Rente is de vergoeding die men betaalt voor het lenen van geld. Door rente betaalt de schuldenaar meer geld terug aan de schuldeiser dan hij oorspronkelijk geleend heeft. Rente is dus “geld in ruil voor meer geld”. Uitgestelde of gespreide betaling tegen een hogere prijs, waarbij die hogere prijs middels een percentage berekend wordt, wordt weliswaar vaak rente genoemd maar dit is niet werkelijk rente. Het is namelijk niet “geld in ruil voor geld”. Dit percentage is namelijk onderdeel van transacties van het type “goederen in ruil voor geld” of “diensten in ruil voor geld”. En het percentage dat dan rente genoemd wordt is in werkelijkheid slechts een manier om de prijs voor het goed of de dienst te bepalen rekening houdend met de overeenkomst van uitgestelde of gespreide betaling. [1]

De echte rente van “geld in ruil voor meer geld” is een pilaar van de kapitalistische economie. Feitelijk niets in de kapitalistische economie gebeurd namelijk zonder rente. Het geld dat gebruikt wordt in het kapitalistische economisch systeem komt bijvoorbeeld tot stand door middel van een rentedragende lening bij de bank. Wanneer een bank geld leent bij de Centrale Bank of wanneer iemand geld leent bij een bank dan wordt het geld uit het niets gecreëerd. Het wordt gedrukt op metaal of papier of electronisch bijgeschreven op een rekening. Dit betekent dat iedere handelstransactie in de kapitalistische economie die gebruik maakt van geld op zijn minst op indirecte manier gebruik maakt van rente. Maar heel veel van de handelstransacties in de kapitalistische economie maken ook op directe manier gebruik van rente. Zo goed als alle bedrijven gebruiken rentedragende schuld om hun activiteiten te financieren, zelfs de meest succesvolle en winstgevende ondernemingen van de meest rijke personen. En heel veel van de consumptie van mensen, zoals huizen en auto’s, wordt gefinancierd door rentedragende schuld. Rente is daarom big business in de kapitalistische economie waaraan honderden miljarden dollars en euro’s verdiend worden ieder jaar.

Dit alles geeft aan dat in de kapitalistische samenlevingen het principe van rente algemeen geaccepteerd is. Zozeer dat zelfs de enkele overgebleven individuen die niets met rente te maken willen hebben zich aan de betaling en ontvangst van rente niet meer kunnen onttrekken. [2]

De geschiedenis van rente

De denkers onder de oude grieken waren felle tegenstanders van de praktijk van rente. Volgens Aristoteles (384 – 322 voor begin van de christelijke jaartelling) was rente onnatuurlijk: “De meest hatelijke manier (van geld verdienen, vert.), en met de beste reden, is rente, dat een winst haalt uit het geld zelf en niet uit het natuurlijke gebruik ervan. Want geld is bedoeld om gebruikt te worden in ruil, niet om het toe te laten nemen door rente. En deze term rente, wat betekent ‘de geboorte van geld uit geld’, wordt toegepast op het broeden van geld want het nageslacht is zoals de ouders. Van al de manieren waarop geld verdiend kan worden is deze de meest onnatuurlijke”.[3] Aristoteles’ eerste argument voor zijn stelling dat rente onnatuurlijk is, is zijn opmerking dat het bezit aan geld anders is dan het bezit aan bijvoorbeeld vee of landbouwgrond. Het vee plant zichzelf voort en normaal gesproken groeit het bezit aan vee dus over tijd, zo merkte hij op. Landbouwgrond brengt gewassen voort en ook door het bezit aan landbouwgrond groeit het totale bezit dus ieder jaar. Geld, daarentegen, zo stelde Aristoteles, brengt uit zichzelf niets voort. Geld is “onvruchtbaar”, zei hij. Want met geld wordt vee of landbouwgrond gekocht om het bezit te laten groeien. Omdat geld in zichzelf dus niets voortbrengt achtte Aristoteles het onnatuurlijk om een vergoeding te vragen wanneer men geld uitleent. Omdat het uitgeleende in zichzelf niets voortbrengt waaruit de vergoeding betaalt zou kunnen worden. Het tweede argument van Aristoteles was dat geld zoals eten is en niet zoals de potten en pannen die gebruikt worden om het eten mee klaar te maken. De potten en pannen die gebruikt worden om het eten mee klaar te maken blijven bestaan na de bereiding van de maaltijd. Zij kunnen meerdere malen voor dit werk gebruikt worden. Daarom kan men potten en pannen verhuren, oftewel uitlenen voor gebruik aan anderen in ruil voor een vergoeding. Het eten, daarentegen, kan maar eenmaal gebruikt worden. Als het gegeten is, is het weg. Daarom kan eten niet verhuurd worden want anderen kunnen het eten niet gebruiken en hierna weer teruggeven. Geld is net zoals eten, zei Aristoteles. Geld is namelijk ook weg als je het eenmaal gebruikt hebt om iets mee te kopen of huren. Ook hierom achtte Aristoteles de praktijk van rente onnatuurlijk. Het geld is gewoon weg als het eenmaal gebruikt is, net zoals het eten weg is als het gegeten is, en daarom kan volgens Aristoteles geld niet verhuurd worden, oftewel uitgeleend worden in ruil voor een vergoeding.

Tijdens de middeleeuwen bleef rente een groot taboe in christelijke Europa omdat de christelijke openbaringsteksten rente in de scherpste bewoordingen veroordelen: “Gij zult aan uw broeder niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van enig ding, waarmede men woekert. Aan den vreemde zult gij woekeren; maar aan uw broeder zult gij niet woekeren; opdat u de Heere, uw God, zegene, in alles, waaraan gij uw hand slaat, in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.” (Deuteronomium 23: 19 – 20). Woeker en rente waren in die tijd nog synoniemen. Omdat de christelijke theologen stelden dat alle mensen broeders zijn, achtten zij op basis van dit vers rente compleet verboden. De christelijke scholastici beargumenteerden dit verbod op rente op dezelfde manier als Aristoteles. De christelijke scholastici vergeleken rente met diefstal omdat zij, in lijn met Aristoteles, geld eveneens “onvruchtbaar” achtten. Om rente te eisen bij een lening werd daarom gezien als diefstal door de schuldeiser van de schuldenaar. Ambrosius van Milaan (339 – 397 naar christelijke jaartelling) zei daarom over rente: “Als iemand rente neemt dan verricht hij een gewelddadige overval, en dan zal hij niet in leven blijven”. [4] Ambrosius van Milaan vergeleek rente dus met een roofoverval waar op dat moment de doodstraf op stond. En Thomas van Aquino (1225 – 1274 naar christelijke jaartelling) verwees terug naar Aristoteles toen hij opmerkte dat geld als ruilmiddel per definitie opgegeven moet worden voor geruik, precies zoals eten opgegeven wordt bij gebruik (na het gebruik is het weg): “Geld, volgens de filosoof (Aristoteles, vert.), is uitgevonden in hoofdzaak als ruilmiddel. En dientengevolge is het juiste en normale gebruik van geld consumptie of verwijdering, waarbij het opgegeven wordt in ruil. Het is derhalve van nature onwettelijk om betaling te nemen voor het gebruik van geleend geld”.[5]

De vroege christelijke scholastici namen echter afstand van het complete verbod op rente. Op filosofische gronden beargumenteerden zij ruimte voor bepaalde vormen van rente. Bijvoorbeeld wanneer een schuldenaar zijn verplichtingen tegenover de schuldeiser niet nakomt. In dat geval is het volgens de vroege christelijke scholastici toegestaan dat de schuldeiser een extra heffing neemt van de schuldenaar als een soort van boete. Ook zagen de vroege scholastici het als toegestaan dat de schuldeiser een extra heffing vraagt van de schuldenaar als er zich een ramp voordoet. De schuldeiser wordt door een ramp namelijk dubbel getroffen, zo zeiden de scholastici, omdat hij bij de ramp niet de beschikking heeft over zijn geld. Ten slotte zagen de scholastici het als toegestaan voor de schuldeiser om een extra heffing te vragen van de schuldenaar wanneer de schuldeiser een belangrijke investeringsmogelijkheid misloopt vanwege de leenafspraak. Al deze extra heffingen zijn feitelijk vormen van rente want zij zorgen ervoor dat de schuldeiser meer geld terugkrijgt van de schuldenaar dan oorspronkelijk uitgeleend.Maar de vroege christelijke scholastici maakten deze vormen van rente, vanwege de omstandigheden waarin zij betaald worden, toegestaan.

Latere christelijke theologen in Duitsland zoals Gabriel Biel (1420 – 1495 naar christelijke jaartelling), Konrad Summenhardt (1461 – 1511 naar christelijke jaartelling) en John Eck (1486 – 1543 naar christelijke jaartelling); en Jean Gerson (1363 – 1429 naar christelijke jaartelling) in Frankrijk, namen afstand van een belangrijk principe binnen de christelijke theologie tot dan toe waardoor zij de deur openden voor verdere acceptatie van rente. Volgens de theologen voor hen was de daad hetgeen waarnaar gekeken moet worden wanneer men zich afvraagt of iets een zonde is of niet. Volgens Biel, Summenhardt, Eck en Gerson, daarentegen, moet men kijken naar de intentie achter de daad wanneer men zich afvraagt of iets een zonde is of niet. Het gevolg van deze zienswijze van Biel, Summenhardt, Eck en Gerson was dat zij rente als toegestaan zagen wanneer er goede intenties achter de afspraak met rente schuilgingen. Dus, om geld uit te lenen met rente aan iemand omdat die hulp nodig heeft, om hem te kunnen helpen, zagen zij als toegestaan door de Bijbel en het menselijke verstand. Om geld uit te lenen met rente aan iemand die hulp nodig heeft, om misbruik te kunnen maken van zijn ellende, zagen zij als de rente verboden door de Bijbel en het menselijke verstand. Eck zette dit uiteen in zijn publicatie “Tractates contractu quinque de centum”. Hij werd geholpen om dit te publiceren door de familie Fugger, een grote bankiersfamilie in het Habsburgse Rijk die veel stond te profiteren wanneer de samenleving rente zou accepteren als toegestaan. Op hun kosten reisde Eck daarom stad en land af om overal zijn nieuwe ideeën betreffende rente te verkondigen. [6]

Door de ideeën van Biel, Summenhardt, Eck en Gerson kwam feitelijk het onderscheid tussen woeker en rente tot stand. Woeker werd rente met slechte intenties zoals uitbuiting. Rente werd rente met goede intenties zoals helpen. Steeds meer mensen begonnen daarom te argumenteren dat het christendom woeker verbood maar niet de rente. En dat het menselijke verstand de legitimiteit van woeker verwerpt maar die van rente niet. Daarmee begon de trend die een beperkte hoeveelheid rente in alle gevallen acceptabel acht omdat er altijd wel een reden gevonden kon worden om te spreken van “goede intenties”, of het mislopen van investeringsmogelijkheid, of compensatie voor ramp, of compensatie voor late betaling. Onder deze trend werd woeker “excessieve rente”.

Ten tijde van de opkomst van de Verlichting was rente daarom reeds gewoongoed geworden in de samenlevingen. Nog steeds taboe, echter, was de “woeker”. Woeker was een excessief rentepercentage en gewoonlijk werden rentepercentages van meer dan 5% als woeker beschouwd. De Verlichtingsdenkers in Europa vielen dit laatste taboe betreffende rente aan omdat het gebaseerd was op religieuze overtuigingen. Volgens het secularisme van de Verlichtingsdenkers mag God zich namelijk niet met de levens van de mensen van de mensen bemoeien en moet de mens voor zichzelf de wet bepalen. Kort samengevat, volgens de Verlichtingsdenkers zou de mens vrij moeten zijn om te doen en laten wat hij zelf wil. Op het moment dat het Verlichtingsdenken meer en meer invloedrijk werd in Europa en overal de wetboeken werden herschreven om de op christendom gebaseerde wetten te vervangen door wetten gebaseerd op het principe van persoonlijke vrijheid, probeerden de Verlichtingsdenkers een publieke opinie te creëren voor verwijdering van ieder wettelijk verbod op of beperking van rente. Dus ook verwijdering van het verbod op woeker.

Jeremy Bentham maakte duidelijk dat er vanuit het seculiere perspectief er geen redenen zijn om rente, wat voor percentage dan ook, te verbieden. Want, zo argumenteerde hij, als volwassen mensen van gezond verstand in vrijheid een afspraak maken, omdat beiden denken dat zij profijt realiseren bij deze afspraak, dan is dat hun goed recht. “Geen man, gerijpt door de jaren en met gezond verstand, die handelt in vrijheid en met zijn ogen open, zou tegengewerkt moeten worden, zogezegd ten goede van hem, bij het maken van een afspraak (met willekeurige welk rentepercentage, vert.) om geld te verkrijgen, als hij hier voordeel in ziet; evenmin, en dit is het logische gevolg, zou iemand tegengewerkt moeten bij het voorzien van hem, onder de voorwaarden waarvan hij denkt dat dezen goed zijn om mee akkoord te gaan.” [7] Op deze seculiere basis raakte rente in alle vormen algemeen aanvaard in de Europese samenlevingen.

De economische argumenten voor rente

Met rente in Europa bevrijd van het religieuze taboe werden verschillende theoriën ontwikkeld om de legitimiteit en het nut van rente te beargumenteren.

Al de theorieën die legitimiteit van rente proberen te beargumenteren gaan uit van de aanname dat geld is zoals alle andere goederen. En omdat goederen verhuurd kunnen worden in ruil voor een vergoeding wordt gezegd dat ook geld verhuurd moet kunnen worden in ruil voor een vergoeding. Deze vergoeding voor het verhuren van geld is rente. [8]

Een verder idee dat gepropageerd wordt om het idee van legitimiteit van rente met argumenten te staven is het idee van “Time Value of Money”. Dit idee zegt dat de mens meer waarde hecht aan bezit nu dan aan bezit later. Degene die geld uitleent moet daarom gecompenseerd worden voor het feit dat hij zijn bezit nu opgeeft en het pas later weer terug krijgt. Volgens het idee van “Time Value of Money” is het daarom een recht voor de schuldeiser om rente te vragen want de rente compenseert hem voor het feit dat hij zijn bezit nu opgeeft en het pas later weer terug krijgt.

Nog een argument dat gebruikt wordt ter rechtvaardiging van het idee van legitimiteit van rente is de risicofactor. Er bestaat bij leningen altijd de kans dat de schuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt. En dus dat de schuldeiser (een deel van) zijn geld niet terug krijgt van de schuldenaar. Daarom, zegt men, is de mens meer geneigt om niet uit te lenen dan om wel uit lenen. Want als hij niet uitleent loopt hij minder risico om zijn bezit krijt te raken, zo is de gedachte hierachter. Om de mens te motiveren toch wel uit te lenen, alhoewel dit dus meer risicovol is, moet hij gecompenseerd worden voor het extra risico dat hij loopt bij het uitlenen van geld. De schuldeiser moet daarom meer geld terugkrijgen dan hij uitgeleend heeft zodat hij gecompenseerd wordt voor het risico waarvan uitlenen gepaard gaat.

Voor wat betreft het nut van rente werd opgemerkt dat economische bedrijvigheid geholpen kan worden door rente. Economische bedrijvigheid is voordelig voor iedereen omdat het zorgt voor banen en dus inkomen voor de mensen. Het vertrekpunt van de redenatie die zegt dat rente nuttig is voor economische bedrijvigheid is de observatie dat er in iedere samenleving mensen zijn die meer geld hebben dan zij nodig hebben voor de realisatie van de door hen gewenste economische activiteiten zoals consumeren, handelen en investeren; en mensen die minder geld hebben dan zij nodig hebben voor de realisatie van de door hen gewenste economische activiteiten zoals consumeren, handelen en investeren. Rente kan deze beide mensen samenbrengen, zo wordt gezegd, zodat degene met te weinig geld toch de beschikking kan krijgen over hetgeen hij nodig heeft. Zo kan deze persoon consumeren wat hij nodig heeft, waardoor de economische bedrijvigheid geholpen wordt; of zo kan hij investeren waardoor de economische bedrijvigheid geholpen wordt. Want rente geeft degenen die meer geld hebben dan zij nodig hebben voor de realisatie van de door hen gewenste economische activiteiten een motief om hun overschot aan geld beschikbaar te stellen aan degenen die minder geld hebben dan zij nodig hebben voor de realisatie van de door hen gewenste economische activiteiten.

Op basis van deze ideeën wordt tegenwoordig gezegd dat rente legitiem is want het compenseert de schuldeiser voor het feit dat hij zijn geld niet zelf gebruiken kan en voor het risico dat hij loopt wanneer hij zijn geld uitleent. En op basis van deze ideeën wordt tegenwordig gezegd dat rente nuttig is want het motiveert de eigenaren van het geld om hun overschot beschikbaar te stellen aan de mensen met een tekort.

Kritiek op het idee van legitimiteit van rente

De bewering dat geld net zoals alle andere goederen is, is volstrekt incorrect. Gewone goederen hebben namelijk de capaciteit om gebruikt te worden als consumptiegoederen die de behoeftes van de mens bevredigen, of om gebruikt te worden als productiegoederen die nieuwe goederen of diensten tot stand brengen. Geld, daarentegen, kan niet geconsumeerd worden om de behoeftes van de mens te bevredigen. Evenmin kan het geld zelf gebruikt worden om goederen te produceren. Geld is een uitvinding van de mensen om ruil tussen consumptiegoederen, of tussen productiegoederen, of tussen consumptiegoederen en productiegoederen eenvoudiger te maken. Dit geeft geld unieke eigenschappen die anders zijn dan de eigenschappen van de consumptie- en productiegoederen. En daarom is het incorrect om te zeggen dat rente legitiem is omdat het verhuur van goederen legitiem is. Omdat geld niet zoals andere goederen is kunnen oordelen over andere goederen of praktijken betreffende andere goederen niet gebruikt worden om oordelen over geld of praktijken betreffende geld te rechtvaardigen.

Voor wat betreft het idee van “Time Value of Money” dat zegt dat geld nu is meer waard is dan geld later, en dat rente daarom gerechtvaardigd is omdat het de schuldeiser compenseert voor dit verschil in waarde, dit idee is incorrect omdat het de complete realiteit niet correct beschrijft. En waar het de realiteit wel correct beschrijft, daar is deze beschrijving gebonden aan een context. En het is niet correct om uit de observatie van een realiteit die gebonden is aan een context een regel te extraheren voor toepassing los van deze context.

Er kunnen in de realiteit inderdaad voorbeelden gevonden waar het vanzelfsprekend is om “nu” meer waardevol te achten dan “later”. Bijvoorbeeld, als een handelaar zijn voorraad verkoopt dan heeft hij geld nodig om zijn voorraad weer aan te kunnen vullen. In deze situatie heeft de handelaar dus een voorkeur voor directe betaling, oftewel voor geld “nu” in plaats van “later”, omdat dit hem in staat stelt zijn voorraad weer aan te vullen. Maar er kunnen in de realiteit ook voorbeelden gevonden waar “later” meer waardevol wordt geacht dan “nu”. Het simpele feit dat mensen geld opzij zetten en sparen voor “later” – en veel mensen doen dit zelfs zonder rente – geeft aan dat de mens soms “later” prefereert boven “nu”. Er kan dus niet gezegd worden dat mensen altijd “nu” prefereren boven “later” net zo min als gezegd kan worden dat mensen altijd “later” prefereren boven “nu”. De “Time Value of Money” theorie is daarom incorrect omdat deze de complete realiteit niet correct beschrijft.

Daar waar de “Time Value of Money” theorie de realiteit wel correct beschrijft, oftewel daar waar mensen wel “nu” prefereren boven “later”, daar is dit oordeel gebonden aan de context. Bijvoorbeeld in het geval van de handelaar die zijn ganse voorraad verkoopt, dat deze handelaar een voorkeur heeft voor “nu” heeft te maken met zijn specifieke situatie. Als hij veel geld verdiend zou hebben met een eerdere transactie en daardoor over veel contant geld zou beschikken zou hij mogelijk geen voorkeur voor “nu” hebben. Dan zou hij mogelijk onverschillig staan tegenover “nu” en “later” omdat hij reeds over voldoende geld beschikt om zijn lege voorraad aan te vullen. Dit toont aan dat de voorkeur van de handelaar voor “nu” of “later” gebonden is aan zijn specifieke situatie. Oftewel, het is gebonden aan de context waarin de kwestie beschouwd wordt. Een mogelijk beter voorbeeld om de context gebondenheid van het idee van “Time Value of Money” duidelijk te maken is de activiteit eten. Op het moment dat men honger heeft, heeft men een voorkeur voor eten “nu” in plaats van later “later”. Daarentegen, op het moment dat men zijn honger net gestild heeft en men verzadigd is heeft men een voorkeur voor eten “later” in plaats van “nu”. Ook dit toont aan dat de voorkeur voor “nu” of “later” gebonden is aan de context waarin de kwestie beschouwd wordt. Dit zijn voorbeelden die duidelijk maken dat de voorkeur voor “nu” boven “later”, of andersom, afhankelijk is van specifieke omstandigheden. Er bestaat dus niet een algemene regel die “nu” altijd boven of onder “later” plaatst, omdat deze bepaling afhankelijk is van de situatie. De “Time Value of Money” theorie is daarom incorrect omdat het doet alsof er wel een algemene regel is die “nu” altijd boven “later” plaatst, ongeacht de context.

Voor wat betreft de mensen die de “Time Value of Money” theorie als een waardeoordeel zien, die dus van mening zijn dat de mensen “nu” behoren te prefereren boven “later”, en die dus zeggen dat rente legitiem is omdat de mensen“nu” behoren te prefereren boven “later”, tegen hen moet het volgende gezegd worden: Wanneer u zegt dat bijvoorbeeld het eten van ijsje nu meer waard is dan het eten van een ijsje later, dan stelt u feitelijk dat de consumptie van latere generaties minder waard is dan de consumptie van de huidige generatie. Maar er bestaat geen verstandelijk argument ter rechtvaardiging van deze opvatting. Waarom zouden de belangen van de huidige generatie meer waard moeten zijn dan de belangen van de latere generaties? Uw visie is ook schadelijk voor het welzijn van de mensheid. Wanneer namelijk de huidige generatie haar belangen hoger waardeert dan de belangen van latere generaties, dan is het onvermijdelijk dat de belangen van latere generaties geschaad worden door de huidige generatie. De huidige generatie zal dan bijvoorbeeld gemotiveerd worden om de goederen die slechts in beperkte hoeveelheden beschikbaar zijn op aarde te overconsumeren omdat zij haar eigen consumptie overwaardeert en de consumptie van latere generaties onderwaardeert. Latere generaties zullen daarom met tekorten geconfronteerd worden, mogelijk ook in het bereik van zaken die van fundamenteel belang zijn voor het welzijn van de mensen zoals schoon drinkwater, bossen en fossiele energie.

Voor wat betreft het idee van rente als vergoeding voor het risico dat hoort bij uitlenen, dit idee gaat uit van een incorrect wereldbeeld. Het gaat er van uit dat de mens alles in zijn leven onder controle heeft. Dat als hij zijn geld bij zich houdt er geen risico op verlies van zijn geld is. En dat als hij zijn geld uitleent er wel risico op verlies is omdat hij dan de controle over zijn geld weggeven heeft. Dit wereldbeeld is incorrect omdat het feit is dat er veel dingen in het leven van de mens plaatsvinden die buiten de controle van de mens zijn. Ook als de mens zijn geld bij zich houdt kan hij zijn geld verliezen immers. Het kan gestolen worden, verwoest worden door brand of een natuurramp, of de bank waar het gehouden wordt kan failliet gaan. De theorie achter het idee van rente als vergoeding voor het risico dat hoort bij uitlenen is dus incorrect. Bovendien, zelfs als men zou accepteren dat uitlenen inderdaad een groter risico op verlies met zich mee brengt dan niet uitlenen, dan blijft het onmogelijk om op objectieve basis vast te stellen hoeveel precies dit verschil is. En dit maakt het idee van rente als vergoeding voor het risico dat hoort bij uitlenen praktisch waardeloos.

In toevoeging op deze verstandelijke weerleggingen van de theorieën die rente legitimiteit moeten geven is er ook nog het simpele feit dat rente big business is in de kapitalistische wereld. De genoemde theorieën beweren allemaal dat rente slechts een compensatie is voor het ongemak dat hoort bij uitlenen. Oftewel, dat door rente de mens geen voorkeur meer heeft voor niet uitlenen wanneer in vergelijking met wel uitlenen. Maar als dit inderdaad de realiteit van rente zou zijn dan zou er niet een immense industrie rondom rente zijn ontstaan. Dat rente big business is geeft aan dat rente de mensen een voorkeur geeft voor uitlenen in vergelijking met niet uitlenen. En dus dat rente in werkelijkheid niet slechts een compensatie voor tijd en risico is.

Kritiek op het idee dat rente nuttig is

Betreffende het idee dat rente nuttig is omdat het economische bedrijvigheid zou helpen, de analyse van dit idee vereist dat een aantal verschillende situaties onderscheiden worden. Allereerst, er wordt gezegd dat rente economische bedrijvigheid helpt doordat het enerzijds consumptie mogelijk maakt en anderzijds investeringen. In het geval van consumptie is de aanname dat de mensen die meer geld hebben dan zij nodig hebben voor de realisatie van de door hen gewenste economische activiteiten zoals consumeren, handelen en investeren door rente gemotiveerd worden om hun geld uit te lenen aan mensen die minder geld hebben dan zij nodig hebben voor de realisatie van de door hen gewenste consumptie. In het geval van investeren is de aanname dat de mensen die meer geld hebben dan zij nodig hebben voor de realisatie van de door hen gewenste economische activiteiten zoals consumeren, handelen en investeren door rente gemotiveerd worden om hun geld uit te lenen aan mensen die minder geld hebben dan zij nodig hebben voor de realisatie van de door hen gewenste investeringen. De validiteit van het idee dat rente nuttig is moet voor ieder van deze twee situaties apart onderzocht worden.

Voor wat betreft het idee dat rente nuttig is omdat het door de facilitering van consumptie de economische bedrijvigheid zou helpen, dit is correct wanneer men enkel kijkt naar “nu” en tegelijkertijd “later” negeert. Een rentedragen lening staat de schuldenaar namelijk in staat om “nu” meer te consumeren dan zijn bezit hem toestaat, zonder dat het de consumptie “nu” van de schuldeiser vermindert. De schuldeiser leent immers hetgeen uit dat zijn persoon behoefte aan consumptie, handel en investering te boven gaat. De totale consumptie “nu” wordt daarom vergroot door de rentedragende lening. Maar, iedere rentedragende lening heeft nog twee verdere gevolgen. Het geleende geld stelt de schuldenaar weliswaar in staat om “nu” meer consumeren dan hij effectief bezit, maar hij zal hierdoor “later” minder kunnen consumeren dan hij bezit omdat hij op dat moment het geleende geld terug zal moeten betalen. Dit tweede effect van de rentedragende lening is dus in feite een ruil tussen consumptie “nu” (hoger) en consumptie “later” (lager). Ten derde zal de schuldenaar “later” ook rente moeten betalen. Zijn consumptie “later” zal dus me een grotere hoeveelheid verminderd worden dan zijn consumptie “nu” is toegenomen. Dus als de beide periodes “nu” en “later” in ogenschouw worden genomen en niet enkel “nu” dan blijkt dat de totale consumptie van de schuldenaar afneemt ten gevolge van de rentedragende lening. Een deel van zijn bezit zal hij door de rentedragende lening moet afdragen in de vorm van rente en hij zal dit deel van zijn bezit daarom niet meer kunnen consumeren.

Men kan zeggen dat deze afname in totale consumptie van de schuldenaar wordt gecompenseerd door een toename van de totale consumptie van de schuldeiser omdat deze door de ontvangst van rente een groter bezit tot zijn beschikking heeft. In antwoord hierop moet verwezen worden naar het feit dat in de uitgangssituatie de schuldeiser reeds meer bezat dan hij wilde consumeren, verhandelen of investeren. Het is daarom meest waarschijnlijk dat de groei van het bezit van de schuldeiser ten gevolve van de rentebetaling aan hem het deel van zijn bezit dat hij niet wenst te consumeren, verhandelen of investeren zal laten goeien. Anders gezegd, het zal het niet-actieve of niet-productieve deel van zijn bezit doen laten groeien. De totale consumptie van de schuldeiser moet dus verwacht wordt niet te groeien door de groei van zijn bezit. En dit betekent dat de totaal van de consumptie in de samenleving zal afnemen door de rentedragende lening.

Men kan zeggen dat in de periode “later” de schuldeiser meer zal kunnen uitlenen omdat zijn niet actieve of productie bezit is gegroeid door de rentebetaling aan hem. Hij zal dus meer kunnen uitlenen in de periode “later” en dit zal de afname in de totale consumptie teniet doen. In antwoord hierop moet gezegd worden dat dit niets anders is dan een herhaling van zetten. Iedere rentedragende lening zal vanwege de rente actief of productief bezit nemen van de schuldenaar en overdoen aan de schuldeiser die het onderdeel laat worden van zijn niet-actieve of niet-productieve bezit. De invloed van iedere rentedragende lening op de totale consumptie is daarom hetzelfde. Het zal totale consumptie “nu” laten toenemen maar totale consumptie “later” meer laten afnemen. En dus hoe groter het aandeel door schuld gefinancierde consumptie “nu”, hoe groter de afname van de totale consumptie “later” omdat dan meer rente moet worden betaald.

Voor verdere kritiek op het idee dat rente nuttig is omdat het door de facilitering van consumptie de economische bedrijvigheid zou helpen moet gekeken worden naar het soort van consumptie dat gedaan wordt met de rentedragende lening. Men kan immers lenen met rente om primaire consumptie – oftewel de consumptie die noodzakelijk is voor het bestaan – mogelijk te maken, maar men kan ook lenen met rente om de consumptie van luxe mogelijk te maken.

Wanneer iemand geld moet lenen om primaire consumptie te kunnen realiseren dan is hem feitelijk een onrecht aangedaan. Er zijn op de aarde namelijk voldoende middelen aanwezig om de primaire consumptie van alle mensen te kunnen garanderen. Bij dit gegeven kan het niet geaccepteerd worden dat iemand niet over genoeg middelen beschikt om zijn primaire consumptie te kunnen doen. Wie dit wel accepteert zegt feitelijk dat sommige mensen geen recht op leven hebben en dit is misdadig. Derhalve, in de situatie waar er genoeg middelen beschikbaar zij voor de primaire consumptie van allen, maar een individu zijn primaire consumptie toch niet kan doen omdat hij over te weinig van de beschikbare middelen beschikt en dus moet lenen om zijn primaire consumptie te kunnen realiseren, is rente een misdaad bovenop een misdaad. De eerste misdaad die dit individu is aangedaan is dat hem zijn rechtmatige deel van de beschikbare middelen is onthouden, alhoewel er genoeg is voor iedereen krijgt hij niet wat hij nodig heeft om te overleven. De tweede misdaad die dit individu is aangedaan is dat om aan de dood te ontsnappen hem alleen de mogelijkheid wordt gegeven om een deel van zijn toekomstige consumptie op te geven. Hem wordt niet de mogelijkheid gegeven om consumptie “later” te ruilen voor consumptie “nu”. Hij moet namelijk rente betalen voor deze ruil en hij moet een deel van zijn consumptie “later” dus gewoon opgeven. Dit is profiteren van de initiële misdaad die dit individu is aangedaan. Terwijl de dood hem in de ogen staart vraagt men hem om consumptie “later” op te offeren om de ruil van consumptie “later” voor consumptie “nu” mogelijk te maken. Dit is niets anders dan uitbuiting.

Iemand die geld wil lenen om de consumptie van luxe “nu” te kunnen realiseren in plaats van “later”, en die bereid is rente hiervoor te betalen, die moet behandeld worden als een krankzinnige. Want zoals gezegd, de rentedragende lening betekent drie dingen. Ten eerste stelt het geleende geld het individu in staat om “nu” meer consumeren dan hij effectief bezit. Ten tweede betekent het dat hij “later” minder zal kunnen consumeren dan hij bezit omdat hij dan de lening terug moet betalen. Dit is in feite ruil. Ten derde betekent het dat hij “later” meer moeten opgeven dan hij “nu” krijgt omdat hij “later” naast aflossing tevens rente moet betalen. Over gans het leven genomen zal het individu dus minder kunnen consumeren wanneer hij rentedragend leent dan wanneer hij niet rentedragend leent. Bij deze wetenschap zal enkel de persoon die gelooft in het idee dat “nu” beter beter is dan “later” toch een rentedragende lening aan gaan. Hij accepteert namelijk dat hij in totaal weliswaar minder zal kunnen consumeren maar daar hij consumptie “nu” hoger waardeert dan consumptie “later” gelooft hij dat de totale waarde van zijn consumptie hoger zal zijn met een de rentedragen lening dan zonder de rentedragende lening. Maar de onjuistheid van het idee dat consumptie “nu” beter is dan consumptie “later” is reeds aangetoond. “Nu” is beter dan “later” enkel voor wat betreft de primaire consumptie, want dit is een kwestie van leven of dood. Voor luxe is er geen redelijk argument voor het idee dat “nu” beter dan “later” is, of andersom. Sterker nog, er is in het voorgaande aangetoond dat dit idee schadelijk is voor het welzijn van de mensheid. De persoon die desondanks toch luxe “nu” hoger waardeert dan “later” die moet daarom gezien en behandeld worden als de krankzinnige die niet vrijgelaten mag worden in zijn handelen omdat hij niet correct kan denken. Dus, als er iemand is die rentedragend geld wil lenen voor de consumptie van luxe “nu” in plaats van “later”, dan is dit niet een rechtvaardiging van rente. Dit is namelijk onzinnig en deze persoon moet zijn dwaling uitgelegd worden zodat hij zijn wens tot rentedragend lenen verlaat. En anders moet hij weerhouden worden van het uitvoeren van zijn onzinnige wens zoals de krankzinnige weerhouden moet worden van de dwaasheid.

Dan voor wat betreft het idee dat rente nuttig is omdat economische bedrijvigheid helpt doordat het investeringen mogelijk maakt. Zoals gezegd, de gedachtegang hierachter is dat de mensen die meer geld hebben dan zij nodig hebben voor de realisatie van de door hen gewenste economische activiteiten zoals consumeren, handelen en investeren door rente gemotiveerd worden om hun geld uit te lenen aan mensen die minder geld hebben dan zij nodig hebben voor de realisatie van de door hen gewenste investeringen. En zo zou rente ondernemen en daarmee economische groei vooruitgang mogelijk maken.

Deze redenering is correct voor wat het bespreekt. Want inderdaad, rente motiveert de mensen die meer geld hebben dan zij nodig hebben om dit uit te lenen. En zo maakt rente inderdaad ondernemen mogelijk en faciliteert het dus economische bedrijvigheid. Deze redenering moet echter ook incorrect genoemd omdat zij gebrekkig is. Want zij bespreekt enkel de invloed van rente op de schuldeiser maar niet de invloed van rente op de schuldenaar. En voor een correcte beoordeling van het nut van rente moet naar beiden gekeken worden. De vraag moet dus zijn, wat is de invloed van rente op degene die wil ondernemen maar hiervoor zelf niet voldoende geld heeft en wat is de invloed van rente op degene die niet wil consumeren of ondernemen maar hiervoor wel voldoende geld heeft?

Voor het antwoord op deze vraag moet de praktijk van financiering van een onderneming vergeleken worden met het partnerschap. Bij financiering van een onderneming neemt de ondernemer met een idee en de capaciteit en bereidheid om op basis van het idee te werken een rentedragende lening om de onderneming te kunnen beginnen. Bij partnerschap komt degene met het idee en de capaciteit en bereidheid om te werken samen met degene die geen idee of capaciteit of bereidheid om te werken heeft maar wel geld. De ondernemer levert dan het idee en de arbeid in de onderneming en de persoon met het geld levert het geld, waarna ze winst en verlies van de onderneming delen. Bij financiering wordt terugbetaling van de schuld en de betaling van de rente verwacht door de schuldeiser, of de onderneming nu succesvol uitpakt of niet. Met andere woorden, het recht van de schuldeiser wordt niet beïnvloed door het succes of de afwezigheid daarvan van de onderneming. Dit betekent voor de ondernemer dat als zijn onderneming succesvol is hij geen probleem heeft. Als zijn onderneming niet succesvol is, echter, dan verliest hij de tijd die hij heeft gewerkt voor de onderneming en hij moet het geleende geld en rente terugbetalen. Bij partnerschap delen de partners in zowel succes als mislukking van de onderneming. Oftewel, als de onderneming een succes is dan delen ze de winst. En als de onderneming dan een mislukking is dan delen ze het verlies. De ondernemer verliest dan de tijd die hij heeft gewerkt voor de onderneming maar hij hoeft het verloren gegane kapitaal in de onderneming niet terug te betalen. Dit is het verlies voor de partner die het geld inbracht in de onderneming.

De vergelijking tussen financiering en partnerschap laat zien dat het risico voor de ondernemer groter is bij financiering dan bij partnerschap en dat het risico voor degene met het geld kleiner is bij financiering dan bij partnerschap. Rente motiveert dus degene met geld te over om dit uit te lenen aan aspirant ondernemers maar het demotiveert aspirant ondernemers om hun ideeën ten uitvoer te brengen. Rente demotiveert dus de echte motor achter economische bedrijvigheid, zijde creativiteit en ondernemerschap. Partnerschap, daarentegen, demotiveert creativiteit en ondernemerschap niet. In vergelijking met haar alternatief partnerschap moet rente dus een rem op economische bedrijvigheid genoemd worden en niet een facilitator van economische bedrijvigheid.

In rente ter facilitering van economische bedrijvigheid is ook een onrecht. Wanneer het risico voor degene die geld uit kan lenen geminimaliseerd wordt ten koste van het risico voor degene die moet lenen, dan betekent dit feitelijk dat het risico voor degene die over meer geld beschikt dan hij nodig heeft geminimaliseerd wordt ten kost van het risico voor degene die over minder geld beschikt dan hij nodig heeft. Rente legt het risico dus daar waar de draagkracht voor het risico het minst is, in plaats van daar waar de draagkracht voor het risico het hoogst is.

Concluderend, er kan niet gezegd worden dat rente nuttig is ook al maakt het ondernemerschap mogelijk. Want rente maakt ondernemerschap weliswaar mogelijk maar het maakt dit ook minder interessant voor de aspirant ondernemers. Rente werpt dus effectief een blokkade op voor ondernemerschap, een feit dat bevestigd wordt door de ontwikkeling van ondernemingsvormen met beperke aansprakelijkheid voor ondernemers op de plaatsen waar rente gemeengoed is geworden. Dit is een noodverband op het probleem dat rente veroorzaakt heeft voor ondernemers. Een combinatie van een verbod op het oppotten van geld, oftewel een verplichting om geld productief te gebruiken door het te consumeren of te investeren, tezamen met de facilitatie van partnerschappen, zou ondernemerschap op een veel betere wijze mogelijk maken. Dit geeft aspirant ondernemers namelijk ook de mogelijkheid om aan geld te komen voor hun idee maar het zadelt hen niet op met alle risico’s. Het deelt de risico’s tussen de aspirant ondernemer en degene met het geld.

Kritiek op de praktijk van rente

De seculiere beschaving die de praktijk van rente gepromoot heeft is ook de beschaving die een einde heeft gemaakt aan het gebruik van edele metalen als geld. In het economisch systeem dat is geresulteerd uit de seculiere beschaving, kapitalisme, is geld gebaseerd op vertrouwen de praktijk. Dit zogenoemde “fiat geld” is geld zonder echte waarde. Het is gemaakt van in essentie waardeloos papier of metaal, maar dat toch dat gebruikt kan worden voor ruil omdat de mensen er vertrouwen in hebben dat het gebruikt kan worden voor ruil. De uitgifte van dit fiat geld is in alle kapitalistische staten bij wet geregeld. Het recht hiertoe is aan de banken gegeven en niemand anders mag geld uitbrengen. Degene die dit doet wordt vervolgd als valsmunter en in de gevangenis opgesloten. Het is ook bij wet geregeld dat niemand het fiat geld mag weigeren als betaling. Dit fiat geld komt in de praktijk tot stand door een lening aan te gaan bij de bank. De bank creëert dan het geld voor de lener. Ofwel door het te drukken bij de drukker, ofwel door het bij te schrijven of een electronische rekening. De realiteit betreffende geld in kapitalisme betekent feitelijk het volgende. Een bepaalde groep mensen, de eigenaren van de banken, hebben van de wet het alleenrecht gekregen om geld te maken. Alle andere mensen zijn door de wet verboden om geld te maken. Alle mensen zijn ook door de wet verplicht om het geld gemaakt door deze kleine groep mensen te accepteren bij ruil. Van het geld gemaakt door deze kleine groep mensen moet dus gebruik gemakt worden. Maar, om aan dit geld te kunnen komen moet iemand een rentedragende lening aangaan bij de bank. Want wanneer iemand een lening wil van de bank dan wordt het geld gemaakt. Dit betekent dat men moet betalen om aan het geld te kunnen komen dat men moet gebruiken! Een dergelijke praktijk zou in ieder ander economisch bereik een mafiaprakijk genoemd worden.

In de praktijk wordt rente ook gebruikt om de ware prijs voor producten te verbergen. Bijna iedereen in de kapitalistische samenlevingen koopt bijvoorbeeld zijn huis en auto middels een rentedragende lening. Met weet dan wel de aankoopprijs maar hoeveel mensen weten hoeveel ze uiteindelijk effectief betalen voor het huis of de auto? Een onderzoek hiernaar zal ongetwijfeld uitwijzen dat verreweg de meeste mensen hier geen weet van hebben. De mensen weten wel dat ze een huis gekocht hebben voor –zeg – €100.000 met een lening tegen 8% over 30 jaar en dat ze 30 jaar lang “slechts” €734 hoeven te betalen per maand voor hun huis van €100.000. Maar dat dit betekent dat ze effectief €264.240 (!) voor het huis betaald hebben, zullen maar weinigen zich realiseren. In de praktijk wordt rente daarom gebruikt om mensen te misleiden tot het kopen van dingen die zich in het geheel niet kunnen permitteren: “…het kost maar €20 per maand…”.

[1] Opgemerkt moet worden dat in de kapitalistische samenlevingen uitgestelde of gespreide betalingen bijna altijd gefinancierd worden door een bank. Oftewel, de afspraak van uitgestelde of gespreide betaling tussen een verkoper en een koper houdt in kapitalisme gewoonlijk in dat de verkoper voor de koper een rentedragende lening regelt bij een bank. Dankzij deze rentedragende lening kan de verkoper direct zijn geld krijgen, van de bank namelijk. De koper betaalt de bank dan uitgesteld of gespreid de rentedragende lening terug an de bank. De realiteit van uitgestelde of gespreide betalingen in de kapitalistische samenlevingen is daarom gewoonlijk echte rente, en niet echt uitgestelde of gespreide betaling.
Uitgestelde / gespreide betaling in theorie
Uitgestelde / gespreide betaling in de kapitalistische praktijk

[2] Bijvoorbeeld de pensioenfondsen beleggen het pensioengeld dat ingehouden wordt op salaris in rentedragende leningen. Uit de opbrengst hiervan worden dan later de pensioenen uitgekeerd.

[3] John H Munro: “The medieval origins of the ‘Financial Revolution’: usury, rentes, and negotiability”, 2002, www.mpra.ub.uni-muenchen.de/10925/2/MPRA_paper_10925.pdf

[4] ibidem noot 1

[5] Thomas van Aquino: “Summa Theologica”, www.fordham.edu/halsall/source/aquinas-usury.html

[6] “The Fuggers of Augsburg: Pursuing Wealth and Honor in Renaissance Germany”, Mark Häberlein

[7] Jeremy Bentham: “Defense of Usury”, 1787,
www.econlib.org/library/Bentham/bnthUs.html

[8] Vergelijk de Koran: “Dat komt, omdat zij zeggen: ‘Handel is gelijk aan rente’, terwijl Allah de heeft wettig en de rente onwettig heeft verklaard.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Baqara 2, vers 275)

Comments

comments

DELEN