Een oud probleem van kapitalisme

Een oud probleem van kapitalisme In 1953 publiceerde Taqioeddien an Nabhani zijn boek “Het economisch systeem van Islam”. Hierin presenteerde hij niet alleen de fundamenten onder de Islamitische ordening van het economisch leven van de mens, maar bekritiseerde hij tevens de economische systemen van kapitalisme en communisme. Betreffende het kapitalisme is één van zijn kernpunten van kritiek de verdeling van rijkdom. In het kapitalistische economisch systeem wordt in principe enkel naar de hoeveelheid productie gekeken en niet naar de verdeling hiervan. An Nabhani zegt: “Het kapitalistisch economisch systeem heeft één doelstelling en deze is om de rijkdom van de samenleving als geheel te vergroten, en het werkt [daarom] om de hoogst mogelijke productie te realiseren. (…) De economie bestaat dus niet om de behoefte van de individuen te bevredigen en om deze bevrediging mogelijke te maken voor alle individuen in de samenleving (…) maar het concentreert zich op het bevredigen van de behoeften van de samenleving [als geheel] door de productie te vergroten.” Volgens An Nabhani is deze concentratie op productie in de samenleving als geheel onjuist omdat dit ertoe zal leiden dat individuen in de samenleving onbevredigd zullen blijven, zelfs wanneer de middelen beschikbaar zijn om de behoeften van allen in de samenleving te bevredigen. Het economisch systeem moet zich zorgen maken over de behoeften van de individuen in de samenleving, ervoor zorgen dat de fundamentele behoeften van alle individuen bevredigd worden, zo zegt An Nabhani. Het economisch systeem mag niet enkel kijken naar het maximaliseren van productie om daarna de verdeling van deze productie te negeren. [1]

De traditionele kapitalistische visie op ongelijkheid

Dit punt van kritiek op het kapitalistische economisch systeem, dat het geen aandacht heeft voor de verdeling van de rijkdom, is lange tijd weggehoond door de kapitalistische economen. In 1980 schreef Irving Kristol, één van de leidende kapitalistische intellectuelen tijdens de tweede helft van de 21ste eeuw, een essay voor het Amerikaanse Nationaal Bureau voor Economisch Onderzoek (National Bureau for Economic Research) getiteld “Enkele Persoonlijke Overdenkingen betreffende Economisch Welzijn en Inkomensverdeling (Some Personal Reflections on Economic Well-Being and Income Distribution)” waarin hij het sentiment onder beleidsmakers betreffende ongelijkheid op dat moment als volgt verwoorde: “Wat is het nut van al deze studies [naar ongelijkheid] en de onophoudelijke stroom aan controverses die zij genereren? Als men deze kwestie bespreekt met economen, dan ontdekt men dat zij van mening zijn dat, op een of andere manier, inkomensongelijkheid een belangrijke band zou moeten hebben met andere belangrijke kwesties zoals economische groei, economische stabiliteit of instabiliteit, sociale en historische stabiliteit of instabiliteit, of zelfs het gevoel van welzijn dat we op zo vage wijze verwoorden met termen als ‘geluk’ en ‘tevredenheid’. Edoch, het is opmerkelijk hoe weinig aan zulke relaties gevonden is door economisch en sociaal onderzoek. Toenames en afnames in ongelijkheden, zoals gewoonlijk gemeten, lijken een willekeurige relatie te onderhouden met zowel sociale onrust als met sociale stabiliteit, met zowel economische neergang als met economische groei, met zowel politieke orde als politieke chaos, met zowel een toename aan individuele en sociale ziektes (oftewel zelfmoord, alcoholisme, drugsverslaving, misdaad) als met een afname. Men krijgt de indruk dat ongelijkheid een belangrijk onderwerp is voor sociale wetenschapper van vandaag de dag alhoewel dit belang niet door empirisch onderzoek geverifieerd is.” [2]

De ongelijkheid in de wereld anno 2015

Terwijl de kapitalisten zich dus niet interesseerden in ongelijkheid is deze sterk toegenomen. Onderzoek gedaan door de econoom Max Roser van het Instituut voor Nieuwe Economische Ideeën laat zien dat juist in de meest pure kapitalistische landen, de Angelsaksische landen Amerika, Groot-Brittannië, Canada, Australië en Ierland, de ongelijkheid sterk gestegen is de voorbije jaren. Tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog nam de ongelijkheid af in deze landen. Maar vanaf 1980 is de ongelijkheid daar zo sterk gestegen dat deze in 2010 bijna weer terug was op het niveau van de Victoriaanse tijd, zoals beschreven in de boeken van Charles Dickens. [3]

Bron: Max Rosen

Onderzoek van de Zwitserse investeringsbank Credit Suisse heeft aangetoond dat anno 2015 de miljonairs van de wereld, 0.7% van de wereldbevolking, bijna de helft van alle rijkdom bezitten – 45% om precies te zijn. De iets grotere groep rijken op aarde, dit zijn degenen die meer dan 100.000 dollar bezitten, oftewel 7.3% van de wereldbevolking, bezitten zelfs 85% procent van alle rijkdom. Ten gevolge hiervan moeten de middenklasse, die 21.0% van de wereldbevolking uitmaakt, en de armen, die 71.0% van de wereldbevolking uitmaken, het met 12.5% respectievelijk 3.0% van de rijkdom doen. [4]

Bron: Credit Suisse

Wereldbevolkingsaandeel (boven) en welvaartsaandeel (beneden) per bevolkingsgroep. Onderaan het aandeel van de armen. Daarboven het aandeel van de middenklasse. Daar weer boven het aandeel van de rijken exclusief de miljonairs. Helemaal bovenaan het aandeel van de miljonairs.

De grafiek links laat zien dat de armen en de middenklasse verreweg het grootste deel van de wereldbevolking uitmaken. De miljonairs bovenaan de grafiek zijn zo weinig dat ze bijna niet zichtbaar zijn. De grafiek rechts laat zien dat de miljonairs en de overige rijken verreweg het grootste deel van de welvaart in bezit hebben. In dit geval is het aandeel van de armen onderaan op de grafiek zo klein dat deze bijna niet zichtbaar is.

De moderne kapitalistische visie betreffende ongelijkheid: Van “geen probleem” naar “groot probleem”

Terwijl ongelijkheid dus toegenomen is, is er een beter begrip ontstaan van de relatie tussen kapitalisme en ongelijkheid enerzijds en de invloed die ongelijkheid heeft op een economie anderzijds.

Betreffende de relatie tussen kapitalisme en ongelijkheid heeft onderzoek van de Franse econoom Thomas Pikketty aangetoond dat de waargenomen toename van ongelijkheid in de kapitalistische wereld niet toevallig is. Voor zijn boek “Kapitaal in de Éénentwintigste Eeuw (Capital in de Twenty-First Century)” analyseerde Pikketty ongelijkheidsdata betreffende twintig landen, van over heel de wereld, teruggaand tot in de 18e eeuw. De conclusie die Pikketty hieruit trok was dat kapitalisme altijd neigt naar voortdurend groeiende ongelijkheid, en dat er geen krachten zijn die duwen in de richting van grotere gelijkheid. De periodes van afnemende ongelijkheid die kapitalisme heeft gekend zijn volgens Pikketty allemaal uitzondering op deze regel en hebben te maken met de vernietiging die oorlog tot stand brengt. [5]

Voor wat betreft de invloed van ongelijkheid op een economie, in 2015 publiceerde het IMF een rapport onder de titel “Oorzaken en Gevolgen van Inkomensongelijkheid: Een Wereldwijde Blik (Causes and Consequences of Income Inequality: A Global Perspective)” waarin het zei: “Onze analyse geeft aan dat de verdeling van inkomen van belang is voor groei. Om precies te zijn, als het inkomensaandeel van de top 20 procent (de rijken) toeneemt, dan neemt de groei van de economie af over de middellange termijn, wat erop lijkt te wijzen dat de voordelen [van economische groei] niet omlaag druppelen [naar de armen]. Hiertegenover wordt een toename van het inkomensaandeel van de onderste 20 procent (de armen) geassocieerd met hogere economische groei.” [6] Met andere woorden, het is nu duidelijk dat ongelijkheid als een rem op economische groei werkt. En des te groter de ongelijkheid, des te harder deze rem ingedrukt wordt.

Dit alles heeft ertoe geleid dat het onderwerp ongelijkheid uit het kapitalistische verdomhoekje is gehaald, want de kapitalisten hebben zich gerealiseerd dat ongelijkheid slecht is en dat het kapitalistische economisch systeem ongelijkheid erger maakt. Dientengevolge houden nu niet enkel kapitalistische economen zich bezig met het ongelijkheidsvraagstuk. De Council on Foreign Relations, de belangrijkste politieke denktank in Amerika, heeft de eerste uitgave van haar Foreign Affairs magazine in 2016 volledig gewijd aan ongelijkheid. In zijn redactioneel voor deze uitgave legde Gideon Rose, de chef-redacteur, uit waarom precies: “Het oude gezegde van de kikkers en kokend water is natuurlijk niet waar: wanneer de tempreratuur stijgt zullen zij uit de ketel springen als ze kunnen. Het democratische publiek, dat alsmeer meer druk voelt, zal zich meest waarschijnlijk niet anders gedragen.” [7] Oftewel, de beleidsmakers in de kapitalistische landen hebben zich gerealiseerd dat als er niets aan het probleem van toenemende ongelijkheid gedaan wordt, dat dan mogelijk de publieke opinie zich tegen het kapitalisme zal keren en de mensen op zoek zullen gaan naar een andere, alternatieve ideologie.

Anna 2016 is ongelijkheid dus zowel één van de voornaamste economische en politieke problemen voor beleidsmakers. Precies zoals Taqiuddien An Nabhani 60 jaar geleden al concludeerde. Maar, hebben de kapitalisten een oplossing? Voor een antwoord op deze vraag moet onderzocht worden wat precies in kapitalisme zorgt voor alsmaar groeiende ongelijkheid.

De oorsprong van het ongelijkheid-probleem van kapitalisme

Joseph Stiglitz, winnaar van de Nobelprijs voor economie in 2001, heeft onderzoek gedaan naar waarom kapitalisme zorgt voor toename van ongelijkheid. Zijn conclusie is dat de oorsprong van het probleem niet ligt in het economisch systeem van kapitalisme maar in diens politieke systeem, de democratie. In zijn boek “De Prijs van Ongelijkheid: Hoe de Huidige Verdeelde Samenleving Onze Toekomst Bedreigd (The Price of Inequality: How Today›s Divided Society Endangers Our Future)” haalt hij verschillende voorbeelden aan die bewijzen hoe de rijke elite in Amerika het politieke proces domineert. Stiglitz bespreekt het belastingsysteem dat toestaat dat rijken een lager belastingpercentage betalen over hun inkomen dan niet-rijken. Hij bespreekt de staatssteun voor de Amerikaanse banken die tijdens de Grote Financiële Crisis van 2008 schadeloos werden gesteld door de Amerikaanse regering. En ook de impliciete subsidies voor de Amerikaansea farmaceutische bedrijven, omdat zij van de Amerikaanse regering de prijs krijgen die zij vragen voor hun medicijnen daar de Amerikaanse regering zelf een wet heeft aangenomen die het haar verbiedt om te onderhandelen over de prijs die ze betaalt voor medicijnen (ze moet simpelweg de prijs betalen die de farmaceutische bedrijven vragen). Dergelijk staatsbeleid is duidelijk niet in het belang van gans de Amerikaanse bevolking, zegt Stiglitz, enkel in het belang van de rijke elite. Dat dergelijk beleid gevoerd wordt is derhalve een bewijs dat de belangen van de rijke elite het Amerikaanse staatsbeleid controleren. De Amerikaanse regering doet wat de rijken willen en dan is het niet verwonderlijk dat de rijken alsmaar rijken worden ten koste van alle anderen in de samenleving, zo concludeert hij. [8]

De professoren Martin Gilens van de Princeton Universiteit en Benjamin Page van de Northwestern University hebben op gestructureerde wijze Stiglitz’s aanklacht tegen democratie onderzocht. Zij hebben naar 1.779 Amerikaanse beleidsinitiatieven uit de periode 1981 – 2002 gekeken en dezen vergeleken met de voorkeuren van de “gemiddelde Amerikaan” (het 50ste inkomenspercentiel), de voorkeuren van de “rijke Amerikaan” (90ste inkomenspercentiel) en de voorkeuren van de grote lobby-groeperingen in Amerika op het moment van de beleidsinitiatieven. Wat bleek was dat de “gemiddelde Amerikaan” alleen kreeg wat hij wilde als zijn voorkeur hetzelfde was als wat de “rijke Amerikaan” wilde. Als de voorkeur van de “gemiddelde Amerikaan” anders was, dan werd hij steevast genegeerd door de Amerikaanse overheid en kreeg de “rijke Amerikaan” zijn zin. [9]

De democratie is dus inderdaad, zoals Stiglitz zegt, niet het systeem van “one person, one vote”, maar het systeem van “one dollar, one vote” waar de rijken hun rijkdom kunnen gebruiken om altijd hun zin te krijgen en alsmaar meer van de rijkdom te vergaren.

Kan kapitalisme haar ongelijkheid-probleem oplossen?

De door kapitalistische economen meest besproken oplossing voor het probleem is herverdeling, oftewel hogere belastingen heffen op de rijken en dit geld dan verdelen onder de overige mensen in de samenleving. Dit is eigenlijk opmerkelijk. De focus op corrigeren, niet op voorkomen, geeft namelijk aan dat de kapitalisten niet weten hoe ze de neiging van hun systeem naar ongelijkheid moeten bestrijden.

Volgens Thomas Pikketty zou een belasting op kapitaal een goede bron van inkomsten zijn om de herverdeling te bekostigen. [10]

De Britse econoom Andy Atkinson stelt in zijn boek “Ongelijkheid: Wat Kan Gedaan Worden? (Inequality: What Can Be Done?)” voor om ook de belasting op huizen te verhogen, door duurdere huizen een hoger percentage te laten betalen; om de belasting op erfenissen te verhogen door grotere erfenissen een hoger percentage te laten betalen; en om de inkomstenbelasting terug progressief te maken door hogere inkomsten een hoger percentage te laten betalen. Dit geld zou dan ondermeer gebruikt moeten worden om iedereen een minimum-inkomen te garanderen zodat de armen direct de beschikking zouden krijgen over een groter deel van de rijkdom, zegt Atkinson verder [11].

Aan het plan tot herverdeling kleeft zowel een economisch als een politiek probleem, echter.
Het economisch probleem is dat de kapitalistische economische theorie die zegt dat belastingen de markt verstoren. Belastingen verhullen de “echte” kostprijs van goederen waardoor het prijsmechanisme in de war wordt geschopt, zo zegt de standaard economische theorie van kapitalisme. En belastingen, vooral progressieve belastingen, ontnemen mensen de motivatie om hard te werken en ondernemer te worden. Herverdeling zal ten gevolge van invloeden zoals dezen leiden tot lagere economische groei, zo is tot dusver altijd de consensus geweest onder kapitalistische economen. Er zijn wel onderzoeken gedaan die hebben geleid tot conclusies die ingaan tegen deze algemeen geaccepteerde wijsheid, zoals het onderzoek “Herverdeling, ongelijkheid en duurzame groei: Een heroverweging van het bewijs (Redistribution, inequality, and sustainable growth: Reconsidering the evidence” door economen van het IMF [12], maar het zal niet eenvoudig zijn om het primaire heilige huisje “minder overheidsbemoeienis is altijd beter” van de kapitalistische economie omver geworpen te krijgen.

Het politieke probleem voor het plan van herverdeling is nog groter, echter. De analyse zegt dat de oorsprong van het ongelijkheid-probleem de controle van de rijke elite over de democratie is. Zij hebben hun controle over de politiek gebruikt om de samenleving te ordenen op de manier die in hun voordeel is, waardoor een alsmaar groter deel van de rijkdom in bezit komt. Het plan van herverdeling zal echter door de politiek goedgekeurd en ten uitvoer gebracht moeten worden. Dit betekent effectief dat de rijke elite akkoord moeten gaan met het herverdelingsplan. En hoe realistisch is het om te verwachten dat de rijke elite, na decennia lang gewerkt te hebben om een groter deel van de rijkdom te kunnen vergaren, nu plotseling het tegenovergestelde hiervan zal steunen?

[1] “The economic system of Islam”, Taqiuddeen An Nabhani, http://www.hizb-ut-tahrir.org/PDF/EN/en_books_pdf/09_The_Economic_System_in_Islam_17.06_.2013_.pdf

De twee andere kernpunten van An Nabhani’s kritiek zijn:

Ten eerste, de vermenging in kapitalistische economie van het economisch systeem met economische wetenschap. Het economisch systeem gaat over hoe de mens bezit tot stand mag brengen, hoe hij zijn bezit mag gebruiken en hoe hij hiervan afstand mag doen. Dit zijn ideologische vraagstukken, gebonden aan de fundamentele visie op het leven die men hanteert. Economische wetenschap, daarentegen, gaat over productie, efficiëntie, innovatie. Zoals alle wetenschappen gaat ook economische wetenschap dus niet over goed en kwaad of beter en slechter, maar over meer en minder, sneller en langzamer, enzovoorts. In het kapitalisme, echter, is “goed” gedefinieerd als “meer” en “slecht” als “minder” – effectief een vermenging van “systeem” en “wetenschap”. Onjuist, want twee verschillende onderwerpen behoren niet als één en dezelfde behandeld te worden.

Ten tweede, de vermenging in kapitalistische economie van de concepten “waarde” en “prijs”. De waarde van een goed of dienst is de mate waarin het een menselijke behoefte kan bevredigen. Bijvoorbeeld de waarde van water heeft te maken met de mate waarin het de dorst kan lessen. Dit is onafhankelijk van het aanbod van of de vraag naar water. Het is afhankelijk van de intrinsieke eigenschappen van water. De prijs van water, daarentegen, is volledig afhankelijk van vraag en aanbod. Deze gaat omhoog wanneer er schaarste is en omlaag wanneer er overvloed is, alhoewel de intrinsieke eigenschappen van het water in beide situaties identiek hetzelfde zijn. Daarom is het onjuist om de prijs van een goed of dienst te gebruiken om de waarde ervan uit te drukken, zoals het kapitalisme doet.

[2] “Some Personal Reflections on Economic Well-Being and Income Distribution”, Irving Kristol, gepubliceerd als “Why inequality doesn’t matter” in Foreign Policy magazine, https://www.foreignaffairs.com/why-inequality-doesnt-matter

[3] “Income Inequality”, Max Rosen, http://ourworldindata.org/data/growth-and-distribution-of-prosperity/income-inequality/

[4] “Global Wealth Report 2015”, Credit Suisse, https://www.credit-suisse.com/je/en/about-us/research/research-institute/global-wealth-report.html

[5] “Capital in de Twenty-First Century”, Thomas Pikketty, http://www.hup.harvard.edu/catalog.php?isbn=9780674430006

[6] “Causes and Consequences of Income Inequality: A Global Perspective”, IMF, https://www.imf.org/external/pubs/ft/sdn/2015/sdn1513.pdf

[7] “Inequality”, Gideon Rose, Foreign Affairs Magazine, Januari & Februari 2016, https://www.foreignaffairs.com/articles/world/2015-12-08/inequality

[8] “The Price of Inequality: How Today›s Divided Society Endangers Our Future”, Joseph Stiglitz, http://books.wwnorton.com/books/the-price-of-inequality/

[9] “Testing Theories of American Politics: Elites, Interest Groups, and Average Citizens”, Martin Gilens and Benjamin Page, www.princeton.edu/~mgilens/Gilens%20homepage%20materials/Gilens%20and%20Page/Gilens%20and%20Page%202014-Testing%20Theories%203-7-14.pdf

[10] Ibidem noot 5

[11] “Inequality: What Can Be Done?”, Andy Atkinson, http://www.hup.harvard.edu/catalog.php?isbn=9780674504769

[12] “Redistribution, inequality, and sustainable growth: Reconsidering the evidence”, Andrew Berg, Jonathan Ostry en Charalambos Tsangarides, http://www.voxeu.org/article/redistribution-inequality-and-sustainable-growth

Comments

comments

DELEN