De uitvinders van de kapitalistische ideologie, de grote denkers van de Verlichting, wilden een nieuwe ideologie tot stand brengen die aan de onderdrukking en uitbuiting van de massa’s door een kleine elite, zoals onder het feodalisme van de Middeleeuwen de regel was, een einde zou maken. Een ideologie die al de mensen de mogelijkheid zou geven om een gelukkig leven te leiden, niet enkel de adel en het leiderschap van de kerk.
De economische crisis in Griekenland toont eens te meer aan dat het project van deze denkers mislukt is. Want hun kapitalistisme leidt net zoals het feodalisme tot onderdrukking en uitbuiting van de massa’s door een kleine elite.
Griekenland heeft sinds haar oprichting altijd meer schulden gehad dan het land kon betalen. Om een zelfstandige natie te kunnen worden begon het in 1821 een militaire campagne tegen de Ottomaans Khilafa, waarvoor het een lening aanging met Groot-Brittannië. In ruil voor de belofte 800.000 pond terug te zullen betalen kreeg Griekenland 300.000 pond om een leger op te bouwen en de moslims uit Griekenland te verdrijven.
Griekenland konden deze schuld helemaal niet dragen, echter. Het werd daarom een gewoonte voor de Grieken om oude leningen terug te betalen door nieuwe leningen aan te gaan. In 1827 leidde dit voor de eerste maal tot een faillissement van de Griekse staat omdat de Europeanen op dat moment weigerden nieuwe leningen te verschaffen.
In 1833 vond de Griekse koning Otto de Rothschild familie bereid om nieuw geld te lenen aan Griekenland, waardoor de Grieken hun oudere schulden konden afbetalen. In ruil hiervoor moest de Griekse bevolking wel meer belasting betalen dan het onder Turkse heerschappij ooit gedaan had, een vereiste waar de Griekse regering al snel niet meer aan kon voldoen waardoor in 1843 een nieuw Grieks faillissement volgde.
Het zou niet de laatste keer zijn. Om treinverbindingen tussen de Griekse steden aan te kunnen leggen stak de Griekse regering zich tijdens de tweede helft van de 19e eeuw wederom in schulden die het
zich niet kon veroorloven, waardoor het land in 1893 voor een derde keer failliet ging.
Vanwege dit faillissement kwam Griekenland feitelijk onder het bestuur van degenen die zij geld schuldig was. Zij organiseerden de Griekse economie vervolgens op een manier die gunstig was voor hen, niet voor het Griekse volk. Op deze manier kon Griekenland een tijd lang de aflossing en rente op haar schulden betalen, maar in 1932 ging het weer verkeerd – een vierde Grieks faillissement resulteerde vanwege een teveel aan schulden.
Ondanks deze geschiedenis kreeg Griekenland na de Tweede Wereldoorlog wederom alle ruimte van de banken om opnieuw geld te lenen. De Griekse staatsschuld groeide hierdoor voortdurend. In 1990 bedroeg deze daarom al 110% van het Griekse Bruto Binnenlands Product (BBP).
Amerikaanse zakenbanken hielpen Griekenland vervolgens om ondanks deze grote schuld toch deel te kunnen nemen aan de Euro. Ze leenden miljarden dollars aan de Grieken door middel van complexe financiële afspraken die voorkwamen dat deze nieuwe schulden in de schuldstatistieken van het land werden opgenomen. De officiële Griekse schuld leek hierdoor gelijk te blijven, alhoewel Griekenland in werkelijkheid nieuwe schulden was aangegaan.
Eenmaal in de Euro stonden Duitse en Franse banken in de rij om Griekenland nog meer geld te lenen. Tussen 2002 en 2007 groeide de Griekse schuld daarom exponentieel.
In 2008, echter, kwam de kredietcrisis de banken rond de wereld in problemen bracht. Zij sloten daarom de kredietkraan voor Griekenland waardoor het land niet langer extra kon lenen om aan de verplichtingen op oudere leningen te voldoen. Griekenland is sindsdien effectief failliet.
Volgens de regels van het kapitalisme moet de pijn van een dergelijk faillissement gedeeld worden door degene die heeft geleend enerzijds en degenen die hebben uitgeleend anderzijds. De reden hiervoor dat zowel de lenende als de uitlenende partij verantwoordelijkheid kennen voor een fail
7april – juni 2015 / Jaargang 15 Nr. 59
lissement zoals beschreven. De lenende partij had het geleende geld beter moeten gebruiken. De uitlenende partij, echter, had beter de capaciteiten van de lenende partij om het geleende geld op correcte wijze te gebruiken moeten onderzoeken. De oplossing van kapitalisme voor faillissement is daarom schuldsanering. De failliete persoon moet dan een bepaalde periode van een absoluut minimum leven, zodat zoveel mogelijk van zijn inkomen aan zijn schuldenaren gegeven kan worden. Als er na deze periode nog een restschuld over blijft, echter, dan schrijven de schuldenaren deze af zodat de failliete persoon een nieuwe start kan maken.
In het geval van Griekenland kunnen de banken niet claimen dat ze niet konden weten dat Griekenland hun geld zou verkwisten. Het land heeft immers een lange geschiedenis van faillissementen door onjuist gebruik van geleend geld. Toch wordt er alles aan gedaan om de pijn van het faillissement volledig bij de Griekse bevolking te leggen en de banken volledig te ontzien.
De Europese Unie eist van de Griekse regering dat ze bezuinigt door uitkeringen en pensioenen te verlagen en minder uit te geven aan zorg en onderwijs; en dat ze haar inkomen vergroot door meer geld binnenhalen middels hogere en meer belastingen (BTW & crisisheffing). In ruil hiervoor, echter, worden de Griekse schulden niet deels afgeschreven door de banken. Nee, in ruil voor deze inspanningen mag Griekenland dan nieuw geld lenen van Europa en het internationaal Monetair Fonds (IMF) om haar schulden bij de banken in Duitsland en Frankrijk terug te kunnen betalen.
De zogenoemde “hulp” voor Griekenland is dus in werkelijkheid niets anders dan een reddingsoperatie voor de banken die op onverantwoorde wijze geld hebben geleend aan Griekenland. Het is een nieuwe lening voor de Grieken, bovenop een lening die het al niet terug kan betalen, zodat de banken buiten Griekenland hun geld kunnen krijgen. Daarom is de Griekse staatsschuld door alle “hulp” de voorbije jaren niet gedaald maar gestegen, van 103% van het BBP in 2007 tot 176% eind 2014.
Maar niet enkel de spelregels van de kapitalistische economie worden genegeerd. Zelfs de spelregels
van de democratie zijn overboord gegooid.
De mensen van Griekenland hebben diep moeten bloeden voor de Europese “hulp”, oftewel de reddingsoperatie voor de Europese banken. De Griekse economie is met 26% gekrompen ten opzichte van 2008 en omstreeks 44% van alle Grieken heeft tegenwoordig een inkomen dat lager is dan de armoedelijn.
Bij de algemene verkiezingen van januari 2015 gaf de bevolking daarom haar stem aan de oppositiepartij Syriza geleid door Alexis Tsipras, omdat deze beloofde niet verder te zullen bezuinigen. Syriza kreeg 149 van de 300 zetels in het Griekse parlement, bijna het dubbele van de nummer twee, de Nieuwe Democratische Partij, die 76 zetels kreeg.
Europa weigerde echter de Grieken tegemoet te treden en eiste verdere bezuinigingen van Tsipras’ regering. Tsipras organiseerde daarom een referendum in juli 2015 om van het Griekse volk te horen wat zij wilden dat hij zou doen. Akkoord gaan met de Europese eis? Of de voet stijf houden en niet extra bezuinigen, zelfs als dit een nieuw faillissement voor Griekenland zou betekenen en een uittreden uit de Euro? Wederom een ruime meerderheid, 61%, gaf aan tegen verdere bezuiniging te zijn.
Toch heeft Tspiras nu een akkoord gesloten met Europa waaronder hij belooft te zullen doen precies wat zij van Griekenland wil.
De ware taak van het economische en politieke systeem van de kapitalistische ideologie is hiermee duidelijk geworden. Ze bestaan om de mensen het idee te geven dat zij rechten hebben, terwijl de financiële elite hen kaalplukken zoals ze altijd al gedaan hebben.

Comments

comments

DELEN