Nadat Palestina onder Khalifa ‘Oemar bin Al Chattab in 638 naar christelijke jaartelling geopend werd voor Islam bleef het gebied bijna 1300 jaren continu onder het bestuur van de Islamitische Staat Al Khalifa. Al deze tijd leefden in het gebied moslims en christenen tezamen onder de systemen van Islam.
Met de oprichting van de joods-zionistische beweging in Europa in de 19e eeuw door Theodoor Herzl begonnen joden op kleine schaal te emigreren uit Europa naar hun “Beloofde Land” Palestina. De joods-zionistische beweging was eerder een nationalistische dan een religieuze beweging die streefde naar de vestiging van een joodse etnische staat in de wereld, een thuisland voor het joodse ras. de rechtvaardiging hiervoor baseerde zij desalniettemin op de joodse religie. Omstreeks het eind van de 19e eeuw telde Palestina ten gevolge hiervan omstreeks 20,000 joden op een totale bevolking van 700,000 mensen.
In 1917 ondertekende Brits minister van buitenlandse zaken Lord Balfour een brief gericht aan een van de leiders van de zionisten, Lord Rothschild, waarin de Britse overheid zich committeerde aan de vestiging van de te vormen joods-zionistische staat in Palestina. Dit was een poging van de Britten om de zionisten voor zich te winnen in de strijd tegen de Khilafa. Het resultaat van deze stap was dat de kleine groep zionisten die zich tijdens de Eerste Wereldoorlog reeds in Palestina bevond zich daar ontwikkelden tot een “vijfde colonne”. Zij kozen de zijde kozen van een buitenlandse macht in diens een oorlog tegen de heersers over het gebied waar zij verbleven.
Met het einde van de Eerste Wereldoorlog, die werd verloren door de Islamitische Staat, kwam als gevolg van de overeenkomst van Sykes-Picot Palestina onder Brits mandaat. De invloed van de zionisten in Palestina nam hiermee toe, al waren zij slechts met weinigen en een absolute minderheid in het gebied. De emigratie van joden uit Europa naar Palestina bleef in eerste instantie echter van verwaarloosbare omvang. Dit veranderde pas met de vervolging van de joden in Europa aan de hand van Nazi Duitsland. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog gaf Groot-Brittannië haar mandaat in Palestina op ten gunste van de zionisten, zogezegd als repatriëring voor de schade geleden onder Nazi’s. Zo werd in Palestina, waarvan op dat moment nog altijd 92% van het land bevolkt werd door enkel moslims, in 1948 de joods-zionistische staat “Israël” gesticht.
Een eerste (Groot-Brittannië) gaf daarmee aan een tweede (de zionisten), vanwege de misdaden van een derde (de Nazi’s), het land van een vierde (de moslims).
De oorsprong van de Palestijnse Kwestie
“Joodse nederzettingen zijn gebouwd op de plaats van wat eerst nederzettingen van Arabieren waren. Jullie kennen de namen van deze nederzettingen van de Arabieren niet eens meer. Ik neem het jullie niet kwalijk omdat de aardrijkskunde boeken (die deze namen nog vermelden, red.) niet meer bestaan. Niet alleen bestaan deze boeken niet meer, de nederzettingen van de Arabieren bestaan ook gewoon niet meer. Ieder van de nederzettingen gebouwd in dit land heeft eerst een Arabische bevolking gekend.” – Moshe Dajan, Israëlisch generaal in een interview met de krant Ha’aretz, 4 april 1969
Dat de joodse staat in 1948 gezien de demografische omstandigheden – met 92% van het land gedomineerd door moslims – simpelweg niet zou kunnen bestaan was een besef dat leefde onder de leiders van de zionistische beweging. Dit besef luidde in wat men in de zionistische bezettingsstaat vandaag de dag haar “bevrijdingsoorlog” noemt. De vooraanstaande geschiedkundige en onderdaan van de zionistische staat Bennie Morris heeft onderzoek verricht naar deze bevrijdingsoorlog.
In een interview gegeven aan de Israëlische krant Ha’aretz [1] antwoordde hij op de vraag hoeveel gevallen van verkrachting aan de hand van Israëli’s plaats vonden in 1948, het jaar van de “bevrijdingsoorlog”: “Ongeveer een dozijn. In Acre hebben vier soldaten een meisje verkracht, en haar en haar vader vermoordt. In Jaffa verkrachtten soldaten van de Kiryati Brigade een meisje en vier anderen geprobeerd te verkrachtten. In Hunin, in de Galilee, zijn twee meisjes verkracht en vermoordt geworden. Er waren een of twee gevallen van verkrachting in Tantura, ten zuiden van Haifa. Er was een geval van verkrachting in Qula, in het centrum van het land. In het dorp Abu Shusha, nabij de Kibbutz Gezer (in het gebied van Ramle) waren vier vrouwen gevangen, een waarvan een aantal keren verkracht is. En er waren meer voorvallen. Over het algemeen was er meer dan een soldaat bij betrokken. En over het algemeen waren er twee of meer Palestijnse meisjes bij betrokken. In een groot deel van de gevallen eindigde het voorval met moord. Omdat noch de slachtoffers, noch de verkrachters gewoonlijk de voorvallen meldden, moeten we er vanuit gaan dat het dozijn gerapporteerde gevallen van verkrachting, welke ik gevonden heb, niet het hele verhaal zijn. Zij zijn slecht het topje van de ijsberg.” En in antwoord op de vraag voor hoeveel massamoorden de Israëli’s verantwoordelijk zijn geweest in 1948: “Vierentwintig. In sommige gevallen werden vier of vijf mensen geëxecuteerd, in anderen waren de getallen 70, 80, 100. Er werd ook veel willekeurig gemoord. Twee oude mannen werden gezien wandelend in een veld – ze werden neergeschoten. Een vrouw werd gevonden in een verlaten dorp – ze werd neergeschoten. Er zijn gevallen zoals het dorp Dawayima (in het gebied rondom Hebron) waarin een colonne het dorp al schietend binnenreed en alles doodde dat bewoog. De ergste gevallen waren Saliha (70 – 80 gedood), Deir Yassin (100 – 110 gedood), Lod (250 gedood), Dawayima (honderden gedood) en misschien Abu Shusha (70 gedood). Er is geen onomstotelijk bewijs voor een grootschalige slachting in Tantura, maar oorlogsmisdaden zijn daar zeker gepleegd. In Jaffa vond een slachting plaats waarover tot nu toe niets bekend was. Hetzelfde geldt voor Arab al Muwassi, in het noorden. Bijna de helft van de gevallen van massamoord waren onderdeel van Operatie Hiram (in het noorden van Palestina in 1948): in Safsaf, Saliha, Jish, Eilaboun, Arab al Muwasin, Deir al Asad, Majdal Krum, Sasa. Tijdens Operatie Hiram was er een ongebruikelijk groot aantal voorvallen van executie tegen een muur of naast een greppel, op een ordelijke en georganiseerde manier.” Hierop concludeerde Morris: “Dat kan geen toeval zijn geweest. Het is een patroon. Blijkbaar hebben verscheidene officieren die deelnamen aan de operatie gedacht dan hun opdracht tot verdrijving hen toestond deze daden te verrichten, om de bevolking te motiveren de vluchten. Het is een feit dat niemand bestraft is voor deze moorden. Ben-Gurion (toenmalig Minister-president van Israël, red.) zweeg de zaak dood. Hij verborg de feiten voor de officieren die de slachtingen verrichten.”
Volgens Morris diende de Israëlische bevrijdingsoorlog dus een geheel ander doel dan wat men zou verwachten van een oorlog met een dergelijke naam: “Een van de onthullingen in mijn nieuwe boek is dat op 31 oktober 1948 de aanvoerder van het Noordelijk Front, Moshe Carmel, een order in schrift aan zijn eenheden uitvaardigde om de verwijdering van de Arabieren te bespoedigen. Carmel ondernam deze stap direct na bezoek van Ben-Gurion aan het Noordelijk Hoofdkwartier in Nazareth. Er bestaat bij mij geen twijfel dat dit order afkomstig was van Ben-Gurion. Net zoals het order tot verdrijving voor de stad Lod, ondertekend door Yitzhak Rabin, uitgevaardigd werd onmiddellijk na Ben-Gurion’s bezoek aan het hoofdkwartier van operatie Dani (juli 1948).” En: “Van 1948 af aan stond Ben-Gurion de boodschap van verplaatsing voor. Er bestaat hiervan geen expliciet order in schrift, er is geen geordend alomvattend beleid, maar er bestaat een sfeer van (volks)verplaatsing. Het idee van verplaatsing vult de atmosfeer. Het gehele leiderschap begrijpt dat dit het idee is. Het officiers korps begrijpt wat van hen verwacht wordt. Onder Ben-Gurion wordt een consensus over verplaatsing gecreëerd.” Op de vraag of hij David Ben-Gurion als transferist zag, iemand die geloofde dat al de niet-joden uit Palestina verdreven dienden te worden, antwoordde Morris: “Natuurlijk was Ben-Gurion een transferist. Hij begreep dat er geen Joodse Staat zou kunnen bestaan met een grote en vijandige Arabische minderheid in haar midden. Er zou geen dergelijke staat zijn. Het zou niet bestaan kunnen hebben.”
De Palestijnse Kwestie volgens de zionisten
“Ik erken niets genaamd Internationale Principes. Ik zweer dat ik ieder Palestijns kind geboren in dit gebied zal verbranden. De vrouw en kind van Palestijnse afkomst zijn gevaarlijker dan de man, omdat het bestaan van het Palestijnse kind inhoudt dat het voor generaties zal bestaan; de man betekent slechts een beperkt gevaar. Ik zweer dat indien ik een Israëlische burger zou zijn die een Palestijns kind tegen kwam, ik het zou verbranden en doen laten lijden alvorens het te doden. Met een slag heb ik 750 Palestijnen gedood (in Rafah in 1956, red.). Ik moedig mijn soldaten aan de Arabische vrouwen en meisjes te verkrachten, want iedere Palestijnse vrouw is een slaaf voor de jood; en wij doen met haar wat wij willen, en niemand zal ons zeggen wat te doen, want wij zeggen anderen wat te doen.” -Ariel Sharon, in een interview met generaal Ouze Merham, 1956
Bennie Morris staat bekend als fervent zionist. Met zijn kennis van de realiteit van Israël’s bevrijdingsoorlog, is hem tevens gevraagd naar zijn houding tegenover deze oorlogen de handelingen van Ben-Gurion hierin: “Ben-Gurion had gelijk. Had hij niet gedaan wat heeft hij gedaan, dan was de staat nooit realiteit geworden. Dit moet duidelijk zijn. Het valt niet te ontwijken. Zonder ontworteling van de Palestijnen zou een joodse staat hier nooit zijn verschenen. Er bestaat geen rechtvaardiging voor verkrachting. Er zijn geen rechtvaardigingen voor massamoord. Maar, in sommige gevallen is uitzetting geen oorlogsmisdaad. Naar mijn mening zijn de uitzettingen van 1948 geen oorlogsmisdaden geweest. Men kan geen omelet maken zonder eieren te breken. Men moet zijn handen vuil maken.” En wanneer gevraagd naar zijn mening over de bevelhebbers tijdens Operatie Dani, waarvan bekend is dat zij de colonne van 50,000 mensen verdreven uit Lod aanschouwden die oostwaarts liepen naar de vluchtelingenkampen, stelt Morris: “Ik begrijp hen zeker. Ik begrijp hun motieven. Ik denk niet dat zij steken van hun geweten gevoeld hebben, en in hun plaats zou ook ik geen steken van mijn geweten gevoeld hebben. Zonder deze handeling zouden we nooit de oorlog gewonnen hebben en zou de staat nooit tot stand gekomen zijn.”
Volgens Morris is de Palestijnse Kwestie dus de aanwezigheid van Palestijnen in het land dat de joods-zionistische beweging zich als thuisland heeft toegeëigend. Morris stelt: “Aangezien hij (Ben-Gurion, red.) reeds met verdrijving bezig was, had hij misschien het werk af moeten maken. Ik weet dat dit de Arabieren en de liberalen en de politiek correct types zal verbazen. Maar naar mijn gevoel zou deze plaats rustiger zijn geweest en minder kwellingen kennen was de zaak voor eens en voor altijd afgedaan geweest, indien Ben-Gurion een grote verdrijving uitgevoerd had en het hele lang geschoond had – het hele Land van Israël, tot zover als de rivier van Jordanië. Het zou zo kunnen zijn dat uiteindelijk dit een fout zal blijken te zijn geweest. Had hij een gehele verdrijving uitgevoerd – eerder dan een gedeeltelijke – dan had hij de staat Israël gestabiliseerd voor generaties te komen.”
De realiteit van de Palestijnse Kwestie
“Israël heeft een techniek voor het onteigenen van de eigendommen van haar niet-joodse inwoners. Het roept een gebied uit tot militair gebied, als gevolg waarvan voor veiligheidsredenen al de mensen moeten vertrekken. Het zijn wel nooit Israëlische gebieden waar dit plaats vind, het is altijd Palestijns land. Nadat het gebied is uitgeroepen tot bufferzone voor veiligheid, bouwt men er joodse nederzettingen. Zo worden de Palestijnen hun gebieden afgepakt.” – Noam Chomsky, in een interview met het magazine Safundi uit Zuid-Afrika, 10 mei 2004
De Palestijnse Kwestie is derhalve het resultaat van het feit dat in een gebied twee groepen wonen, een nieuw en een oud, beiden waarvan van mening zijn dat het land hun toebehoort. Naar objectieve maatstaven is het een groot onrecht dat het Palestijnse volk is aangedaa: verdrijving van hun geboortegrond, van het land dat sinds eeuwen door hun bewoond werd, door een groep buitenstaanders. Het is een feit wiens bestaan door Morris, gezien zijn uitspraken, ook niet ontkend wordt. Wanneer men derhalve tot de essentie van de Palestijnse Kwestie probeert te geraken, ze is het resultaat van het feit dat de zionisten van mening zijn dat zij het recht hebben anderen onrecht aan te doen. Of, zoals Morris het verwoord: “Er zijn omstandigheden waaronder etnisch zuiveren gerechtvaardigd is. Ik weet dat deze term zuiver negatief klinkt gezien de loop van de 20ste eeuw, maar als de keus is tussen etnisch zuiveren en genocide – de vernietiging van je volk – dan prefereer ik etnisch zuiveren.” En: “Wij zijn de ware slachtoffers in de geschiedenis, en wij zijn ook het grotere mogelijke slachtoffer van de toekomst. Iedereen zal zich realiseren dat wij de ware slachtoffers zijn.”
Slotwoord
“Als ik een leider van de Arabieren was geweest, dan zou ik nooit een overeenkomst met Israël ondertekend hebben. Dat is toch normaal, we hebben hun land gestolen. Er is antisemitisme geweest, Nazisme en Auswitz, maar was dat hun schuld? Zij zien slechts een enkel iets; wij zijn gekomen en hebben hun land gestolen. Waarom zouden ze zoiets accepteren?” – David Ben-Gurion, in “The Israëli Paradox”
“Was ik een Palestijn, dan was ik lid geworden van een verzetsgroep.” Ehud Barak, in Ha’aretz, 3 juni 1998
De zionist Morris is niet van mening dat het Palestijnse volk rechtvaardig wordt behandeld. Hij onderschrijft dat de vestiging van de zionistische bezettingsstaat voor deze mensen een vreselijke situatie heeft doen ontstaan. Maar de rechtvaardiging hiervoor zoekt hij enerzijds in het idee dat het lijden van het joodse volk historisch gezien altijd groter is geweest dan het lijden van welk ander volk dan ook. Omdat het joodse volk heeft geleden heeft zij volgen Morris het recht verworven om anderen onrecht aan te doen.
In het aanzicht van een dergelijke redenatie dienen discussies omtrent de Palestijnse Kwestie zich niet toe te spitsen op de vraag of het joodse volk nu met uitsterven bedreigd werd of niet, zoals Morris onterecht ter rechtvaardiging van de vestiging van de staat Israël aanhaalt. Zeker het joodse volk is onrecht aangedaan, maar in Europa door de Europeanen en niet in Palestina door de Palestijnen. Ook de vraag of de Palestijnen nu onrecht aangedaan wordt door de Israëli’s, of de Israëli’s door de Palestijnen is hier feitelijk niet van belang. Het zijn de Palestijnen ten slotte, zo accepteert ook Morris, die met geweld verdreven zijn geworden van hun geboortegrond. Zelfs de vraag of Palestijns verzet nu gerechtvaardigd is of niet, is niet van belang – het blijft immers altijd een reactie op willekeurig geweld in dienst van een verdrijving van een volk, en is daarmee objectief gezien ten alle tijde gerechtvaardigd.
De essentiële vraag betreffende de Palestijnse Kwestie is of onrecht aangedaan het aandoen van onrecht rechtvaardigt. Om precies te zijn, betreffende de Palestijnse Kwestie is de vraag of onrecht aangedaan het aandoen van onrecht tegen een derde rechtvaardigt, omdat dit idee het fundament vormt onder de joods-zionistische staat tezamen met wie de Palestijnse Kwestie is geboren.
[1] www.haaretz.com/hasen/objects/pages/PrintArticleEn.jhtml?itemNo=380986

