Is de theorie van het sociaal contract hetzelfde als de bay‘a (eed van trouw) die de islam heeft voorgeschreven voor de aanstelling van een heerser?
Veel intellectuelen hebben overdreven door de theorie van het sociaal contract van Jean-Jacques Rousseau en andere Europese verlichtingsfilosofen te vergelijken met de bay‘a (eed van trouw) die in de islam is voorgeschreven. Deze theorie bij Rousseau en soortgelijke denkers draait in de eerste plaats niet om de manier waarop een heerser aan de macht komt, hoewel zij dit onderwerp in sommige van hun ideeën wel hebben aangestipt.
Het kernidee van de sociaalcontracttheorie is dat mensen overeenkomen over een gemeenschappelijke manier van leven, waarbij de leden van de samenleving afstand doen van een deel van hun persoonlijke vrijheden om zich te schikken naar collectieve gebruiken. Vervolgens verplichten ze de heerser die zij aanstellen om zich te houden aan deze overeengekomen levenswijze en aan de wetten en regels die zij vaststellen.
Alles dus — de grondwet, de wetten, de regelgeving — is onderworpen aan dit contract. Hieruit is later de term democratie voortgekomen om hetzelfde idee te beschrijven, aangezien die term ten tijde van Rousseau en andere verlichtingsfilosofen nog niet gangbaar was. Het begrip werd later ontleend aan de oude Griekse geschiedenis en populair gemaakt om de gedachte uit te drukken dat het volk het recht heeft om wetten vast te stellen, de heerser te kiezen en hem vervolgens ter verantwoording te roepen.
Daarom is het niet genoeg om enkel te wijzen op de gelijkenis dat het volk de heerser kiest, om te zeggen dat het in de islam bestaat, of dat de islam Rousseau en de Europeanen eeuwenlang is voorgegaan in het vestigen van wat men de theorie van het sociaal contract noemt. Sterker nog, deze theorie heeft niets met de islam te maken. Ze komt er niet mee overeen en verschilt er fundamenteel van.
Terwijl de theorie van het sociaalcontract stelt dat de samenleving onderling overeenstemming bereikt over een bepaalde levenswijze en over wetten die zij zelf opstelt — en dat zij de heerser verplicht die wetten uit te voeren — kent de islam niet het volk, noch de heerser, het recht toe om zelf wetten te kiezen. Iedereen is zonder uitzondering gebonden aan de islamitische wet (sjari’a).
Zoals de verheven Allah zegt:
(وَمَا كَانَ لِمُؤۡمِنٖ وَلَا مُؤۡمِنَةٍ إِذَا قَضَى ٱللَّهُ وَرَسُولُهُۥٓ أَمۡرًا أَن يَكُونَ لَهُمُ ٱلۡخِيَرَةُ مِنۡ أَمۡرِهِمۡۗ وَمَن يَعۡصِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ فَقَدۡ ضَلَّ ضَلَٰلٗا مُّبِينٗا٣٦)
“Het past een gelovige man of vrouw niet, wanneer Allah en Zijn Boodschapper een zaak hebben beslist, daar nog een eigen keuze in te hebben. En wie Allah en Zijn Boodschapper ongehoorzaam is, die is duidelijk afgedwaald.” (Soera Al-Ahzab, vers 36)
Daarmee bestaat er in de islamitische staat geen wetgevende macht die de heerser en de staat aan door mensen gemaakte wetten kan binden.
Het enige vrijwillige contract tussen de heerser en de onderdanen is dat van het kiezen en aanstellen van deze heerser; beide partijen zijn vervolgens verplicht de islamitische wet uit te voeren.
De oemma heeft niet het recht om te eisen dat de wetten of systemen van de islam worden vervangen door andere, en de heerser heeft evenmin het recht om toe te geven aan de wens van het volk om andere wetgeving te kiezen, of zelf niet-islamitische regels toe te passen.
Kortom: de bay‘ah die de islam voorschrijft is niet hetzelfde als de theorie van het sociaalcontract, niet die van Jean-Jacques Rousseau en ook niet van anderen.

