“De Amerikanen weten dat er een probleem is in Amerika, maar zij weten niet wat het is, of waarom het is. Wat nog belangrijker is, zij weten niet hoe het probleem op te lossen. Al wat zij kunnen is wijzen op de symptomen van de ziekte. (…) In werkelijkheid maken sommigen van wat oplossingen worden genoemd het probleem enkel groter, omdat deze oplossingen proberen om de resultaten van het systeem te veranderen zonder het systeem dat geleid heeft tot die resultaten te veranderen. (…) Het probleem omvat niet de kwestie hoe wij ons economisch systeem uitvoeren, want ons economisch systeem zelf is het probleem. Het probleem is in het fundament van ons economisch systeem, en gedeeltelijke oplossingen of het aanleggen van een verband over de gevolgen, is geen oplossing die het probleem zal behandelen. Als wij onze normen willen bereiken toen moeten wij de problemen van hun wortels verwijderen en niet enkel sommige bladeren bijknippen. Het is aan ons om het fundament en de aannames waarop ons systeem opgebouwd is te beoordelen, en te openbaren voor wat ze werkelijk zijn.” – Roger Terry in “Economic Insanity”, Berrett-Koehler Uitgevers, 1995

Volgens sommigen is het woord “crisis” afkomstig van het Griekse woord krinomai, wat “onderscheiden”, “opdelen”, “beslissen” en “oordelen” betekent. Vanuit het Grieks is het woord in de Nederlandse taal opgenomen geworden waarin het de betekenis “gevaarlijke toestand” heeft gekregen. Het wordt gebruikt voor een noodsituatie waarin het normaal functioneren van een systeem verstoort raakt en waarbij het onduidelijk is of het systeem de verstoring te boven zal komen of eraan ten onder zal gaan. Met deze betekenis wordt het woord al langer gebruikt in de medische wetenschap want “crisis” wordt daar gebruikt voor de aanduiding van het moment waarop de toestand van een patiënt veranderd zonder dat men op dat moment kan aangeven of de verandering uiteindelijk een verbetering of een verslechtering zal zijn.

In het jargon van de economische wetenschap wordt het woord sinds het midden van de 19e eeuw gebruikt en heeft het een specifiek eigen betekenis gekregen. Een crisis is volgens economen een economische situatie waarin het economisch welzijn van een samenleving plotsklaps verandert, van een staat van groei van de economische activiteit naar een staat van krimp van de economische activiteit over een langere periode (ten minste 6 maanden).

Alhoewel de kredietcrisis een economisch probleem is wordt bij de term “kredietcrisis” gebruik gemaakt van de letterlijke betekenis van het woord crisis en niet de betekenis die de economische wetenschappers er aan gegeven hebben voor hun wetenschap. Want er wordt niet gesproken van “kredietcrisis” omdat er ten gevolge van (problemen met) kredieten, oftewel schulden, een omslag in het economisch welzijn van een samenleving plaats heeft gevonden. Er wordt over kredietcrisis gesproken omdat er ten gevolge van (problemen met) kredieten een ernstige verstoring van het normaal functioneren van het kapitalistische economische systeem opgetreden is. Een verstoring die zo hevig is dat er getwijfeld wordt of het systeem de verstoring te boven zal kunnen komen, of dat het aan de verstoring ten onder zal gaan. Een verstoring ook die een maximale inspanning vereist van eenieder die belang heeft bij het correct functioneren van het kapitalistische economische systeem om te proberen de ondergang van dit systeem te voorkomen.

Derhalve moet gezegd worden dat de kredietcrisis een existentiële crisis is, een crisis die het voortbestaan van het systeem bedreigt.

Dit type economische crisis kan twee oorzaken hebben. Het kan veroorzaakt worden door een externe gebeurtenis die het systeem doet wankelen en een voorbeeld hiervan is de oorlog gevoerd door de Britten, Franse, Italianen en Russen tegen de Islamitische Staat Al Khilafa aan het begin van de 20e eeuw. Deze oorlog bracht de Islamitische Staat Al Khilafa aan het wankelen en deed deze zelfs ten onder gaan. Oftewel, in dit geval zorgden externe invloeden ervoor dat de systemen van Islam opgeschort werden en dat kapitalisme geïmplementeerd werd in de landen van de moslims.

Maar de existentiële crisis kan ook veroorzaakt worden door een interne gebeurtenis. Dit is waar het systeem zelf een bepaalde situatie doet ontstaan die haar ernstig ontwricht. En dit is in feite wat zich voorgedaan heeft bij de kredietcrisis. Omdat in kapitalisme geld is gebaseerd op schuld heeft de schuldmassa in de economie zulke proporties aangenomen dat het een probleem is geworden voor het economisch systeem dat deze schuld tot stand heeft gebracht. De schuldmassa heeft namelijk het voortbestaan van de banken, die in kapitalisme de bron van schuld zijn, onzeker gemaakt. En het heeft daardoor de ganse economie aan de rand van de afgrond gebracht. Verder heeft kapitalisme naast de reële economie een financiële, virtuele economie gecreëerd, die volledig los staat van de reële economie alhoewel deze op de reële economie is gebaseerd. Oftewel, de verhandelingen van rechten en plichten over goeden en diensten zijn een leven gaan leiden dat niets meer te maken heeft met de verhandeling van goederen en diensten waarop zij eigenlijk gebaseerd zijn. Dit heeft de mensen laten denken dat zij alsmaar rijker werden terwijl dit in de realiteit niet zo was. En het moment waarop duidelijk werd dat de rijkdom imaginair was en niet reëel bracht de wereldeconomie eveneens naar de rand van de afgrond. Dit heeft zulke verstrekkende gevolgen voor het economisch welzijn van de mensen dat velen zijn aangezet tot twijfel betreffende de juistheid van het economisch systeem van kapitalisme. Hierdoor is dan weer het voortbestaan van het economisch systeem van kapitalisme onzeker geworden en is de mogelijkheid ontstaan dat het ten onder zou kunnen gaan.

Kapitalisme: economie gebaseerd op schuld

Het economisch leven in kapitalisme is volledig gebaseerd op schuld omdat zowel investeringen als consumptie gefinancierd worden middels schuld. De primaire reden hiervoor is de realiteit van geld in kapitalisme. Kapitalisme maakt gebruik van geld zonder intrinsieke waarde. Dit betekent dat het geld in zichzelf niets waard is. De instantie die het geld in omloop heeft gebracht, de Centrale Bank, heeft verklaard dat het geld een bepaalde koopkracht vertegenwoordigt en de mensen hebben hier vertrouwen in. Daarom heeft het geld zonder intrinsieke waarde in de praktijk een waarde omdat de mensen er een waarde aan toeschrijven.

Dit geld bestaat in twee vormen. Het bestaat in fysieke vorm en in elektronische vorm. De fysieke vorm zijn de munten en de papieren die voor geld doorgaan. De elektronische vorm is de bankrekening. Voor wat betreft het fysieke geld, de verantwoordelijkheid om dit te (laten) maken ligt bij de Centrale Bank. Het ligt gewoonlijk te wachten in de kluizen van de Centrale Bank en komt in omloop wanneer mensen dit geld lenen bij de Centrale Bank middels tussenkomst van een commerciële bank. De commerciële bank krijgt van de Centrale Bank fysiek geld als het belooft dit geld in de toekomst terug te zullen betalen met rente. En de bedrijven en individuen in de samenleving krijgen dit fysieke geld van de commerciële banken als ze beloven dit geld in de toekomst terug te zullen betalen met rente. Dus wanneer een bedrijf of individu naar een commerciële bank gaat om geld te lenen, dan komt het fysieke geld in omloop in de economie.

Voor wat betreft het elektronische geld, om dit te maken is enkel een computer en een computersysteem nodig. Het komt in omloop wanneer commerciële banken lenen bij de Centrale Bank. De Centrale Bank gebruikt dan zijn computer om het getal op de rekening van de commerciële bank bij de Centrale Bank omhoog te laten gaan, waarbij de commerciële bank belooft om op een moment in de toekomst dit geld weer terug te storten, hetzij elektronisch hetzij fysiek, met rente. De commerciële banken kunnen dit nieuwe, hogere getal dan verdelen over de bedrijven en individuen die bij haar een rekening hebben en dus het getal op hun rekeningen verhogen. Maar, het elektronische geld kan ook in omloop komen zonder tussenkomst van de Centrale Bank. Naast de Centrale Bank hebben namelijk ook de commerciële banken het recht om uit het niets geld bij te schrijven op de rekening van haar rekeninghouders. Ook de commerciële banken mogen hun computers gebruiken om gewoon de getallen op de rekeningen van haar rekeninghouders omhoog te laten gaan. En wanneer bedrijven of individuen leningen aangaan bij een commerciële bank dan is dit gewoonlijk hetgeen plaatsvindt: de commerciële bank doet het getal op de rekening van het bedrijf of het individu gewoon toenemen omdat het bedrijf of het individu belooft dit geld in de toekomst terug te zullen geven met rente.

In de kapitalistische economie komt geld dus in omloop door schuld aan te gaan bij een bank. Dit verklaart waarom het economisch leven in kapitalisme volledig is gebaseerd op schuld en waarom in de praktijk zowel investeringen als consumptie gefinancierd worden middels schuld. Want in kapitalisme kan de economie enkel aan geld komen door te lenen bij een bank.

In feite wordt hiermee in piramidespel gecreëerd omdat iedere munt in omloop op een gegeven moment met rente terug betaald zal moeten worden. Het geld dat nodig is om de rente mee te kunnen betalen komt echter pas in omloop wanneer een verdere lening aangegaan wordt bij een bank. En ook die lening zal met rente terug betaald moeten worden. En om die rente te kunnen betalen zal weer een verdere lening bij de bank vereist zijn. Met andere worden, in het systeem waar geld op rentedragende schuld gebaseerd is daar zal de economie voortdurend extra schuld aan moeten gaan.

Een economie kan dit vol houden zo lang iedere geleende munt een groei van de productiecapaciteit doet realiseren die groter of gelijk is aan de rente die betaald zal moeten worden over de geleende munt. [1] In dit geval, namelijk, doet de geleende munt extra reële welvaart resulteren in de vorm van goederen en/of diensten die gebruikt kan worden om de verschuldigde rente mee te betalen. Maar als, daarentegen, de geleende munt geen groei van de productiecapaciteit doet resulteren, of een groei die minder waard is dan verschuldigde rente, dan zal het systeem dat gebruik maakt van op schuld gebaseerd geld op een gegeven moment imploderen. Een voorbeeld kan dit duidelijk maken.

Stel dat iemand 100 kippen heeft die allen iedere dag één ei leggen. De productiecapaciteit van deze kippen is derhalve 100 eieren per dag en de eigenaar van de kippen heeft dus iedere dag 100 eieren te besteden. Per dag kan hij 100 eieren ruilen voor al hetgeen hij nodig heeft.

Stel nu dat de eigenaar van de kippen een lening van 100 munten aangaat bij de bank om de stal waar hij de kippen houdt iets te vergroten. Want door de vergroting van de stal zullen de 100 kippen 110 eieren produceren iedere dag. De rente over de lening bedraagt 8% per dag en moet over een periode van in honderd dagen terug betaald worden. De eigenaar van de kippen zal na het aangaan van de lening dus honderd dagen lang 9 eieren aan de bank moeten betalen, één als afbetaling en 8 als rente.

In deze situatie is de rentedragende schuld geen probleem omdat de productiecapaciteit met 10 eieren per dag toegenomen is terwijl de verschuldigde aflossing en rente maar 9 eieren per dag is. Dus de lening heeft de eigenaar van de kippen in staat gesteld zijn productiecapaciteit zoveel te laten toenemen dat zelfs na betaling van aflossing en rente zijn besteedbare inkomen is toegenomen. Dat was vroeger 100 eieren per dag maar dat is nu 101 eieren per dag.

Maar stel dat de door de vergroting van de stal de 100 kippen slechts 5 extra eieren zullen produceren, dus 105 in totaal. In deze situatie zal het besteedbaar inkomen van de eigenaar achteruit gaan door de lening. Zijn productiecapaciteit is met 5 eieren per dag gegroeid maar hij moet nu iedere dag 9 eieren betalen aan aflossing en rente. Dus voor 100 dagen heeft hij nog maar 96 eieren per dag te besteden in plaats van de 100 die hij eerst had. De handelaren bij wie de eigenaar vroeger zijn 100 eieren per dag kwam ruilen zullen hierdoor beïnvloed worden, want zij zullen hierdoor minder handel kunnen drijven met de eigenaar van de kippen. Zo zal de ganse economie beïnvloed worden.

Stel nu dat de boer met het geleende geld niet zijn stal laat vergroten maar dat hij een zwembad in de tuin laat bouwen voor zichzelf en zijn vrouw. Er wordt door de lening dus in het geheel geen groei van de productiecapaciteit gerealiseerd. In deze situatie zal de boer voor 100 dagen nog maar 91 eieren per dag te besteden hebben in plaats van de 100 eieren die hij eerst had. De handelaren bij wie de eigenaar vroeger zijn 100 eieren per dag kwam ruilen zullen hierdoor natuurlijk nog sterker beïnvloed worden.

De realiteit van kapitalisme is dat de meeste schuld niet de groei van de productiecapaciteit realiseert die noodzakelijk is om de aflossing en rente te kunnen betalen zonder dat het besteedbaar inkomen afneemt. De statistieken bewijzen dit (zie Grafiek 1 en Grafiek 2). De groei van de waarde van de productie in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, de grootste economie ter wereld, is de voorbije 60 jaar relatief constant geweest (zie Grafiek 1). De groei van schuld in de Verenigde Staten, daarentegen, is exponentieel gestegen (zie Grafiek 2). Dit zegt dat alsmaar meer schuld nodig was om dezelfde groei van de economie te doen realiseren.
Grafiek 1: Ontwikkeling van de waarde Binnenlands Product van de Verenigde Staten, periode 1947 – 2007 (bron: www.economagic.com)
Grafiek 2: Ontwikkeling van de waarde van “Household Debt” in de Verenigde Staten, periode 1952 – 2008 (bron: www.economagic.com)

Dit is in feite vanzelfsprekend omdat de schuld zowel investeringen als consumptie financiert. Dus slechts een deel van de schuldgroei wordt gebruikt voor de investeringen waarvan gedacht wordt dat zij de productiecapaciteit zullen laten toenemen. En voor het deel van de schuldgroei dat wel voor investeringen wordt gebruikt geldt dat het niet altijd de groei van de productiecapaciteit doet realiseren die verwacht werd. Soms doet een investering tegen de verwachtingen in zelfs helemaal geen groei realiseren. Dus het is volstrekt normaal dat op het totaal de groei van de schuld meer zal zijn dan de groei van de totale productiecapaciteit.

In een dergelijke situatie is er in de toekomst dus altijd minder welvaart beschikbaar voor investering en consumptie dan vandaag. Door te lenen in periode 2 zal de totale waarde van investering en consumptie in periode 2 groter zijn dan in periode 1. Men zal in periode 2 namelijk zowel de waarde van de productie uitgeven als het geleende geld. Er zal in periode 2 dus economische groei geweest zijn ten opzichte van periode 1. Maar indien de productiecapaciteit niet genoeg groeit, dan zal in periode 3 een deel van de welvaartscreatie uitgegeven moeten worden om de aflossing en rente te betalen over de schuld die in periode 2 aangegaan is. En dan zal er in periode 3 dus minder uitgegeven kunnen worden aan investering en consumptie dan in periode 1. En veel minder dan in periode 2 toen men ook nog geleend geld uitgaf. In deze situatie waarin de lening niet (voldoende) groei van de productiecapaciteit doet realiseren is het onvermijdelijk dat de rente en aflossing op de schuld van de eerdere periode de uitgaven aan investering en consumptie in de huidige periode zal verdringen. Er zal dan onvermijdelijk economische krimp zijn, met andere woorden. Tenzij natuurlijk in periode 3 extra geleend wordt om de afname in het besteedbare inkomen ten gevolge van de rente en aflossing op de schuld uit periode 2 goed te maken. Om investering en consumptie in periode 3 groter te laten zijn dan in periode 2 zal nog meer extra geleend moeten worden. Ten eerste zal er dan geleend moeten worden om de aflossing en rente over de schuld van periode 2 mee te kunnen betalen. En ten tweede zal er geleend moeten worden om extra investering en consumptie mee te kunnen financieren. Maar dit zal betekenen dat in periode 4 nog meer aan aflossing en rente betaalt zal moeten worden, waardoor een nog kleiner besteedbaar over zal blijven voor investering en consumptie. Tenzij, natuurlijk, er in periode 4 wederom extra geleend wordt.

Bij de tabellen: Als er één keer geleend wordt en dit de productiecapaciteit niet (voldoende) doet groeien, dan moet er steeds extra geleend worden om de bestedingen te kunnen laten blijven groeien. En als er dan eenmaal gestopt wordt met lenen, dan stort het besteedbaar inkomen in omdat aflossing en rente betaald moeten worden. (Besteedbaar Inkomen = Productiewaarde + Lening – Rente & Aflossing)

Dit is de trend die kapitalisme veroorzaakt doordat haar geld op schuld gebaseerd is. Om de economie te kunnen laten groeien moet alsmaar extra geleend worden, alsmaar meer ten opzichte van de leningen in de vorige periode. Aan deze trend komt een einde wanneer duidelijk wordt dat de samenleving die leent niet langer is staat is om aflossing en rente te betalen en niemand bereid zal zijn om nog extra uit te lenen. En dan is het economische crisis omdat het besteedbaar inkomen plotsklaps veel lager is dan het in voorgaande jaren was. Dit is wat onder de kredietcrisis plaatsgevonden heeft.

Kapitalisme: virtuele versus reële economie

In kapitalisme wordt niet enkel handel gedreven in goeden en diensten. Het economisch systeem van kapitalisme staat eveneens toe dat handel wordt gedreven in derivaten (afgeleiden) van de handel in goederen en diensten. Er bestaat naast de markt voor goederen en diensten bijvoorbeeld een futures-markt. Daar kan men zich allereerst verzekeren tegen verlies in de verhandeling van goederen en diensten. En deze verzekeringen kan men daar dan weer verhandelen. Er bestaat daar ook optiehandel, waar rechten en plichten met betrekking tot de handel in goederen en diensten verhandeld worden, zoals het recht om iets te kopen tegen een bepaalde waarde op een bepaald moment. Er bestaan ook verzekeringen met betrekking tot de handel in deze opties. En deze verzekeringen kunnen dan ook weer verhandeld kunnen worden op deze markt. Verder wordt er op de aandelenmarkt gehandeld in het eigendom van bedrijven. Ook daar kan men zich verzekeren tegen verlies. En ook daar kan men deze verzekeringen verhandelen. En er bestaat daar bestaat ook optiehandel, enkel met betrekking tot aandelen en niet tot goederen en diensten. Er bestaan daar ook verzekeringen tegen verlies in deze optiehandel. En ook daar kan men deze verzekeringen weer verhandelen. Er bestaat ten slotte ook een markt voor de handel in schuld. Waar men zich eveneens kan verzekeren tegen verlies, waar men eveneens deze verzekeringen kan verhandelen; waar ook optiehandel bestaat; en waar er verzekeringen tegen verlies in deze optiehandel bestaan; die men ook weer kan verhandelen. Deze markten vormen de zogenoemde financiële economie in kapitalisme naast de reële economie waar de echte goederen en diensten verhandeld worden. Om in deze financiële markten, de van de handel in goederen en diensten afgeleide markten, actief te zijn is het niet vereist om goederen, diensten, aandelen of schuldpapieren in bezet te hebben. Het is er namelijk toegestaan om verkoop verplichtingen aan te gaan ook als men geen van dezen in bezit heeft.

Ook uit het bestaan van een virtuele economie naast een reële economie komen economische crises voort. Door het bestaan van een virtuele economie naast een reële economie bestaat er in kapitalisme naast reële welvaart tevens virtuele welvaart. Reële welvaart is het bezit aan echte goederen en diensten terwijl virtuele welvaart het bezit aan de genoemde derivaten is. Omdat de handel in de virtuele economie geen echte goederen of diensten nodig heeft kan deze veel groter worden dan de waarde van al de goederen en diensten bij elkaar. De waarde van de handel in derivaten is daarom momenteel omstreeks $700 biljoen per jaar terwijl de waarde van de handel in goederen en diensten op omstreeks $60 biljoen per jaar wordt geschat. [2]

Dit betekent dat de virtuele welvaart onmogelijk allemaal omgezet kan worden in reële welvaart. Er is immers $700 biljoen per jaar aan virtuele welvaart terwijl er “slechts” $60 biljoen per jaar aan reële welvaart is. Als de virtuele welvaart dus omgezet zou worden in reële welvaart dan zou de reële welvaart op raken ver voordat de virtuele welvaart op is. Dus enkel de personen die als eerste hun virtuele welvaart omzetten in reële welvaart, en dus hun derivaten ruilen voor echte goederen of diensten, die zullen in staat zijn om hun virtuele welvaart om te ruilen in reële welvaart. Echter, als er $60 biljoen aan virtuele welvaart is omgezet in reële welvaart, dan is de reële welvaart op. Er is dan echter nog $640 biljoen aan virtuele welvaart over. Die dus niet meer omgezet kan worden in reële welvaart. De bezitters van deze $640 biljoen aan virtuele welvaart zullen dus met lege handen achterblijven.

De deelnemers aan de virtuele handel weten dit en daarom letten zij er nauwkeurig op elkaar. Zij weten namelijk dat je altijd als eerste je virtuele welvaart moet omzetten in reële welvaart. Omdat je niets zult krijgen als je te laat probeert je virtuele welvaart om te zetten in reële welvaart. Daarom resulteert keer op keer een crash van de financiële markten, na verloop van tijd. Na een tijd van groei van de virtuele welvaart komt er altijd een moment waarop iemand probeert zijn virtuele welvaart om te zetten in reële welvaart. En als iemand dat probeert dan volgen al de andere bezitters van virtuele welvaart hem direct in de hoop ook iets van de reële welvaart te kunnen krijgen. Iedereen zal dus zijn derivaten aanbieden in ruil voor reële welvaart en niemand zal op dat moment nog derivaten willen hebben. En dan keldert de waarde van de derivaten en verdwijnt de virtuele welvaart als sneeuw voor de zon.

Grafiek 3: De waarde van de Amerikaanse aandelenmarkt gedeeld door de waarde van Amerikaanse productie, periode 1950 – 2008. Wanneer de grafiek stijgt dan wordt virtuele welvaart gecreëerd zonder evenknie in de reële welvaart. (bron: www.economagic.com)

Daarom wordt van schuld gebruik gemaakt om de virtuele welvaart te kunnen gebruiken. Schuld wordt aangegaan met de virtuele welvaart als onderpand en dit geld wordt dan gebruikt voor investering of consumptie, oftewel om goederen en diensten mee te kopen. En zo kan men toch genieten van zijn virtuele welvaart zonder deze om te moeten zetten in reële welvaart en daarmee een crash van de virtuele economie te veroorzaken. Dit gaat goed zolang de virtuele welvaart blijft groeien. Want zolang de virtuele welvaart blijft groeien kan men altijd extra geld lenen met de virtuele welvaart als onderpand. En met de extra schuld kan men dan de aflossing en rente op de eerdere schuld betalen en extra goederen en diensten kopen.

Zo is de virtuele economie van invloed op de reële economie waar de goederen en diensten geproduceerd en verhandeld worden. De virtuele welvaart wordt gebruikt om schuld mee aan te gaan en middels de schuld wordt dan vraag uitgeoefend naar goederen en diensten. Daarom stijgt de reële economie gewoonlijk in reactie op een stijging van de virtuele economie. Maar dit kan niet eeuwig duren. Er komt altijd een moment waarop iemand op de virtuele markt zich realiseert dat de virtuele rijkdom op lucht is gebaseerd. En wanneer een persoon zich dit realiseert dan zal hij proberen zijn virtuele welvaart om te zetten in reële welvaart. Dit brengt dan een kettingreactie teweeg waaronder iedereen met virtuele welvaart deze probeert om te zetten in reële welvaart, waardoor de virtuele economie crasht en de virtuele welvaart verdwijnt. Wanneer de virtuele welvaart stopt met groeien dan kan er niet langer extra geleend worden. Dus de vraag naar goederen en diensten die resulteerde uit de groei van de virtuele welvaart zal verdwijnen. Waardoor de reële economie in de problemen zal komen.
Sterker nog, na een crash van de virtuele economie die de virtuele welvaart doet verdampen blijft de schuld over die is aangegaan op basis van de virtuele welvaart die verdampt is. Schuld waarover aflossing en rente betaald zal moeten worden. En deze aflossing en rente zal niet langer voldaan kunnen worden door meer schuld op basis van verdere virtuele rijkdom. Want de groei van de virtuele welvaart is gestopt. Deze schuld zal dus betaald moeten worden uit de reële welvaart. Hierdoor zal de vraag naar goederen en diensten nog verder dalen. De vraag naar goederen en diensten uit de virtuele welvaart was door de crash van de virtuele economie al verdwenen, maar na de crash van de virtuele economie zal ook nog eens een deel van de reële welvaart gebruikt moeten worden voor aflossing en rente. En hierdoor zal de reële economie nog verder in de problemen komen. En ook dit is wat onder de kredietcrisis plaatsgevonden heeft.

Kapitalisme: van crisis naar crisis

Er bestaan in het economisch systeem van kapitalisme dus mechanismen die er voor zorgen dat dit systeem uiteindelijk altijd in grote problemen komt. Dat er een crisis ontstaat die meer is dan enkel krimp van de economie, wat een normaal onderdeel is van de economische cyclus in kapitalisme. Een crisis ontstaat die een probleem wordt voor het systeem zelf. Een crisis waarbij een extreme inspanning vereist wordt van degenen die houden van het systeem om het systeem te laten overleven. Deze mechanismen zijn de realiteit van geld in kapitalisme en de virtuele economie in kapitalisme. En vanwege deze mechanismen beweegt kapitalisme feitelijk van crisis naar crisis.

In 2001 nog werd het kapitalistische economisch systeem overal ter wereld geteisterd door de crisis veroorzaakt door de internetzeepbel, de zogenaamde “dot-com crisis”. Ook destijds werd een zo grote teruggang in economische activiteit gevreesd ten gevolge van het barsten van de internetzeepbel, dat de pilaren van het kapitalistische economisch systeem hieronder zouden kunnen bezwijken. Deze crisis resulteerde toen eenmaal bleek dat de verwachtingen betreffende de Nieuwe Economie, de op internet gebaseerde economische activiteit oftewel e-commerce, overdreven waren. In de periode 1997 tot 2001 was het enthousiasme betreffende e-commerce zo groot dat iedereen bij de banken grote bedragen kon lenen om een internetbedrijfje te beginnen. Tegelijkertijd kochten beleggers massaal aandelen in internetondernemingen op omdat die een gouden toekomst voorspeld werden. De prijzen van de aandelen van deze ondernemingen stegen daarop snel, wat de verwachtingen bevestigde. En daarop gingen veel mensen met geleend geld aandelen kopen in internetondernemingen wat de aandelenprijzen nog verder omhoog stuwde. En ten slotte, de mensen die op papier rijk waren geworden door dit alles, die de aandelen in internetondernemingen in bezit hadden wiens prijzen op de aandelenmarkten door het plafond schoten, gingen bij de banken leningen aan met deze papieren rijkdom als onderpand om een luxe leven te kunnen leiden. En de vraag naar luxeproducten die zij uitoefenden in de economie zorgde ervoor dat gans de economie een sterke groei doormaakte. Echter, toen vervolgens in 2001 duidelijk werd dat e-commerce niet de gouden bergen realiseerde waar men op gerekend had, toen resulteerde een crisis. De meeste internetondernemingen maakten in het geheel geen winst en konden daardoor hun schulden bij de banken niet terug betalen. Op het moment dat dit duidelijk werd probeerden de houders van de aandelen in internetondernemingen dezen snel te verkopen, waardoor de prijzen van de aandelen ineenstortten. Al degenen die met geleend geld deze aandelen hadden gekocht bleven met enkel schulden zitten. En al degenen die hun aandelen in internetondernemingen als onderpand hadden gebruikt om geld te lenen bij de banken bleven eveneens met enkel schulden zitten. Met andere woorden, middels schuld was papieren rijkdom gecreëerd op de aandelen markten die vervolgens middels verdere schuld gebruikt werd om effectieve vraag uit te oefenen in de economie. En toen bleek dat er enkel papieren rijkdom was gecreëerd en geen echte rijkdom, toen barstte de bubbel en resulteerde economische crisis.

Niet veel eerder, in 1997, was het de Crisis van de Aziatische Tijgers die de mensen deed vrezen voor het economisch systeem van kapitalisme. In de periode 1980 tot 1997 waren de economieën van verschillende Aziatische landen, zoals Zuid-Korea, Thailand, Maleisië en Indonesië voortdurend gegroeid. Deze groei was grotendeels mogelijk gemaakt door leningen aangegaan in het buitenland. Echter, nog meer dan de economie waren over deze periode de aandelenbeurzen in genoemde landen gestegen, omdat de economische successen vele buitenlandse beleggers aantrokken. De hieruit resulterende stijging van de prijzen van aandelen maakte verschillende mensen erg rijk op papier en zij gebruikten deze rijkdom als onderpand om de leningen aan te gaan waarmee zij een luxe leven konden leiden. Onder de effectieve vraag die zij hiermee uitoefenden stegen vervolgens de prijzen van het vastgoed en werden ook de eigenaren van het vastgoed op papier rijk. Zij konden vervolgens hun vastgoed gebruiken om leningen aan te gaan om een luxeleven te kunnen leiden.

Maar in juni van 1997 gebeurden een aantal dingen die tezamen aan deze periode van economische voorspoed een einde maakten en die de economieën van de Aziatische Tijgers te gronde richtten. In juni 1997 trokken veel van de buitenlandse investeerders hun geld terug uit de Aziatische economieën. Ze verkochten hun aandelen op grote schaal waardoor de aandelenbeurzen kelderden. Ook kelderden de waardes van de munteenheden van de Aziatische Tijgers. Deels omdat er met het vertrek van de buitenlandse beleggers niet langer vanuit het buitenland naar deze munten werd gevraagd (om beleggingen mee te kunnen doen in genoemde landen) en dezen in plaats hiervan werden aangeboden omdat de buitenlandse investeerders terug Amerikaanse dollars en Britse ponden en Duitse marken wilden hebben. Maar voor een nog belangrijker deel omdat buitenlandse beleggers speculeerden op een daling van de waarde van de munteenheden van de Aziatische Tijgers. Deze speculatie werd met zoveel geld gedaan dat de munteenheden erdoor feitelijk naar beneden geduwd werd. Het probleem dat hiermee gecreëerd werd was dat de schuld van veel bedrijven sterk steeg omdat zij buitenlands geld geleend hadden. Bij een lagere waarde van de nationale munt moesten zij meer van de nationale munt uitgeven om de buitenlandse schulden te kunnen betalen. Door dit alles tezamen stortten de economieën van de Aziatische Tijgers in.

De papieren rijkdom van de aandelenbeurzen en de vastgoedmarkten verdween en liet veel mensen in diepe schulden achter. De vraag naar producten en diensten die de papieren rijkdom middels schuld tot stand had gebracht, verdween. En de bedrijven waren niet langer in staat om de aflossing en rente op hun schulden te betalen en gingen failliet.

Iets van een decennium eerder was de wereld ook al opgeschrikt door de ineenstorting van de aandelenbeurzen over gans de wereld. Op maandag 19 oktober 1987 stortten overal ter wereld de aandelenbeurzen volledig in, ten gevolge waarvan de crisis bekend werd als Zwarte Maandag. In Amerika daalde de Dow Jones -22,6% op die ene dag en het zou hiervan niet herstellen in oktober 1987. De beurs van Australië stond eind oktober -41,8% lager dan voor de 19e oktober, die van Groot-Brittannië -26.4%, Canada -22,5% en Nieuw Zeeland -60.0%. Op Zwarte Maandag kwam een einde aan een feitelijk continue stijging van de aandelenbeurzen sinds 1982 in reactie op verregaande consolidatie in de zakenwereld. Het op dat moment dominante idee in business economics was dat schaalvoordelen oneindig waren en dus dat een onderneming alsmaar meer winstgevend zou worden als deze maar groter zou worden. Daarom vielen ondernemingen in de jaren ‘80 van de vorige eeuw bijna over elkaar heen in pogingen elkaar op te kopen om maar groter te kunnen worden. Deze bedrijfsovernames werden echter allemaal met geleend geld gefinancierd waardoor de overblijvende ondernemingen alsmaar dieper in de schulden kwamen te zitten. Desondanks stegen hun aandelenkoersen, omdat “bigger is better” het leidende motto was op de aandelenmarkten. Waardoor er ook alsmaar meer met geleend geld belegd werd.

Maar op maandag 19 oktober 1987 drong de realisatie door dat de stijging van de aandelenbeurzen feitelijk zonder rechtvaardiging was en begonnen beleggers hun aandelen te verkopen in de hoop hun papieren rijkdom te kunnen cashen. Dit deed de aandelenbeurzen dalen wat paniek veroorzaakte onder de beleggers die daarop allemaal alles probeerden te verkopen. Met Zwarte Maandag tot gevolg.

En in 1929 was er natuurlijk de Grote Depressie die resulteerde uit het overheidsingrijpen in reactie op de Wall Street Crash van 1929. Tussen 1920 en 1928 had de Amerikaanse centrale bank de Federal Reserve door leningen uit te geven de geldhoeveelheid laten groeien met omstreeks 60%. Deze toename van de hoeveelheid geld in omloop zorgde voor een stijging van de vraag naar goederen en diensten en veroorzaakte zo economische groei. Bedrijven leenden daarop geld om hun fabrieken te vergroten en om nieuwe plaatsen voor productie te bouwen. Tevens groeide de Amerikaanse aandelenbeurs en vele malen meer dan de reële economische activiteit. Dit kwam doordat beleggers in reactie op de eerste stijgingen van de aandelenprijzen aandelen begonnen te kopen met geleend geld. Dit geleende geld stelde de beleggers in staat de vraag naar aandelen te vergroten in reactie waarop de prijzen van de aandelen verder stegen. En de papieren rijkdom die hierdoor ontstond werd middels verdere leningen omgezet in vraag naar de goederen en diensten die horen bij een luxeleven.

In 1928, echter, begon de Federal Reserve de hoeveelheid geld in omloop langzaam maar zeker te verminderen. Hierdoor kwam een einde aan de alsmaar toenemende vraag naar goederen en diensten waardoor de winstgevendheid van bedrijven onder druk kwam te staan. De nieuwe en vergrootte fabrieken werden eigenlijk nauwelijks gebruikt. Toen onder beleggers het besef doordrong dat aan de tijden van een economische bloei een spoedig een voorlopig einde zou komen begonnen ze hun aandelen te verkopen. In reactie hierop daalden de aandelenkoersen waardoor de mensen die geld hadden geleend om aandelen te kopen in de problemen kwamen. Ook zij probeerden daarop snel hun aandelen te verkopen, om hun verliezen te minimaliseren, waardoor de vraag naar aandelen totaal verdween en de aandelenkoersen ineenstorten. Dit zorgde ervoor dat de vraag naar goederen en diensten verder verminderde wat de bedrijven in verdere problemen bracht. Hier dan weer in reactie op stelden verschillende overheden importbeperkingen in om de nationale industrie te beschermen ten kost van de buitenlandse industrie. Doordat feitelijk alle landen aldus deden kwam de internationale handel grotendeels tot stilstand. En op dat moment was de Grote Depressie al een feit.

[1] Volhouden, maar met als consequentie dat al de productie uiteindelijk in handen komt van degenen aan wie de rente betaald moet worden. De extra productie moet namelijk opgegeven worden om de rente te kunnen betalen.

[2] Statistieken van de Bank of International Settlements (BIS), www.bis.org/statistics/derstats.htm

Comments

comments

DELEN