De oorsprong van de relatie tussen Amerika en Iran

Perzië, zoals Iran aan het begin van de 20e eeuw bekend was, werd in 1918 militair bezet door Groot-Brittannië. In 1921, vervolgens, schoof Groot-Brittannië het hoofd van de Kosakken Brigade van het Iraanse leger, ene Reza Khan, naar voren om het land als Brits agent te besturen. Deze Reza Khan liet zichzelf in 1925 uitroepen tot “Sjah Reza Pahlavi van Perzië” en hij gaf Groot-Britannië alles wat zij wilde in Iran, ondermeer de volledige controle over de Iraanse olievelden. Mede hierdoor werd Iraanse olie tijdens de jaren ‘20 en ’30 van de 20e eeuw de belangrijkste bron van brandstof voor het Britse leger. [1]

Nadat het Duitsland van Adolf Hitler in 1941 de Sovjet Unie binnenviel nam het belang van Iran in de geopolitiek verder toe. Tegenover een gemeenschappelijke vijand werden Groot-Brittannië en de Sovjet Unie partners en de kortste veilige route tussen beide landen op dat moment liep door Iran. Daarom vielen Groot-Brittannië en de Sovjet Unie op 25 augustus 1941 Iran binnen om het te bezetten. Sjah Reza Pahlavi werd vervolgens door Groot-Brittannië afgezet en vervangen door zijn zoon Mohammed Reza Pahlavi. In hun oorlog tegen Duitsland hadden de geallieerden behoefte aan een stabiel Iran en een nieuwe Sjah was beter in staat dit te realiseren dan een Sjah die door zijn volk werd veracht vanwege zijn tirannie. De Britse hoop was verder dat een nieuwe Sjah uit de familie van de oude Sjah zou voorkomen dat de Britse hand achter de misdaden van de oude Sjah bekend zou worden. [2]

Toen Amerika in 1942 officieel betrokken raakte bij de Tweede Wereldoorlog stuurde het troepen naar Iran om de bevoorrading van de Sovjets door Iran te coördineren. De Amerikanen koesterden een diepe haat voor de familie Pahlavi omdat die de Amerikaanse oliemaatschappijen altijd uit Iran geweerd had. Desondanks gingen de Amerikanen in 1942 verschillende verdragen aan met Sjah Mohammed Reza Pahlavi omdat de oorlogsinspanning de samenwerking van vijanden vereiste. De Amerikanen hoopten door deze samenwerking ook hun invloed in Iran te kunnen vergroten, ten koste van de Sjah. [3] De verdragen plaatsten het Iraanse leger, politie, de veiligheidsdienst ‘de Keizerlijke Gendarmerie’ en de publieke financiën van Iran feitelijk onder controle van Amerikaanse adviseurs. In een brief aan toenmalig Amerikaans president Franklin D. Roosevelt schreef Wallace Murray, adviseur van de Amerikaanse president voor Internationale betrekkingen, over de uitkomst van deze verdragen: “(…) Het is duidelijk dat wij binnenkort in een positie zullen verkeren waarin wij in feite Iran zullen besturen door een indrukwekkende groep van Amerikaanse adviseurs (…)”. [4]

Sjah Reza Pahlavi (links) en Sjah Mohammed Reza Pahlavi (rechts)

De Amerikaanse missie met verantwoordelijkheid voor organisatie van de Keizerlijke Gendarmerie opereerde onder de naam GENMISH. Kolonel Norman H. Schwarzkopf [5] had de verantwoordelijkheid voor deze missie, het doel waarvan was om een Iraanse organisatie op te bouwen die veiligheid en stabiliteit in Iran kon garanderen zodat hier geen geallieerde troepen meer voor nodig zouden zijn. De Amerikanen maakten van de Keizerlijke Gendarmerie daarom een militaire organisatie. Na de Tweede Wereldoorlog bleef de relatie tussen de Iraanse Keizerlijke Gendarmerie en de Amerikanen. Deze werd in 1950 zelfs uitgebreid toen Amerika en Iran hun Gemeenschappelijk Verdedigings Pact overeenkwamen. De Keizerlijke Gendarmerie groeide onder dit verdrag van 35.000 man tot meer dan 70.000, waarvan de belangrijkste officieren hun opleiding in Amerika kregen. Deze Gendarmerie nam de volledige verantwoordelijkheid voor veiligheid en stabiliteit in omstreeks 80% van het land. [6] Kolonel Schwarzkopf kreeg hierdoor grote invloed in Iran. De Gendarmerie viel onder de verantwoordelijkheid van het Iraanse ministerie van binnenlandse zaken waardoor Schwarzkopf ook invloed kon uitoefen op de Iraanse minister van binnenlandse zaken. En omdat de Gendarmerie het platteland van Iran controleerde had Schwarzkopf ook grote invloed op de traditionele stamhoofden in deze gebieden. In een telegram aan de Amerikaanse ambassadeur voor Iran, John C. Wiley, schreef  Schwarzkopf dat 88 leden van het Iraanse parlement (Madjlis) gehoorzaam waren aan hem. [7]

Mossadeq, Amerika’s agent in Iran

Na de Tweede Wereldoorlog probeerden de Britten hun controle over de Iraanse olie-industrie, door middel van de Anglo-Persian oliemaatschappij (later British Petroleum), te behouden. Anglo-Persian controleerde zowel productie, raffinage, als verkoop van de Iraanse olie. Tussen 1945 en 1950 verdiende Anglo-Persian meer dan 250 miljoen pond aan Iraanse olie terwijl Iran zelf slechts 90 miljoen pond verdiende – de Britse regering verdiende meer dan dit door haar belastingen op Anglo-Persian. [8]

Vanwege de Iraanse olie, maar ook vanwege de invloed die vanuit Iran uitgeoefend kan worden op de rest van het Midden-Oosten, werkten zowel de Sovjet Unie als Amerika om Iran over te nemen van Groot-Brittannië.

De Amerikaanse CIA had verschillende agenten gestationeerd in Iran en werkte om handlangers te vinden onder de Iraniërs. De Iraniër Dr. Taqi Nasr benaderde namens de CIA ondermeer kroonprins Abdoreza en generaal Ali Razmara. De Amerikanen leken success te hebben met generaal Razmara. Hij bood de Amerikaanse agent Dr. Taqi Nasr aan om minister van de economie te maken, een anti-corruptie campagne te beginnen om Britse agenten rondom de Sjah in de gevangenis te kunnen gooien, en de controle van Anglo-Persian over de Iraanse olie-industrie te breken, als de Amerikanen hem zouden helpen premier te worden in de regering van de Sjah, de hoogste positie in het land na de Sjah zelf. In 1950 kreeg de Amerikaanse ambassadeur in Iran, John C. Wiley, vanuit Washington de opdracht om de Sjah “dringend te adviseren” generaal Razmara aan te stellen als premier. Vanwege de Amerikaanse invloed in Iran op dat moment kon de Sjah niet veel anders dan gehoorzamen. [9]

Na zijn benoeming tot premier voerde Razmara onmiddellijk grote hervormingen door. Hij ontsloeg 400 hooggeplaatste ambtenaren en ondertekende het “Point Four” verdrag met Amerika, waardoor Amerika onder het mom van economische steun verdere invloed kon vergaren in Iran. In de kwestie van de Iraanse olie-industrie, echter, kwam Razmara zijn beloftes niet na. Hij ondertekende een overeenkomst met Anglo-Persian die de Britse controle over Iraanse olie in stand hield. Niet veel later werd Razmara vermoord. [10]

Generaal Razmara

De Madjlis, waar Schwarzkopf zoveel invloed had, dwong de Sjah toen om Mohammed Mossadeq tot nieuwe premier te benoemen. Mossadeq was tot 1919 een belangrijk politicus geweest in Iran. Omdat hij tegen de Britse invloed in Iran was, moest hij na de komst van de Britten echter vluchten naar Zwitserland. In 1921 probeerden Reza Khan en Groot-Brittannië hem terug te halen naar Iran om van zijn invloed in de samenleving gebruik te kunnen maken. Mossadeq ging op de uitnodiging in, maar in 1925 verzette hij zich zo sterk tegen de kroning van Reza Khan tot Sjah dat hij met pensioen werd gestuurd. [11] Mossadeq haatte Groot-Brittannië hiervoor. De Amerikanen kregen Mohammed Mossadeq zo in het oog want ze konden Mossadeq gebruiken om hun plannen voor Iran – het verwijderen van de Britse invloed in het Iraanse leger en de politiek en het openen van de Iraanse olieindustrie voor Amerikaanse ondernemingen – ten uitvoer brengen. Derhalve hielden de Amerikanen Mossadeq in de gaten. In 1944 rapporteerde de Amerikaanse consul in Teheran dat Mossadeq op dat moment “een zeer populair man (is) in Iran, en zijn woorden hebben grote invloed”. [12]

Mohammed Mossadeq

Na zijn benoeming tot premier was de eerste daad van Mossadeq dan ook om de Iraanse olie-industrie te nationaliseren. Dit leidde tot grote woede in Groot-Brittannië, maar de Amerikanen steunden Mossadeq. Groot-Brittannië benaderde Amerika met een plan voor militaire invasie van Iran om Mossadeq af te zetten maar de Amerikanen maakten duidelijk dat zij dit niet zouden tolereren. Amerika dwong Groot-Brittannië om met Mossadeq te onderhandelen. Dit weigerde Groot-Brittannië, echter. Ze organiseerde een embargo tegen Iraanse olie en begon een millitaire coup tegen Mossadeq te organiseren. De Amerikanen waren niet blij met dit Britse initiatief. Het embargo tegen Iraanse olie bracht de wereldwijde olie-industrie in de war en de Sovjets zouden van de geplande Britse coup gebruik kunnen maken om een verdere coup te organiseren die een communist aan de macht zou brengen in Iran. Tegelijkertijd wilde Amerika niet dat Groot-Brittannië haar steun voor Amerika in de Koude Oorlog tegen de communisten zou verminderen, dus volledige Amerikaanse steun voor Mossadeq en druk op Groot-Brittannië was geen optie. Amerika begon daarom druk uit te oefenen op Mossadeq om hem te bewegen tot het vinden van een oplossing voor zijn conflict met Groot-Brittannië. Maar Mossadeq hield vast aan standpunten waarvan Amerika wist dat dezen onacceptabel zouden zijn voor Groot-Brittannië. Sommigen binnen de Amerikaanse regering begonnen daarom Mossadeq te verdenken van communistische sympathieën en de CIA werd daarop de opdracht gegeven om een plan in werking te stellen dat Mossadeq uit zijn positie zou verdrijven. In 1953 zorgde CIA operatie “Ajax” ervoor dat Mossadeq werd afgezet en de Sjah al de macht in Iran terug in handen kreeg. [13]

Amerika en de Sjah

Sjah Mohammed Reza Pahlavi wist wie hij te danken had voor zijn macht. Hij zei tegen het hoofd van de CIA in Iran, Kermit Roosevelt Jr., dat hij zijn troon te danken had aan “God, mijn volk, mijn leger – en jullie”. [14] De Amerikanen kregen vervolgens een nog grotere rol in Iran dan voorheen.

De CIA organiseerde voor de Sjah een veiligheidsdienst, de SAVAK, om de oppositie tegen de Sjah onder controle te brengen. Kolonel Schwarzkopf keerde hiervoor in 1955 terug naar Iran om de SAVAK van achter de schermen te leiden. [15]

Amerika zou het bewind van de Sjah ook financieren. Direct na de coup tegen Mossadeq gaf ze Iran $68 miljoen, omstreeks één-derde van het bedrag dat de Iraanse schatkist was misgelopen door het Britse embargo tegen Iraanse olie. In de tien volgende jaren zou Iran een verdere $300 miljoen lenen van Amerika waarmee de Sjah de economie van het land kon versterken. Tenslotte gaf Amerika de Sjah $600 miljoen om zijn leger mee op te bouwen. [16]

Dit alles bracht de Sjah in zo’n comfortabele positie dat hij begon te dromen over een toekomst zonder Amerikaanse invloed in Iran. Hij begon plannen te maken om Iran een regionale macht te laten worden, oftewel een concurrent voor Amerika in het grotere Midden-Oosten, en gaf immense hoeveelheden geld uit om het sterkste leger van het Midden-Oosten te krijgen. Amerika was hier niet helemaal tevreden mee omdat zij bezorgd was dat dit Saoedi-Arabië zou motiveren om zich af te keren van Amerika en terug nauwe banden met Groot-Brittannië te ontwikkelen.

Publieke verklaringen van de Sjah tijdens deze periode maakten Amerika helemaal woedend. Bijvoorbeeld, in een interview met het magazine U.S. News and World Report in 1976 zei hij over de mogelijkheid dat Amerika onvriendelijk zou worden tegen Iran: “(Iran) kan jullie net zoveel pijn doen, zo niet meer dan dat jullie ons pijn kunnen doen. Niet enkel door middel van olie, we kunnen ook problemen voor jullie maken in de regio (het Midden-Oosten). Als jullie ons dwingen om afstand te doen van onze vriendelijke houding, dan zullen de gevolgen hiervan niet te overzien zijn”. [17] Amerika besloot daarop de Sjah te verwijderen.

Amerika en Ayatollah Khomeini’s “Islamitische Revolutie”

Amerika ging op zoek naar iemand die de positie van de Sjah over zou kunnen nemen. Verschillende adviseurs van de Amerikaanse regering werden met allerlei voorwendselen naar Iran gestuurd om te onderzoeken wie een voor de Amerikanen acceptabel alternatief voor de Sjah zou kunnen zijn. Het doel van deze missies was, volgens Henry Precht, een belangrijk Amerikaans diplomaat uit die tijd, “om toegang tot Iran’s nieuwe politieke elite te verzekeren en een pro-Amerikaans regime te vestigen in Iran”. [18] William H. Sullivan, de Amerikaanse ambassadeur voor Iran tussen 1977 en 1979, zei over deze periode: “In het voorjaar van 1978 was de situatie veranderd en maakten we van de gelegenheid gebruik. (…) Onze ambassade ontwikkelde contacten met dissidenten en won hun vertrouwen. (…) De meesten van hen waren verbaasd over onze opvattingen en het feit dat onze opvattingen zo dicht bij die van hun lagen. (…) De Sjah vroeg me eens: ‘Hoe gaat het met die Moellah vrienden van je?’.” [19]

Toen de adviseurs naar Washington terugkwamen met het advies om de Islamitische oppositie tegen de Sjah te steunen, omdat de nationalistische oppositie in Iran niet genoeg invloed had en er tussen de communistische oppositie en de Sovjet Unie nauwe banden bestonden, werden plannen gemaakt om de Islamitische oppositie tegen de Sjah actief te ondersteunen. Deze oppositie werd geleid door Ayatollah Roehollah Khomeini. Khomeini leefde in 1978 al vele jaren buiten Iran omdat hij door de Sjah verbannen was. Lange tijd woonde hij daarom in Najaf, Irak. In 1978, echter, werd hij door Saddam Hussein weggestuurd uit Irak en kwam hij in een voorstad van Parijs terecht, Neauphle le Chateau.

De Amerikanen hadden Khomeini al bezocht toen hij in 1978 nog in Najaf leefde. Richard Cottam, lid van de CIA organisatie die in 1953 de coup tegen Mossadeq had uitgevoerd, had in Najaf namens Amerika met Khomeini gesproken. Cottam leerde van de adviseurs van Khomeini dat deze zich net zoals de Amerikanen zorgen maakte over de dreiging van de communisten en dat hij derhalve voorzichtig zou zijn in zijn pogingen een revolutie tegen de Sjah tot stand te brengen, zodat de communisten niet de gelegenheid gegeven zou worden om van de situatie gebruik te maken. Khomeini vroeg Cottam ook om door te geven dat hij naar de Amerikanen zou kijken voor bescherming tegen de Sovjet Unie. [20]

Amerika stuurde ook vertegenwoordigers naar Neauphle le Chateau om daar met Khomeini en zijn entourage te spreken. In oktober 1978 kwamen Khomeini en Amerika een officiële samenwerking overeen. Khomeini beloofde te zullen samenwerken met de Amerikanen, als de Amerikanen hem zouden helpen de Sjah omver te werpen en als ze na de revolutie zich niet zouden bemoeien met de binnenlandse politieke aangelegenheden van Iran. De Amerikanen gingen hiermee akkoord. [21]

President Carter stuurde vervolgens generaal Robert Huyser naar Iran om de de generaals van het Iraanse leger achter de revolutie te krijgen. [22] Huyser arriveerde in Iran op 4 januari 1979 en probeerde de Iraanse generaals ertoe te bewegen zich niet te verzetten tegen Khomeini’s revolutie, omdat, zo hield hij hen voor, de communisten van een conflict tussen het leger en Khomeini gebruik zouden kunnen maken om Iran in handen te nemen. De krant Al Watan rapporteerde hierover op 18 maart 1979: “De Verenigde Staten hebben de aanvoerders van het leger en de generaals expliciet gevraagd om deze houding aan te nemen op het laatste moment, en het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken [State Department] drong er bij ambassadeur Sullivan op aan om de vooraanstaande generaals zo snel mogelijk te overtuigen om niet middels een offensieve actie tussenbeide te komen en om hun neutraliteit te verkondigen bij politieke conflicten.” [23]

In zijn memoires bevestigde de toenmalige Amerikaanse president Carter dit begrip van de missie van Huyser: “Huyser was van mening dat het leger toereikende plannen had gemaakt om haar uitrusting en installaties te beschermen, en dat het niet op straat zou komen. Hij had sommige van haar leiders afgebracht van het idee om een coup te proberen (…).” [24]

De Sjah begreep de missie van Huyser op dezelfde manier. In zijn memoires zei hij verbaasd te zijn geweest over de komst van Huyser in januari 1979 omdat het bezoek onaangekondigd was. De Sjah zei dat de generaal “al een paar keer naar Teheran was gekomen en altijd zijn bezoeken vooraf had geregeld om militaire aangelegenheden te kunnen bespreken met mij en mijn generaals”. De Sjah zei verder over de missie van Huyser: “Huyser slaagde erin mijn stafchef, generaal Ghara-Baghi, voor zich te winnen, wiens latere gedrag mij doet concluderen dat hij een verrader was. Hij vroeg Ghara-Baghi een ontmoeting te organiseren met Mehdi Bazargan, de mensenrechtenactivist die later de eerste premier van Khomeini zou worden. (…) Ik weet dat Ghara-Baghi zijn autoriteit gebruikte om militaire actie tegen Khomeini te voorkomen. (…) Het is misschien belangrijk dat alhoewel al mijn generaals zijn geëxecuteerd, alleen generaal Ghara-Baghi gespaard werd. Zijn redder was Mehdi Bazargan.” [25]

Op 14 januari 1979, vervolgens, organiseerde de Amerikaanse ambassadeur Sullivan een ontmoeting tussen Ebrahim Yazdi, een assistent van Khomeini, en vertegenwoordigers van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken. Ebrahim Yazdi was In 1961 naar Amerika gevlucht omdat hij vanwege politieke activiteiten gericht tegen de Sjah gezocht werd door de Iraanse geheime politie. In Washington had hij nauwe banden ontwikkeld met de CIA en het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken en in 1971 was hij zelfs Amerikaans staatsburger geworden. Namens het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken gaf Warren Zimmerman aan Yazdi de opdracht om een boodschap over te brengen aan Khomeini. Khomeini moest wachten met terugkeren naar Iran totdat generaal Huyser de zaken had geregeld met de generaals van het Iraanse leger. [26]

Op 21 januari ontmoette Ramsey Clark namens de Amerikanen Khomeini in Neauphle le Chateau. Na de ontmoeting sprak Clark met journalisten en zei hij: “Ik heb goede hoop dat deze revolutie sociale rechtvaardigheid zal geven aan de mensen van Iran.” [27] Met andere woorden, de revolutie was georganiseerd en klaar om uitgevoerd te worden.

Ayatollah Echragi, een assistent van Khomeini, schudt de hand van Ramsey Clarke, kort nadat deze Ayatollah Khomeini heeft ontmoet in Neauphle le Chateau.

Op 1 februari 1979 besteeg Ayatollah Khomeini daarom een Air France vliegtuig dat hem terugbracht naar Teheran. De Sjah verbleef op dat moment buiten Iran. Volgens officiële verklaringen was hij op “vakantie”. Maar het was duidelijk dat hij wist wat komende was en dat hij hiervoor was gevlucht. Op 4 februari kon Khomeini daarom officieel de macht nemen en een interim-regering voor Iran benoemen. Hij plaatste Mehdi Bazargan aan het hoofd van deze regering.

De aankomst van Ayatollah Khomeini in Teheran

Bazargan was één van de mensen geweest die tijdens 1978 de Amerikanen had geïnformeerd over de stand van zaken in Iran. Als vertegenwoordigers van de Amerikaanse regering hadden John Stempel, Henry Precht, Warren Zimmerman en Richard Cottam allen verschillende ontmoetingen gehad met het leiderschap van de Iraanse Bevrijdingsbeweging die aangevoerd werd door Bazargan. [28] Tijdens de eerste maanden van de revolutie bleef de Amerikaanse ambassade in Iran via deze Bevrijdingsbeweging nauwe contacten onderhouden met Bazargan. [29]

Op 14 februari benoemde Bazargan de overige leden van de interim regering. Tot vice-premier benoemde hij Abbas Amir-Entezam. Deze had 20 jaar lang in Amerika gewoond en onderhield al sinds de tijd van Mossadeq banden met de CIA. Hij had als contact gediend voor de CIA tijdens de coup tegen Mossadeq. [30] De minister van buitenlandse zaken was Karim Sanjabi. De Amerikaanse ambassade in Iran onderhield directe contacten met hem. [31] In de interim regering van Bazargan waren in totaal vijf mensen die naast het Iraanse ook het Amerikaanse staatsburgerschap hadden. [32]

De regering van Bazarghan ontwierp een nieuwe grondwet voor Iran ter vervanging van de grondwet van 1906. Voor deze nieuwe grondwet nam Bazarghan de grondwet van Frankrijk als uitgangspunt. Deze grondwet is daarom nationalistisch (“Artikel 41: Burgerschap is een recht voor alle Iraniërs” en “Artikel 78: Iedere verandering in de grenzen van het land is verboden” en “Artikel 15: De officiële taal en het schrift van Iran, de lingua-franca van haar volk, is het Perzisch; De officiële documenten, correspondentie, en de teksten, evenals de handboeken, moeten in deze taal en schrift zijn” en “Artikel 115: De President moet van onder de godsdienstige en politieke persoonlijkheden worden verkozen, en de volgende kwalificaties bezitten: Iraanse oorsprong; Iraanse nationaliteit”). Verder is de wetgeving in deze grondwet daarom gebaseerd op de wil van het volk (“Artikel 6: In de Islamitische Republiek van Iran moeten de belangen van het land behartigd worden in navolging van de publieke opinie, zoals deze tot uitdrukking komt in verkiezingen” en “Artikel 177: De aanpassing van de grondwet van de Islamitische Republiek van Iran zal, wanneer de omstandigheden dit vereisen, op de volgende manier plaatsvinden (…). De beslissing (…) zal geldig zijn indien goedgekeurd door een absolute meerderheid bij een nationaal referendum”). Islam was in deze grondwet dus eerder een versiersel dan een fundament. Desondanks werd de Bazarghan-grondwet op 24 oktober 1979 door referendum gekozen tot nieuwe grondwet voor Iran.

In zijn memoires zei president Carter over de regering van Bazargan: “Hij en zijn, in hoofdzaak in het westen opgeleide kabinetsleden, werkten met ons samen. Ze beschermden onze ambassade, verzorgden een veilige reis voor generaal Philip C. Gast die Huyser verving, en stuurden ons een reeks van vriendelijke berichten. Bazargan sprak publiekelijk over zijn wens goede relaties te hebben met de Verenigde Staten en zei dat Iran spoedig de normale olieladingen zou versturen naar haar klanten.” [33]

De anti-Amerikaanse retoriek ten tijde van Khomeini’s revolutie was dus niet een uiting van de relatie tussen Khomeini’s revolutionaire regime en de Amerikanen, maar een politieke strategie om steun voor de revolutie te winnen onder het Iraanse publiek. Dit publiek was welbekend met de vele jaren van Amerikaanse steun voor de Sjah en hield Amerika daarom mede verantwoordelijk voor de vele misdaden die de Sjah had begaan tegen de Iraniërs. Khomeini moest zich daarom wel publiekelijk afzetten tegen Amerika, alhoewel hij en zijn mensen achter de schermen dus samenwerkten met Amerika.

In dit licht moet ook de bezetting van de Amerikaanse ambassade in Teheran van 1979 tot 1981 gezien worden. In het najaar van 1979 stokte Khomeini’s revolutie en nam de steun ervoor af onder de Iraanse massa omdat de nieuwe regering van Bazargan geen onmiddelijke verbetering van de levensstandaard van de mensen had weten te realiseren. De intellectuele elite, opgevoed ten tijde van de seculiere Sjah, was het verder met vele passages van de voorgestelde nieuwe grondwet oneens. Verschillende religieuze leiders in Iran, tenslotte, hadden om religieuze redenen moeite met de politieke activiteiten die Khomeini ontplooidde. De revolutie van Khomeini had op dat moment dus iets nodig dat al de groepen in Iran verenigd zou houden achter haar. [34]

Op 1 november 1979 ontmoette Bazargan het hoofd van het Amerikaanse Nationale Veiligheidsdepartment (National Security Agency, NSA) Zbigniew K. Brzezinski in Algiers. Vlak na deze ontmoeting gaf Amerika de Sjah toestemming om in Amerika een medische behandeling te ondergaan. De twee gebeurtenissen zetten Iran in vuur en vlam en werden in de Iraanse media gepresenteerd als een Amerikaans plan om de Sjah terug aan de macht te krijgen. In reactie trokken op 4 november 1979 studenten naar de Amerikaanse ambasade in Teheran, braken de deur open en namen de Amerikaanse diplomaten in gijzeling. In februari 1979 was hetzelfde al eens voorgevallen maar Khomeini had toen opdracht gegeven om aan de bezetting een einde te maken. Ditmaal, echter, steunden al de leiders van Khomeini’s revolutie de gebeurtenis. Op 5 november spraken zowel Khomeini, Ayatollah Behesti, als Ayatollah Montazeri bijna tegelijkertijd hun steun uit voor de actie – een aanwijzing dat de gijzeling onderdeel van een plan was. De aandacht van het Iraans publiek ging vanaf dat moment uit naar de gemeenschappelijke vijand, de “Grote Satan” Amerika. [35]

Twee dagen na het begin van de bezetting van de Amerikaanse ambassade nam Bazargan ontslag. In Januari 1980, vervolgens, kozen de Iraniërs een nieuwe premier: Abul Hassan Bani Sadr. Bani Sadr onderhield sinds het verblijf van Khomeini in Parijs relaties met CIA agent Guy Rutherford. [36] Bani Sadr bevestigde later dat de gijzeling in Teheran onderdeel van een plan was geweest, en wel een Amerikaans plan. Het doel van het plan was om de positie van Khomeini te versterken en om tegelijkertijd het regime van Khomeini een excuus te geven om Amerika te ontmoeten voor overleg. [37]

Aan de gijzeling kwam een einde precies op de dag dat Ronald Reagan in 1981 voor het eerst als Amerikaans president het Witte Huis betrad. De vrijlating van het Amerikaanse ambassade-personeel was onderdeel van een verdrag dat bekend is geworden als het Algiers Verdrag van 1981. Naast de vrijlating van de gijzelaars kwamen de beide partijen in dit verdrag ook overeen dat Amerika zich niet zou bemoeien met de interne aangelegenheden van Iran, dat beide landen door middel van een derde partij de aangelegenheden tussen beiden zouden organiseren, en dat Iran $12 miljard die de Sjah op Amerikaanse bankrekeningen had geplaatst, terug zou krijgen.

De Irak – Iran Oorlog

Gedeelde belangen hadden Amerika en Khomeini dus bij elkaar gebracht. Na de revolutie werd het derhalve zaak voor Amerika om ervoor te zorgen dat Khomeini belang zou blijven houden bij een relatie met Amerika. Om deze reden ondersteunde Amerika verschillende leden van het oude Sjah-regime die Iran waren ontvlucht na de komst van Khomeini, om via hen druk te kunnen uitoefenen op Khomeini. Onder hen was generaal Gholam Ali Oveisi die vanuit Irak werkte om een revolutie tegen het regime van Khomeini te organiseren. Een ander was Shapour Bakhtiar, de laatste premier van het Sjah-regime. Beide mannen vlogen voortdurend naar Washington om te overleggen met vertegenwoordigers van de Amerikaanse regering. [38]

Op 22 september 1980 viel Irak haar buurland Iran aan en had Amerika wat het wilde. Onder invloed van Amerika verhoogde Saoedi-Arabië haar olieproductie waardoor de olieprijs daalde. Met hoge uitgaven voor de oorlog en lagere inkomsten uit olie kwamen zowel Irak als Iran hierdoor in grote financiële problemen. [39]

In eerste instantie leek Irak de oorlog te gaan winnen. Op dat moment, in januari 1981, leverde Amerika via de zionistische bezettingsstaat wapens aan Iran. Een afspraak met een waarde van ettelijke miljarden dollars. De Amerikaanse wapens stelden Iran in staat om een tegen-offensief te beginnen waardoor in het voorjaar van 1982 Iran de oorlog leek te gaan winnen. Op dat moment leverde Amerika via de zionistische bezettingsstaat wapens aan Irak in een afspraak die wederom verschillende miljarden dollars waard was. [40]

De Irak – Iran oorlog nam het leven van omstreeks 1.250.000 mensen

Naast wapens leverde de Amerikaanse CIA ook informatie aan zowel de Irakezen als de Iraniërs. In 1986 vonden verschillende ontmoetingen plaats tussen Amerikaanse CIA agenten en vertegenwoordigers van de Iraanse regering om de informatie te delen. Beide kampen kregen hierdoor met grote verliezen aan troepen en materieel te maken, zoals Irak bij haar inval op het Madjnoen olieveld. Amerika had de Iraniërs hiervoor gewaarschuwd en de Irakezen realiseerden zich hierdoor dat één van de Amerikaanse doelen was om de oorlog tussen beide landen zo lang mogelijk te laten duren. [41]

In 1984 vatte Richard Murphy, assistent van de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken tussen 1983 en 1989, het Amerikaanse beleid in de Irak – Iran oorlog als volgt samen: “Een overwinning door één der beide kampen valt militair niet te realiseren en is vanuit strategisch perspectief niet gewenst”. [42] Met andere woorden, door middel van oorlog wilde Amerika zowel het regime van Saddam Hoessein als het regime van Ayatollah Khomeini verzwakken en haar invloed op beiden vergroten.

Ten slotte, het feit dat ten tijde van de Irak – Iran oorlog de CIA de Iraniërs op de hoogte bleef houden van de handel-en-wandel van Sovjet spionnen in Iran, om het regime van Khomeini te beschermen tegen de communisten, bewijst dat Amerika nooit ten doel had om het Iraanse regime te doen vallen maar om het verzwakt aan te macht te houden. [43]

Iran en de Amerikaanse bezetting van Irak

Kort na de invasie van Irak op 20 maart 2003 installeerden de Amerikanen een overgangsregering voor het land. De zogenoemde Irakese Regeringsraad (Iraqi Governing Council, IGC) was georganiseerd langs etnisch-religieuze lijnen (13 Sji’a, 5 Soenni, 5 Koerden, 1 Turkmeen en 1 Assiriër), zogezegd om al de verschillende groepering in te representeren. De Raad stond onder volledige controle van de door de Amerikaan L. Paul Bremer III geleidde Voorlopige Autoriteit onder de Coalitie (Coalition Provisional Authority, CPA).

Iran was het eerste land in de wereld dat de IGC erkende als een onafhankelijke regering, alhoewel duidelijk was dat de IGC niets meer of minder was dan een hondje aan de lijn van Amerika.  De toenmalige Iraanse president Khatami zei op 17 november 2003 over de IGC: “Wij erkennen de IGC  en wij geloven dat deze in staat is om, samen met het volk van Irak, de belangen van het land te behartigen…”. Volgens de analysten van STRATFOR was dit een bewijs dat “gedeelde belangen beide partijen (Amerika en Iran) gedwongen hebben met elkaar samen te werken”. [44]

Niet verwonderlijk, derhalve, was de eerste buitenlandse reis van de IGC naar Teheran, op 19 november 2003. Volgens Jalal Talabani, die de IGC-delegatie aanvoerde, waren de Iraniërs het eens met de stelling dat de opstand in Irak tegen de Amerikanen niet “verzet tegen bezetting” was maar “blindelings moorden”. Iran en de IGC kwamen tijdens het bezoek dan ook verschillende verdragen overeen. Iran beloofde hierdoor dat het zou helpen om de “stabiliteit” in Irak te verbeteren, dat het ook zou “bijdragen” aan de wederopbouw van Irak en dat het zou helpen om Irakese olie te verkopen op de wereldmarkt. [45] Met andere woorden, Iran beloofde Amerika te zullen helpen om Irak te stabiliseren onder Amerikaanse controle. Na Teheran reisde de IGC-delegatie verder naar Turkije. Een verder bezoek aan Syrië werd op het laatste moment afgelast. Van Turkije en Syrië is welbekend dat zij onder Erdogan en de Al Assad-familie samenwerken met Amerika.

Iran hielp Amerika vervolgens daadwerkelijk om het verzet van de Irakezen tegen de Amerikaanse bezetting te breken. Op 10 april 2004 reageerde de Iraanse president Khatami op de volgende wijze op de weigering van de Sji’itische leider in Irak Moqtada as Sadr om gehoorzaam te zijn aan de Amerikanen: “(Iran) beschouwt ieder beleid dat de crisis in Irak kan verergeren en de veiligheid in gevaar kan brengen als schadelijk voor Sji’ieten en Islam.” [46]

Op 14 april, vervolgens, stuurde Iran een officiële delegatie naar Irak om de Amerikanen en Britten te helpen de situatie in Irak onder controle te brengen. Deze delegatie stond onder leiding van Hossein Sadeqi van het Iraanse ministerie van buitenlandse zaken. Op de agenda van Sadeqi stond ondermeer het onderzoeken van de mogelijkheid om Moqtada as Sadr en zijn Sadr-leger tot rust te bedaren. In een officiële verklaring zeiden de Amerikanen dat het de Britten waren geweest die Iran hadden uitgenodigd, maar dat Amerika met dit Britse plan akkoord was gegaan. De toenmalige Iraanse minister van buitenlandse zaken Kamal Kharrazi zei echter over de missie van Sadeqi: “Er is veel correspondentie geweest met Amerika over Irak, en de Zwitserse ambassade in Teheran die de Amerikaanse diplomatieke belangen in Teheran behartigt, heeft een bemiddelingsrol gespeeld bij deze uitwisselingen”. [47]

In deze periode erkende general John Abuzaid, hoogste bevelhebber van het Amerikaanse leger in de Arabische Golf op dat moment, dat elementen in Iran probeerden te helpen bij het onder controle brengen van Moqtada as Sadr. Gary Sick, Iran-adviseur van de Amerikaanse president Carter ten tijde van de Khomeini revolutie, verklaarde dit als volgt: “Er zijn altijd twee stromingen geweest in het Amerikaanse beleid. Net zoals Iran vaak beleid lijkt te volgen waaronder een deel van de regering afwijkt van wat een ander deel van de regering doet, zien we in Amerika heel erg hetzelfde. We hebben vanaf het begin (van de invasie van Irak) gebruik gemaakt van Iran en haar hulp, vooral in het zuiden (van Irak) en haar relaties met de Sji’ieten, om vrede en stabiliteit te behouden en een gematigd perspectief op Iraakse politiek te ondersteunen. Op hetzelfde moment hebben we, bijna zonder ophouden, Iran’s activiteiten in Irak bekritiseerd.” [48]

Na de samenwerking ter stabilisatie van Irak hebben Amerika en Iran ook samengewerkt om voortduring van de Amerikaanse controle over Irak te ganaranderen. Amerika heeft politieke partijen met pro-Iraans leiderschap naar voren geschoven om het leiderschap over Irak op zich te nemen. Deze regeringen, onder leiding van Ibrahim Al Jaafari en Nouri Al Maliki, hebben nauwe banden met Iran en zij hebben verschillende verdragen ondertekend die Amerika in staat stellen Irak te blijven domineren en vanuit Irak het Arabische Golf-gebied te controleren. Onder het “Status of Forces Agreement (SOFA)” van 2008 blijven omstreeks 30.000 tot 50.000 Amerikaanse soldaten permanent gestationeerd in Irak, ook na de formele terugtrekking van het Amerikaanse leger. Deze soldaten of “adviseurs”, hebben volgens het verdrag immuniteit en kunnen dus niet door Irak voor misdaden vervolgd worden. Onder het “Strategic Framework Agreement” kwamen Amerika en Irak overeen dat Amerika Irak zal beschermen tegen externe en interne vijanden, dat Amerika Irak zal helpen verder te “democratiseren”, en dat Amerika het recht zal hebben om in Irak “terrorisme” te bestrijden. Het “Strategic Framework Agreement” definieert ook de relatie tussen Amerika en Irak op gebieden als economie, handel, wetenschap, techniek en cultuur. [49] Een voorbeeld van de verregaande invloed in Irak die Amerika door deze verdragen heeft gegarandeerd, is de beveiliging van de Al Basra olie-terminal (ABOT) voor de Iraakse zuidkust, vanwaaruit omstreeks 85% van de Irakese olie wordt verscheept naar de rest van de wereld. Het Amerikaanse leger organiseert en opereert deze beveiliging waardoor het transport van de Irakese olie staat dus onder volledige Amerika controle is. [50]

Iran en de Amerikaanse bezetting van Afghanistan

De Amerikaanse militaire operatie “Enduring Freedom” zorgde ervoor dat de Taliban in Afghanistan uit alle posities van politieke macht verdreven werden. Hierna probeerde Amerika middels haar agent Hamed Karzai – die tijdens de bezetting van Afghanistan door de Sovjets voor de Amerikaanse CIA werkte [51] – een nieuwe politieke structuur te bouwen in Afghanistan. Een structuur die door haar gecontroleerd zou kunnen worden en die de Amerikaanse belangen in de regio blijvend zou dienen.

Één van Amerika’s eerste politieke manouvers voor Afghanistan was het organiseren van de Bonn conferentie in december 2001, om door middel van internationaal overleg een tijdelijke regering voor Afghanistan te vormen die door de belangrijke Afghaanse facties gesteund zou worden. Volgens James Dobbins, de Amerikaanse onderhandelaar bij deze conferentie, realiseerde Iran “de uiteindelijk doorbraak (in de onderhandelingen), zonder welke de Karzai regering nooit gevormd zou zijn geweest”. Hierna heeft Iran stabilisering van Afghanistan ondersteund door middel van economische hulp voor reconstructie van de Afghaanse infrastructuur. Iran heeft tussen 2002 en 2007 omstreeks $560 miljoen uitgegeven aan de bouw van wegen, scholen, waterzuivering en andere projecten in Afghanistan. Het heeft ook deelgenomen aan al de conferenties over Afghanistan die onder leiding van Amerika georganiseerd zijn, zoals dus de reeds genoemde Bonn conferentie van 2001 maar ook de Londen conferentie van 2006, de Den Haag conferentie van 2009, en de Bonn conferentie van 2011.  Iran heeft ook het Amerikaanse initiatief om Karzai te laten onderhandelen met de Taliban, in een poging de Taliban de nieuwe, door Amerika geschapen politieke situatie in Afghanistan te laten accepteren, ondersteund. [52]

De Iraanse ambassadeur in Afghanistan, Muhammad Reza Bahrami, verklaarde dit: “Onze strategie in Afghanistan is gebaseerd op veiligheid, stabiliteit en het ontwikkelen van een sterke, centrale regering”. [53] Net zoals voor wat betreft Irak is dus ook het Afghanistan-beleid van Iran precies in overeenstemming met het Afghanistan-beleid van Amerika, waardoor Iran de Amerikaanse plannen voor Afghanistan vooruit helpt.

Uit de meest recente ontwikkeling in de relatie tussen Amerika en Afghanistan, het zogenoemde Bilaterale Veiligheidsverdrag (Bilateral Security Agreement, BSA) tussen beide landen, dat Amerika het recht geeft om duizenden troepen in Afghanistan te houden verspreid over verschillende basissen, komt een verder bewijs dat Iran de Amerikaanse plannen voor de regio-Afghanistan steunt. De Iraanse ambassadeur in Afghanistan, Muhammad Reza Bahrami, zei over dit verdrag: “Het is een werkelijk recht van Afghanistan om haar nationale belangen te beschermen en overeenkomsten te tekenen met andere landen en we zullen ons hier niet mee bemoeien, want het is een interne aangelegenheid van Afghanistan”. [54] Door het BSA verdrag te beschrijven als een “interne aangelegenheid” voor Afghanistan manipuleert Iran feitelijk de publieke opinie ten gunste van de Amerikaanse plannen. In werkelijkheid is een permanente aanwezigheid van het Amerikaanse leger in Afghanistan namelijk niet een “interne aangelegenheid” voor Afghanistan. Het is een aangelegenheid met verregaande consequenties voor heel de regio, te meer omdat Amerika onder het BSA ook onbemande drones mag stationeren in Afghanistan. Het BSA verdrag geeft het Amerikaanse leger dus de capaciteit om al de landen die grenzen aan Afghanistan te beïnvloeden.

De nucleaire kwestie

De zionistische bezettingsstaat probeert te voorkomen dat de landen in haar omgeving de beschikking krijgen over nucleaire wapens. Een zionistische generaal verklaarde deze pilaar van het zionistische beleid: “De meeste Israëli’s zouden hier (de zionistische bezettingsstaat) niet willen leven; de meeste joden zouden hier niet willen komen met hun families, en de Israëli’s die dit zouden kunnen, zouden vertrekken naar het buitenland (als een omringend land de beschikking zou krijgen over nucleaire wapens)”. [55] Vanwege dit beleid heeft de zionistische bezettingsstaat verschillende acties uitgevoerd in de moslimwereld, zoals Operatie Opera van 7 juni 1981 toen zionistische vliegtuigen Irak aanvielen om Saddam Hoessein’s nucleaire project te stoppen. Verder viel de zionistische bezettingsstaat in 2007 faciliteiten in Syrië aan die volgens haar voor nucleaire doeleinden gebruikt werden.

In 2003 bracht een Iraanse dissident in Amerika informatie naar buiten over Iran’s nucleaire activiteiten die internationaal voor opschudding zorgde. Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland (“EU-3”) riepen in reactie op deze gebeurtenis Iran op om haar nucleaire activiteiten te staken. De EU-3 en Iran kwamen zowel in 2003 als in 2004 tot de afspraak dat Iran haar nucleaire activiteiten zou staken als de EU-3 handelsbeloftes zou doen. In de praktijk, echter, hadden deze afspraken niet het door de EU-3 gewenste resultaat. In 2006 bood Amerika daarom aan de EU-3 te steunen in onderhandelingen met Iran. Vanaf dat moment werden sancties ingesteld tegen Iran. [56]

Tegelijkertijd, echter, heeft Amerika Iran beschermd tegen een aanval op haar nucleaire faciliteiten door de zionistische bezettingsstaat. [57] Recent nog zijn de stafchef van het Amerikaanse leger, generaal Martin Dempsey, en de stafchef van de Amerikaanse luchtmacht, generaal Mark Welch, naar de zionistische bezettingsstaat getrokken om ervoor te zorgen dat de zionistische bezettingsstaat in de kwestie Iran het Amerikaanse plan volgt en niets “ondoordachts” zoals een militaire aanval onderneemt. [58]

Enerzijds bedreigt Amerika dus Iran’s nucleaire activiteiten en anderzijds beschermt het dezen. De betekenis hiervan is dat Amerika de nucleaire activiteiten van Iran onder haar controle plaats wil laten vinden, zodat dezen de Amerikaanse plannen voor het Midden-Oosten vooruit helpen. De dreiging van een “nucleair Iran” houdt de Europeanen bezig, zodat ze niet op andere plaatsen de Amerikaanse plannen tegen kunnen werken. En het maakt de landen rondom de Arabische Golf bang, waardoor Amerika verregaande invloed op hen kan uitoefenen en voor miljarden aan wapens aan hen kan verkopen.

De huidige stand van zaken in de relatie Amerika – Iran

Over de jaren heeft Iran dus altijd de Amerikaanse plannen voor het “Grotere Midden-Oosten” gevolgd en gesteund.

Amerika ziet de huidige situatie in Syrië als een grote bedreiging voor haar belangen in deze regio. De verklaringen van Amerikaanse zijde over de zogenoemde “terreurdreiging” die aan het opkomen is in Syrië ten gevolge van de opstand tegen Assad, en over de mislukking van alle pogingen om onder de opstandelingen agenten voor de Amerikaanse plannen te vinden, zijn teveel om op te noemen. Amerika heeft daarom al haar agenten in de regio de opdracht gegeven om zich op Syrië te concentreren zodat deze kwestie op een voor Amerika gunstige manier opgelost kan worden. Amerika heeft in deze kwestie de hulp van Iran nodig, dus is de Amerikaanse strategie versus Iran op dit moment om sommige van de problemen van Iran op te lossen, zodat Iran zich kan concentreren op het helpen van Amerika in Syrië en de mogelijkheid krijgt om dit te doen.

Volgens Amir Mohebbian, één van de meest vooraanstaande adviseurs van de Iraanse regering, was deze overweging de achtergrond bij de verkiezing van Hassan Rouhani tot president van Iran op 15 juni 2013, als opvolger van Mahmoud Ahmedinejad. Mohebbian zei: “Het is duidelijk dat de handreiking naar het westen niet geleid kon worden door iemand als Ahmedinejad. Ik denk dat de leider (Ayatollah Khameini) geholpen heeft om meneer Rouhani de macht te geven, om het publiek klaar te maken voor een verandering van beleid.” [59]

Ahmedinejad kon niet herkozen worden omdat hij al tweemaal president was geweest en de Iraanse grondwet net zoals de Amerikaanse het niet toestaat dat iemand langer dan twee termijnen als president dient. In de verkiezing van 2013 steunde Ahmedinejad de campagne van Esfandiar Rahim Mashaei, die uiteindelijk dus de verkiezing verloor van Rouhani.

Na de bekendmaking van zijn overwinning in de verkiezing zei Rouhani dat zijn doel was om “contsructieve relaties te bouwen met de wereld, op basis van gematigdheid”. Volgens Amerika was dit een “hoopvol teken”. [60]

Na de benoeming van zijn kabinet, vervolgens, in augustus 2013, verklaarde Rouhani dat zijn doel was om “bedreigingen te voorkomen en spanningen te verminderen”. Hij benoemde Mohammad Javad Zarif tot minister van buitenlandse zaken. Zarif is opgeleid in Amerika en was voorheen de Iraanse ambassadeur bij de Verenigde Naties. [61]

In november 2013 werd bekend dat Iran en Amerika een overeenkomst hadden bereikt over Iraans nucleair programma. De internationale-paria status van Iran werd hierdoor beëindigd en Iran kon zichzelf weer presenteren als een volwaardig lid van de internationale gemeenschap.

Al snel bleek dat deze overeenkomst tot stand was gekomen door geheime onderhandelingen tussen Iran en Amerika sinds maart 2013. In maart 2013 had Ayatollah Khamenei in een toespraak al melding gemaakt van Amerikaanse voorstellen voor gesprekken: “De Amerikanen sturen ons constant boodschappen, ze zeggen ons dat ze oprecht zijn (en echt willen onderhandelen)”.  Op dat moment deed hij deze boodschappen af als een propaganda-stunt van de Amerikanen, maar in werkelijkheid ging hij dus wel akkoord met de Amerikaanse voorstellen voor ontmoetingen en onderhandelingen. [62] Khamenei persoonlijk stelde Mohammad Javad Zarif aan als leider van de Iraanse delegatie – de persoon dus na beëindiging van de geheime gesprekken door Rouhani, is aangesteld als minister van buitenlandse zaken! [63].

Na de bekendmaking van het akkoord zei de Ayatollah: “Het nucleaire onderhandelingsteam verdiend het om gewaardeerd en bedankt te worden voor wat zij bereikt heeft. Hun gedrag kan de basis vormen voor volgende wijze manouvres.” [64]

De betekenis van dit alles is dat tijdens 2013 de voornaamste gebeurtenissen in de nationale politieke van Iran in directe relatie hebben gestaan met internationale politieke gebeurtenissen. Iran’s handelingen in nationale en internationale politiek zijn dus onderdeel geweest van één alomvattend plan. Aangezien in de internationale politiek Iran Amerika probeert te steunen, op dit moment vooral in Syrië, Afghanistan en Irak, blijkt hieruit dat zelfs Iran’s nationale politiek ten dienst staat van Amerika’s plannen.

[1] “Great Britain & Reza Shah: The Plunder of Iran 1921 – 1941”, Mohammed Gholi Majd, 2001, www.kurdipedia.org/books//65502.pdf

[2] Ibidem noot 1

[3] Ibidem noot 1

[4] “Strange Menagerie: The Atlantic Charter as the Root of American Entanglement in Iran, & Its Influence Upon the Development of the Policy of Containment, 1941-1946”, Gregory J. Rosmaita, 1994, www.hicom.net/~oedipus/us_iran.html

[5] De vader van de Amerikaanse generaal Schwarzkopf die de Amerikaanse invasie van Irak leidde in 1990.

[6] “Gendarmerie”, Encyclopedia Iranica, www.iranicaonline.org/articles/gendarmerie

[7] “The United States and Iran, 1946 – 51: The Diplomacy of Neglect”, James Goode, 1989

[8] “The Prize: The Epic Quest for Oil, Money and Power”, Daniel Yergin, 1990

[9] “Iran and the United States: A Cold War Case Study”, Richard W. Cottam, 1988

[10] http://en.wikipedia.org/wiki/Haj_Ali_Razmara

[11] http://en.wikipedia.org/wiki/Mohammad_Mosaddegh

[12] Ibidem noot 4

[13] “The United States, Great Britain, and Mossadegh”, David Painter, Georgetown University, 2006, www.princeton.edu/~bsimpson/Hist%20725%20Summer%202006/The%20US%20and%20Mossadegh%201951-1953.pdf

[14] Ibidem noot 13

[15] http://en.wikipedia.org/wiki/SAVAK

[16] “US Foreign policy and the Shah: Building a Client State in Iran”, Mark Gasiorowski, 1991

[17] “Warning to America: ‘A False sense of Security will destroy you’ (Exclusive Interview With The Shah of Iran)”, U.S. New World Report, 1976

[18] “US Foreign Policy and the Iranian Revolution: The Cold War Dynamics of Engagement and Strategic Alliance”, Christian Emery, 2013, pagina 72

[19] “Mission to Iran”, William H. Sullivan, 1981

[20] Ibidem noot 12, pagina 76

[21] “Ziyara Khassa (Speciaal Bezoek): Interview met Abul Hassan Bani Sadr, eerste president van de Iraanse Republiek”, Al Jazeera Aarabic, 2000; “My Turn to Speak: Iran, the Revolution and Secret Deals with the U.S”, Abol Hassan Bani Sadr, 2010

[22] Ibidem noot 12, pagina 77

[23] Al Watan, Kuwait, 18 maart 1979, pagina 1, middels “Iran and the Revolution: An Exposure of American Plans”, middels http://islamicweb.com/beliefs/cults/iranian_revolution.htm

[24] “Keeping Faith: Memoirs of a President”, Jimmy Carter, 1982

[25] “Answer to History”, Muhammed Reza Pahlavi, 1980

[26] Ibidem noot 18, pagina 78

[27] Al Hawadess, 3 februari 1979, uitgave 1161, pagina 26, middels http://islamicweb.com/beliefs/cults/iranian_revolution.htm; zie ook “Was it Wrong to Support the Iranian Revolution in 1978 (because it turned out badly)”, Richard Falk, http://richardfalk.wordpress.com/2012/10/09/was-it-wrong-to-support-the-iranian-revolution-in-1978-because-it-turned-out-badly/ (Richard Falk vergezelde Ramsey Clark op zijn reis eerst naar Iran, en van Iran naar Parijs)

[28] Ibidem noot 18, pagina 73

[29] Ibidem noot 18, pagina 74

[30] Ibidem noot 18, pagina 74

[31] Ibidem noot 18, pagina 74

[32] Ibidem noot 18, pagina 75

[33] Ibidem noot 24

[34] “All Fall Down: America’s Fateful Encounter with Iran”, Gary Sick, 1985

[35] Ibidem noot 34

[36] Ibidem noot 18, pagina 74

[37] Ibidem noot 21

[38] “The United States and Iran: Sanctions, Wars and the Policy of Dual Containment”, Sasan Fayazmanesh, 2008

[39] “Saddam Hussein: The Politics of Revenge”, Saïd K. Aburish, 2001

[40] “U.S. Secretly Gave Aid to Iraq Early in Its War Against Iran”, Seymour Hersh, The New York Times, 1992, www.nytimes.com/1992/01/26/world/us-secretly-gave-aid-to-iraq-early-in-its-war-against-iran.html?pagewanted=allHYPERLINK “http://www.nytimes.com/1992/01/26/world/us-secretly-gave-aid-to-iraq-early-in-its-war-against-iran.html?pagewanted=all&src=pm”&HYPERLINK “http://www.nytimes.com/1992/01/26/world/us-secretly-gave-aid-to-iraq-early-in-its-war-against-iran.html?pagewanted=all&src=pm”src=pm

[41] Ibidem noot 38

[42] Ibidem noot 38

[43] Ibidem noot 38

[44] “The Unnoticed Alignment: Iran and the United States in Iraq”, STRATFOR, 19 november 2003, www.stratfor.com/weekly/unnoticed_alignment_iran_and_united_states_iraq

[45] “Iraq leaders ‘get’ Iran support”, BBC World, 19 november 2003, http://news.bbc.co.uk/2/hi/middle_east/3282319.stm

[46] “The Struggle for Iraq: Mediation; Iranians in Iraq in talks on rebel cleric”, The New York Times, 15 april 2004, www.nytimes.com/2004/04/15/world/struggle-for-iraq-mediation-iranians-iraq-help-talks-rebel-cleric.html?pagewanted=allHYPERLINK “http://www.nytimes.com/2004/04/15/world/struggle-for-iraq-mediation-iranians-iraq-help-talks-rebel-cleric.html?pagewanted=all&src=pm”&HYPERLINK “http://www.nytimes.com/2004/04/15/world/struggle-for-iraq-mediation-iranians-iraq-help-talks-rebel-cleric.html?pagewanted=all&src=pm”src=pm

[47] “Iran gets its hands dirty”, Safa Haeri, Asia Times Online, 2004, www.atimes.com/atimes/Middle_East/FD17Ak03.html

[48] Ibidem noot 44

[49] “U.S. Security Agreements and Iraq”, Council on Foreign Relations, www.cfr.org/iraq/us-security-agreements-iraq/p16448

[50] “Secret of the Seven Sisters – Episode 4”, Al Jazeera English, www.youtube.com/watch?v=DjvPRWJNDzY

[51] http://en.wikipedia.org/wiki/Hamid_Karzai

[52] “Iran’s policy on Afghanistan: The Evolution of Strategic Pragmatism”, Bruce Koepke, 2013, http://books.sipri.org/files/misc/SIPRI13WCABK.pdf

[53] “Iran Is Seeking More Influence in Afghanistan”, The New York Times, 27 december 2006, www.nytimes.com/2006/12/27/world/asia/27afghan.ready.html?pagewanted=allHYPERLINK “http://www.nytimes.com/2006/12/27/world/asia/27afghan.ready.html?pagewanted=all&_r=0″&HYPERLINK “http://www.nytimes.com/2006/12/27/world/asia/27afghan.ready.html?pagewanted=all&_r=0″_r=0

[54] “Iranian Envoy Supports Afghan Right to BSA, With Reservations”, Tolonews, 20 november 2013, www.tolonews.com/en/afghanistan/12802-iranian-envoy-supports-afghan-right-to-bsa-with-reservations

[55] “Still Jews only”, Jonathan Cook, http://weekly.ahram.org.eg/2006/824/op12.htm

[56] “Iran: U.S. Concerns and Policy Responses”, Kenneth Katzman, Congressional Research Service, 4 november 2013, www.fas.org/sgp/crs/mideast/RL32048.pdf

[57] “War and Bluff: Iran, Israel and the United States”, George Friedman, STRATFOR, 11 september 2012,  www.stratfor.com/weekly/war-and-bluff-iran-israel-and-united-states

[58] “US Air Force chief completes secretive week-long visit to Israel”, The Jerusalem Post, 8 augustus 2013,  www.jpost.com/Defense/US-Air-Force-chief-completes-secretive-week-long-visit-to-Israel-322504

[59] “Praise in Iran All the Way to the Top, Where Efforts Reportedly Preceded a President”, The New York Times, 24 november 2013, www.nytimes.com/2013/11/25/world/middleeast/in-iran-mainly-praise-for-nuclear-deal-as-a-good-first-step.html

[60] “Iran’s Rohani hopes all will seize chance of friendly ties”, Reuters, 14 juni 2013, www.reuters.com/article/2013/06/17/us-iran-election-relations-idUSBRE95G0G920130617

[61] “Rouhani defends cabinet choices as Iran parliament starts debate”, Reuters, 12 augustus 2013, www.reuters.com/article/2013/08/12/us-iran-rouhani-idUSBRE97B09S20130812

[62] Ibidem noot 59

[63] Ibidem noot 59 & noot 61

[64] Ibidem noot 59

Comments

comments

DELEN