze personen of ideeën. Als het publiek met minachting dan ook nog eens de dominante groep in de samenleving is, dan kan dit desastreuze gevolgen hebben.

Het beste voorbeeld hiervan zijn de Nazi’s van Adolf Hitler die de technieken van satire gebruikten om de joden belachelijk te maken. Ze publiceerden iedere week het magazine Der Stürmer (De Aanvaller) dat als slogan had “Een wekelijks gevecht voor de waarheid”. Der Stürmer publiceerde cartoons die joodse mensen, hun gebruiken en opvattingen belachelijk maakten om een afstand te creëren tussen het Duitse volk en hun joodse medemens. Het was zo duidelijk dat deze cartoons een grote en bijzonder betreurenswaardige invloed hadden op de mensen in Duitsland, dat de persoon verantwoordelijk voor Der Stürmer, Julius Streicher, zich na de oorlog moest verantwoorden voor het Neurenberg Tribunaal tezamen met de nog in leven zijnde politieke en militaire leiders van de Nazi’s.

Streicher verdedigde zichzelf bij de rechtbank door te zeggen dat hij slechts informatie had verspreid, informatie die volgens hemzelf de waarheid was, om de mensen te informeren. Hij had zelf geen fysieke handelingen ondernomen tegen joden en volgens Streicher had zijn magazine ook niemand opgeroepen om fysieke handelingen tegen joden te ondernemen. De rechter erkende dat Streicher en Der Stürmer niet voor fysieke handelingen veroordeeld konden worden. Maar, stelde de rechter, Streicher had middels zijn publicaties wel haat tegen het joodse volk had opgeroepen en zo het klimaat voor de joden vervolging geschapen. De rechter achtte Streicher daarom schuldig aan een “misdaad tegen de menselijkheid”, waarvoor hij ter dood werd veroordeeld. [9]

 

[1] “Satire: Spirit and Art”, George Austin Test, 1991

 

[2] “Satire: Origins and Principles”, Matthew Hodgart, 2009

 

[3] “Satire: Spirit and Art”, George Austin Test, 1991 en “Satire: Origins and Principles”, Matthew Hodgart, 2009

 

[4] http://en.wikipedia.org/wiki/Status_quo_bias

 

[5] “De theorie van de satire”, C.M. Geerars, www.dbnl.org/tekst/geer006theo01_01/geer006theo01_01_0001.php

 

[6] “The Power of Ridicule: An Analysis of Satire”, Megan LeBoeuf, 2007, http://digitalcommons.uri.edu/cgi/viewcontent.cgi?article=1065&context=srhonorsprog

 

[7] “A Companion to Satire: Ancient and Modern”, Ruben Quintero, 2007; “Introduction to Satire”, Leonard Feinberg, 2008

 

[8] Ibidem noot 6

 

[9] “The Nuremburg Trials Volume 12, Testimony Julius Streicher”, http://avalon.law.yale.edu/imt/04-29-46.asp

 

Comments

comments

DELEN