De dag dat Christoffel Columbus op het Nieuwe Continent voet aan land zette wordt in de hedendaagse Verenigde Staten herdacht als de dag dat het land ontdekt werd: 12 oktober 1492, “Columbus Day”.
Eigenlijk is dit een vreemde gewaarwording, en wel voor drie redenen. Ten eerste omdat Columbus’ ontdekking van Amerika ten hoogste “de laatste ontdekking van Amerika” is. Voor Columbus, namelijk, hadden andere wester- en oosterlingen in het gebied al voet aan wal gezet, zo wordt algemeen erkend. Een theorie waarover veel gediscussieerd wordt is de ontdekking van Amerika, Latijns-Amerika om precies te zijn, door boeddhistische monniken uit China rond het jaar 400 naar christelijke jaartelling. Een andere theorie stelt dat het een Welshman was die rond 1200 naar christelijke jaartelling als eerste voet aan wal zette in Noord-Amerika, ene prins Madoc om precies te zijn. Weer een andere theorie stelt dat boeken uit 1300 naar christelijke jaartelling spreken over een Ierse kolonie in een gebied dat meest waarschijnlijk hedendaags Noord-Amerika is. En zou men de Chinezen vragen dan zouden zij vertellen over Zhen He, de eunuch-moslim die China’s zeevarende held is, betreffende wie wordt gesteld dat hij 70 jaar voor Columbus Amerika reeds bezocht had. Nu zijn dit voorbeelden van in meer of mindere mate speculatieve theorieën, maar wat algemeen erkend wordt is het bezoek van Noorse vikingen aan Noord-Amerika in de 12e eeuw naar christelijke jaartelling, dus ongeveer 300 jaar voor Columbus. Vanaf Groenland hebben de vikingen verschillende keren Amerika bezocht, daarover bestaat geen twijfel meer sinds de vondst van enkele nederzetting gesticht door de Vikingen in het Canada van nu.
De tweede reden die maakt dat het eigenlijk vreemd is dat de komst van Columbus naar Amerika gevierd wordt als het begin van Amerika is natuurlijk het feit dat Columbus bij aankomst ontvangen werd door mensen. Oftewel, Amerika was reeds bevolkt toen Columbus in 1492 het gebied bezocht, en het was ook al bevolkt toen Zhen He en Erik de Viking er voet aan wal zetten. Dus van een “ontdekking” kan niet in minste mate sprake zijn. Men is niet zeker, maar een officiële wetenschappelijke theorie heeft het dat in de tijd dat de continenten van de wereld nog aan elkaar vast zaten, dat toen bepaalde volkeren vertrokken zijn naar de gebieden die nu Zuid-, Latijns- en Noord-Amerika zijn. Een andere theorie over de oorsprong van de volkeren die Columbus aantrof in Amerika is dat op een gegeven moment enkele stammen uit Siberië de Bering-straat overgestoken zijn en zich vervolgens hebben gevestigd verspreid door Zuid-, Latijns-, en Noord-Amerika. Maar hoe het ook zei, de werkelijkheid is dus eigenlijk dat er van een “ontdekking van Amerika” door Columbus, of door de Chinezen, of de Vikingen, of door wie dan ook, helemaal geen sprake kan zijn.
De derde reden om te stellen dat het vreemd is dat de komst van Columbus naar Amerika gevierd wordt heeft te maken met het gedrag dat Columbus tentoon spreidde tegenover de volkeren die hij aan trof in het land van zijn “ontdekking”.
De officiële edoch onbesproken geschiedenis van de kolonisatie van Noord-Amerika
Zoals reeds gezegd, de officiële geschiedschrijving heeft het dat Christoffel Columbus in 1492 het continent Amerika ontdekte. Eerder in 1492, op 12 mei om precies te zijn, was Columbus vanuit Granada in het niet veel eerder door de christenen op de moslims heroverde Spanje vertrokken. Het dagboek dat Columbus op zijn reis bijhield zegt het volgende voor 12 mei: “Uwe Hoogheden (koning en koningin van Spanje), als Katholieke christenen en prinsen die houden van en oproepen tot het Katholieke geloof, en die de vijanden zijn van de sekte van Mohammed, en van iedere vorm van genotengeven en ketterij, heeft u besloten om mij, Christoffel Columbus, te sturen naar de eerder genoemde landen van India, om de prinsen en mensen (aldaar) en hun gebieden te zien, om hun levensvisies te leren en om te leren hoe zij het beste te bekeren vallen tot ons heilige geloof; en bovendien (heeft u) besloten dat ik niet de gebruikelijke route richting oosten zal nemen, maar een westerse route, betreffende welke geen bewijs bestaat dat ooit iemand anders in deze richting vertrokken is geweest.”
Columbus was dus eigenlijk niet op zoek naar nieuwe continenten, hij was op zoek naar een route naar India door westwaarts te vertrekken uit Spanje, en wel om de volkeren in India te introduceren tot het christendom. Zoals bij de huidige kennis te verwachten viel, zette hij hierdoor uiteindelijk voet aan wal op een van de eilanden van de Bahamas in het Caribisch gebied, en niet in India. Columbus zelf, echter, was zo overtuigd dat zijn reis een succes was geweest, dat hij de mensen die hem kwamen begroetten “indianen” noemde, als in “mensen van India”. Over deze volkeren schreef Columbus in het logboek van zijn reis: “De mensen van dit eiland en van al de andere eilanden die ik gevonden heb, gaan allemaal naakt door het leven. … Ze kennen geen staal, noch ijzer, noch wapens, evenmin zijn ze in staat om dezen te gebruiken … Ze zijn zo kunstzinnig en vrij met al hun bezittingen … Van wat zij ook bezitten, als je hun er om vraagt dan zeggen ze nooit nee; integendeel, dan nodigen ze deze persoon uit om het te delen met hem … Ze zouden uitstekende bedienden maken … Met vijftig man zouden we hen allen kunnen onderwerpen om hen te laten doen wat we willen.”

Christoffel Columbus (1451 – 1506)
Wat een vreemde woorden voor iemand die dus eerder verklaard had uit Spanje vertrokken te zijn om andere culturen te leren kennen en om dezen te leren over het christendom. Spijtig genoeg voor de bewoners van het Caribisch gebied sprak uit de woorden “Met vijftig man zouden we hen allen kunnen onderwerpen om hen te laten doen wat we willen” de eigenlijke bedoeling van Columbus en zijn meesters in Spanje. De dag dat Columbus voet aan land zette zou voor de bewoners van de eilanden die Columbus bezocht dus een verdrietige dag blijken te zijn.
Hetgeen Columbus en zijn troepen in werkelijkheid op het oog hadden was de diefstal van rijkdommen voor Spanje, waar Columbus een deel van zou krijgen, zo was hem beloof door de Spaanse koning. De Spanjaarden in het Caribisch gebied waren daarom op zoek naar goud. In zijn logboek schrijft Columbus onder de 13e oktober: “Bij het ochtendgloren kwamen grote aantallen mensen naar het strand … Ze kwamen (in onze richting) in kano’s … Ik was heel vriendelijk voor hen en probeerde te achterhalen of ze goud hadden … Ik zag dat aan hun neuzen wat van het materiaal was bevestigd, en ik begreep uit hun gebaren dat in zuidelijke richting een koning was die over grote schepen met goud beschikte, in grote hoeveelheden.”
Columbus was niet werkelijk geïnteresseerd in de culturen en gebruiken van de volkeren van het Caribisch gebied, noch kende hij een werkelijke behoefte om tegenover hen het christendom uiteen te zetten. Zijn aandacht bij de eerste ontmoeting met de mensen van het Caribisch gebied was enkel en alleen voor het goud waarover de volkeren mogelijk beschikten: hoeveel zou het zijn en waar viel het te halen? De zoon van Columbus, Ferdinand heeft beschreven hoe de Spanjaarden op zoek naar het goud als monsters tekeer gingen tegen de lokale stammen die nooit vochten, die niet wisten hoe te vechten, en die vriendelijk tegenover hun bezoekers hadden gestaan. Men “plunderde en vernietigde al dat men tegenkwam”, schreef Fernando. De Spanjaarden lieten er geen twijfel over bestaan wat de tocht, die zo nobel werd gepresenteerd als een ontdekkingsreis om zielen te winnen voor het christendom, in werkelijkheid betekende. Hen was opgedragen namelijk het volgende te verklaren wanneer ze in contact kwamen met de inheemse bevolking: “Ik getuig tegenover jullie dat, met de hulp van God, wij krachtig jullie land binnen zullen treden en oorlog zullen voeren met jullie op al de verschillende manieren die wij kunnen, en dat we jullie zullen onderwerpen aan gehoorzaamheid tegenover de Kerk en Haar Verhevenheid. We zullen jullie nemen, en jullie vrouwen, en jullie kinderen, en we zullen hen tot slaven maken, en als zodanig zullen we hen verkopen en van de hand doen op de manier zoals gewenst door de Verhevene. En we zullen jullie goederen nemen, en we zullen jullie ellende aandoen en al de schade aanbrengen die we kunnen, net zoals dit de horigen die hun heer niet gehoorzamen, die hem tegenwerken en tegenspreken, ten deel valt.”
Om de boodschap duidelijk over te doen laten komen stond Columbus toe dat zijn mannen in enkele weken duizenden indianen vermoordden, verminkten en verkrachtten. De handen van indianen werden bijna volledig afgehakt, waarna de indiaan met de hand enkel nog vast aan een dun stukje huid terug werd gestuurd naar zijn volk; baby’s werden gevoerd aan de honden die de Spanjaarden mee hadden gebracht; zwangere vrouwen werden opengereten en hun foetussen verwijdert door de Spanjaarden, enkel zodat zij konden zien of hun zwaarden scherp waren. Dit zijn allemaal gebeurtenissen waar de logboeken van de Spanjaarden zelf over spreken. Enkele Dominicaanse kloostermonniken beschreven verder hoe de Spanjaarden omgingen met de indianen: “Enkele christenen troffen een indiaanse vrouw aan met haar baby aan de borst. Aangezien de hond die ze bij zich hadden hongerig was, rukten ze de baby van de borst van de vrouw en wierpen ze deze nog in leven naar de hond, die daarop het kind verslond voor de ogen van de moeder … Indien er onder de gevangenen vrouwen waren die recent kinderen hadden gekregen, en indien de pasgeboren baby’s huilden, dan grepen ze (de Spanjaarden) hen bij de beentjes en wierpen ze tegen de stenen, of ze wierpen hen het oerwoud in zodat zij daar zouden sterven.”
Columbus droeg de indianen op hem iedere drie maanden een bepaalde hoeveelheid goud te komen brengen, zodat hij dit zelf niet hoefde te zoeken en te delven in de jungle. Wanneer een indiaan genoeg goud had gebracht dan kreeg hij een ketting om zijn nek gehangen, zodat de Spanjaarden konden zien dat hij zijn “plicht” tegenover de Spaanse bezoeker had voldaan. Indianen die niet over het ketting beschikten werden als straf genadeloos afgeslacht. Verder Columbus introduceerde in het Caribisch gebied het systeem van encomiendas, waaronder het land en de indiaanse bewoners van het land werden toebedeeld aan een Spaanse heer, die ermee mocht doen wat hem beliefde zolang het maar geld op zou brengen voor Spanje. De indianen die de slachtingen overleefden werden dus tot slaaf gemaakt, die moesten voor de Spaanse heer werken in de mijnen waar naar goud en zilver gezocht werd, of op de plantages waar de kruiden, het katoen en de tabak werden verbouwd. Een Spanjaard aanwezig bij dit alles, frater Bartholomeus de Las Casas, rapporteerde echter dat ten hoogste 10% van de inheemse bevolking slaaf werd – de rest had de slachting niet weten te overleven.
In 1535 uiteindelijk, oftewel 43 jaar na de komst van Columbus, was de inheemse bevolking op de meeste eilanden in het Caribisch gebied – Cuba, Haïti, de Dominicaanse Republiek – uitgeroeid. Van naar schatting 10 miljoen mensen in 1492, naar nul in 1535. Van het Caribisch gebied trokken de Spanjaarden daarom verder naar het vasteland van Centraal-Amerika met dezelfde bedoelingen en dezelfde barbaarse praktijk. En vanuit Centraal-Amerika trok men naar het noorden, in de richting van Noord-Amerika.
Tegelijkertijd ontstonden alsmaar meer Europese nederzetting in het gebied, ten gevolge van de grote verhalen over grote rijkdommen die Columbus in het gebied aangetroffen zou hebben. In 1565 werd door de Spanjaarden de kolonie Santa Elena gesticht in wat nu Florida is; in 1603 werd Quebec gesticht door de Fransen in hedendaags Canada; in 1607 Jamestown door de Britten in hedendaags Virginia; en in 1624 Nieuw-Amsterdam door de Hollanders, net als Jamestown eveneens in het noordoosten van wat nu de Verenigde Staten van Amerika is. In de geest van hun Spaanse voorgangers zagen ook deze kolonisten Amerika als een leeg continent dat ze gebruiken konden om de welvaart van het thuisland te vergroten. De bedoeling was om mijnen te exploiteren voor het delven van goud en zilver, om dit dan terug te brengen naar de vorsten van Europa. Deze groep van kolonisten had nooit de intentie om van het nieuwe land hun thuis te maken, de door hun gevestigde koloniën waren exploitatiekoloniën. “Deze ongelovige heidenen moeten op dezelfde wijze behandeld worden als door de Spanjaarden: uitroeiing”, stelde een leider van de Britse kolonisten, toen duidelijk werd dat de indianen niet van plan waren om zomaar slaaf te worden en de cultuur, tradities en religie van de Europeanen over te nemen. Ook voor hen waren de indianen van Noord-Amerika wilden die ingezet moesten worden om het leven van de Europeanen gemakkelijker te maken. En het duurde dan ook niet lang of de inheemse volkeren in het gebied rondom Jamestown en de andere vestigingssteden waren inderdaad uitgeroeid of verdreven.
Niet in het minst werden de Europeanen bij dit alles geholpen door de ziektes die ze met zich meenamen uit Europa, en waarmee de volkeren van Amerika volkomen onbekend mee waren, net zoals de Spanjaarden in het Caribisch gebied eerder al hadden ervaren. Niet zelden noteerden de kolonisten dat in dorpen die zij bezocht hadden vaak slechts enkele dagen later een plaag uitbrak die het inwonertal decimeerde. Hierin zagen de Britten een teken van God aan hun zijde. “Het stelde God tevreden dat deze indianen met zulke vreselijke ziekte en dood getroffen werden, zodat van de duizend meer dan negenhonderdvijftig stierven, en zodat velen van hen verrotten boven de grond in afwezigheid van een begraving.” Want het idee was dat door de indianen te doden de Britten niets meer deden dan Gods Werk: het transformeren van een land “vol wilde beesten en wilde mensen … om ruimte te maken voor de groei van iets beters”. En de Europese kolonisten zagen er dus geen probleem in om de indianen-stammen als geschenk een met pokken of mazelen geïnfecteerde deken te geven, in de wetenschap dat deze een epidemie zou veroorzaken in het dorp van de indianen en hen bijna allen zou doden. [1]
Latere nederzettingen resulteerden uit emigraties uit Europa door bepaalde geloofsgemeenschappen in reactie op de religieuze vervolgingen die Europa teisterden. Deze nederzettingen waren bedoeld om nieuwe permanente verblijfplaatsen te stichten. Zo waren bijvoorbeeld de “Pilgrim Fathers”, degenen die vandaag worden bestempeld als de eerste echte Amerikanen, Britten die zich afgescheiden hadden van de Anglicaanse Kerk. Ze vluchtten in eerste instantie naar Nederland, en van daaruit met het schip de Mayflower naar Amerika in 1619, waar ze in 1620 de kolonie Plymouth stichtten. Deze kolonisten hoopten van Amerika wel echt hun thuis te maken, maar hun omgang met de inheemse stammen die ze aantroffen was niet minder wreedaardig. De Pilgrim Fathers werden geholpen door de indianen in hun omgeving om de eerste winter van hun verblijf in Amerika te overleven. De leider van de indianen-stam in hun buurt, Massassoit, zou in 1621 tezamen met de Pelgrims hebben gezeten en hebben gegeten van hetgeen de indianen beschikbaar hadden gesteld aan de Pelgrims. Het was dit eten van de indianen dat de Pelgrims effectief in leven hield tijdens hun eerste winter. Tegenwoordig wordt in Amerika “Thanksgiving Day” gevierd, en volgens de officiële geschiedschrijving is dit om het geschiedkundig feit van het samen eten van de pelgrims met de indianen te herdenken. Volgens de indianen zelf, echter, vierden de Pelgrims een feestdag om dank te geven aan hun God voor de goede oogst in het jaar nadat ze door de indianen geholpen waren, en voor het feit dat ze in datzelfde jaar in staat waren geweest om de lokale indianen-stammen te verdrijven. Na het binnenhalen van hun oogst waren de Pelgrims erop uit getrokken om de indianen in de omgeving te verdrijven, en met zoveel succes hadden zij de indianen – die hen inderdaad de eerste winter hadden helpen overleven! – uitgemoord, dat de gouverneur een feestdag uitriep om God te danken. De Thanksgiving proclamatie van de gouverneur van de kolonie van de Pelgrims stelde voor dat ook andere koloniën er net als de zijne op uit zouden trekken om de indianen te doden, en wel ook op de dag na het binnenhalen van de oogst, voortaan Thanksgiving Day te noemen. [2]
De volkeren waar de kolonisten in Noord-Amerika mee in aanraking kwamen vallen onder te verdelen in drie verschillende groepen. Gans in het noorden van het hedendaagse Canada, rondom de poolcirkel, leefden de Innoeït. Aan wat nu de oostkust is van de Verenigde Staten leefden de “woodland” indianen, oftewel de indianen van het bos. Onder hen bevonden zich ondermeer de Cherokee-stam, de Creek-stam, de Iroquois-stam, en de Seminolen-stam. In centraal Amerika leefden de Indianen van de vlakte, zoals de Sioux-stam, de Cheyenne-stam en de Comanche-stam. Tegen de westkant van Noord-Amerika leefden stammen als de Apache, de Navajo en de Pueblo. Voor al de stammen gold dat de houding van de Europese kolonisten tegenover hen uitermate negatief was. De indianen waren voor de Europeanen eerst en vooral obstakels voor de vergaring van de rijkdommen van het nieuwe land, of in het minst negatieve geval slaven die moesten werken voor de vergaring van rijkdommen voor de Europeanen. De grootschalige moord op de indianen werd door sommige Europese kolonisten met vooruitziende blik dan ook wel eens als een potentieel probleem beschreven, omdat ermee effectief de goedkope arbeidskrachten voor op de plantages en in de mijnen stierven. Toen eenmaal de handel in slaven uit Afrika goed op gang kwam bestond ook dit bezwaar niet meer en kenden de indianen nog meer een enkele realiteit in de ogen van de kolonisten: ze bewoonden het land dat de Europeanen wilden hebben.
Toen in 1830 de zevende president van de Verenigde Staten, Andrew Jackson, de zogenaamde “Indian Removal Act” ondertekende, betekende dit ook niet zozeer de introductie van beleid om de aanwezigheid van indianen in Noord-Amerika tot een minimum te beperken. De acte stelde dat in de jonge Amerikaanse natiestaat “geen enkele deelstaat kan de juiste cultuur, beschaving en vooruitgang tot stand brengen, zo lang er zich binnen haar grenzen Indianen bevinden”, en dit was in feite het slotstuk van wat al veel langer onofficieel het beleid was geweest. Overal, door gans Amerika werden de indianen opgedreven door de Europese kolonisten die steeds groter in aantallen werden. De Indian Removal Act maakte het officieel staatsbeleid om de kolonisten te helpen bij het zuiveren van het land van indianen, door hen allemaal onder te brengen in een gebied: Oklahoma.
De emigratie naar Amerika door de Europeanen kende het noordoosten van het gebied, waar zich nu New York en Washington bevinden, als bruggenhoofd. Van hieruit vertrokken de kolonisten steeds verder zuidelijk en westelijk, op zoek naar land voor landbouw en mijnbouw. Door de Indian Removal Act, het kroonstuk op het levenswerk van Andrew Jackson, werden de in het zuiden van de Verenigde Staten woonachtige indiaanse stammen zoals Cherokee-stam, de Creek-stam, de Choctaw-stam, de Chickasaw-stam en de Seminolen-stam, het hardst getroffen. In 1814 reeds had de jonge Jackson als legeraanvoerder oorlog gevoerd tegen de Creek indianen in de huidige Amerikaanse deelstaten Georgia en Alabama, in een poging hen te verdrijven om deze gebieden onder bestuur van de blanken Europeanen te krijgen. In 1819 waren de troepen onder bewind van toen nog generaal Andrew Jackson de deelstaat Florida binnengetrokken en hadden ze de Seminolen-indianen verdreven. Verder, in de periode 1814 tot en met 1823 was Andrew Jackson instrumentaal geweest in de totstandkoming van verdragen tussen de indianen in het zuiden van Amerika en de Europese kolonisten, waaronder veel indianen door listen van de Europeanen ertoe gebracht werden hun landen op te geven in ruil voor landen in het westen van Amerika, waar men dan met rust gelaten zou worden volgen de overeenkomst. Echter, nog in 1823 oordeelde het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten dat indianen in Amerika wel land mochten bewonen maar niet mochten bezitten. Volgens het Hof was het recht op bezit voorbehouden voor degenen die het land “ontdekt” hadden, oftewel de Europese kolonisten. Degenen die het land altijd bewoond hadden mochten dit land niet bezitten. Hierdoor werden de verdragen die de indianen hadden afgesloten met de kolonisten feitelijk waardeloos. Ze waren overeengekomen om de landen die ze bewoonden te verlaten in ruil voor bezit over landen in het westen, maar met dit oordeel van het Hof mochten ze de nieuwe landen niet bezitten. De Europese kolonisten die de landen in het westen van Amerika daarna opkochten lieten de indianen daar natuurlijk niet op wonen. Het resultaat was dat maar weinig van de indianen in deelstaten in het zuidwesten zoals Georgia, Tennessee, Mississippi, Kentucky en Noord-Carolina ook effectief wegtrokken. De kolonisten gebruikten nog andere middelen om de indianen alsnog weg te krijgen, zoals door het vee van de indianen te doden of te stelen, of door gewoonweg delen van de landen van de indianen te bezetten. Maar met het presidentieel besluit van 1830 werd de verwijdering van de indianen dus een staatsaangelegenheid. Vanaf dat moment dus kon hun verwijdering georganiseerd en gepland worden, met hulp van het leger van de Verenigde Staten van Amerika.
De Choctaw-stam was de eerste die effectief verwijderd werd, hoofdzakelijk door dwang. De Seminolen-indianen weigerden te vertrekken, en hen werd de oorlog verklaard door de Verenigde Staten. Duizenden Seminolen-indianen stierven tijdens de tweede Seminolen-oorlog van 1835 tot 1842, aan het einde waarvan er bijna geen Seminolen-indianen meer leefden in het zuidwesten van Amerika. Zij die ondanks alles bleven, daar werd de derde Seminolen-oorlog van 1855 tot 1858 aan gewijd, waarna de Seminolen-stam zo goed als niet meer bestond. De Creek-stam weigerde eveneens te vertrekken. Een verdrag in 1832 resulteerde in de opsplitsing van hun land, een groot deel ervan voor de Europese kolonisten en een ander deel voor de stamhoofden van de Creek, waarop de stam zou mogen blijven leven. Echter, niet lang na dit verdrag werden de stamhoofden bedrogen door projectontwikkelaars, waardoor ze het eigendom over het land verloren. In 1837 werden de omstreeks 15.000 leden van de Creek-stam daarom door het Amerikaanse leger verwijderd uit het zuiden. De Chicksaw-stam accepteerde de onvermijdelijkheid van haar vertrek en kwam met de Amerikaanse overheid overeen dat ze in het westen van Amerika land zou krijgen indien ze uit het zuiden zouden vertrekken. Ze vertrokken, waarna de Amerikaanse overheid eenzijdig een aanpassing op het verdrag aanbracht wat stelde dat de Chiksaw in het westen van Amerika samen zouden leven op het territorium van een andere indianen stam, de Choctaw, waarvoor ze de Choctaw financieel moesten vergoeden. Zo werden zowel de Chiksaw en de Choctaw bedrogen.
De Cherokee-stam, ten slotte, weigerde eveneens om te vertrekken en ook zij werden daarom met een list in de val gelokt. In 1833 kwam een aantal “Cherokee” (van de meesten van hen was de band met de Cherokee-indianen van het niveau “de moeder van de moeder van de moeder was Cherokee”) zogenaamd namens de Cherokee-stam een verdrag overeen met de Amerikaanse overheid. Dit verdrag zette de voorwaarden voor het vertrek van de Cherokee uiteen en is bekend geworden onder de naam “Treaty of New Echota (Verdrag van Nieuw Echota)”. Dat de mensen wiens naam onder het verdrag stond nooit door de Cherokee-stam gemachtigd waren geworden tot onderhandelingen in de Cherokee naam, dat deed er voor de Amerikaanse overheid niet toe. Het verdrag was getekend door een Cherokee en dus moest heel de Cherokee-stam zich hieraan houden. In 1838 trok daarop onder leiding van generaal Winfield Scott een Amerikaanse leger van 7.000 soldaten uit om de voltallige stam te doen vertrekken. Met het mes op de keel werden de verschillende stammen onder de Cherokee-familie tezamen gebracht, waarbij ze niet de tijd werd gelaten om hun bezittingen te verzamelen – dezen werden vervolgens gestolen door de kolonisten van het gebied. De Cherokee die zich verzetten werden gedood. De drie plaatsen waar de omstreeks 16.000 Cherokee hierna samengebracht werden waren Rattlesnak Springs, Ross’s Landing en een fort genaamd naar generaal Scott. Cholera en andere ziekten heersten daar, en vele Cherokee stierven in deze openlucht gevangenissen. De sterfte werd zo groot dat de Cherokee zelf toestemming verzochten om van daar te mogen vertrekken naar Oklahoma, wat tot het einde der tijden een Indianen-staat zou blijven zo was door de Amerikaanse overheid beloofd. De reis naar deze bestemming was lang en zwaar en vond plaats grotendeels in de wintermaanden, ten gevolge waarvan vele Cherokee stierven. De kolonisten die zij onderweg passeerden kenden verder ook weinig tot geen medelijden met hen. Niet zelden verordenden zij dat de indianen niet te nabij aan de steden van de kolonisten mochten passeren, of dat ze een bepaalde route niet mochten nemen, waardoor de Cherokee veelal gedwongen werden de moeilijkste van de mogelijke routes te nemen. Onderweg stierven enkele duizenden van Cherokee, soms de helft van de groep die de tocht ondernam (de Cherokee vertrokken in verschillende groepen). Dit was wat de Cherokee vandaag noemen “noe na hi doe na tlo hi loe i”, het Pad Waar Wij Huilden.

“Het Pad waar wij Huilden”, schilderij door Robert Lidneux, 1942
“Ik zag hoe de hulpeloze Cherokee gearresteerd werden, uit hun huizen werden gesleurd, en met het mes op de keel tezamen gebracht werden. Op een koude, regenachtige ochtend in oktober zag ik hoe ze als vee ingeladen werden in de 640 wagens die naar het westen vertrokken. In de ochtend van de 17e november kregen we met vreselijke kou en sneeuwstormen te maken, en vanaf die dag tot de dag dat we het einde van onze reis bereikten op 26 maart 1839, was het leiden van de Cherokee verschrikkelijk. Het pad van deze ballingen was het pad van de dood. Ze waren gedwongen om in de wagons te slapen, of op de grond, zonder vuur (om zich warm te houden). En ik weet van nachten waarin zoveel als 21 van hen stierven aan longontsteking, ten gevolge van de slechte behandeling die hen ten deel viel, de kou en de omstandigheden waaraan ze blootgesteld waren.” – Soldaat John G. Burnett
Hiermee was de etnische zuivering van Zuid-, Centraal- en Noord-Amerika zo goed als gecompleteerd, waardoor in minder dan 400 jaar een definitief einde was gebracht aan de samenlevingen van de inheemse volkeren van Amerika. Uiteindelijk, na dit alles, zou de Amerikaanse overheid ook nog eens eenzijdig de verdragen opzeggen waaronder de indianen-stammen vertrokken waren naar Oklahoma, waardoor uiteindelijk ook Oklahoma de indianen ontnomen werd.
De onofficiële, onbesproken geschiedenis van de kolonisatie van Noord-Amerika
Op 22 november 2006 vond in de Southwark Kathedraal in Groot-Brittannië een ceremonie plaats ter herdenking van een oorspronkelijke Amerikaan, het opperhoofd van de Mohega-stam Sachem Mahomet Weyonomon. In 1735 reisde Sachem Mahomet Weyonomon vanuit Amerika naar Groot-Brittannië om een klacht voor te leggen aan koning Gerard II, naar aanleiding van de misdaden begaan door de Britse kolonisten tegen de inheemse volkeren van Amerika. Mahomet stierf echter in Engeland nog voordat hij door de koning ontvangen werd. [3]
De naam van het opperhoofd van de Mohega-stam doet aannemen dat er meer tot de geschiedenis en cultuur van de inheemse volkeren van Noord-Amerika moet behoren dan hetgeen blijkt uit de officiële besproken en onbesproken geschiedenis. In de wetenschap dat de naam Mohammed van de Profeet van Islam door de Europeanen gewoonlijk werd omgevormd tot Mahomet, doet de vraag zich voor, hoe kan het zijn dat deze indiaan een wat lijkt op een Islamitische naam droeg? Er bestaan bij deze kwestie een aantal theorieën, gevoed door verschillende informaties. Waar deze theorieën allemaal op wijzen, echter, is de mogelijkheid dat onder de indianenstammen die de Europese kolonisten ontmoetten er verschillenden waren die Islam als religie kenden.
Theorie 1: Moslim ontdekkingsreizigers
Naar contacten tussen moslims en de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika wordt verwezen in geschriften van verschillende moslims. Zo bijvoorbeeld Aboe Hassan Ali ibn Al Hoessain al Masoedie (257 – 345 Hidjri; 871 – 957 naar christelijke jaartelling), die in zijn boek “Moeroedj adh dhahab wa maadin al djawhar” schreef dat ten tijde van Abdoellah bin Mohammed als regent over Al Andaloes een moslim uit Cordoba in 275 Hidjri, 889 naar christelijke jaartelling, de Atlantische Oceaan over was gestoken en een nieuw en voorheen onbekend land had aangetroffen. De navigator, Khashkhash bin Saied bin Aswad, zou met fabuleuze schatten zijn teruggekeerd uit deze nieuwe Onbekende Wereld (“‘ard majoela” schrijft al Masoedie).

Al Masoedie’s kaart van de wereld, uit “Moeroedj adh dhahab wa maadin al djawhar”, één van de twee boeken die bewaard zijn gebleven van de 34 boeken die Al Masoedie geschreven heeft.
Aboe ‘Abdoellah Mohammad al Idrisi (1099 – 1160 naar christelijke jaartelling), de befaamde moslim cartograaf, vertelt in zijn boek “Noezhat al moesjtaq fi ikhtiraq al afaq” over een groep van acht moslim zeevaarders uit Noord-Afrika die vanuit Lissabon voor omstreeks 31 dagen in westelijke richting waren gezeild. Ze waren toen op een eiland gestrand waar ze gevangen waren genomen, maar na drie dagen waren ze weer vrijgelaten omdat van onder de mensen op het eiland iemand naar voren was gekomen die het Arabisch van de zeelieden kon vertalen. Daarop waren ze voor drie dagen verder gezeild tot ze wederom op een eiland ware gestuit. Van daar waren ze in 60 dagen terug naar Portugal gezeild. Het is meest waarschijnlijk dat deze reis de zeevaarders naar Noord- danwel Zuid-Amerika heeft gevoerd. De alternatieve verklaring stelt dat door slecht weer men uit koers is geraakt en aan de kust van Afrika is geland, maar dit is onwaarschijnlijk omdat in de tijd van al Idrissi de westkust van Afrika reeds bekend was bij de zeevaarders.
Chihab Ad Dien Aboe Abbas Ahmad bin Fadhl al ‘Oemari (699 – 785 Hidjri, 1300 – 1384 naar christelijke jaartelling) beschrijft in zijn boek “Massaalik al absaar fi mamaalik al amsaar” een reis van de soeltan van Mali Aboe Bakari naar de “andere zijde” van de Atlantische Oceaan. Dit verhaal komt verder naar voren als een overlevering door soeltan Mansoe Moesa, de broer van soeltan Aboe Bakari. Mansoe Moesa vertelde aan het Hof van Nasir Edin Muhammad III in Caïro, op reis naar Mekka voor zijn Hadj, dat hij soeltan van Mali was sinds zijn broer soeltan Aboe Bakari was vertrokken voor een tweede reis naar de andere zijde van de Atlantische Oceaan, en nooit was teruggekeerd.
Er zijn ook verschillende westerse archeologen en geschiedkundigen die op basis van artefacten gevonden in Zuid-, Centraal- en Noord-Amerika stellen dat er aldaar bezoeken moeten zijn geweest van Arabische en Afrikaanse moslims. Dokter Barry Fell, archeoloog en linguïst, beschrijft in zijn boek “Saga America” de rotstekeningen die hij heeft gevonden in het westen van de huidige Verenigde Staten, als “in het Arabisch van Noord-Afrika, geschreven in Koefisch schrift”. Volgens Bell is er in Californië een muurtekening vele eeuwen ouder dan Columbus, die leest “Yasoes bin Maryam”. Alexander Von Wurthenau wijst in zijn boek “Unexpected Faces in Ancient America” op beelden gevonden in Mexiko die gedateerd worden van tussen 300 en 900 naar christelijke jaartelling, die lijken op mensen zoals uit Senegal, en beelden van tussen 900 en 1500 naar christelijke jaartelling die een man met een Fez lijken af te beelden. En Ivan Van Sertima, ten slotte, heeft oude Chinese documenten beschreven waarin verteld wordt dat in een gebied ten westen van de Atlantische kust van Afrika handel werd gedreven door Arabieren.
Theorie 2: De “Melungeons”
Verschillende van de allereerste Spaanse / Portugese kolonisten in Noord-Amerika waren voormalige moslims uit Al Andaloes die aan de inquisitie probeerden te ontkomen of die door de inquisitie op het schip waren gezet. Zo had bijvoorbeeld kapitein Joao Pardo in 1567 Christelijke jaartelling verschillende moslims uit Portugal getransporteerd naar de kolonie Santa Elena. Er waren ook veel moslims uit het Middellandse Zee-gebied door de Spanjaarden en Portugezen als slaaf naar de koloniën in de nieuwe wereld vervoerd. Op het moment dat de vervolgingen van moslims onder de Inquisitie verder toenam, en de praktijken van de religieuze vervolgingen ook in de koloniën de regel werden, schijnen deze moslims weggevlucht te zijn naar de bossen en bergen in de omgeving. Deze moslims zouden in relatie zijn getreden met de oorspronkelijke bewoners van Amerika en zouden opgenomen zijn geworden in deze stammen. Uit de huwelijken van de moslim mannen van Turkse, Iberische en Arabische afkomst met indiaanse vrouwen zou een in feite nieuw ras zijn geresulteerd, de zogenaamde Melungeons. Deze Melungeon-stammen zouden veelal Islam als religie met zich mee gedragen hebben.
Een ander verhaal is dat van de Engelsman Sir Francis Drake, die in 1568 in Brazilië en op Cuba omstreeks 400 slaven stal van de Spanjaarden. Deze slaven waren eveneens hoofdzakelijk moslims uit Spanje en Portugal, of Turken en Arabieren die bij zeeslagen in het Middellandse Zee-gebied gevangen waren genomen. Het plan van Drake was om deze slaven een eigen kolonie te laten vestigen in het Caribisch-gebied, van waaruit ze de Britten zouden kunnen helpen bij het bestrijden van de Spaans / Portugese invloed in het gebied. Echter, Drake zag zich genoodzaakt de 400 slaven af te zetten in Noord-Amerika in de kolonie Ronaoke toen een groep Engelse kolonisten daar hem vroeg hun mee te nemen terug naar Groot-Brittannië. De plaats waar Drake deze moslims afzette was niet ver van het eerder genoemde Santa Elena. Ook deze moslims kwamen tezamen te leven met de inheemse indianen-stammen, en trouwden met de vrouwen van de indianen. Toen later mensen op zoek gingen naar de moslims die Drake achter gelaten had op Ronaoke konden ze niet teruggevonden worden. Wat men wel leerde ging over indianen met baarden, die zich geregeld ter aarde wierpen in gebed, waar ze zich ook bevonden. Men leerde over indianen in het gebied die geen Engels spraken maar die zichzelf “Portyghee” noemden, als een verbastering van “Portugees”. Ook deze gemeenschappen werden “Melungeons” genoemd, of ook wel “Mekka Indianen”. Ze waren het resultaat van het samengaan van moslims van verschillende gebieden met de indianen van Noord-Amerika. [4]
Theorie 3: Slavernij
In 1619 werden door een Nederlandse slavenhandelaar de eerste Afrikaanse slaven naar het nieuwe land gebracht. De belangrijkste pilaar van de economie in Amerika was op dat moment de landbouw. Katoen en tabak werden verbouwd voor de export naar Europa. In het begin waren het veelal de inheemse volkeren, de indianen, die te werk werden gesteld op de katoen en tabak plantages van de Europeanen, maar naarmate hun aantallen ten gevolge van moord en ziekte, en natuurlijk het leven in slavernij zelf, afnamen, werd door de Europese kolonisten steeds vaker een beroep gedaan op de Afrikaanse slaven die Nederlandse zeelieden te koop aanboden. Deze Afrikaanse slaven kwamen hoofdzakelijk uit hedendaags Ghana en omringende gebieden langs de westkust van Afrika, zoals Nigeria, Senegal, Gambia Ivoorkust, Togo, Burkina Faso, Niger en Benin. Dit betekende dat de meeste Afrikaanse slaven in Amerika van huis uit moslim waren. Er bestaan verschillende verhalen die dit bevestigen.

Ayyoeb Soeleiman Diallo
Ayyoeb Soeleiman Diallo was een hoogopgeleide handelaar die in Afrika gekidnapped was om als slaaf getransporteerd te worden naar Amerika. Ayyoeb was afkomstig uit Senegal en werd in 1730 als slaaf vastgezet in Gambia. In 1731 arriveerde hij in Amerika. In Amerika schreef Ayyoeb een brief gericht aan zijn vader in Afrika, maar de brief kwam niet verder dan het bureau van de gouverneur van de staat waar Ayyoeb als slaaf gehouden werd. De geleerde en ontwikkelde Ayyoeb werd daarop als een rariteit naar Londen gestuurd. In Londen schreef Ayyoeb drie kopieën van de Heilige Koran, uit het hoofd.


‘Oemar Ibn Saïd (1770 – 1846) en zijn handgeschreven kopie van soera Al Moelk van de Heilige Koran
In 1807 kocht James Owen in Noord-Carolina ‘Oemar Ibn Saïd, oorspronkelijk uit Foeta Toro, het hedendaags Senegal. Ook ‘Oemar was een handelaar en geleerde van Islam die gevangen genomen was en getransporteerd naar Amerika om als slaaf te werken. Ibn Saïd werd gevangengenomen om als slaaf verzonden te worden naar Amerika nadat hij eerst omstreeks 25 jaren Islam had bestudeerd bij de meest vooraanstaande Islamitische geleerden van Islam in West-Afrika op dat moment. Als slaaf bleef hij schrijven in het Arabisch, ondermeer het boek “Bismillah, dit is hoe gebeden moet worden”.

Abdoerrahman Ibrahim Ibn Sori (1777 – ?)
Abdoerrahman Ibrahim Ibn Sori was een prins uit Timbo aan de westkust van Afrika (hedendaags Guinea). In 1777 was hij op 15 jarige leeftijd van huis vertrokken om in Timboektoe, in Mali, Islam te gaan studeren. Hij werd gevangengenomen om als slaaf verkocht te worden. Na omstreeks 40 jaren als slaaf te hebben geleefd in Amerika bereikte een kopie van een brief van Abdoerrahman aan zijn vader toevallig de soeltan van Marokko. Deze verzocht daarop de regering van de Amerika om Abdoerrahman vrij te laten en om hen terug te laten keren naar Afrika. Aldus gebeurde en de “prins der slaven”, zoals Abdoerrahman wedr genoemd, stierf uiteindelijk dan ook thuis in Afrika.
De slavenhouder James Couper heeft in zijn dagboeken beschreven dat een van zijn slaven de naam Saleh ibn ‘Ali droeg, waarover hij in meer detail schreef: “Hij is een overtuigde Mohammedaan; hij drinkt geen alcohol, hij vast geregeld, in het bijzonder tijdens Ramaddan.” En verder, in 1753 schreven twee slaven een petitie naar het hoofd van Zuid-Carolina in Amerika, in feite een pleidooi voor hun bevrijding uit slavernij. Volgens de overlevering droegen de slaven als naam Abdelkonder en Mahamoet, en hadden ze hun petitie in het Arabisch opgesteld. Ze waren oorspronkelijk afkomstig uit Marokko.
De indiaanse slaven op de plantages kwamen zodoende samen te werken met de Afrikaanse slaven, en ze kwamen met hen samen te leven omdat ze gezamenlijk werden gehuisvest in gedeelde barakken. Daar van de Afrikaanse slaven een grote meerderheid man was (omstreeks 1 op 3 was vrouw, zeggen schattingen), en omdat onder de indiaanse slaven de meerderheid vrouw was (het aantal mannen onder de indianen was ten gevolge van oorlog en ziekte gedecimeerd) resulteerde een vermenging van beide groepen. Huwelijken tussen indiaanse slavenvrouwen en Afrikaanse slavenmannen kwamen vaak en veelvuldig voor, waardoor Islam zich vermengde men de indiaanse stammen. Tevens is bekend dat slaven die hadden weten te ontsnappen aan hun houders niet zelden opvang en onderdak vonden bij de indianen-stammen. Zo ontstond bijvoorbeeld wat bekend is geworden als de “black-seminole (zwarte seminolen)” indianen stam. Dit waren Afrikaanse slaven in Amerika die gevlucht waren en onderdak hadden gevonden bij de Seminolen indianen in Florida. Ze bouwden hun eigenschappen gemeenschappen en behielden grotendeels hun Islamitische cultuur en tradities.
Slotwoord
Tot in de zeventiger jaren van de twintigste eeuw was assimilatie van de indianen, hun verdrijving uit de reservaten en opname in de doorsnee Amerikaanse cultuur zodat uiteindelijk van de cultuur van de indianen niets meer over zouden blijven, het officiële beleid van de Amerikaanse regering. Nog in de twintigste eeuw nog werden indianen kinderen door de overheid gedwongen uit huis geplaatst – gekidnapped lijkt een beter woord – om door blanke gezinnen grootgebracht te worden volgens de blanke cultuur en tradities. Deze feiten tonen aan dat de genocide op de inheemse volkeren door de Europeanen veel minder “geschiedenis” is dan wordt beweerd.
Dit zegt ook het feit dat Columbus Day wordt gevierd. Hiermee wordt effectief gezegd “er was niets totdat de blanke Europeaan er voet aan land zette”, niets meer of minder dan een uiting van racisme in ultieme vorm. Zo, namelijk, wordt de aanwezigheid van de inheemse stammen in Amerika genegeerd. Oftewel zo wordt hun bestaan genegeerd, en zo ook worden de misdaden begaan door de zogenaamde “brengers van beschaving” tegen deze volkeren genegeerd. De genocide tegenover deze volkeren door de Europeanen is dan ook veel minder geschiedenis dan men zou denken daar de grootste slachtingen minstens 150 jaar achter ons liggen. Columbus Day doet de genocide tot op de dag van vandaag voortleven.
Er leven in de Verenigde Staten nu nog maar omstreeks 3 miljoen mensen van wie gezegd wordt dat ze indiaan zijn omdat hun oorsprong (deels) tot de indianen terug te voeren valt. Van acht op de tien van deze mensen bestaan de voorouders uit zowel indianen als andere rassen, en qua uiterlijk kennen de meesten van de indianen van nu dan ook nog maar weinig van de kenmerken van het ras van de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika.

Veel afbeeldingen van leden van de Cherokee tonen hen met een tulband gebruikelijk voor Arabieren. Cherokee vrouwen werden door de Spaanse kolonisten beschreven als “gekleed volgens de gebruiken van de moren (moslims)”.
De indianen van nu zijn onder dwang opgegaan in de Amerikaanse cultuur, of leven tezamen in een van de reservaten die Amerikaanse overheid voor hen ingericht heeft. Minder dan één procent van hun oorspronkelijke woongebied is voor hen gereserveerd door de afstammelingen van de Europese kolonisten, het meeste waarvan gronden betreft waarop geen landbouw verricht kan worden. Oftewel, voor de indianen is overgebleven hetgeen de Europeanen niet nodig hadden.
Van de oorspronkelijke samenlevingen van de indianen in Noord-Amerika is in het geheel niets meer over. en het is dan ook heel moeilijk om nu nog te achterhalen wat precies de culturen, tradities en gebruiken waren van de volkeren die zo genadeloos werden behandeld door hun gasten uit Europa. Van de meeste stammen is de geschiedvertellingen gebaseerd op overgeleverde tradities. En bij de massale slachtingen op deze volkeren die plaats gevonden hebben kan het niet anders zijn of een belangrijk deel van deze geschiedvertellingen is daarmee verloren gegaan. Hoe intrigerend ze dan ook mogen zijn, de ware oorsprong en betekenis van legendes van de indianen – zoals die van de Cherokee indianen die spreken over wijze mannen met baarden en tulbanden die vanuit het oosten waren gekomen om hen hun de religie van de Ene Barmhartige God te brengen, een legende die men ook in de Maya cultuur aantreft – zal daarom meest waarschijnlijk wel nooit meer achterhaald worden.
[1] David Stannard, “American Holocaust”, Oxford University Press,1992
[2] Russel Means: “Where White Men Fear to Tread”, St. Martin’s Press, 1995
[3] Financial Times, “Queen and clergy to attend last rites of Mohegan”, 11 november 2006, www.ft.com/cms/s/3cccc7f2-712a-11db-8e0b-0000779e2340.html
[4] Brent Kennedy, “The Melungeons: The resurrection of a Proud People”, Mercer University Press, 1994

