Khalifa ‘Abdoellah as Saffa

In het jaar 132 Hidjri, 749 naar christelijke jaartelling, gaven de mensen van Koefa, Irak, de bay’a van het Kalifaat aan Aboe al ‘Abbaas ‘Abdoellah bin Mohammed bin ‘Ali bin ‘Abdoellah bin ‘Abbaas, de aanvoerder van de ‘Abbasiden beweging. Dit was ten tijde van het Kalifaat van Marwan bin Mohammed bin Marwan bin al Hakam, die daarop ten strijde trok tegen de mensen van Koefa. Maar Khalifa Marwan verloor deze strijd, moest vluchten en werd uiteindelijk gedood.

‘Abdoellah bin Mohammed bin ‘Ali bin ‘Abdoellah bin ‘Abbaas werd zo de nieuwe Khalifa van de Islamitische Staat Al Khilafa en met hem begon de ‘Abbasiden dynastie. Hij zou bekend worden als Khalifa Aboe al ‘Abbaas as Saffa, de Genereuze. Volgens sommigen omdat hij de rijkdom van de Islamitische Staat genereus deelde met de moslims. Volgens anderen omdat hij genereus was met het verspillen van bloed, want Khalifa Aboe al ‘Abbaas liet grote aantallen mensen van het Huis van ‘Oemajja ter dood brengen. (Soejoeti).

Khalifa Aboe al ‘Abbaas’ eerste werk was om de eenheid van de Islamitische Staat te herstellen. Deze had namelijk ernstig geleden onder het conflict om de macht tussen de ‘Oemajjaden en de ‘Abbasiden. Vooral in de verafgelegen provincies waren mensen in opstand gekomen. In het jaar jaar 133 Hidjri, 750 naar christelijke jaartelling, stuurde Khalifa Aboe al ‘Abbaas daarom een leger naar Noord-Afrika om de opstand van de Berbers neer te slaan. Hij was succesvol hierin. Het volgende jaar, 134 Hidjri, 751 naar christelijke jaartelling, stuurde Khalifa Aboe al ‘Abbaas een leger naar ‘Oman om een opstand daar neer te slaan, wat eveneens lukte. (At Tabari).

Khalifa Aboe al ‘Abbaas as Saffa stierf in het jaar 136 Hidjri, 754 naar christelijke jaartelling.

Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer

Na de dood van Khalifa Aboe al ‘Abbaas as Saffa gaven de mensen de bay’a van het Kalifaat aan Aboe Dja’afer ‘Abdoellah bin Mohammed bin ‘Ali bin ‘Abdoellah bin ‘Abbaas, de broer van Khalifa Aboe al ‘Abbaas, die Khalifa Aboe al ‘Abbaas de mensen vlak voor zijn dood de mensen hiertoe opdracht had gegeven. Aboe al ‘Abbaas as Saffa en Aboe Dja’afer Al Mansoer hadden dezelfde vader maar verschillende moeders. De moeder van Aboe Dja’afer was een Berber vrouw en concubine van zijn vader Mohammed. Als Khalifa nam Aboe Djafer de titel Al Mansoer, de Overwinnaar (dankzij Allah). (Soejoeti).

Kort na zijn aanstelling kreeg Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer te maken met een belangrijke opstand. ‘Abdoellah bin ‘Ali, de oom van de vorige Khalifa Aboe al ‘Abbaas, was op het moment van overlijden van Khalifa Aboe al ‘Abbaas onderweg met een leger naar Byzantium. Toen het nieuws van de dood van Khalifa Aboe al ‘Abbaas hem bereikte was hij in Syrië en hij weigerde om de bay’a te geven aan zijn neef Aboe Dja’afer Al Mansoer omdat hij het Kalifaat voor zichzelf wilde. Aboe Moeslim, de man die de ‘Abbasiden opstand in Choerasaan (Iran en al de gebieden van de Islamitische Staat ten noorden en oosten daarvan zoals hedendaags Afghanistan en Pakistan) geleid had, gaf echter wel de bay’a aan Aboe Dja’afer. Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer gaf Aboe Moeslim daarom opdracht om zijn leger op te laten trekken tegen ‘Abdoellah bin ‘Ali en hem te verslaan. Dit was alles in het jaar 136 Hidjri, 754 naar christelijke jaartelling. Toen ‘Abdoellah bin ‘Ali hoorde dat Aboe Moeslim met zijn leger naar hem onderweg was liet hij 17.600 van de soldaten die met hem in Syrië waren, vermoorden omdat zij uit Choerasaan kwamen. Aboe Moeslim genoot groot respect in Choerasaan, namelijk, en ‘Abdoellah bin ‘Ali was bang dat deze soldaten hem zouden verraden. Hierna troffen de legers van ‘Abdoellah bin ‘Ali  en Aboe Moeslim elkaar en na enkele maanden van vechten overwon Aboe Moeslim zijn tegenstander ‘Abdoellah bin ‘Ali, die daarop naar Irak vluchtte. Aboe Moeslim vergaf strijders die met ‘Abdoellah bin ‘Ali hadden gevochten hun daad. (At Tabari).

Na deze gebeurtenis, echter, ontwikkelden Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer en Aboe Moeslim verdenkingen ten opzichte van elkaar. Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer wist hoe populair Aboe Moeslim was in Choerasaan. Hij benoemde hem derhalve tot wali (gouverneur) voor Syrië en Egypte om de band tussen Aboe Moeslim en de mensen van Choerasaan te breken. Aboe Moeslim zag hierin een teken dat de Khalifa hem niet vertrouwde en voornemens was om hem te laten doden. Aboe Moeslim besloot daarom om toch terug te keren naar Choerasaan, waar de mensen hem zouden beschermen tegen de Khalifa. Deze beslissing deed Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer denken dat Aboe Moeslim bezig was een rebellie voor te bereiden. Hij liet Aboe Moeslim daarom bij hem komen en vermoorden. Dit was in het begin van het jaar 137 Hidjri, 755 naar christelijke jaartelling. (At Tabari).

De ‘Oemajja-dynastie in Spanje

In het jaar 138 Hidjri, 756 naar christelijke jaartelling, arriveerde ‘Abdoerrahman bin Moe’awiya bin Hisjaam bin ‘Abdoelmalik bin Marwan in Al Andalusië. Hij was de kleinzoon van Khalifa Hisjaam bin ‘Abdoelmalik en één van de weinige prinsen van het Huis van ‘Oemajja die de vervolging door Khalifa Aboe al ‘Abbaas as Saffa wist te overleven. Hij was na de dood van Khalifa Marwan gevlucht naar Noord-Afrika en had daar voor enkele jaren als gast van de Berbers geleefd. Vanuit Noord-Afrika had hij vervolgens enkele supporters van het Huis van ‘Oemajja in Al Andaloes gecontacteerd en hen gevraagd hem te helpen om naar Al Andaloes te vertrekken om daar de autoriteit over te nemen. Deze mensen hielpen hem inderdaad en verenigden de leiders van de Arabische stammen in Al Andaloes achter hem. ‘Abdoerrahman vertrok daarop naar Al Andaloes en zeven maanden na zijn aankomst nam hij de controle over Cordoba, de hoofdstad van Al Andaloes. Het Huis van ‘Oemajja nam zo de effectieve controle over gans Al Andaloes. (Al Maqqari). In Al Andaloes nam ‘Abdoerrahman voor zichzelf de titel Emier en niet de titel Khalifa. (Soejoeti).

Emier ‘Abdoerrahman liet in Al Andaloes de vrijdagpreek uitgaan in naam van Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer. In het jaar 140 Hidjri, 757 naar christelijke jaartelling, echter, vroegen sommigen van de adjudanten van de Emier om deze situatie te veranderen. In eerste instantie weigerde Emier ‘Abdoerrahman. Maar, toen hij bemerkte dat zijn adjudanten deze kwestie als zeer ernstig zagen, gaf hij hen hun zin omdat hij bang was anders hun steun te zullen verliezen. (Al Maqqari).

De moeder van Emier ‘Abdoerrahman was evenals de moeder van Khalifa Aboe Dja’afer een Berber vrouw. Men zei derhalve dat onder Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer en Emier ‘Abdoerrahman de zoons van Berber vrouwen over de aarde regeerden. (Soejoeti). De nazaten van Emier ‘Abdoerrahman zouden tot het jaar 897 Hidjri, 1492 naar christelijke jaartelling, over Al Andaloes regeren.

In het jaar 141 Hidjri, 759 naar christelijke jaartelling, bracht het leger van de Islamitische Staat Al Khilafa Tabaaristan, het gebied aan de zuidkant van de Caspische Zee waaronder hedendaags Georgië en Abchazië, onder de controle van Islam. Ook ondernam het leger van de Islamitische Staat Al Khilafa een expeditie naar Cyprus. (Soejoeti).

Isolatie van de Sji’a

Veel van de inwoners van Koefa in Irak behoorden tot de Sji’a, de beweging die geloofde dat Allah (swt) aan ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) het recht had gegeven om Profeet Mohammed (saw) op te volgen als heerser in de Islamitische Staat. De Sji’a in Koefa hadden zich achter de ‘Abbasiden geschaard tijdens hun opstand tegen de ‘Oemajjaden omdat de ‘Abbasiden wilden dat de Haasjimi-clan van Qoraiesj, waartoe ook Profeet Mohammed (saw) en ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) hadden behoord, het Kalifaat overnamen. In het jaar 145 Hidjri, 762 naar christelijke jaartelling, echter, kwamen twee nakomelingen van ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) tegen de ‘Abbasiden in opstand. Zij waren Mohammed en Ibrahiem, de zonen van ‘Abdoellah bin Al Hasan bin Al Hasan bin ‘Ali bin Aboe Taalib. Hun opstand werd neergeslagen door Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer en hij liet de twee broers en velen van hun volgelingen doden. Hierdoor ontstond een breuk tussen de ‘Abbasiden en de Sji’a. (Soejoeti).

In het jaar 146 Hidjri, 763 naar christelijke jaartelling, werd de bouw van Bagdad gecompleteerd die in het jaar 140 Hidjri, 757 naar christelijke jaartelling, begonnen was. Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer maakte van deze nieuwe stad de hoofdstad van de Islamitische Staat Al Khilafa. (At Tabari).

In hetzelfde jaar stuurde Khalifa  Aboe Dja’afer Al Mansoer een leger vanuit Noord-Afrika naar Al Andaloes om het gebied terug onder zijn controle te brengen. Emier ‘Abdoerrahman wist dit leger echter nabij Sevilla te verslaan. Hij liet de hoofden van de aanvoerders van het leger van Khalifa  Aboe Dja’afer Al Mansoer afhakken en in het geheim naar Caïro en Mekka brengen. Daar werden ze in het midden van de nacht op een publiek plein tentoon gesteld. Zo kwam Khalifa  Aboe Dja’afer Al Mansoer te weten wat er met zijn leger gebeurd was. (Al Maqqari).

Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer stierf in het jaar 158 Hidjri, 775 naar christelijke jaartelling, nadat hij op reis naar Mekka voor de Hadj ziek was geworden. Hij was slim, intelligent en rechtvaardig. Toen een kamelen handelaar de Khalifa voor de rechter daagde en de rechter de kamelen handelaar in het gelijk stelde en de Khalifa in het ongelijk, gaf Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer de rechter een beloning van 10.000 dinar vanwege de eerlijkheid en juistheid van zijn rechtspraak. (Soejoeti).

Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer was echter niet genereus zoals zijn broer. Hij kreeg daarom de bijnaam Aboe ad Dawaanik, vader van het zesde deel van een dirham, omdat hij zo nauwkeurig de financiën van de Islamitische Staat controleerde en probeerde de schatkist van de staat te vullen. (Soejoeti). Bij de bouw van Bagdad vroeg de Khalifa één van zijn opzichters om de kosten voor één van wijken van de nieuwe stad te rechtvaardigen. De Khalifa rekende het rapport van de opzichter zelf na en kwam tot de conclusie dat een uitgave van 15 dirham niet uitgelegd was. Hij liet de opzichter daarom opsluiten totdat deze de 15 dirham uit zijn eigen zak terug had betaald aan de Khalifa. (At Tabari).

Bloei van de Islamitische wetenschappen

Khalifa Aboe Dja’afer hield van de Islamitische wetenschappen, in het bijzonder de wetenschap van Islamitische jurisprudentie (Fiqh). Hij moedigde daarom onderzoek in de Islamitische wetenschappen aan en onder Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer werd begonnen met het schrijven van boeken over de Islamitische wetenschappen. Imaam Ibn Djoeradj begon in Mekka boeken te schrijven, Imaam Maalik schreef in Al Madina zijn beroemde boek de Moewatta, Al Auwzaa’i schreef in Syrië, Soefyan Ath Thauwri werd een van de grootste hadieth-geleerden in Koefa, Irak, Ibn Ishaaq schreef over het leven van de Profeet (saw) en de veldslagen gevochten door hem (saw), en Imaam Aboe Hanifa schreef over de principes van Islamitische wetgeving (Oesoel al Fiqh). Dit was een keerpunt in de geschiedenis van Islam omdat voor Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer de Islamitische geleerden zich baseerden op geheugen. Dankzij Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer werden boeken geschreven, waardoor de Islamitische wetenschappen beter en verder verspreid konden worden en de geleerden elkaars ideeën konden onderzoeken, bekritiseren en gebruiken. (Soejoeti). De Khalifa was zelf ook een kenner van de Islamitische wetenschappen. Ibn Asaakir heeft in zijn boek “Geschiedenis van Damascus” zelfs ahadieth van Profeet Mohammed (saw) overgeleverd die hij via Khalifa Aboe Dja’afer Al Mansoer ontvangen had. (Soejoeti).

Khalifa Aboe Dja’afer had een haat-liefde verhouding met Emier ‘Abdoerrahman in Al Andaloes. Hij haatte Emier ‘Abdoerrahman omdat deze zich aan zijn autoriteit had onttrokken en niet luisterde naar de bevelen van de Khalifa. Maar hij hield van hem voor wat hij had weten te realiseren. De Khalifa gaf de Emier de bijnaam Saqr oel Qoraiesj, de havik van de Qoraiesj. Hij zei tegen zijn adjudanten: “Wees niet verwonderd over hoe weids en machtig onze Staat is. Wat werkelijk wonderbaarlijk is, is het werk, de wijsheid en de nauwkeurigheid tentoongespreid door die jongere van Qoraiesj. Toen hij, zonder vrienden als hij was, niet aarzelde en zichzelf naar voren wierp op het pad van verderf en een ver weg gelegen land binnenviel dat moeilijk binnen te gaan is en verdedigd werd door een machtig leger. Kijk hoe hij hen, gebruik makende van de twisten en vijandigheden onder de verschillende stammen, de wapens op liet nemen tegen elkaar. Hoe hij door nauwkeurigheid en goed regeren langzaam maar zeker de harten won van zijn onderdanen en hun opstandige aard overkwam. Hoe hij, in het kort, iedere moeilijkheid te boven gekomen is en zichzelf de heerser van dat land heeft gemaak!”. (Al Maqqari).

Khalifa Al Mehdi

Khalifa Aboe Dja’afer had de mensen ten tijde van zijn leven de opdracht gegeven om zijn zoon Mohammed bin Al Mansoer bin Mohammed bin ‘Ali bin ‘Abdoellah bin ‘Abbaas de bay’a van het Kalifaat te geven na zijn dood. De reden hiervoor was dat Mohammed als wali voor Tabaristan een goede indruk op zijn vader had gemaakt: hij was rechtvaardig geweest en hij had zijn vrije tijd doorgebracht in de aanwezigheid van de geleerde moslims in zijn omgeving. Mohammed was in Bagdad toen het nieuws van het overlijden van zijn vader en zijn benoeming tot Khalifa hem bereikte. Hij zei toen, met tranen in zijn ogen: “De Boodschapper van Allah (saw) huilde wanneer hij afscheid moest nemen van zijn vrienden, en ik heb een groot afscheid ervaren en ben een gewichtige zaak toebedeeld. Maar de Emier al Moe’uminien rekent op de beloning van Allah (swt) en ik smeek Hem om Zijn steun voor het Kalifaat van de moslims”. Mohammed bin Al Mansoer zou bekend worden als Khalifa Al Mehdi, degene geleidt door Allah. En hij werd veel geprezen door de moslims, was geliefd onder hen en stond bij hen bekend als een vrome moslim. (Soejoeti).

Bescherming van Islam

Tijdens zijn Kalifaat streed Khalifa Al Mehdi continue tegen mensen die zich in het openlijke voordeden als moslims, maat tegelijkertijd ideeën probeerden te verspreiden die tegen Islam ingingen. Mensen die probeerden, met andere woorden, om de moslims op een dwaalspoor te brengen. Khalifa Al Mehdi liet boeken schrijven om de beweringen van deze mensen, de zogenaamde zanaadiq (ketters), te weerleggen. Hij liet zijn politie de zanaadiq ook arresteren en voor de rechter brengen. De zindiq (ketter) die weigerde bekend te maken dat hij niet opriep tot Islamitische leerstellingen, of terug te keren naar de orthodoxe leerstellingen van Islam, werd door de rechter ter dood veroordeeld en door de Khalifa terecht gesteld. (Soejoeti).

Verder in het jaar 159 Hidjri, 776 naar christelijke jaartelling, stuurde Khalifa Al Mehdi een zeemacht naar India. In het jaar 160 Hidjri, 777 naar christelijke jaartelling, realiseerde deze zeemacht een belangrijke overwinning nabij de plaats Barabad aan de mond van de Indus rivier. (At Tabari).

In het jaar 165 Hidjri, 782 naar christelijke jaartelling, stuurde Khalifa Al Mehdi zijn zoon Haroen aan het hoofd van een leger naar Byzantium. Dit leger wist grote overwinningen te boeken waarna Keizeres Irene aan Haroen vroeg om een vredesverdrag. Haroen accepteerde haar aanbod en in het resulterende vredesverdrag beloofde Irene de Islamitische Staat tweemaal per jaar 90.000 dinar te zullen betalen. (At Tabari).

In het jaar 166 Hidjri, 782 naar christelijke jaartelling, gaf Khalifa Al Mehdi opdracht aan zijn legeraanvoerders om na zijn dood de bay’a te geven aan zijn zoon Moesa, en na diens dood aan zijn andere zoon Haroen. (At Tabari).

In het jaar 169 Hidjri, 785 naar christelijke jaartelling, stierf Khalifa Al Mehdi.

Khalifa Al Hadi

Volgens de instructies van Khalifa Al Mehdi werd zijn zoon Moesa bin Mohammed bin Al Mansoer bin Mohammed bin ‘Ali bin ‘Abdoellah bin ‘Abbaas nam hem de bay’a van het Kalifaat gegeven. Moesa was op dat moment slechts 22 jaar oud. Hij nam de titel Khalifa Al Hadi, degene die leidt naar het Rechte Pad. (Soejoeti).

Opkomst van de Idriessi-dynastie in Marokko

In het jaar 169 Hidjri, 785 naar christelijke jaartelling, benoemde Khalifa Al Hadi ‘Oemar bin ‘Abdoel ‘Aziez bin ‘Abdoellah bin ‘Abdoellah bin ‘Oemar bin Al Chattab tot wali voor Al Madina. Één van de eerste daden van wali ‘Oemar was het arresteren van enkele moslims vanwege het drinken van alcohol. De leider van de Sji’a in Al Madina op dat moment, Al Hoesein bin ‘Ali bin Al Hasan bin Al Hasan bin Al Hasan bin ‘Ali bin ‘Ali bin Aboe Taalib, was het oneens met deze beslissing. Uit de ruzie tussen wali ‘Oemar en Al Hoesein bin ‘Ali resulteerde uiteindelijk een opstand door Al Hoesein bin ‘Ali tegen het Kalifaat van Khalifa Al Hadi en Al Hoesein bin ‘Ali riep de mensen op hemzelf hun bay’a voor het Kalifaat te geven. Enkele mensen van onder de lagere klassen in Al Madina kozen zijn kant. Zij sloten zich op in de moskee en begonnen te vechten tegen de mensen van Al Madina die loyaal waren aan de Khalifa. Na enkele dagen trok Al Hoesein bin ‘Ali met zijn volgelingen naar Mekka waar hij verkondigde “de slaaf die mij volgt is vrij!”. Sommigen van onder de slaven sloten zich daarom eveneens bij hem aan. Toen Khalifa Al Hadi hiervan hoorde stuurde hij een leger. Bij de plaats Fagg ontmoette dit leger Al Hoesein bin ‘Ali en zijn volgelingen. In de daaropvolgende veldslag werd Al Hoesein bin ‘Ali gedood. (At Tabari).

Sommige volgelingen van Al Hoesein bin ‘Ali wisten te ontkoment bij de Slag van Fagg. Onder hen was Idries bin ‘Abdoellah bin Al Hasan bin Al Hasan bin ‘Ali bin ‘Ali bin Aboe Taalib. Idries bin ‘Abdoellah vluchtte naar West-Afrika en vestigde zich in een plaats genaamd Walili, in het gebied op de grens tussen hedendaags Marokko en Algerije. De Berbers daar, van de Awraba stam, waren reeds moslim geworden. Idries bin ‘Abdoellah wist hen te winnen voor de opvattingen van de Sji’a en zij namen hem tot hun leider. Zij onttrokken zich daarop aan de autoriteit van de Khalifa en deden wat zij zelf wilden. Zo kwam de Idriessi-dynastie in West-Afrika tot bestaan. Khalifa Al Hadi stuurde daarop een spion naar de Idries bin ‘Abdoellah. Hij deed zich voor als een dokter en volgeling van de sji’itische leer. Idries bin ‘Abdoellah liet zich door hem behandelen voor een tandpijn, waardoor deze spion Idries bin ‘Abdoellah wist te vergiftigen. Dit was in het jaar 171 Hidjri, 787 naar christelijke jaartelling, en Idries, de zoon van Idries bin ‘Abdoellah, nam toen de macht over van zijn vader. (At Tabari). De Idriessi-dynastie zou uiteindelijk voortbestaan tot 364 Hidjri, 974 naar christelijke jaartelling.

Khalifa Al Hadi stierf in het jaar 170 Hidjri, 786 naar christelijke jaartelling. (Soejoeti).

Khalifa Haroen ar Rasjied

Volgens de instructies van Khalifa Al Mehdi werd zijn zoon Haroen na de dood van Khalifa Al Hadi, de andere zoon van Khalifa Al Mehdi en de broer van Haroen, de bay’a van het Kalifaat gegeven. Hij nam de titel Ar Rasjied, de rechtgeleide door Allah. (Soejoeti)

Tijdens de heerschappij van Khalifa Haroen ar Rasjied, in het jaar 171 Hidjri, 787 naar christelijke jaartelling, stierf Emier ‘Abdoerrahman van Al Andaloes. (Al Maqqari).

Bayt al Hikma

Khalifa Haroen ar Rasjied zorgde ervoor dat de wetenschappen in de Islamitische Staat een immense bloei konden doormaken, waardoor de moslims tot de wereldwijde leiders in wetenschap en technologie werden. Hij bracht geleerden vanuit gans de Islamitische Staat tezamen in Bagdad en voorzag hen van alles dat zij en hun gezinnen nodig hadden zodat zij zich enkel met de wetenschap bezig hoefden te houden. De religie of nationaliteit van de geleerden speelde hierbij geen enkele rol. Iedereen die vooraanstaand was in zijn bereik van de wetenschap kon rekenen op financiële ondersteuning door Khalifa Haroen ar Rasjied, ongeacht of hij moslim, jood of christen was. Khalifa Haroen ar Rasjied liet ook de werken van eerdere geleerden uit zowel de Griekse oudheid als uit Oost-Azië vertalen naar het Arabisch om de geleerden in de Islamitische Staat in staat te stellen hiervan te profiteren. Hij bouwde verder scholen en bibliotheken door gans de Islamitische Staat om de opgedane kennis te verspreiden in de samenleving. De centrale bibliotheek in Bagdad werd bekend onder de naam Bayt al Hikma, oftewel het Huis van Wijsheid.

Zo legde Khalifa Haroen ar Rasjied de basis voor het Gouden Tijdperk dat de Islamitische Staat zou beleven tussen de 2e en 6e eeuw Hidjri, oftewel tussen de 8e en 12e eeuw naar christelijke jaartelling. In dit tijdperk zouden geleerden in de Islamitische Staat op verschillende vakgebieden van revolutionaire invloed zijn, zoals in de wiskunde, scheikunde, natuurkunde, astronomie, biologie, economie, sociologie, geschiedschrijving en medicijnen. Meest vooraanstaand was de uitvinding en beschrijving van de wetenschappelijke methode van onderzoek, evenals de praktijk van “peer-reviews” waaronder geleerden en wetenschappers elkaars onderzoeken bestuderen en na proberen te doen om de uitkomsten te controleren. Ook in de landbouw werden grote stappen voorwaarts gemaakt door toedoen van wetenschappelijke vooruitgang. Gebruik makende van mechanica werd de windmolen uitgevonden en ingezet om een uitgebreide infrastructuur voor irrigatie aan te leggen, bijvoorbeeld. Ook werden bestaande gewassen geïntroduceerd in voor hen nieuwe gebieden en werden nieuwe gewassen gecreëerd middels kruisbestuiving. Waardoor de biodiversiteit en de opbrengst van de landbouw sterk vergroot werden.

Bescherming van Islam

Ook de Islamitische wetenschappen floreerden onder Khalifa Haroen ar Rasjied. Qadi Aboe Joesoef schreef op verzoek van Khalifa Haroen ar Rasjied het beroemde boek “Ar Risala fil Charadj”. Er is overgeleverd dat Khalifa Haroen eens een zindiq (ketter) ter dood veroordeelde. De zindiq vroeg de Khalifa: “Waarom sla je mijn hoofd af?”. De Khalifa antwoordde: “Ik zal de mensen bevrijden van jou”. De zindiq zei toen: “Maar waar ben jij tegenover de duizenden van verhalen die ik heb toegeschreven aan de Boodschapper van Allah, terwijl hij niet een woord hiervan daadwerkelijk heeft gezegd?”. Khalifa Haroen ar Rasjied antwoordde: “Waar ben jij, o vijand van Allah (swt), tegenover Aboe Ishaaq, Al Fazaari, en ‘Abdoellah bin al Moebaarak die hen kunnen identificeren en verwijderen, letter voor letter!”. (Soejoeti). Aboe Ishaaq, Al Fazaari, en ‘Abdoellah bin al Moebaarak waren grote geleerden van de hadieth-wetenschappen. Khalifa Haroen ar Rasjied had hen op alle mogelijke manieren ondersteund om de Islamitische leerstellingen te beschermen tegen de intenties van de zanaadiq.

Door veiligheid en rust te garanderen in de Islamitische Staat en wetenschappelijke en technologische vooruitgang te stimuleren floreerde de handel. De moslims kwamen te handelden van Europa in het westen, tot India, de Fillipijnen en China in het oosten. Door er hiernaast op toe te zien dat de Sjari’a van Allah (swt) op correcte wijze ten uitvoer gebracht werd, zorgde Khalifa Haroen ar Rasjied ervoor dat al de inwoners van de Islamitische Staat deelden in de tot stand gebrachte welvaart.

Het Mekkaanse document

In het jaar 175 Hidjri, 791 naar christelijke jaartelling, gaf Khalifa Haroen opdracht om zijn zoon Mohammed na hem de bay’a voor het Kalifaat te geven. De Khalifa gaf zijn zoon daarop de bijnaam Al Amien, de betrouwbare. In het jaar 182 Hidjri, 798 naar christelijke jaartelling, vervolgens, gaf Khalifa Haroen opdracht om zijn zoon ‘Abdoellah de bay’a voor het Kalifaat te geven na de dood van zijn broer Mohammed. De Khalifa gaf ‘Abdoellah daarop de bijnaam Al Ma’umoen, de betrouwbare, en benoemde hem tot wali (gouverneur) voor Choerasaan. In het jaar 186 Hidjri, 802 naar christelijke jaartelling, uiteindelijk, gaf Khalifa Haroen opdracht om zijn zoon Al Qaasim de bay’a voor het Kalifaat te geven na de dood van zijn broer ‘Abdoellah. De Khalifa gaf Al Qaasim daarop de bijnaam Al Moe’utamin, degene die op Allah (swt) vertrouwt, en benoemde hem tot wali (gouverneur) voor Mesopotamië, alhoewel deze zoon op dat moment nog maar een kind was. De Khalifa liet hierna de Islamitische geleerden een document opstellen waarin de details van deze opvolging uiteengezet was. Dit document liet hij in de Ka’aba in Mekka plaatsen. Sommigen van de Islamitische geleerden van deze tijd waren van mening dat de Khalifa door deze daad de zaken van de Islamitische Staat goed geregeld had zodat de zoons van de Khalifa niet na zijn dood over de macht zouden gaan vechten. Anderen, echter, waarschuwden dat uit de verdeling van de macht zoals opgetekend in het Mekkaanse document niets dan ellende voort zou kunnen komen. (At Tabari).

In het jaar 187 Hidjri, 803 naar christelijke jaartelling, schreef de Byzantijnse keizer Niceforus een brief aan Khalifa Haroen ar Rasjied over de jaarlijkse betaling die Byzantium ten tijde van keizerin Irene met de moslims overeen gekomen was. Hij schreef: “De zwakke en bange Irene onderwierp zich om aan jouw de heffing te betalen. (…) Geef mij terug alles dat zij betaald heeft, anders zal de zaak tussen ons middels het zwaard beslecht worden”. Nadat Khalifa Haroen ar Rasjied deze brief gelezen had wierp de gezant van Niceforus een aantal zwaarden voor de voeten van de Khalifa. Daarop glimlachte de Khalifa enkel, trok zijn zwaard, en middels één slag brak hij al de zwaarden in stukken. Hierna dicteerde hij een brief aan Niceforus: “In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. Van Haroen ar Rasjied, Aanvoerder van de Gelovigen, tot Niceforus, de Byzantijnse hond: O zoon van een ongelovige vrouw! Ik heb je brief gelezen. Je zult mijn antwoord niet te horen krijgen, je zult het te zien krijgen! Tot ziens!”. Khalifa Haroen ar Rasjied bracht vervolgens 135.000 soldaten tezamen die het leger van Niceforus compleet vernietigden. Niceforus moest toen akkoord gaan met het betalen aan de Islamitische Staat van een heffing die hoger lag dan hetgeen zijn voorganger keizerin Irene betaalde. Maar Niceforus hield zich niet aan zijn afspraak omdat hij dacht dat Khalifa Haroen hem toch niet opnieuw zou aanvallen, zo kort na hun veldslag en midden in de winter. Toen Khalifa Haroen hiervan hoorde trok hij meteen weer op naar Niceforus en bracht hem opnieuw een verpletterende nederlaag toe. (Soejoeti).

In het jaar 192 Hidjri, 808 naar christelijke jaartelling, trok Haroen er wederom met zijn leger op uit richting Byzantium. Onderweg, echter, werd Khalifa Haroen ar Rasjied ziek. De Khalifa liet daar een graf graven voor zichzelf en zitten aan de rand ervan liet hij een aantal mensen in het graf gans de Koran reciteren terwijl hij luisterde. In 193 Hidjri uiteindelijk, 809 naar christelijke jaartelling, overleed Khalifa Haroen ar Rasjied in Al Moethaqqab ten gevolge van ziekte. (Soejoeti).

Haroen was een mooie, aantrekkelijke man van uitstekend gedrag en goede manieren. Naast wetenschap en wetenschappers hield hij hield van de Djihaad en de Hadj. Hij probeerde ieder jaar aan het hoofd van het leger te strijden te trekken tegen Byzantium en de pelgrimage in Mekka te leiden. Tijdens zijn Kalifaat verrichtte hij iedere dag honderd rak’aat en gaf honderd dirhams uit zijn eigen zak aan sadaqa. Hij had ook een vreselijke hekel aan mensen die onnodige discussies voerden over Islam, die wilden discussiëren over zaken waar de moslims niet van mening over verschilden. Hij huilde over zijn zondes en tekortkomingen. En hij beloonde mensen die hem middels gedichten deden denken aan Allah (swt) rijkelijk. (Soejoeti).

Khalifa Al Amien

In overeenstemming met de opdracht van Khalifa Haroen Ar Rasjied gaven de mensen na zijn dood aan zijn zoon Mohammed bin Haroen ar Rasjied bin Mohammed Al Mehdi bin ‘Abdoellah Al Mansoer bin Mohammed bin ‘Ali bin ‘Abdoellah bin ‘Abbaas de bay’a van het Kalifaat. Hij nam de titel Al Amien, de betrouwbare, en behoorde tot de mooiste en sterkste van mannen. Hij was ook een expert op het gebied van de Arabische taal en poëzie. Maar hij bezat niet het intellect, inzicht en de wijsheid die nodig zijn om van een persoon een goed heerser te maken. En hij was ook niet echt geïnteresseerd in politiek. In zijn dagelijks leven was hij daarom meer bezig met amusement dan met regeren, waarvoor hij de rijkdommen van de staat verkwistte. De Khalifa verloor ten gevolge hiervan al snel het respect en de waardering van de mensen. (Soejoeti).

Burgeroorlog en de belegering van Bagdad

Kort na zijn benoeming, in het jaar 194 Hidjri, 810 naar christelijke jaartelling, verwijderde Khalifa Al Amien zijn broer Al Ma’umoen uit de positie van wali voor Choerasaan die hun beider vader Haroen ar Rasjied hem gegeven had. Vervolgens stuurde hij Al Ma’umoen een boodschapper die Al Ma’umoen informeerde dat de Khalifa van hem eiste dat hij afstand zou doen van zijn claim op het Kalifaat, zodat de zoon van Khalifa Al Amien, Moesa, de Khalifa zou kunnen worden na de dood van de Khalifa. Moesa was op dat moment nog maar een baby. Al Ma’umoen weigerde dit. Khalifa Al Amien liet daarop het document brengen dat zijn vader opgesteld had om de overgang van het Kalifaat te regelen, eerst op Al Amien, dan op Al Ma’umoen en daarna op Moe’utamin. De Khalifa verscheurde dit document. Hierna begon hij de leiders van politie en leger geschenken te geven in de hoop dat zij in de toekomst zijn kant zouden kiezen en zijn zoon Moesa de nieuwe Khalifa zouden maken na zij eigen dood. (Soejoeti).

In reactie op deze gebeurtenissen kwam Al Ma’umoen feitelijk in opstand tegen zijn broer en hij liet de mensen hem aanspreken met de titel Emier al Moe’uminien. Toen Khalifa Al Amien dit hoorde stuurde hij een leger van 40.000 man vanuit Bagdad naar Choerasaan. De troepen van Al Ma’umoen versloegen dit leger, echter, en hierna gaven de mensen van Choerasaan de bay’a van het Kalifaat aan Al Ma’umoen. (At Tabari).

Het leger van Al Ma’umoen trok vervolgens op naar Bagdad om Khalifa Al Amien af te zetten. Dit leger belegerde Bagdad voor vijftien maanden, totdat in het jaar 198 Hijri, 813 naar christelijke jaartelling, het leger van Al Ma’umoen Bagdad wist in te nemen en Khalifa Al Amien moest vluchten. Niet veel later werd hij achterhaald door de troepen van Al Ma’umoen en gedood. Al Ma’umoen werd hierop de nieuwe Khalifa. (Soejoeti).

Khalifa Al Ma’umoen

‘Abdoellah bin Haroen ar Rasjied bin Mohammed Al Mehdi bin ‘Abdoellah Al Mansoer bin Mohammed bin ‘Ali bin ‘Abdoellah bin ‘Abbaas was opgegroeid met de studie van Islamitische wetenschappen, de Arabische taal, geschiedenis, medicijnen en de wetenschappen van de Griekse en Romeinse geleerden uit de oudheid. Hij kende ook de Edele Koran uit zijn hoofd. Hierdoor beschikte hij als Khalifa Al Ma’umoen over uitstekende kwaliteiten. Hij was een man die uitblonk in handelingen van aanbidding. Bijvoorbeeld is overgeleverd dat hij eenmaal tijdens Ramadaan de Koran zevenendertig maal las. Hij was ook nauwkeurig in de ten uitvoerbrenging van de Islamitische wet en hield hierbij van rechtvaardigheid. En de mensen zouden hem hiervoor geprezen en herinnerd hebben, ware het niet voor het feit dat hij sommige onjuiste geloofsopvattingen adopteerde en deze middels dwang begon op te leggen aan de moslims. (Soejoeti).

Van de Sji’a had Khalifa Al Ma’umoen het idee geadopteerd dat nazaten van ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) recht hadden op de positie van Khalifa. Daarom gaf hij de mensen opdracht om na hem ‘Ali bin Moesa bin Dja’afer ar Ridhaa de bay’a van het Kalifaat te geven, en niet zijn eigen broer Al Moe’utamin zoals zijn vader Haroen ar Rasjied bevolen had. ‘Ali ar Ridhaa was namelijk de kleinzoon van Dja’afer as Saadiq, de grootste Islamitische geleerde in de geschiedenis van de Sji’a, stichter van de Dja’aferi madh-hab (wetsschool), en zelf een nazaat van ‘Ali bin Aboe Taalib (ra). Dit was in het jaar 201 Hidjri, 816 naar christelijke jaartelling. Deze benoeming van ‘Ali ar Ridhaa zorgde voor grote woede onder delen van de bevolking. Sommige vooraanstaande mensen van de ‘Abbasiden kwamen zelfs in opstand  tegen de Khalifa. Zij gaven de bay’a voor het Kalifaat aan Ibrahiem, de zoon van de voormalige Khalifa Al Mehdi. Hieruit resulteerde verschillende veldslagen tussen de aanhangers van Ibrahiem en de troepen van Khalifa Al Ma’umoen. In het jaar 203 Hidjri, 819 naar christelijke jaartelling, stierf ‘Ali ar Ridhaa echter. De steun voor Ibrahiem, de zoon van de voormalige Khalifa Al Mehdi, nam hierdoor af onder de mensen. Toen Khalifa Al Ma’umoen in  het jaar 204 Hidjri, 819 naar christelijke jaartelling, aan het hoofd van zijn leger aankwam in Bagdad (hij was door zijn vader Haroen ar Rasjied aangesteld als wali voor Choerasaan en was derhalve daar op het moment dat hij Khalifa werd) was zijn positie terug stevig verankerd in de samenleving. (Soejoeti).

In het jaar 211 Hidjri, 826 naar christelijke jaartelling, verbood Khalifa Al Ma’umoen de mensen om zich op positieve wijze uit te laten over Moe’awiya bin Abi Soefyan, de metgezel van Profeet Mohammed (saw) die later in opstand was gekomen tegen Khalifa ‘Ali bin Aboe Taalib (ra). Hij verplichtte de mensen op dat moment eveneens om ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) te accepteren als de beste der mensen, na Profeet Mohammed (saw). (Soejoeti).

Dit was feitelijk de eerste keer dat een Khalifa zich mengde in theologische discussies en zijn positie gebruikte om bepaalde theologische standpunten te promoten. Voor Khalifa Al Ma’umoen hadden de Choelafaa’u (Kaliefen) Islam verdedigd tegen mensen die de moslims op een dwaalspoor probeerden te brengen door op te roepen tot niet-Islamitische ideeën en door leugens te verspreiden over de Soenna van Profeet Mohammed (saw). Khalifa Al Ma’umoen maakte de fout door een stap verder te gaan dan dit en zijde te kiezen in een theologisch debat onder de moslims dat op basis van de Koran en de Soenna van Profeet Mohammed (saw) gevoerd werd.

De Beproeving (Al Mihna)

In het jaar 212 Hidjri, 827 naar christelijke jaartelling beval Khalifa Al Ma’umoen de mensen om te geloven dat ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) beter was dan Aboe Bakr (ra) en ‘Oemar bin al Chattab (ra). Hij beval de mensen op dat moment ook om te geloven dat de Koran geschapen was zoals de M’oetazila verkondigden. Khalifa Al Ma’umoen had van de M’oetazila het idee geadopteerd dat de Koran geschapen was door Allah (swt), zoals Hij (swt) ook de mensen en al het andere in het universum geschapen had. En net zoals de mensen en al het andere in het universum geschapen was om uiteindelijk ten onder te gaan en terug te keren naar Allah (swt), zo zou volgens de M’oetazila ook de Koran uiteindelijk ten onder gaan. Deze beslissingen zorgden voor grote onrust in de Islamitische Staat en de grote Islamitische geleerden van deze tijd verzetten zich tegen deze beslissingen van de Khalifa. Khalifa Al Ma’umoen dwong de mensen daarom op dat moment niet om zijn bevel te respecteren.

In het jaar 218 Hidjri, 833 naar christelijke jaartelling, echter, voelde Khalifa Al Ma’umoen zich wel sterk genoeg om gehoorzaamheid in de kwestie van de creatie van de Koran af te dwingen van de mensen en begon de Beproeving (Al Mihna) van de mensen die vasthielden aan de correcte leerstellingen van Islam. Khalifa Al Ma’umoen gaf zijn wali voor Mekka en Al Medina de opdracht om al de Islamitische geleerden en rechters bijeen te roepen en hen te ondervragen. Hij schreef hem een brief waarin hij ondermeer zei: “Voorwaar, de Meest Verhevene zegt ‘Voorwaar wij hebben dit een Arabische Koran gemaakt…’ (43:3). Nu, voorwaar, wat Hij heeft gemaakt heeft Hij ook geschapen en de Meest Verhevene zegt ‘En hij heeft de duisternis en het licht gemaakt’ (6:1)… Hij is derhalve de maker [van de Koran]… Verenig derhalve de rechters met jouw en lees voor hen mijn brief en ondervraag hen betreffende hetgeen zij in geloven.” (Soejoeti). Onder de Islamitische geleerden die vervolgens bijeengebracht werden was ondermeer Imaam Ahmed bin Hanbal, de stichter van de Hanbali madh-hab (wetsschool). Sommigen van de geleerden gaven uit angst de Khalifa zijn zin. Anderen zeiden enkel “wij geloven dat de Koran het woord van Allah (swt) is” en wilden zich niet bezig houden met de vraag of Allah (swt) de Koran geschapen heeft of niet. Nadat Khalifa Al Ma’umoen hierover geïnformeerd was geworden gaf hij zijn wali de opdracht om al de Islamitische geleerden en rechters die hadden geweigerd om luid en duidelijk te zeggen dat de Koran geschapen was door Allah (swt) nogmaals bijeen te roepen en hen te ondervragen. Maar ditmaal, zei de Khalifa, moest het zwaard waarmee om hun hoofd afgehakt zou kunnen worden gereed worden gehouden. Want, zei de Khalifa, de mensen die niet erkennen dat de Koran geschapen is die leiden de mensen naar een dwaalspoor, weg van Islam, en die mensen moeten dus gestopt worden. Slechts vier geleerden hadden in deze situatie de moed om vast te houden aan hetgeen zij werkelijk geloofden. Onder hen was Imaam Ahmed bin Hanbal. Zij werden daarop vastgeketend en in de gevangenis gegooid. Enkele dagen later werden zij naar Khalifa Al Ma’umoen gestuurd, die op dat moment met het Islamitische leger in Byzantium verbleef. Maar alvorens zij de Khalifa bereikten, stierf deze aan ziekte. Hierna werden de geleerden vrijgelaten. (Soejoeti).

In de jaren 215, 216 en 217 Hidjri, van 830 tot 833 naar christelijke jaartelling, had Khalifa Al Ma’umoen zelf verschillende militaire expedities naar het Byzantijnse Rijk geleid. In deze periode bracht het leger van de Islamitische Staat ondermeer Kreta en Sicilië onder haar controle. Keizer Theofilus van Byzantium schreef Khalifa Al Ma’umoen daarop een brief en vroeg hem om een wapenstilstand, in ruil waarvoor de Keizer de moslims jaarlijks een bedrag zou betalen. Khalifa Al Ma’umoen antwoordde door te zeggen dat hij eigenlijk een nieuw leger wilde sturen naar Byzantium, met mannen die willen vechten om de eer van het doden van de Keizer van Byzantium, en die niets anders willen overwinnen of sterven voor Islam. Maar, zei Khalifa Al Ma’umoen, alvorens hij dit deed wilde hij de Keizer de mogelijkheid geven om moslim te worden of, als hij dit zou weigeren, een niet-moslim onderdaan van de Islamitische Staat (dhimmi) die jaarlijks een belasting betaalt voor zijn veiligheid en bescherming. Zo kwamen de twee een tijdelijk vredesverdrag overeen. (At Tabari).

Khalifa Al Moe’utasim Billah

Het Mekkanse Document van Khalifa Haroen ar Rasjied stelde Al Moe’utamin aan als opvolger van Al Ma’umoen. Maar het gaf Al Ma’umoen de optie om hiervan af te wijken als hij dit wenste. Khalifa Al Ma’umoen had tijdens zijn leven Al Moe’utamin terzijde geschoven. Na de dood van Khalifa Al Ma’umoen bestond er daarom vrees onder de moslims dat er een machtsvacuüm zou ontstaan waar burgeroorlog uit voort zou kunnen komen. Sommige mensen gaven daarop de bay’a van het Kalifaat aan Mohammed bin Haroen ar Rasjied bin Mohammed Al Mehdi bin ‘Abdoellah Al Mansoer bin Mohammed bin ‘Ali bin ‘Abdoellah bin ‘Abbaas, een andere zoon van Khalifa Haroen ar Rasjied uit een relatie met een Turkse concubine. Het leger van de Islamitische Staat wilde echter aan Al ‘Abbaas bin ‘Abdoellah bin Haroen ar Rasjied bin Mohammed Al Mehdi bin ‘Abdoellah Al Mansoer bin Mohammed bin ‘Ali bin ‘Abdoellah bin ‘Abbaas, de zoon van Khalifa Al Ma’umoen, de bay’a van het Kalifaat geven. Mohammed bin Haroen riep daarom de zoon van zijn halfbroer Al Ma’umoen bij zich en de twee kwamen overeen dat Mohammed bin Haroen de nieuwe Khalifa zou worden. Hij nam de titel Al Moe’utasim Billah, de dienaar van Allah (swt). Dit was in het jaar 218 Hidjri, 833 naar christelijke jaartelling. (At Tabari).

Khalifa Al Moe’utasim Billah was geen geleerd man, maar hij was sterk en wijs. Hij was de eerste Khalifa die Turken recruteerde in het leger en de ambtenarij van de Islamitische Staat. Hiervoor kocht hij hen op de slavenmarkten van Choerasaan, in gebieden zoals Samarqand en de Ferghana vallei. In het jaar 221 Hidjri, 836 naar christelijke jaartelling, verhuisde Khalifa Al Moe’utasim Billah de hoofdstad van de Islamitische Staat Al Khilafa van Bagdad naar de plaats Samarra in Irak omdat de mensen van Bagdad protesteerden tegen de prominente positie die hij de Turken gaf in het leger van de Islamitische Staat. (Soejoeti).

Hij volgde zijn halfbroer Al Ma’umoen in het verplichten van de leerstellingen van de Moe’utazila. Hij maakt dezen onderdeel van het curriculum op de scholen van de Islamitische Staat. In het jaar 220 Hidjri, 835 naar christelijke jaartelling, liet hij Imaam Ahmed bin Hanbal daarom martelen wegens diens weigering de “schepping van de Edele Koran” publiekelijk te erkennen. (Soejoeti). Maar net zoals zijn halfbroer deed hij dit omdat hij oprecht geloofde dat de leerstellingen van de Moe’utazila het correcte begrip van Islam waren. Een bewijs hiervoor is een gebeurtenis in het jaar 223 Hidjri, 837 naar christelijke jaartelling, toen de Byzantijnse keizer de plaats Malatya binnenviel, de moslimmannen daar liet doden en de moslimvrouwen als slaven gevangen nam. Onder deze moslimvrouwen was ook een moslimvrouw die een nakomeling was van Profeet Mohammed (saw). Zij riep bij haar gevangenname Khalifa Al Moe’utasim Billah aan met de kreet “Waa Moe’utasimaah!”. Toen Khalifa Al Moe’utasim Billah hiervan hoorde liet hij direct een enorm leger gereed maken. Hij trok met dit leger op naar het ‘Amoeriyya fort waar de vrouw gevangen werd gehouden. De moslims overdonderden en verwoesten het fort en herwonnen het gebied op de Byzantijnen. De moslimvrouw werd bevrijd van haar kettingen en de Khalifa zei tegen haar: “Wees getuige met jouw grootvader Al Moestafa, de Profeet (saw), dat ik ben gekomen om jou te redden!”. (Ibn Athir).

In het jaar 227 Hidjri, 842 naar christelijke jaartelling, stierf Khalifa Al Moe’utasim Billah. Men zei dat niemand van de ‘Abbasiden Kaliefen de vijanden van Islam zozeer angst in had geboezemd als Al Moe’utasim Billah. (Soejoeti).

Khalifa Al Waathiq Billah

Volgens de opdracht van Khalifa Al Moe’utasim gaven de mensen na zijn dood de bay’a van het Kalifaat aan zijn zoon Haroen bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied, die daarna de titel Al Waathiq, degene die vertrouwd op Allah (swt), aannam.

Khalifa Al Waathiq leek zoveel op zijn voorganger Khalifa Al Ma’umoen dat de mensen hem soms De Kleine Ma’umoen noemden. Net zoals Al Ma’umoen was Khalifa Al Waathiq zeer geleerd in allerhande wetenschappen.

In het jaar 228 Hidjri, 843 naar christelijke jaartelling, was Khalifa Al Waathiq de eerste die de moslim Turken in hoge posities in de Staat benoemde. Hij benoemde Asjnas de Turk tot zijn assistent en gaf hem de titel Soeltan. (At Tabari).

Het einde van de De Beproeving (Al Mihna)

Net zoals Al Ma’umoen dwong Khalifa Al Waathiq de moslims om te geloven in de ideeën van de Moe’utazila. Onder de voornaamste adviseurs van de Khalifa was Ibn Abi Da’oed die één van de aanvoerders van de Moe’utazila was. Hij spoorde de Khalifa aan om de moslims die weigerden de ideeën van de Moe’utazila te accepteren hard te vervolgen. Khalifa Al Waathiq volgde dit advies van zijn adviseur totdat op een dag, tegen het einde van het leven van de Khalifa, de geleerde Aboe ‘Abdoerrahman ‘Abdoellah bin Mohammed al Azadi, de leraar van de beroemde geleerden Aboe Dawoed en An Nasaa’i, voor hem verscheen. Deze geleerde vroeg Ibn Abi Da’oed en Khalifa Al Waathiq: “Informeer me betreffende dit geloof dat waarvan jij wilt dat de mensen het accepteren – geloofde de Boodschapper van Allah (saw) hierin, en toch riep hij (saw) de mensen hier niet toe op, of was het iets waarin hij (saw) niet geloofde?”. Ibn Abi Da’oed antwoordde: “Hij (saw) geloofde hierin”. De geleerde zei toen: “In dat geval was het hem (saw) niet toegestaan om de mensen op te roepen hierin te geloven, en dus jou ook niet!”. Niemand aanwezig in de zaal had een antwoord op deze opmerking van de geleerde. Khalifa Al Waathiq begon daarop hard te lachen en trok zich terug naar zijn privé-vertrekken. Daar wierp hij zich languit op de grond en herhaalde tegen zichzelf de woorden van de geleerde: “Het was hem (saw) niet toegestaan om de mensen op te roepen hierin te geloven, en dus ons ook niet!”. Hierna liet hij de geleerde driehonderd dinar geven en terugbrengen naar zijn woonplaats. En vanaf die dag stopte Khalifa Al Waathiq met de vervolging van de mensen die niet geloofden in de ideeën van de Moe’utazila. Hij liet Ibn Abi Da’oed ook niet meer bij hem in de buurt komen. (Soejoeti).

Khalifa Al Waathiq stierf in het jaar 232 Hidjri, 847 naar christelijke jaartelling.

Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah

Na Khalifa Al Waathiq werd de bay’a van het Kalifaat gegeven aan Dja’afer bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied, die daarna de titel Al Moetawakkil ‘Alallah, degene die vertrouwt op Allah (swt), aannam. (Soejoeti).

Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah was tegen de ideeën van de Moe’utazila. In het jaar 234 Hidjri, 848 naar christelijke jaartelling, liet hij de mensen in alle delen van de Islamitische Staat derhalve weten dat de plicht om te geloven in de ideeën van de Moe’utazila door hem afgeschaft was. En in plaats van de geleerden van de traditionele Islam te vervolgen beloonde hij hen en prees hen en hielp hen. Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah was ten gevolge hiervan zeer geliefd onder de meeste moslims. (Soejoeti).

Echter, niet onder alle moslims. Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah had namelijk niet enkel een hekel aan de ideeën van de Moe’utazila, hij had ook een hekel aan de ideeën van de Sji’a. In het jaar 236 Hidjri, 850 naar christelijke jaartelling, gaf hij daarom opdracht om de graftombe van Imaam Al Hoesein bin ‘Ali bin Aboe Taalib, die door de Sji’a werd verheerlijk, met de grond gelijk maken. En omdat de Sji’a deze tombe tot een bedevaartsoort hadden gemaakt, verbood hij de mensen om naar de tombe te reizen. Met deze daad, de vernietiging van het graf van Imaam Al Hoesein, waren de moslimsmassa’s het niet eens. (Soejoeti).

In het jaar 245 Hidjri, 859 naar christelijke jaartelling, verklaarde Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah dat zijn zoon Al Moentasir zijn opvolger zou zijn, en dat zijn andere zoon Al Moe’utaz na hem de Khalifa moest worden. (Soejoeti). Uit liefde voor de moeder van Al Moe’utaz, echter, vroeg Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah op een later moment zijn zoon Al Moentasir om afstand te nemen van het Kalifaat zodat Al Moe’utaz de eerstvolgende Khalifa zou kunnen worden. Al Moentasir weigerde. Vervolgens organiseerde Al Moentasir een coup tegen zijn eigen vader, en in het jaar 247 Hidjri, 861 naar christelijke jaartelling, vermoorden enkele Turkse soldaten van het leger van de Islamitische Staat de Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah. (Soejoeti).

Khalifa Al Moentasir

Khalifa Al Moentasir, degene die overwint dankzij Allah (swt), was geboren als Mohammed bin Dja’afer Al Moetawakkil ‘Alallah bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied. Hij werd geliefd door de moslims omdat hij een man van harmonie en vergiffenis was. Hij stopte de vervolging van de Sji’a die zijn vader Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah begonnen was. Hij stond hen bijvoorbeeld weer toe om het graf van Imaam Hoesein te bezoeken. (Soejoeti).

In het jaar 248 Hidjr, 862 naar christelijke jaartelling, zeiden de vooraanstaande Turken in het leger die verantwoordelijk waren voor de moord op Khalifa Al Moetawakkil tegen elkaar: “We moeten werken tegen de twee jongeren voordat zij wraak nemen op ons”. Deze “twee jongeren” waren de andere zonen van Khalifa Al Moetawakkil naast Khalifa Al Moestansir, te weten Al Moe’utaz en Al Moe’ayyad. Ze riepen Khalifa Al Moentasir daarom op om zijn zoon ‘Abdoelwahab te nomineren als zijn opvolger omdat ze bang waren dat als Al Moe’utaz en Al Moe’ayyad ooit aan de macht zouden komen ze wraak zouden nemen op hen voor de moord op Khalifa Al Moetawakkil. Khalifa Al Moestansir volgde hun voorstel en dwong zijn broers vervolgens met geweld om afstand te doen van hun claim op het Kalifaat. (At Tabari).

In het jaar 248 Hidjr, 862 naar christelijke jaartelling, stierf Khalifa Al Moentasir. Dit was slechts zes maanden nadat hem de bay’a was gegeven. (Soejoeti).

Khalifa Al Moesta’ien

Na de dood van Khalifa Al Moentasir kwamen de Turkse generaals van het leger van de Islamitische Staat Al Khilafa bijeen en zeiden tegen elkaar: “Als jullie iemand van onder de zonen van Al Moetawakkil de bay’a geven, dan zal niemand van ons overleven”. De generaals gaven daarom hun bay’a voor het Kalifaat aan Ahmed bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied. Hij was de zoon van Khalifa Al Moe’utasim, degene die als eerste de Turken posities van autoriteit had gegeven in de Islamitische Staat, en de broer van Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah. Hij nam de titel Al Moesta’ien, degene geholpen door Allah (swt). (Soejoeti).

Een deel van het volk was het echter niet eens met de macht die de Turkse moslims hadden gekregen in de Islamitische Staat en hun controle over het proces van de bay’a. Op de eerste dag na zijn benoeming, toen Khalifa Al Moesta’ien het volk toe wilde spreken, kwamen daarom omstreeks duizend mannen de straat op in een poging om Al Moe’utaz, de zoon van Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah en de broer van de vorige Khalifa Al Moentasir, tot Khalifa benoemt te krijgen. De Turken in het leger van de Islamitische Staat onderdrukten deze opstand echter. (At Tabari).

Hierna ontnam Khalifa Al Moesta’ien op advies van zijn adviseurs de twee zoons van Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah, de twee broers van de vorige Khalifa Al Moentasir, al hun bezittingen. En hij liet hen, Al Moe’utaz en Al Moe’ayyid, in de gevangenis werpen. (At Tabari).

Omdat Khalifa Al Moesta’ien sommigen van zijn Turkse adviseurs de voorkeur gaf boven anderen ontstond in het jaar 249 Hidjr, 863 naar christelijke jaartelling, een conflict tussen de Turken aan het hof van de Khalifa. De Turk Oetaamisj had van Khalifa Al Moesta’ien de volledige controle over de Bayt Oel Mal (staatskas) gekregen en hij gebruikte deze positie om zelf rijk te worden. De Turkse generaals Waasif en Boegha de Jongere spanden vervolgens samen en lieten Oetaamisj vermoorden om zijn invloedrijke positie over te nemen. (At Tabari).

In het jaar 251 Hidjr, 865 naar christelijke jaartelling, promoveerde Khalifa Al Moesta’ien de Turkse generaal Baaghar. Deze Baaghar was één van de mannen geweest die Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah gedood hadden. Waasif en Boegha de Jongere spanden vervolgens samen om Baaghar te vermoorden, waardoor grote onrust ontstond in de Islamitische Staat in het algemeen en onder de Turkse soldaten van het leger van de Islamitische Staat in het bijzonder. Toen Baaghar informatie ontving over de plannen van Waasif en Boegha de Jongere maakte hijzelf plannen om de twee samen met Khalifa Al Moesta’ien te laten vermoorden. Waasif en Boegha de Jongere lieten vervolgens Baaghar gevangen nemen en vermoorden. Maar, een groot deel van het leger van de Islamitische Staat was loyaal aan generaal Baaghar. Zij kwamen daarom in opstand waardoor de Khalifa moest vluchten van Samarra naar Bagdad, waar Khalifa Al Moesta’ien in het huis van zijn wali voor Bagdad Mohammed bin ‘Abdallah ging wonen. Toen afgezanten van de Turken in het leger in Samarra de Khalifa daar bezochten kleineerde hij hen. Het leger van de Islamitische Staat in Samarra kwam daarom in opstand tegen Khalifa Al Moesta’ien. Zij bevrijden Al Moe’utaz uit de gevangenis en gaven hem hun bay’a voor het Kalifaat. (At Tabari).

Al Moe’utaz bracht meteen een leger op de been en onder aanvoering van zijn broer Aboe Ahmed trok dit leger op naar Bagdad voor een belegering. Verdere plaatsen waar gevochten werd door legers van Khalifa Al Moesta’ien en Al Moe’utaz waren An Nahrawan, Al Anbar en Al Madaa’in. Geen van beide partijen wist de andere partij een definitieve nederlaag toe te brengen, echter, waardoor de oorlog maanden lang voortging en de mensen van Irak kwamen te leiden onder honger en armoede. De rechterhand van Khalifa Al Moesta’ien, Mohammed bin ‘Abdallah, begon daarop in het geheim te onderhandelen met Al Moe’utaz. Uiteindelijk leidde dit ertoe dat Mohammed bin ‘Abdallah, Waasif en Boegha de Jongere allen de kant van Al Moe’utaz kozen. In het jaar 252 Hidjri, 866 naar christelijke jaartelling, deed Khalifa Al Moesta’ien daarom afstand van zijn positie. Al Moe’utaz werd daarop de bay’a van het Kalifaat gegeven. (At Tabari).

Khalifa Al Moe’utaz

Mohammed bin Dja’afer Al Moetawakkil bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied, oftewel Al Moe’utaz, de geëerde door Allah (swt), was slechts negentien jaren ou op het moment dat hij Khalifa werd. Hij was slechts een pion in handen van de Turken in het leger die hem aan zijn positie hadden geholpen en zijn ganse Kalifaat stond derhalve in het teken van het overleven van intriges aan het hof.

In het jaar 255 Hidjri, 869 naar christelijke jaartelling, kwam een groep Turken onder leiding van Saalih bin Waasif en Mohammed bin Boegha – zij waren de zonen van Waasif en Boegha de Jongere die Khalifa Al Moesta’ien gedomineerd en gecontroleerd hadden – naar Khalifa Al Moe’utaz. De Turkse soldaten hadden zich eerder beklaagd bij Khalifa Al Moe’utaz omdat zij en hun soldaten geen soldij hadden ontvangen daar de assistenten van de Khalifa al het geld hadden gestolen. Ditmaal kwamen zij om hem af te zetten omdat hij hen niet geholpen had. Zij sleepten de Khalifa bij zijn enkels naar buiten, sloegen hem, en plaatsten hem in de zon op het heetst van de dag waarbij zij tegen hem zeiden “doe afstand van je positie!”. (Soejoeti).

Khalifa Al Moehtadi Billah

De rebellen onder aanvoering van Saalih bin Waasif en Mohammed bin Boegha lieten Mohammed bin Haroen Al Waathiq Billah bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied uit Bagdad naar Samarra komen, naar het hof van Khalifa Al Moe’utaz. Zij gaven hem hun bay’a voor het Kalifaat maar hij weigerde en zei dat hij zou weigeren totdat Khalifa Al Moe’utaz hem de bay’a van het Kalifaat zou geven. De Khalifa werd hier vervolgens toe gedwongen, waardoor het Kalifaat overging naar Mohammed de zoon van Khalifa Al Waathiq. Hij nam de titel Al Moehtadi Billah, degene geleidt door Allah (swt). Al Moe’utaz werd vervolgens gemarteld en drie dagen lang werd hem geen eten of drinken gegeven. Hierna sloten de rebellen hem op in een kamer en de volgende dag was hij overleden. Dit was alles in het jaar 255 Hidjri, 869 naar christelijke jaartelling. (At Tabari).

Khalifa Al Moehtadi Billah was een vroom en kuis man. En hij was vastberaden om in de voetsporen van Khalifa ‘Oemar bin ‘Abdoel ‘Aziez, de vijfde rechtgeleide Khalifa, te treden door de Islamitische Wet op de juiste manier ten uitvoer te brengen over de mensen. Hij nam de controle over de Bayt al Mal (staatskas) terug en zorgde ervoor dat geen geld meer werd gestolen van de Staat. Iedere maandag en donderdag hield hij audiëntie zodat de burgers van de Islamitische Staat klachten bij hem voor konden leggen. (Soejoeti).

De rebellie van ‘Ali bin Mohammed en de Zandj en haar gevolgen

Verder in het jaar 255 Hidjri, 869 naar christelijke jaartelling, begon ene ‘Ali bin Mohammed bin ‘Abdoerrahiem een opstand tegen de Khalifa die verregaande gevolgen zou hebben voor de Islamitische Staat. In Bahrain beweerde ‘Ali bin Mohammed een nakomeling te zijn van ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) en Faatima (as), de dochter van Profeet Mohammed (saw). Hij beweerde ook een profeet van Allah (swt) te zijn en sommige mensen accepteerden hem daarom als hun leider. Hij begon hierna een opstand tegen het centrale gezag van de Islamitische Staat. Deze opstand werd al snel neergeslagen, echter, waarna ‘Ali bin Mohammed naar Basra trok in hedendaags Irak. In het gebied rondom Basra leefden en werkten vele Afrikaanse slaven op plantages, de zogenoemde Zandj. ‘Ali bin Mohammed beloofde hen dat hij hen zou bevrijden van hun eigenaren en hen een elite positie in de samenleving zou geven als ze hem tot hun leider zouden nemen en zouden helpen in een opstand tegen het centrale gezag van de Islamitische Staat. Hierbij maakte hij gebruik van de terminologie van de Chawaaridj. Vele Zandj geloofden ‘Ali bin Mohammed en volgden hem. Hij nam hierna de titel Saahib oez Zandj aan, Vriend van de Zandj. ‘Ali bin Mohammed en de Zandj begonnen vervolgens een gewapende opstand tegen de Khalifa en probeerden Basra en het gebied rondom Basra onder hun controle te brengen. Hiervoor vermoorden zij grote aantallen mensen – volgens sommige schattingen meer dan anderhalf miljoen – op beestachtige wijze. (Soejoeti).

Het Kalifaat van Al Moehtadi Billah was daarom een keerpunt in de geschiedenis van de Islamitische Staat Al Khilafa. In deze periode, namelijk, begonnen de opstanden die het centrale gezag van de Staat verzwakten, waarna verschillende mensen probeerden hun eigen staatjes te stichten onafhankelijk van de Khalifa. Dit was alles het resultaat van de samenzweringen om macht aan het hof van de Khalifa.

De moord op Khalifa Al Moehtadi Billah

In het jaar 256 Hidjri, 869 naar christelijke jaartelling, zou een conflict om macht tussen de Turkse generaals van het leger van de Islamitische Staat wederom een Khalifa ten val brengen. Ditmaal raakten Saalih bin Waasif en Moesa bin Boegha, de zoon van Boegha de Jongere die samen met de vader van Saalih bin Waasif Khalifa Al Moesta’ien gedomineerd had, met elkaar in conflict. Moesa bin Boegha dacht namelijk dat Saalih bin Waasif met Khalifa Al Moehtabi Billah een overeenkomst was aangegaan om hem te laten vermoorden. Moesa bin Boegha trok daarom met een legereenheid naar de Khalifa die op dat moment bezig was al rechter in het Hof van Madhaalim, zijnde de rechtbank waar burgers konden klagen over onrecht begaan door ambtenaren van de Islamitische Staat. Hij nam de Khalifa in gijzeling. Toen de moslims hiervan hoorden begonnen zij een campagne om hun Khalifa te redden uit de handen van de generaals die enkel aan zichzelf dachten. Pamfletten werden verdeeld in de moskeeën met de tekst: “O moslims! Bid tot Allah (swt) voor jullie Khalifa, de rechtvaardige, de goedgekeurde, de tweede ‘Oemar bin Al Chattab. Bid dat Allah (swt) hem de overwinning mag geven tegen zijn vijanden, dat Hij (swt) hem mag verlossen van zijn onderdrukkers, en dat Hij (swt) deze gemeenschap mag zegenen middels verlenging van het leven van de Khalifa!”. Moesa bin Boegha liet zijn leger zoeken naar Saalih bin Waasif en nadat ze hem gevonden hadden liet hij hem doden. De Khalifa moest toen beloven dat hij niet zou ingaan tegen Moesa en hierna werd hij vrijgelaten. De Khalifa maakte vervolgens een plan om van Moesa bin Boegha af te komen. Hij riep een andere Turkse generaal, Baayakbaak, op om Moesa bin Boegha gevangen te nemen en te doden. Maar toen Baayakbaak de brief van de Khalifa ontving koos hij de kant van Moesa bin Boegha. Hij liet Moesa de brief lezen waarna ze samen besloten om Khalifa Al Moehtadi Billah te vermoorden. Baayakbaak trok daarop naar de Khalifa met het plan hem te vermoorden, maar de Khalifa realiseerde zich dat iets in de intenties van Baayakbaak niet correct was en liet hem doden. De Turkse soldaten die loyaal waren aan Moesa bin Boegha begonnen daarop te vechten tegen de soldaten die loyaal waren aan Khalifa Al Moehtadi Billah. De factie van Moesa bin Boegha won de strijd waarna hij de Khalifa liet dood martelen. Men schopte hem in zijn kruis totdat hij stierf. Dit was in het jaar 256 Hidjri, 870 naar christelijke jaartelling, omstreeks één jaar nadat Al Moehtadi Billah de bay’a voor het Kalifaat gegeven was. (At Tabari).

Khalifa Al Moe’utamid ‘Alallah

Na Khalifa Al Moehtadi Billah werd de bay’a voor het Kalifaat gegeven aan Ahmed bin Dja’afer Al Moetawakkil ‘Alallah bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied, de zoon van Khalifa Al Moetawakkil ‘Alallah en de broer van Khalifa Al Moentasir en Khalifa Al Moe’utaz. Hij nam de titel Al Moe’utamid ‘Alallah, degene die vertrouwt op Allah (swt). (Soejoeti).

Het Kalifaat van Khalifa Al Moe’utamid ‘Alallah wordt gekarakteriseerd door opstand en onrust. In het jaar 257 Hidjri, 871 naar christelijke jaartelling, namen de rebellen van de Zindj Basra in het zuiden van Irak in. Hierna plunderden ze de stad en vermoorden haar inwoners. Omstreeks 300.000 mensen vonden hierbij de dood. In het volgende jaar 258 Hidjri, 872 naar christelijke jaartelling, stelde Khalifa Al Moe’utamid ‘Alallah zijn broer Talha Al Moewaffaq Billah aan om het leger te leiden in de strijd tegen de Zindj. (Soejoeti).

In het oosten van de Islamitische Staat leidde Yaqoeb bin Al Layth uit Sistan (de meest oostelijke provincie van hedendaags Iran) een opstand tegen de wali (gouverneur) van de Khalifa voor Choerasaan, Mohammed bin Taahir. In het jaar 259 Hidjri, 873 naar christelijke jaartelling, nam Yaqoeb bin Al Layth de wali Mohammed bin Taahir gevangen en benoemde zichzelf tot wali van de Khalifa voor Choerasaan. De Khalifa riep Yaqoeb bin Al Layth vervolgens op om afstand te doen van de positie en Mohammed bin Taahir zijn positie terug te geven, maar Yaqoeb weigerde. In het jaar 260 Hidjri, 874 naar christelijke jaartelling trok Yaqoeb naar Tabaristan (het gebied rond de zuidelijke kust van de Caspische Zee) om daar een Sji’a opstand geleid door Al Hasan bin Zayd neer te slaan. Hij bracht Al Hasan bin Zayd weliswaar een nederlaag toe, maar wist Tabaristan niet onder zijn controle te brengen. Om zijn invloed te behouden ging Al Hasan bin Zayd vervolgens een overeenkomst aan met het volk van de Daylamieten, uit het berggebied in het noorden van hedendaags Iran, dat het zoroastrisme aanhing. (At Tabari).

Omdat de Khalifa niet de macht had om Yaqoeb te dwingen Mohammed bin Taahir vrij te laten benoemde hij hem in het jaar 262 Hidjri, 875 naar christelijke jaartelling, officieel als wali voor Choerasaan. Dit was nog niet genoeg voor Yaqoeb bin Al Layth en hij trok daarom met zijn leger op naar Irak om de Khalifa af te zetten. In het jaar 262 Hidjri, 876 naar christelijke jaartelling, trof het leger van de Khalifa, aangevoerd door Talha Al Moewaffaq Billah, het leger van Yaqoeb. Talha versloeg Yaqoeb en wist Mohammed bin Taahir te bevrijden, maar Yaqoeb wist te ontkomen. De Khalifa herbenoemde Mohammed bin Taahir daarop als wali voor Choerasaan maar Yaqoeb bin Al Layth zette zijn opstand voort. Hij ging ondermeer een niet-aanvalsverdrag aan met de Zindj, waardoor deze twee rebellerende groepen dus feitelijk samen begonnen te werken tegen de Khalifa. (At Tabari).

In het jaar 265 Hidjri, 879 naar christelijke jaartelling, stierf Yaqoeb bin Al Layth. Zijn broer ‘Amr bin Al Layth werd de nieuwe aanvoerder van zijn beweging. In een poging zijn gezag te herstellen benoemde Khalifa Al Moe’utamid ‘Alallah ‘Amr bin Al Layth tot wali voor gans Choerasaan. Maar hij kreeg te maken met een opstand van Ahmad bin ‘Abdoellah Al Choedjoestani die in datzelfde jaar de hoofdstad van Choerasaan, Naysaaboer, innam. (At Tabari).

In het jaar 266 Hidjri, 880 naar christelijke jaartelling, gaf Khalifa Al Moe’utamid ‘Alallah de mensen opdracht om aan zijn zoon Dja’afer Al Moefawwad Ilallah de bay’a voor het Kalifaat te geven na zijn dood, waarna hij hem verantwoordelijk maakte voor de provinciën in het westen van de Islamitische Staat. Hierna gaf hij opdracht om de mensen om na de dood van Al Moefawwad Ilallah de bay’a voor het Kalifaat te geven aan Talha Al Moewaffaq Billah. En hij maakte hem verantwoordelijk voor Irak en de provinciën verder in het oosten van de Islamitische Staat. (Soejoeti).

Het einde van de Zindj-rebellie

Eveneens in het jaar 266 Hidjri, 880 naar christelijke jaartelling, begon Talha Al Moewaffaq Billah een groot offensief tegen de Zindj. Na vele veldslagen wist Al Moewaffaq Billah in het jaar 269 Hidjri, 883 naar christelijke jaartelling, de leider van de Zindj-rebellie ‘Ali bin Mohammed bin ‘Abdoerrahiem te omsingelen. ‘Ali bin Mohammed bin ‘Abdoerrahiem kon enkel vluchten, al zijn bezittingen en zelfs zijn vrouwen en kinderen achterlatend. In het daaropvolgende jaar, 270 Hidjri, 883 naar christelijke jaartelling, wist het leger van de Islamitische Staat ‘Ali bin Mohammed bin ‘Abdoerrahiem te doden. Daarmee kwam na 15 jaar een einde aan de Zindj-rebellie. (At Tabari).

De eerste machteloze Khalifa

In het jaar 269 Hidjri, 883 naar christelijke jaartelling, liet Talha Al Moewaffaq Billah zijn broer Khalifa Al Moe’utamid ‘Alallah arresteren en opsluiten in één van zijn paleizen. Khalifa Al Moe’utamid ‘Alallah werd daarmee de eerste Khalifa die slechts in naam de hoogste autoriteit in de Islamitische Staat was want Talha Al Moewaffaq Billah nam vanaf dat moment al de beslissingen. De wali van de Khalifa in Egypte en Syrië, Ahmed bin Toeloen, koos in reactie op de daad van de kant van Talha Al Moewaffaq Billah de kant van Khalifa Al Moe’utamid ‘Alallah. Hierdoor ontstond een nieuwe verdeeldheid in de Islamitische Staat Al Khilafa: de Khalifa zelf was machteloos, in het oosten heerste zijn broer Talha Al Moewaffaq Billah, en in het westen zijn wali Ahmed bin Toeloen. (Soejoeti).

Toen in het jaar 270 Hidjri, 883 naar christelijke jaartelling, Ahmed bin Toeloen overleed, benoemde Talha Al Moewaffaq Billah zijn eigen zoon Aboe al ‘Abbaas tot wali voor Egypte en Syrië en stuurde hem met een groot leger naar daar. Echter, de zoon van Ahmed bin Toeloen, Choemaaroeway, benoemde zichzelf eveneens tot wali voor Egypte. Het kwam daardoor tot een veldslag die door de soldaten van Choemaaroeway gewonnen werd. Dit was in het jaar 271 Hidjri, 885 naar christelijke jaartelling. (At Tabari).

In het jaar 278 Hidjri, 891 naar christelijke jaartelling, stierf Talha Al Moewaffaq Billah. Khalifa Al Moe’utamid ‘Alallah werd daarop vrijgelaten en nam de macht weer in handen. Al snel, echter, overvleugelde Aboe al ‘Abbaas, de zoon van Talha Al Moewaffaq Billah, de Khalifa. In het jaar 279 Hidjri, 892 naar christelijke jaartelling, gaf Khalifa Al Moe’utamid ‘Alallah opdracht aan de mensen om na zijn dood de bay’a aan Aboe al ‘Abbaas te geven. Korte tijd later, in het jaar 279 Hidjri, 893 naar christelijke jaartelling, stierf Khalifa Al Moe’utamid ‘Alallah. (Soejoeti).

Khalifa Al Moe’utadhid Billah

Khalifa Aboe al ‘Abbaas nam de titel Al Moe’utadhid Billah, degene gesteund door Allah (swt), was streng en nauwkeurig in de tenuitvoerbrenging van Islam. Hij was bekend om zijn moed op het slagveld, maar hij was ook een kundig staatsman. Deze eigenschappen tezamen stelden Khalifa Al Moe’utadhid Billah in staat om de orde te herstellen in de Islamitische Staat Al Khilafa en aan de verdeeldheid een einde te maken. (Soejoeti).

Met Khalifa Al Moe’utadhid Billah keerde het Kalifaat terug naar Bagdad. Daar benoemde Khalifa Al Moe’utadhid Billah direct na zijn aanstelling loyale vrienden in posities die van strategisch belang waren, zoals hoofd van politie, hoofd van beveiliging van de Khalifa, assistent van de Khalifa (wazir) en stafchef van het hof van de Khalifa. Zo concentreerde hij al de macht in zijn eigen handen. (At Tabari).

Om al de gebieden van de Islamitische Staat terug onder zijn controle te brengen huwde Khalifa Al Moe’utadhid Billah de dochter van Choemaaroeway bin Ahmed bin Toeloen, de wali voor Egypte en Syrië. Dit was in het jaar 282 Hidjri, 895 naar christelijke jaartelling. In datzelfde jaar verlaagde Khalifa Al Moe’utadhid Billah de belastingen op hetgeen het land voortbrengt, omdat hij wilde dat de mensen van hem zouden houden en – dus – zouden gehoorzamen. En in het oosten van de Islamitische Staat benoemde de Khalifa ‘Amr bin Al Layth tot wali. Toen deze zichzelf bewezen had als gehoorzaam en behulpzaam gaf de Khalifa hem meer en meer verantwoordelijkheden, zodat middels ‘Amr bin Al Layth de macht van de Khalifa ook in het oosten werd hersteld. (At Tabari)

Na deze successen die de rust en orde in de Islamitische Staat herstelden stierf Khalifa Al Moe’utadhid Billah in het jaar 289 Hidjri, 902 naar christelijke jaartelling.

Khalifa Al Moektafi Billah

Op zijn sterfbed nomineerde Khalifa Al Moe’utadhid Billah zijn zoon ‘Ali bin Aboe al ‘Abbaas Al Moe’utadhid Billah bin Talha Al Moewaffaq Billah bin Dja’afer Al Moetawakkil ‘Alallah bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied voor het Kalifaat. Hij was niet in Bagdad, hoofdstad van de Islamitische Staat, op het moment dat zijn vader stierf, maar een assistent van zijn vader (wazier) nam de bay’a voor het Kalifaat in zijn plaats in ontvangst. Nadat hij arriveerde gebruikte hij de titel Al Moektafi Billah, degene die tevreden is met Allah (swt). Hij liet vervolgens de kerkers waar zijn vader gevangenen had gehouden ombouwen tot moskeeën. En hij gaf het land dat zijn vader had geconfisceerd terug aan haar oorspronkelijke eigenaren. Voor deze reden hielden de mensen van het begin af aan van hun Khalifa Al Moektafi Billah. (Soejoeti).

Opstand van de Qaraamita-sekte

In het jaar 290 Hidjri, 902 naar christelijke jaartelling, kreeg Khalifa Al Moektafi Billah te maken met een opstand van de Qaraamita, een sekte die afstamde van de Sji’a, in Syrië. De sekte was in het jaar 278 Hidjri, 891 naar christelijke jaartelling, begonnen door ene Hamdan Qarmat in Koefa, Irak. De sekte geloofde ondermeer dat Islam 50 dagelijks gebeden voorschrijft en dat een nazaat van ‘Ali bin Aboe Taalib Khalifa moest zijn. Khalifa Al Moe’utadhid Billah vervolgde de sekte waarna zij vluchtten naar Syrië. De Qaraamita in Syrië werden geleid door ene Yahya bin Zikrawayh. Deze man die door zijn volgelingen de sjeich werd  genoemd, werd in het jaar 290 Hidjri, 903 naar christelijke jaartelling, gedood door het leger van de Islamitische Staat dat vanuit Egypte naar Damascus was getrokken om de Qaraamita te bestrijden. De broer van Yahya bin Zikrawayh, Al Hoesein, werd hierna de nieuwe leider van de sekte. Hij verklaarde dat hij de Mehdi, de verlosser, was. Deze Al Hoesein bracht de grote steden van Syrië onder zijn controle. In verschillende van deze steden vermoordde hij vervolgens grote aantallen mensen. In de plaats Salamya vermoorde hij zelfs iedereen, ook de dieren. Khalifa Al Moektafi Billah gaf daarop zijn leger opdracht om op te trekken naar Syrië, midden in Ramadan. In het jaar 291 Hidjri, 903 naar christelijke jaartelling, ontmoette het leger van de Khalifa de Qaraamita sekte bij de plaats Hama in Syrië. De sekte werd vernietigend verslagen en Al Hoesein Al Mehdi bin Yahya bin Zikrawayh, de leider van de sekte, werd gevangen genomen. Khalifa Al Moektafi Billah liet deze Al Hoesein vervolgens rondparaderen door Bagdad en hierna ter dood brengen. Volgelingen van de Qaraamita-sekte zouden de moslims echter blijven lastig vallen met sporadische aanslagen en moordpartijen. In het jaar 294 Hidjri, 906 naar christelijke jaartelling, vielen zij pelgrims aan die vanuit Choerasaan op weg waren naar Mekka. Ze vermoorden hierbij meer dan 20.000 mensen. (At Tabari). Uiteinelijk zou uit de ketterse Qaraamita-sekte de Faatimiden-beweging voortkomen die vanaf 300 Hidjri, 913 naar christelijke jaartelling, gans Noord-Afrika onder hun controle zouden brengen.

Khalifa Al Moektafi Billah stierf in het jaar 295 Hidjri, 908 naar christelijke jaartelling.

Khalifa Al Moeqtadir Billah

Na de dood van Khalifa Al Moektafi Billah werd de bay’a van het Kalifaat gegeven aan zijn broer Dja’afer bin Aboe al ‘Abbaas Al Moe’utadhid Billah bin Talha Al Moewaffaq Billah bin Dja’afer Al Moetawakkil ‘Alallah bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied. Hij was nog maar dertien jaar oud op dat moment en nam de titel Al Moeqtadir Billah, de capabele dankzij Allah (swt). (Soejoeti).

Omdat Khalifa Al Moeqtadir Billah nog zo jong was ontstond er al snel na zijn benoeming een spel om de macht in de Islamitische Staat. In het jaar 296 Hidjri, 908 naar christelijke jaartelling, spanden verschillende officieren in het leger, hoge ambtenaren en sommige van de rechters samen om de Khalifa af te zetten ten gunste van ‘Abdoellah bin Moe’utaz, de zoon van de eerdere Khalifa Al Moe’utaz. Onder de samenzweerders was Al ‘Abbaas bin Al Hasan, de wazier (assistent) van Khalifa Al Moeqtadir Billah. Toen hij echter in de gaten kreeg dat Khalifa Al Moeqtadir Billah hem vertrouwde en naar hem luisterde, en hij dus alles van de Khalifa kon krijgen wat hij wilde, trok hij zich terug uit de samenzwering. De samenzweerders vermoordden hem daarop, grepen de macht en gaven de bay’a aan Ibn Al Moe’utaz. Maar Khalifa Al Moeqtadir Billah had ook ondersteuners en zij vochten terug. Later dezelfde dag bleek dat zij aan de winnende hand waren, waarna verschillende van de samenzweerders met allerhande excuses vergiffenis zochten van Khalifa Al Moeqtadir Billah. Ibn Al Moe’utaz kwam zo alleen te staan met slechts enkele helpers, werd vervolgens verslagen, en uiteindelijk gedood. Khalifa Al Moeqtadir Billah bleef dus aan de macht. (At Tabari).

Opkomst van de Faatimiden-dynastie

In het jaar 300 Hidjri, 913 naar christelijke jaartelling, ontving Khalifa Al Moeqtadir Billah in Bagdad bericht van een rebellie tegen de Islamitische Staat ten westen van Egypte. De Qaraamita-sekte had volgelingen gewonnen voor hun ketterse ideeën onder de Berbers van Algerije en onder aanvoering van ene ‘Oebaydallah bin Al Mehdi hadden zij bij de plaats Barqa een belangrijke veldslag gewonnen van de troepen van de wali van de Khalifa voor Egypte en Syrië. ‘Oebaydallah bin Al Mehdi claimde een nazaat te zijn van ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) en zijn vrouw Faatima (as), de dochter van Profeet Mohammed (saw), en daarom recht te hebben op het Kalifaat. Zijn Qaraamita -volgelingen werden daarom Faatimiden genoemd. In werkelijkheid, echter, was de grootvader van ‘Oebaydallah bin Al Mehdi een zoroastriër (vuuraanbidder). (Soejoeti).

In het jaar 301 Hidjri, 913 naar christelijke jaartelling, wist‘Oebaydallah bin Al Mehdi de plaats Barqa in te nemen. De wali van de Khalifa voor Egypte, Taakin, stuurde daarop een speciale boodschapper naar de Khalifa in Bagdad met het verzoek zo snel mogelijk extra soldaten te sturen om ‘Oebaydallah bin Al Mehdi te bestrijden. In het jaar 302 Hidjri, 914 naar christelijke jaartelling, wisten soldaten van ‘Oebaydallah bin Al Mehdi zelfs voor korte tijd de hoofdstad van het gouvernement Egypte, Alexandrië, te veroveren. Hierna verspreidde de invloed van de Faatimiden en brachten zij Noord-Afrika van Algerije tot Egypte onder hun complete controle. (At Tabari). Onder ‘Oebaydallah bin Al Mehdi en zijn nazaten werden alcohol en ontucht door de wet toegestaan en werden de mensen opgeroepen tot geloof in verschillende ketterse leerstellingen die tegen de fundamentele leerstellingen van Islam ingaan. De Islamitische geleerden in het gebied werden ter dood gebracht om de misleiding van de mensen makkelijker te maken. (Soejoeti).

In het jaar 316 Hidjri, 928 naar christelijke jaartelling, was de macht van de Qaraamita ook op het Arabische schiereiland sterk gegroeid, zodat de mensen van Mekka uit angst voor hen hun stad verlieten. In het jaar 317 Hidjri, 929 naar christelijke jaartelling, tijdens de eerste dag van Hadj, vielen de Qaraamita onder leiding van ene Aboe Taahir Mekka aan. Ze doden de pelgrims en wierpen hun lichamen in de put van het Zemzem water. Ze bleven vervolgens elf dagen in Mekka en bij hun vertrek stalen ze de Zwarte Steen van de Ka’aba. Deze zou twintig jaar in hun bezit blijven. (Soejoeti).

Verder in het jaar 317 Hidjri, 929 naar christelijke jaartelling, was er een coup tegen Khalifa Al Moeqtadir Billah. De wazier van de Khalifa Moenis al Chaadim was bang dat de Khalifa iemand anders in zijn plaats zou benoemen en probeerde de Khalifa daarom af te zetten. Hij verenigde het leger en de elite achter zich en dwong Khalifa Al Moeqtadir Billah af te treden. De coup-plegers haalden vervolgens Mohammed, de andere zoon van de voormalige Khalifa Aboe al ‘Abbaas Al Moe’utadhid Billah en broer van Khalifa Al Moeqtadir Billah, en gaven hem de bay’a van het Kalifaat. Hij nam de titel Al Qaahir, de overwinnaar dankzij Allah (swt). Hierna eiste het leger een speciale beloning van Moenis en de nieuwe Khalifa. Moenis was echter niet beschikbaar om hun eis aan te horen. Het leger kwam daarom opnieuw in opstand, ditmaal om Al Moeqtadir Billah terug het Kalifaat te geven. Al Moeqtadir Billah werd zo opnieuw Khalifa, maar hij liet Moenis Al Chaadim zijn positie behouden. (Soejoeti).

In het jaar 319 Hidjri, 931 naar christelijke jaartelling, vielen de Qaraamita Koefa in Irak aan en maakten ze zich klaar om zelfs Bagdad, de hoofdstad van de Islamitische Staat aan te vallen. De mensen werden zeer ontrevreden over hun Khalifa Al Moeqtadir Billah omdat hij niet in staat was de aangelegenheden van de Islamitische Staat goed te organiseren. (Soejoeti).

In het jaar 320 Hidjri, 932 naar christelijke jaartelling, kwam Moenis Al Chaadim opnieuw in opstand tegen de Khalifa. Ditmaal doodden de soldaten van Moenis de Khalifa. (Soejoeti).

Khalifa Al Qaahir Billah

Na de dood van Khalifa Al Moeqtadir Billah kozen Moenis Al Chaadim en de mensen met hem Mohammed bin Al Moe’utadhid Billah tot nieuwe Khalifa, precies zoals ze ook in het jaar 317 Hidjri, 929 naar christelijke jaartelling hadden gedaan. De nieuwe Khalifa nam wederom als titel Al Qaahir. (Soejoeti).

Khalifa Al Qaahir was een bruut. Zijn eerste daad was om de de familie van zijn de vorige Khalifa, zijn eigen broer, te laten doden. De moeder van Khalifa Al Moeqtadir Billah liet hij martelen tot ze stierf.

Opkomst van de Boewayhid-dynastie

In het jaar 322 Hidjri, 934 naar christelijke jaartelling, kwamen het volk van de Daylamieten, uit het berggebied in het noorden van hedendaags Iran, in opstand. Onder aanvoering van ene ‘Ali bin Boewayh brachten ze de provincies Perzië en Choerasaan onder hun controle. Hierna trok ‘Ali bin Boewayh zich niets meer van de Khalifa aan en deed wat hij zelf wilde. De Boewayhid-dynastie werd zo gevestigd en deze werd gekarakteriseerd door een vermenging van Islam en de tradities en gewoontes van de oude pre-Islamitische perzen. (Soejoeti).

Verder in het jaar 322 Hidjri, 934 naar christelijke jaartelling, kwamen het leger en de mensen tegen de Khalifa in opstand omdat hij zo bruut was tegen en. Men stak de Khalifa zijn ogen uit met een gloeiend hete naald, martelde hem verder, en gooide hem vervolgens in de gevangenis. (Soejoeti).

In het jaar 333 Hidjri, 944 naar christelijke jaartelling, werd Al Qaahir vrijgelaten. Hij leefde vervolgens als een arme man, een bedelaar op de straat, tot zijn dood in het jaar 339 Hidjri, 950 naar christelijke jaartelling. (Soejoeti).

Khalifa Ar Raadhi Billah

Nadat Khalifa Al Qaahir afgezet was in het jaar 322 Hidjri, 934 naar christelijke jaartelling, werd de bay’a voor het Kalifaat gegeven aan Mohammed bin Dja’afer Al Moeqtadhir bin Aboe al ‘Abbaas Al Moe’utadhid Billah bin Talha Al Moewaffaq Billah bin Dja’afer Al Moetawakkil ‘Alallah bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied. Hij nam de titel Ar Raadhi Billah, degene die tevreden is met Allah (swt). (Soejoeti).

In hetzelfde jaar 322 Hidjri, 934 naar christelijke jaartelling, ontving Khalifa Ar Raadhi Billah een brief van ‘Ali bin Boewayh. Deze bood daarin aan de Khalifa te zullen erkennen, de landen onder zijn controle als onderdeel van de Islamitische Staat te zullen zien, en jaarlijks 800.000 dinar te zullen betalen aan de Khalifa, als de Khalifa hem als wali zou aanstellen en vervolgens met rust zou laten. Khalifa Ar Raadhi Billah accepteerde dit voorstel. (Soejoeti).

In hetzelfde jaar 322 Hidjri, 934 naar christelijke jaartelling, stierf ‘Oebaydallah bin Al Mehdi de leider van de Faatimiden. De heerschappij in Noord-Afrika ging hierna over op zijn zoons. (Soejoeti).

In het jaar 324 Hidjri, 936 naar christelijke jaartelling, bracht de wali van de Khalifa voor de plaats Waasit in Irak, Mohammed bin Raa’ik, de Khalifa onder zijn controle. Het gevolg hiervan was dat al de andere woelaa’u van de Khalifa in de rest van de Islamitische Staat niet langer de belastinginkomsten naar Bagdad stuurden. Khalifa Ar Raadhi Billah heerste dus enkel nog maar in naam en de chaos in de Islamitische Staat was groot. (Soejoeti). Volgens Imaam Soejoeti  riep de heerser over Islamitische Spanje, ‘Abdoerrahmaan an Naasir, zichzelf uit tot Khalifa in reactie op deze gebeurtenis. Imaam Al Maqqari heeft overgeleverd dat ‘Abdoerrahmaan an Naasir deze stap voor zichzelf rechtvaardigde door te wijzen op de controle van de Turkse waziers aan het hof van de Khalifa over de Khalifa.

In het jaar 326 Hidjri, 938 naar christelijke jaartelling, organiseerde de Turk Bahkam een coup tegen Mohammed bin Raa’ik. Hij nam hierdoor de effectieve macht in de Islamitische Staat over. Hij behandelde Khalifa Ar Raadhi Billah op dezelfde manier als Mohammed bin Raa’ik had gedaan. (Soejoeti).

In het jaar 329 Hidjri, 940 naar christelijke jaartelling, werd Khalifa Ar Raadhi Billah ziek en stierf hij. (Soejoeti).

Khalifa Al Moettaqi Lillah

Na de dood van Khalifa Ar Raadhi Billah organiseerde Bahkam het zo dat aan de broer van Khalifa Ar Raadhi Billah, Ibrahiem bin Dja’afer Al Moeqtadhir bin Aboe al ‘Abbaas Al Moe’utadhid Billah bin Talha Al Moewaffaq Billah bin Dja’afer Al Moetawakkil ‘Alallah bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied, de bay’a van het Kalifaat werd gegeven. Hij nam de titel Al Moettaqi Lillah, degene die vrees voelt voor Allah (swt). (Soejoeti).

Khalifa Al Moettaqi Lillah bidde en vastte veel, dronk geen alcohol, en zijn beste vriend was de Edele Koran. Maar, evenals zijn broer Khalifa Ar Raadhi Billah had hij niets te vertellen. De Turk Bahkam had de echte macht in handen. (Soejoeti).

Kort na de benoeming van Khalifa Al Moettaqi Lillah vond er een coup plaats tegen Bahkam. Koertakien de Daylamiet nam de macht van hem over. Mohammed bin Raa’ik ondernam kort hierna een coup tegen Koertakien en nam de macht weer van hem over. Dit was alles in het jaar 329 Hidjri, 940 naar christelijke jaartelling. In het jaar 330 Hidjri, 941 naar christelijke jaartelling, vervolgens, werd eerst Mohammed bin Raa’ik vermoord door de twee zoons van ‘Abdoellah bin Hamdan, ‘Ali en Al Hassan, die hierdoor de macht van de staat overnamen. De Turk Toezoen kwam hierna vanuit Waasit in Irak in opstand tegen ‘Ali en Al Hassan die vanuit Bagdad regeerden, waardoor de Islamitische Staat verder opgedeeld werd. In het jaar 333 Hidjri, 944 naar christelijke jaartelling, probeerde Khalifa Al Moettaqi Lillah een pact te sluiten met Toezoen om onder de dominantie door de Ibn Hamdan’s uit te komen. Toezoen verraadde de Khalifa echter. Hij nam hem gevangen, stak hem de ogen uit, en dwong hem afstand te doen van zijn positie. Vervolgens riep Toezoen de zoon van de voormalige Khalifa Al Moektafi, ‘Abdoellah bin ‘Ali bin Aboe al ‘Abbaas Al Moe’utadhid Billah bin Talha Al Moewaffaq Billah bin Dja’afer Al Moetawakkil ‘Alallah bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied, bij zich en gaf Al Moettaqi Lillah de opdracht hem de bay’a van het Kalifaat te geven. (Soejoeti).

Khalifa Al Moettaqi Lillah werd vervolgens opgesloten. Hij stierf in het jaar 357 Hidjri, 968 naar christelijke jaartelling.

Khalifa Al Moestakfi Billah

De nieuwe Khalifa nam als titel Al Moestakfi Billah, degene voor wie Allah (swt) genoeg is. Kort nadat hij de bay’a in ontvangst had genomen, stierf Toezoen. Aboe Dja’afer bin Sjirzaad, de assistent van Toezoen, organiseerde de zaken met het leger van de Islamitische Staat toen zo, dat hij de positie van Toezoen over kon nemen. (Soejoeti).

Echter, de jongere broer van ‘Ali bin Boewayhid die de Boewayhid-dynastie gevestigd had in Choerasaan en Perzië, Ahmed bin Boewayhid, zag in deze gebeurtenis zijn kans om macht en invloed te vergaren. Hij trok met zijn leger vanuit Perzië op naar Bagdad toen het nieuws van de dood van Toezoen hem bereikte. Toen hij Bagdad bereikte, bood het leger van de Islamitische Staat geen weerstand. Aboe Dja’afer bin Sjirzaad vluchtte daarop en Ahmed bin Boewayhid nam zijn macht over. Dit was alles in het jaar 333 Hidjri, 944 naar christelijke jaartelling. (Soejoeti).

In het jaar 334 Hidjri, 946 naar christelijke jaartelling, begon Ahmed bin Boewayhid de Khalifa Al Moestakfi Billah ervan te verdenken een plan tegen hem te smeden. Hij liet de Khalifa daarom de ogen uitsteken en hij zette hem af. (Soejoeti).

Khalifa Al Moetie’u Lillah

Ahmed bin Boewayhid liet Al Fadhl bin Dja’afer Al Moeqtadir Billah bin Aboe al ‘Abbaas Al Moe’utadhid Billah bin Talha Al Moewaffaq Billah bin Dja’afer Al Moetawakkil ‘Alallah bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied bij zich brengen. Hij gaf hem de bay’a van het Kalifaat zonder zich daadwerkelijk aan hem te onderwerpen. Al Fadhl nam de titel Al Moetie’u Lillah, degene die gehoorzaam is aan Allah (swt), maar ook hij zou net als zijn directe voorgangers enkel in naam regeren omdat Ahmed bin Boewayhid de echte machthebber was. (Soejoeti).

Onder Khalifa Al Moetie’u Lillah werd de Zwarte Steen van de Ka’aba terug veroverd op de Qaraamita-sekte en terug geplaatst in de Ka’aba. Dit was in het jaar 339 Hidjri, 951 naar christelijke jaartelling. (Soejoeti).

Omdat Ahmed bin Boewayhid neigde naar het sji’isme werden onder Khalifa Al Moetie’u Lillah de sji’ieten en de sekten die van hen afstanden steeds meer en invloedrijker. Bijvoorbeeld, toen een man de mensen achter zich probeerde te verzamelen met de bewering dat de ziel van ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) in hem was gekomen, en de ziel van Faatima (as) de dochter van de Profeet (saw) in zijn vrouw, beschermde Ahmed bin Boewayhid hen tegen vervolging. Dit was in het jaar 341 Hidjri, 953 naar christelijke jaartelling. En toen de sji’ieten leuzen op de moskeeën in Bagdad begonnen te schrijven, beschermde Ahmed bin Boewayhid hen en gaf hij opdracht de leuzen te behouden en niet te verwijderen. Dit was in het jaar 351 Hidjri, 962 naar christelijke jaartelling. En in het jaar 352 Hidjri, 963 naar christelijke jaartelling, verplichtte Ahmed bin Boewayhid de mensen van Bagdad zelfs om op de 10e dag van de maand Moeharram, de dag genaamd ‘Asjoera, de dood van Imaam Al Hoesein te herdenken. Dit was de eerste keer dat mensen de straat op kwamen en zichzelf op de borst sloegen en verminkten, zogenaamd om te lijden zoals Imaam Al Hoesein had geleden. (Soejoeti).

Vanwege de langdurende onrust in de Islamitische Staat begonnen de moslims terrein te verliezen op de vijanden van Islam. In de Daylamieten vielen de Russen binnen en de Byzantijnen wisten Kreta terug te veroveren nadat het eiland meer dan 100 jaar onder controle van de moslims was geweest. En in het jaar 357 Hidjri, 968 naar christelijke jaartelling, veroverden de Qaraamita-sekte Damascus in Syrië. Hun broeders in Noord-Afrika, de Faatimiden, stuurden daarop een leger naar Damascus en brachten hierdoor gans Syrië onder hun controle. (Soejoeti).

In het jaar 363 Hidjri, 974 naar christelijke jaartelling, kreeg Khalifa Al Moetie’u Lillah een beroerte. Ahmed bin Boewayhid was op dat moment reeds overleden en zijn opvolger Bachtiyaar besloot hem daarop af te zetten. Al Moetie’u Lillah was op dat moment 29 jaar Khalifa geweest. Hij stierf vervolgens in 364 Hidjri, 974 naar christelijke jaartelling (Soejoeti).

Khalifa At Taa’ie Lillah

Als opvolger van Khalifa Al Moetie’u Lillah werd gekozen diens zoon, ‘Abdoelkariem. Hij nam de titel At Taa’ie Lillah, degene die gehoorzaam is aan Allah (swt). Hij zou de eerste Khalifa worden die in alle openlijkheid liet blijken dat hij niet de echte macht in handen had maar gedomineerd werd door zijn wazier. Voor hem bezochten de waziers hun Khalifa en behandelden hem met alle eer, alhoewel zij hem domineerden. Khalifa At Taa’ie Lillah, echter, bezocht zijn waziers; hij groette hen als eerste; en hij reed voor hen uit als een assistent in plaats van zij voor hem. (Soejoeti).

In het jaar 381 Hidjri, 991 naar christelijke jaartelling, werd Khalifa At Taa’ie Lillah gedwongen om afstand te doen van zijn positie en de bay’a van het Kalifaat te geven aan Ahmed bin Ishaaq bin Dja’afer Al Moeqtadir Billah bin Aboe al ‘Abbaas Al Moe’utadhid Billah bin Talha Al Moewaffaq Billah bin Dja’afer Al Moetawakkil ‘Alallah bin Mohammed Al Moe’utasim bin Haroen ar Rasjied.

Khalifa Al Qaadir Billah

Ahmed bin Ishaaq bin Dja’afer Al Moeqtadir nam de titel Al Qaadir Billah, degene die in staat is dankzij Allah (swt). Hij was een geleerde in de Islamitische wetenschappen, met de beste van manieren, vroom, en hij gaf veel van zijn geld aan de armen. (Soejoeti).

De Khalifa had een boek geschreven over de fundamenten van de Islamitische geloofsovertuiging (‘aqieda) en dit werk werd iedere vrijdag bestudeerd in één van de moskeeën van Bagdad om de mensen in staat te stellen hiervan te profiteren. In dit werk nam Khalifa Al Qaadir Billah afstand van de leerstelling van de Moe’utazila. Hij verzette zich ook tegen de groeiende invloed van de Sji’a en de sektes die van hen afstamden. Toen bijvoorbeeld in het jaar 398 Hidjri, 1007 naar christelijke jaartelling, onrust ontstond in Bagdad omdat de sji’itische inwoners van de stad een demonstratie hielden voor de leider van de Faatimiden-dynastie op dat moment, Al Haakim, stuurde Khalifa Al Qaadir Billah zijn persoonlijke bewakers de straat op om de zaak te kalmeren. En in het jaar 402 Hidjri, 1011 naar christelijke jaartelling, liet Khalifa Al Qaadir Billah het “Bagdad Manifesto” opstellen dat duidelijk maakte dat de heersers van de Faatimiden-dynastie niet werkelijk afstammelingen van ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) en Faatima (as) waren. (Soejoeti).

In het jaar 422 Hidjri, 1031 naar christelijke jaartelling, stierf Khalifa Al Qaadir Billah. Hij was 41 jaren lang de Khalifa van de Islamitische Staat geweest. (Soejoeti).

Khalifa Al Qaaim Bi Amrillah

Na de dood van Khalifa Al Qaadir Billah werd de bay’a van het Kalifaat gegeven aan zijn zoon ‘Abdoellah. Deze nam vervolgens de titel Al Qaaim Bi Amrillah, degene die doet volgens het gebod van Allah (swt). Khalifa Al Qaaim Bi Amrillah was zoals zijn vader: geleerd in Islam, vroom en gul.

Opkomst van de Seltjsoeken-dynastie

Khalifa Al Qaaim Bi Amrillah werd net zoals zijn vader gedomineerd door de Boewayhids. Hij zocht iemand die hem van hen kon verlossen en wendde zich daarom tot de Seltsjoek Turken die sinds het begin van de vijfde eeuw Hidjri grote delen van Choerasaan en Perzië veroverd hadden op de Boewayhid-dynastie. De Seltsjoeken waren Turkse moslims afkomstig van Centraal-Azië die allen afstamden van dezelfde voorvader, ene Seltsjoek. Khalifa Al Qaaim Bi Amrillah zocht contact met hun leider Togrul en vroeg hem met zijn leger op te trekken naar Bagdad. In het jaar 447 Hidjri, 1055 naar christelijke jaartelling, arriveerde Togrul in Bagdad. De aanvoerder van de Boewayhids in Bagdad op dat moment, Arslan al Basaasiri, vluchtte. Arslan al Basaasiri ging daarop een overeenkomst aan met de heerser van de Faatimiden in Caïro, Al Moestansir Billah, en samen probeerden ze Bagdad terug te veroveren op Khalifa Al Qaaim Bi Amrillah en Togrul de Seltsjoek Turk. In het jaar 450 Hidjri, 1058 naar christelijke jaartelling, wist Arslan al Basaasiri samen met troepen van de Faatimiden te veroveren. Maar binnen een jaar wist Togrul Arslan al Basaasiri wederom te verslaan, en ditmaal definitief. Dit was in het jaar 451 Hidjri, 1059 naar christelijke jaartelling, en dit was het begin van het tijdperk waarin de Seltsjoeken de Khalifa kwamen te domineren en zo de effectieve macht in de Islamitische Staat in handen namen. Togrul nam de titel Soeltan en zo kwam het dat er in de Islamitische Staat een Soeltan kwam te bestaan naast een Khalifa. De Seltsjoeken regeerden vanuit hun thuisbasis Choerasaan. (Soejoeti).

In het jaar 455 Hidjri, 1063 naar christelijke jaartelling, stierf Togrul en werd Alp Arslan de aanvoerder van de Seltsjoeken. Onder Alp Arslan werd iets van de voormalige glorie van de Islamitische Staat hersteld. De invloed van de Faatimiden in Mekka en Syrië werd beëindigd en de Byzantijnen werden weer aangevallen. Alp Arslan veroverde gans Anatolië op hen. (Soejoeti).

Wederopleving van de Islamitische Staat

De beste daad van Alp Arslan was de benoeming van Aboe ‘Ali al Hasan bin ‘Ali bin Ishaaq bin Al ‘Abbaas at Toesi tot zijn persoonlijke wazier. Aboe ‘Ali at Toesi zou groots werk verrichten om de Islamitische Wet weer compleet en op de juiste manier geïmplementeerd te krijgen in de Islamitische Staat. Hiervoor kreeg hij de eretitels Kawwaam oed Dien, Degene die de Religie hoog gehouden heeft, en Nidham oel Moelk, Systeem van de Heerschappij. Nidham oel Moelk vestigde in Bagdad het Nidhamiyya College voor studie in Islamitische jurisprudentie. Op een dag riep Khalifa Al Qaaim Bi Amrillah Nidham oel Moelk bij zich en zei tegen hem: “O Hasan! Moge Allah tevreden met je zijn zoals de Emier al Moe’uminien tevreden is met je!”. (Ibn Challikaan).

In het jaar 467 Hidjri, 1073 naar christelijke jaartelling, stierf Khalifa Al Qaaim Bi Amrillah. Vlak voor zijn dood had hij zijn kleinzoon bij zich geroepen en de bay’a voor het Kalifaat gegegeven. (Soejoeti)

Khalifa Al Moeqtadi Bi Amrillah

De kleinzoon van Khalifa Al Qaaim Bi Amrillah was ‘Abdoellah bin Mohammed bin ‘Abdoellah Al Qaaim Bi Amrillah bin Ahmed Al Qaadir Billah bin Ishaaq bin Dja’afer Al Moeqtadir en hij nam de titel Al Moeqtadi Bi Amrillah, degene die het voorbeeld van de wet van Allah (swt) volgt. Hij was net zoals zijn twee directe voorgangers geleerd in Islam, vroom en gul. Hij bemoeide zich actief met het regeren in Bagdad en zijn besluiten en verordeningen waren rechtvaardig.

Ten tijde van Khalifa Al Moeqtadi Bi Amrillah worstelde West-Afrika zich vrij van de dominantie van de Faatimiden. Joesoef bin Taasjifin had de controle over het gebied genomen waarna hij een boodschapper stuurde naar de Khalifa met het verzoek officieel aangesteld te worden als wali van de Khalifa voor het gebied (hedendaags Mauritanië en Marokko). De Khalifa was zeer blij met dit verzoek, verhoorde Joesoef’s wens en gaf hem toestemming de titel Emir al Moe’uminien te gebruiken. Dit was in het jaar 479 Hidjri, 1086 naar christelijke jaartelling. (Soejoeti).

In het jaar 487 Hidjri, 1094 naar christelijke jaartelling, stierf Khalifa Al Moeqtadi Bi Amrillah. (Soejoeti).

Omstreeks hetzelfde moment bereikte een brief van de Byzantijnse keizer Alexius Comnenus de Europeanen. De keizer schreef deze brief in reactie op de nederlagen die zijn rijk had geleden tegen de Seltsjoeken en hij vroeg zijn geloofsbroeders in Europa om hulp. Hij schreef: “Ik schrijf om u (…) te informeren betreffende het feit dat het Zeer Heilige Rijk van de Byzantijnse Christenen dagelijks vervolgd wordt door de Pechenegs en de Turken. (…) Het bloed van de christenen stroomt temidden van nooit eerder geziene slachtingen en de meest schandelijke beledigingen. (…) Ik zal enkelen van hen voor u beschrijven. De vijand heeft de gewoonte om jonge christenen en christelijke babies te besnijden boven het doopvont. (…) Hierna worden ze gedwongen om te urineren in het doopvont en als ze dit weigeren worden ze gemarteld en gedood. (…) De Turken sodomiseren op schaamteloze wijze onze mannen van alle leeftijden en alle rangen en standen (…) en zelfs – o ellende, iets dat nooit eerder gezien is geworden! – onze bisschoppen. (…) Er is al bijna niets meer dat zij nog kunnen veroveren, behalve Constantinopel, welke zij dreigen te veroveren iedere dag nu, als God en Latijnse Christenen ons niet snel komen helpen.” Deze brief was aanleiding voor Paus Pius II om op te roepen tot een Kruistocht naar de Islamitische Staat Al Khilafa, om de moslims en Islam uit te roeien in naam van het christendom.

 

 

 

Comments

comments

DELEN