Er gaat haast geen dag voorbij of termen als ‘dhimmitude’ worden gebezigd om aan te tonen dat niet-moslims hun leven niet zeker zijn onder een Islamitisch stelsel. Uiteraard spelen de huidige ontwikkelingen in de Levant (o.a. de onrechtmatige toeëigening van een kalifaat door ISIS) een belangrijke rol om deze haatpropaganda verder aan te dikken. Bovendien speelt de afwezigheid van de alomvattende implementatie van Islam een cruciale rol hierbij, waardoor men een vertekend beeld krijgt van de werkelijke visie van Islam jegens niet-moslims binnen het domein van Islam. Dit artikel is geenszins een alomvattende uiteenzetting van de Islamitische visie op niet-moslims binnen de Khilafah, maar een introductie tot het onderwerp en een antwoord op de onjuiste beeldvorming.

Al-Tabaraani heeft op het gezag van Ibn Abbaas overgeleverd datde Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Eerst zal er Profeetschap en barmhartigheid zijn en daarna Khilafah en barmhartigheid”. Allah (swt) heeft gezegd: “En wij hebben u (Mohammed) slechts als genade voor de werelden gezonden”. De nobele metgezel Ibn Abbas zei hierover: “Dit is algemeen geldend, zowel voor degene die gelooft als degene die niet gelooft”.

De aanwezigheid van niet-moslims binnen het domein van Islam (Dar oel Islam) is een onvermijdelijk en natuurlijk proces, omdat het in overeenstemming is met de wetten van Allah inzake Zijn schepping. Deze wordt gekenmerkt door volkerendiversiteit en de aanwezigheid van verschillende religies. Bovendien behoort het tot de wetgeving van Allah dat het verboden is om mensen het recht op het belijden van hun religie te ontnemen. Allah (swt) zegt in de Koran:

وَلَوْ شَاءَ رَبُّكَ لَآَمَنَ مَنْ فِي الْأَرْضِ كُلُّهُمْ جَمِيعًا أَفَأَنْتَ تُكْرِهُ النَّاسَ حَتَّى يَكُونُوا مُؤْمِنِينَ

‘’En indien uw Heer had gewild, zouden allen die op aarde zijn, zeker tezamen hebben geloofd. Wilt gij de mensen dan dwingen, gelovigen te worden ?’’  (VBK, soera Joenoes: vers 99)

لَا إِكْرَاهَ فِي الدِّينِ

‘’Er is geen dwang in de godsdienst.” (VBK, soera al-Baqara: vers 256).

Het is de Khilafah verboden om onderscheid te maken tussen haar burgers, op basis van ras, credo, huidskleur enz. De wet en- regelgeving is van toepassing op eenieder, ongeacht of men moslim of geen moslim is, tenzij het wetten betreft waarbij het omarmen van Islam een voorwaarde is, zoals het verrichten van het gebed. Van een niet-moslim eisen dat hij deze handelingen verricht zou een vorm van dwang zijn die in tegenstrijd is met het vers: ‘’er is geen dwang in religie’’.

Categorieën van niet-moslims in de Khilafah

Er zijn vier hoofdcategorieën van niet-moslims binnen de Khilafah:

1. Moe’aahid
2. Must’amin
3. Ambassadeurs, diplomaten, afgevaardigden
4. Dhimmi

De geleerden van Islam zijn het over het algemeen met elkaar eens dat binnen de Islamitische Staat twee categorieën van niet-moslims bestaan. Dit is enerzijds de groep van niet-moslims die tijdelijk verblijven in de staat, reizigers, handelslieden of vluchtelingen; en anderzijds diegenen die vrijwillig onderdaan zijn van de Islamitische Staat. In het jargon van Islam worden degenen die slechts tijdelijk in de Khilafah verblijven moest’aminoen genoemd of moe’ahidoen. Wie naar de Islamitische Staat komt om daar tijdelijk te verblijven, zoals boodschappers, handelslieden, bezoekers of studenten; ofwel om Islam te leren kennen, ofwel om een specifiek (ander) doel te realiseren, deze is een moest’amin (de beschermde).

Moe’ahidoen: het meervoud van moe’ahid, zijn degenen die behoren tot het volk van Hoedna (het volk van het verbond), de mensen van de staten met wie de Islamitische Staat een verbond heeft gesloten. Het is hen toegestaan tijdelijk in de Islamitische Staat te verblijven, of onbeperkt in tijden van vrede. Degenen van de niet-moslims in de Islamitische Staat, die vrijwillig voor onbepaalde tijd in de Islamitische Staat verblijven, worden dhimmi genoemd.

Ambassadeurs, diplomaten, afgevaardigden genieten diplomatieke onschendbaarheid en de wet- en regelgeving van Islam is niet op hen van toepassing (zoals dat wel geldt voor de dhimmi’s).

Contract

De Islamitische Staat is een staat die de wetten van Islam ten uitvoer brengt, naar buiten toe uitdraagt, de belangen van haar onderdanen behartigt en beschermt tegen externe vijanden. Tevens zijn de moslims op grond van hun overtuiging en religie verplicht om Islam ten uitvoer te brengen en zich te onderwerpen aan diens regelgeving. Allah (swt) zegt in Soera al-Ahzaab:

وَمَا كَانَ لِمُؤْمِنٍ وَلَا مُؤْمِنَةٍ إِذَا قَضَى اللَّهُ وَرَسُولُهُ أَمْرًا أَنْ يَكُونَ لَهُمُ الْخِيَرَةُ مِنْ أَمْرِهِمْ

‘’En het betaamt de gelovige man of vrouw niet, wanneer Allah en Zijn boodschapper over een zaak hebben beslist, dat er voor hen een keuze zou zijn in die zaak.’’ (VBK, soera al-Ahzaab: vers 36)

Dientengevolge behoeft de moslim die in het bezit is van het staatsburgerschap geen verdere authentificatie om te kunnen genieten van de rechten van het staatsburgerschap en om zich te conformeren aan haar voorwaarden. Zijn religie is namelijk in beginsel al een plechtig verbond.

Echter, wat betreft de niet-moslim die het staatsburgerschap wenst te verkrijgen in de Islamitische Staat; hij gelooft niet in Islam, noch in haar oordelen, en hij is op grond van zijn religie niet verplicht om de moslimlanden en Dar oel Islam te verdedigen. Om ervoor te zorgen dat hij zijn verplichtingen jegens de staat nakomt en vice versa wordt er een overeenkomst gesloten. De rechtsvorm om dit te verwezenlijken is de ‘aqd (een contract). Zodoende heeft Islam rekening gehouden met de aanwezigheid van niet-moslims in Dar oel Islam, ongeacht of hun aanwezigheid tijdelijk van aard is of permanent. De ‘aqd (het contract) is een overeenkomst tussen twee partijen (aanbod en acceptatie tussen twee partijen) waarbij beide partijen gebonden zijn aan de rechten en plichten die de overeenkomst met zich meebrengt. Allah (swt) zegt in Soera al-Taubah:

وَإِنْ أَحَدٌ مِّنَ الْمُشْرِكِينَ اسْتَجَارَكَ فَأَجِرْهُ حَتَّى يَسْمَعَ كَلاَمَ اللّهِ ثُمَّ أَبْلِغْهُ مَأْمَنَهُ ذَلِكَ بِأَنَّهُمْ قَوْمٌ لاَّ يَعْلَمُونَ

‘’En als één der afgodendienaren u om bescherming vraagt, schenk hem dan bescherming dat hij het woord van Allah moge horen; voer hem dan naar de plaats, waar hij veilig is. Dit is omdat zij een volk zijn dat niet weet.’’ (VBK, soera al-Tauba: vers 6)

Dit toont aan dat wanneer iemand van onder Ahl oel harb (de mensen van oorlog) zijn toevlucht bij je zoekt tegen strijd en doodslag, opdat hij het woord van Allah moge aanhoren, je hem bescherming dient te schenken; oftewel voer hem naar een plaats waar hij veilig is (en ga een convenant aan). ‘Al Djiwaar’ impliceert dat je de veiligheid van een persoon waarborgt, een convenant aangaat en garant voor hem staat. En dat is wat de term ‘aqd (contract) omvat.

De term Dhimmi beledigend?

‘Al-Jarjaaniy’ zegt in ‘At-Ta’riefaat’ (definities): ‘Al-‘Ahd is het behoud (hifdh) van een zaak en als het wordt gebruikt in de context van een contract, dient het contract nagekomen te worden’.

En in ‘Al-Mukhtaar As-Sihhaah’: ‘Adh-Dhimaam (meervoud van Dhimmah) staat voor hetgeen onschendbaar is en de mensen (Ahl) van Dhimmah zijn de mensen van de Aqd (contract).’ Abu ‘Ubaid heeft gezegd: ‘De Dhimmah staat voor veiligheid.’

Bij het afsluiten van het contract van dhimma welke wordt afgesloten tussen de niet-moslim en de Islamitische Staat, wordt de niet-moslim staatsburger van de Islamitische Staat en vanaf dat moment valt hij als volwaardig staatsburger onder haar hoede en dient zijn veiligheid te worden gewaarborgd. Daar staat tegenover dat hij zich dient te onderwerpen aan de wetten van Islam en in ruil voor bescherming en veiligheid een deel van zijn welvaart uit dient te geven. Op hem rust daarentegen niet de verplichting van Djihad.

Het was een alom bekende opvatting onder de Islamitische juristen en hun geleerden (van de niet-moslims) dat het een verplichting was, Ahloe Dhimma goed te behandelen en het contract met hen op de beste manier na te leven, met inachtneming van hun religieuze bepalingen.

Dit is de realiteit van het contract van Dhimma. Het is een contract inzake staatsburgerschap, bescherming en veiligheid. Degenen die dit dit contract aangaan worden in de Islamitische traditie Ahloe Dhimma genoemd. Dit contract is de meest rechtvaardige juridische formule die de mensheid ooit heeft gekend, in het reguleren van de relatie tussen de staat en nieuwkomers. In deze staat bevinden zich personen die verlangen naar een (permanent) verblijf en het verkrijgen van staatsburgerschap. Het is verbazingwekkend dat men ondanks dit gegeven sommige moslimintellectuelen en veel niet-moslims treft die een aversie tonen jegens de term Ahloe Dhimma, ondanks de positieve en ethische connotaties die duiden op een convenant tussen twee partijen, het waarborgen van veiligheid en de verantwoordelijkheid van de Islamitische Staat om de belangen van de Dhimmi te behartigen en zijn veiligheid te waarborgen. Islam kent dus niet zoiets als een ‘minderheden’ waarbij een deel van de samenleving wordt geneutraliseerd. Alle inwoners worden als gelijken behandeld en behandeld in hun capaciteit als volwaardige burgers, niet als minderheid (aan het begin van de verspreiding van Islam was zelfs in sommige moslimlanden de meerderheid geen moslim).

Al-Boechaari heeft overgeleverd op gezag van Abdoellah ibn Amroe dat de Profeet (saw) heeft gezegd:

‘Degene die een moe’aahid doodt, zal de geur van het Paradijs niet ruiken, al is haar geur te ruiken van een afstand van 40 (reis) jaren.’

Moeslim heeft overgeleverd op gezag van ‘Oerwa bin Al- Zoebeir dat Hisjaam bin Hakiem een man trof (de gouverneur in Homs) die enkele van de Anbaat (inwoners van het gebied rondom Asj-Sjaam) gevangen had genomen met betrekking tot het geven van de Djizya. Hij zei: Wat is dit? Ik heb de Boodschapper van Allah (saw) horen zeggen:

‘Allah zal de personen bestraffen die de mensen in het wereldse leven martelen.’

En Aboe Joesoef heeft in Al-Kharaadj , in het hoofdstuk: de brief van de Profeet (saw) aan de mensen van Nadjraan gezegd:

”Volledige bescherming is toegekend door Allah en Zijn Profeet Mohammed (saw) aan de christelijke bewoners van Nadjraan, m.b.t. hun leven, land, natie, eigendommen en bezittingen. Zelfs aan degenen die onder hun verantwoordelijk vallen (o.a. familie) die woonachtig zijn in omliggende dorpen of buiten de landsgrenzen.Zo ook priesters, monniken, kerken en al hetgeen zij bezitten of het nu groot of klein is, zal niet worden afgenomen. Zij zullen niet onderworpen worden aan een hardvochtige bejegening, noch hoeven zij in militaire dienst.Ook zullen hun geestelijken niet worden gedwongen om afstand te doen van hun religieuze opvattingen.”

Dit is slechts een fractie van bronteksten die spreken over de rechten van Ahloe Dhimmah in de Islamitische Staat. Uit deze teksten kunnen we opmaken dat er veel nadruk wordt gelegd op het goed bejegenen van Ahloe Dhimma en hen voorzien van hetgeen de Goddelijke oordelen hebben verordend.

Hoe ging de Khilafah om met Ahloe Dhimma?

-behartigde hun belangen
-sociale interactie tussen moslims en niet-moslims (bedrijfsleven, belangrijke functies) zonder dat niet-moslims zich ondergeschikt voelden

Hetgeen er aan onrechtmatige bejegening jegens Ahloe Dhimma heeft plaatsgevonden was niet van algemene aard in de Islamitische historie. De moslims (hoodzakelijk de heersers) hebben zich bijwijlen schuldig gemaakt aan onderdrukking. Het is onmogelijk om in dit stuk een gedetailleerd overzicht te presenteren van de Islamitische historie, maar ik zal enkele citaten benoemen om de positie van moslims jegens Ahloe Dhimma, zowel in theorie als in praktijk te verduidelijken.

Moefti Al-Hindi levert over in Kanz oel ‘Oemmaal dat ‘Oemar ibn al Gattaab een brief scheef naar de gouverneur in Egypte, Amroe bin al ‘Aas waarin het volgende stond:

‘’En weet, O Amroe dat Allah je ziet en je handelingen waarneemt. En Hij (tabaaraka wa ta’aala) heeft gezegd:

وَاجْعَلْنَا لِلْمُتَّقِينَ إِمَامًا

‘’En maak ons tot voorbeeld voor de godvruchtigen.’’ (VBK, soera al-Qijaama: vers 74)

Opdat je een rolmodel zult zijn en weet dat er zich mensen van Ahloe Dhimma en het contract zich onder jou bevinden. En de Profeet (saw) heeft ons reeds op het hart gedrukt hen en de Kopten goed te behandelen. Hij (saw) heeft gezegd: ‘Wees goed voor de Kopten, zij genieten bescherming en barmhartigheid’. De moeder van Ismail (as) behoorde tot hen. En hij (saw) heeft gezegd:

‘’Voorwaar, degene die iemand van het verbond onderdrukt en belast boven zijn vermogen. Ik zal tegen hem getuigen op de Dag des Oordeels.’’

Pas op O ‘Amroe dat de Boodschapper van Allah (swt) niet tegen jou zal getuigen. Degene die hem tegenstand biedt, zal hij tegenstand bieden.

Djizya onderdrukkend?

De term djizya is afkomstig van de stam jaza, wat letterlijk ‘beloning’ betekent, ‘kwijtschelding’ en ‘vergoeding’. Haar afgeleide djizya is de som die per jaar wordt geheven van diegenen die niet Islam willen accepteren maar wel onder de bescherming van de Islamitische Staat wensen te leven. Het wordt geïnd van eenieder die de puberteit heeft bereikt van onder de mannen, vrouwen en kinderen en degenen die bijstand verdienen vrijgesteld.

In ruil hiervoor wordt zijn eer en veiligheid gewaarborgd, hoeft niet in het leger (moslim verplicht om zijn leven op te offeren zelfs voor de dhimmi).

Al Mawardi in al-Ahkaam al-Sultaniyyah:

”Het betalen van de djizya geeft de mensen van het verbond twee rechten. Ten eerste: dat ze niet worden lastiggevallen en in hun waarde worden gelaten. Ten tweede dat hun veiligheid en eer wordt gewaarborgd. Op deze wijze zullen ze zich veilig voelen in de samenleving en worden ze beschermd tegen externe bedreigingen.

Toen de moslims in de tijd van Aboe Ubaydah hoorden dat de Romeinen Syrië zouden heroveren gaven de moslims de djizyah terug en zeiden ze: ‘’We hebben jullie geld teruggeven omdat we hebben vernomen dat de vijanden hun troepen hebben verzameld. Volgens het contract dat wij met jullie hebben afgesloten staat vermeld dat wij verplicht zijn jullie te beschermen. En omdat we niet in staat zijn hieraan te voldoen geven wij de geldsom terug. We zullen ons houden aan de voorwaarden die we hebben opgesteld wanneer we de vijand verslaan’’. (Aboe Joesoef in al-Garaadj).

En Aboe Joesoef heeft overgeleverd in al-Garaadj op gezag van Aboe Bakr, die zei: ”Oemar passeerde langs de deur van een groep mensen en onder hen bevond zich een bedelaar. Het was een oude en blinde man. ‘Oemar pakte zijn hand vast en vroeg: Tot welke van de mensen van het Boek behoor jij? Hij zei: ik ben joods. ‘Oemar vroeg: wat heeft je ertoe aangezet om te gaan bedelen? De man zei: Ik bedel om zodoende de djizyah te kunnen betalen en in mijn behoeften kan voorzien gezien ik een oude man ben. Hierop nam Oemar de man bij de hand en nam hem mee naar zijn huis, waarop hij hem voorzag van wat geld en andere benodigdheden. Daarna verwees Oemar hem naar de staatskas (bayt oel maal) en drukte de schatbewaarder op het hart de man en personen in een soortgelijke situatie goed te behandelen. Oemar voegde daaraan toe deze man onrecht was aangedaan gezien de Djizyah van hem werd genomen toen hij jong was en toen hij de ouderdom had bereikt verwaarloosd is.”

Fouten?

Gezien de Khilafah gerund werd door mensen, werd er fouten gemaakt en vonden er excessen plaats. Natuurlijkerwijs zijn er misstanden geweest in het ten uitvoer brengen van de Islamitische wetgeving en het onderdrukken van Ahloe Dhimma. Nochtans hebben de moslims en met name de geleerden getracht om deze uitdagingen het hoofd te bieden door terug te keren en de eer te herstellen. Voorbeelden hiervan:

Het is overgeleverd in de Moesnad van Imam Ahmad op gezag van Ibn Hizaam dat hij een groep van Ahloe Dhimma passeerde die in de hete zon van de Levant (As-Sjaam) waren gezet. Hij vroeg toen: wie zijn dit? Er werd tegen hem gezegd: Zij dienen nog een deel van de garaadj te betalen. Vervolgens zei hij: ‘ik getuig dat ik de Boodschapper van Allah (saw) heb horen zeggen:

‘Voorwaar, Allah zal op de Dag des Oordeels degenen bestraffen die de mensen martelen.’

Vervolgens werden zij (Ahloe Dhimma) vrijgelaten.

Voor wat betreft het onrecht dat de mensen van het Boek is aangedaan. Dit is niet voorgeschreven door Islam. Allah en Zijn Boodschapper zijn hiervan gevrijwaard. Daarenboven waren dit slechts zeldzame gevallen gedurende de Islamitische geschiedenis, die zich uitstrekt over ongeveer dertien eeuwen. Zowel in het verleden als in het heden zijn er veel prominente niet-moslims geweest die melding hebben gemaakt van de tolerante houding van Islam en de Islamitische Staat jegens niet-moslims.

De Britse historicus Thomas Arnold stelt in zijn boek ‘De oproep tot Islam’ het volgende:

‘’De moslims hebben zich vanaf de eerste eeuw van de Hidjrah enorm tolerant opgesteld ten opzichte van de christenen en deze tolerantie was in de daaropvolgende eeuwen nog zichtbaar. We kunnen met zekerheid zeggen dat de christelijke stammen die Islam hebben omarmd, dit uit eigen vrije wil hebben gedaan. En de Arabische christenen die zich tot op heden begeven onder de moslims (in de moslimlanden) vormen het bewijs van de (eeuwenlange) tolerantie.’’

Daarnaast zei hij:

‘’We hebben nog nooit gehoord van een uitgekiend plan om de niet-moslim minderheden te dwingen Islam te omarmen of een vorm van georganiseerde vervolging met als doel om het christendom uit te roeien. Als een van de Kaliefen een van deze beleidsmaatregelen zou hebben doorgevoerd, zouden zij met speels gemak het christendom hebben overrompeld, op dezelfde wijze waarop Ferdinand en Isabella Islam uit Spanje hebben verdreven of zoals Louis XIV de aanhangers van het protestantisme in Frankrijk criminaliseerde en het adopteren van protestantisme als strafbaar feit beschouwde. Of zoals de Joden 350 jaar lang verbannen werden uit Engeland.’’

Als we alle getuigenissen van historici betreffende de rechtvaardigheid van de moslims op een rijtje zouden zetten, zouden we een hele waslijst kunnen samenstellen. Echter volstaan de reeds genoemde voorbeelden.

Wanneer we de rechtvaardige behandeling van de moslims ten aanzien van de niet-moslims (onder een Islamitisch stelsel) vergelijken met de bejegening van moslims (tot op heden) zien we een wereld van verschil. Buitenproportioneel gedrag gedurende de Kruistochten waarbij moslims in koelen bloede werden gedood, onteerd en verdreven. En hetgeen plaatsvond gedurende de Tataarse invasies in de moslimwereld, de Inquisitie in Andalusië waarbij moslims en joden gedwongen werden het christendom te adopteren.

Daarenboven is de situatie er niet beter op geworden met de moderne kruistochten van de laatste eeuwen, geleid door westerse koloniale machten die hebben huisgehouden in de Arabische en- Islamitische landen. In Algerije, Libië, Egypte en hetgeen Rusland en China hebben gedaan met de Moslims, de Serven in Bosnië (Srebrenica), de VS in Irak en Afghanistan en de zionistische entiteit tegen het Palestijnse volk en de omringende landen. Ik sluit af met de woorden van Gustave Le Bon, die in zijn boek ‘De Arabische beschaving’ zei:

‘’Macht was niet de drijvende factor bij de verspreiding van Islam. De waarheid is dat naties geen ‘veroveraars’ kenden die zo genadevol en tolerant waren als de Arabieren (lees: moslims, in deze context)‘’.

Comments

comments

DELEN