In Frankrijk is  het debat rond de vrije meningsuiting opnieuw op gang gebracht. De aanleiding hiervoor was een opgenomen video van een 16-jarige leerlinge waarin ze de islam schoffeerde, waarop ze vervolgens bedreigingen ontving. In een interview op televisie enkele dagen later benadrukte ze geen spijt te hebben van haar woorden, maar wil ze zich ‘een beetje’ verontschuldigingen tegenover moslims die zich beledigd voelen. Ondertussen pleiten opiniemakers, zowel in Frankrijk als in België (o.a. Wouter De Vriendt), er opnieuw voor om de zogeheten vrije meningsuiting onvoorwaardelijk te verdedigen. Religie zou aldus ook het mikpunt van beledigingen mogen zijn.

Commentaar

Vijf jaar geleden, na de Charlie Hebdo gebeurtenissen, werd het debat rond de vrije meningsuiting een tijdlang zeer intensief gevoerd. En reeds enkele jaren daarvoor kwam dit periodiek eveneens aan bod, onder meer na de spotprenten in Denemarken (2005) en de haatvideo van Geert Wilders (2008) in Nederland. Na meer dan een decennium en ettelijke debatten hierover ten spijt, blijkt het exclusieve recht van haatboodschappen en schofferingen jegens de islam en moslims gewoon in stand te blijven. Dit terwijl het Westen zich presenteert als een tolerante, multiculturele beschaving met respect voor levensbeschouwelijke diversiteit.

Hoe valt een dergelijke omschrijving echter te rijmen met een morele goedkeuring om een bepaalde religieuze gemeenschap zodanig hatelijk te schofferen? Hoe kan een samenleving zich überhaupt ‘beschaafd’ noemen wanneer laaghartige provocaties worden toegestaan die mensen tot in het diepst van hun eer krenken en kwetsen? En hoe kan het zijn dat een relatief onwetende 16-jarig meisje zich hiertoe heeft verlaagd?

Het Westen heeft in de voorbije 20 jaar met haar ideologische en politieke propagandabeleid jegens de islam, een duidelijke voedingsbodem gecreëerd om de islam –en moslimhaat onrechtmatig te legitimeren. Oorspronkelijk was de westerse vrije meningsuiting nochtans het gevolg van een eeuwenlange politieke tirannie en had dit als doel de realisatie van politieke inspraak en de mogelijkheid tot het leveren van (constructieve) maatschappelijke kritiek. Hedendaags is dit echter verworden tot een instrument dat politieke tirannie toelaat waartegen het Westen nota bene zelf streed. Immers, wanneer het schofferen van een bepaalde bevolkingsgroep wordt toegestaan vanuit overheidswege, dan is dit niets minder dan politieke tirannie. Al helemaal wanneer er dubbele maatstaven en restricties gelden waardoor dat zogenaamde recht op beledigen niet eens absoluut geldend is.

Bijgevolg is het ook absurd, irrationeel en inconsequent om te verwachten dat een dergelijk beleid een harmonieus samenlevingsmodel zal bevorderen. Wanneer een zogenaamd recht tot het beledigen en kwetsen van mensen is toegelaten, dan is het onlogisch om er vanuit te gaan dat de beledigden zich hier maar overheen zullen zetten en zich een gewaardeerd onderdeel van de samenleving zullen voelen. Een beschaving die werkelijk staat voor een harmonieuze co-existentie, zal veeleer alle verschillende bevolkingsgroepen gelijkwaardig respecteren en geen (haat)propaganda voeren. Zodoende zouden er dan ook geen gevallen zijn van onwetende tienerjongeren die haatboodschappen de wereld insturen, die hiermee uiteindelijk slechts het voorbeeld van hun politieke leiders volgen. Een voorbeeld dat in volledig contrast staat met het intellectueel islamitisch leiderschap, wat dergelijke praktijken nimmer zou veroorzaken en eenieders respect volledig zou waarborgen.

Comments

comments

DELEN