Zonder twijfel is het uitnodigen naar Islam één van de vele verplichtingen die de moslim kent. Er zijn veelal theorieën van moslims welke beschrijft wat het meeste effect oplevert om deze da’wa te verspreiden. Men zegt dan: ‘Om de samenleving te veranderen moet men enkel focussen op de massa en degene die deze massa beïnvloedt: de elite.’

Deze veronderstelling ziet men dan ook terug in de manier waarop een groep – dat werkt voor verandering – de Oemma benadert. Het probeert zoveel mogelijk hooggeplaatste mensen aan te trekken in de hoop dat men door hun status ook de status van de groep kan vergroten.

Is deze veronderstelling echter juist? Kan men een soortgelijke gebeurtenis terugvinden in het leven van de Profeet (saw)? Allah (swt) zegt:

“Hij (de profeet) fronste (zijn voorhoofd) en wendde zich af. Omdat er een blinde man tot hem kwam. (Mens) wat weet gij? Misschien wilde hij zich laten louteren. Of hij kon om raad komen, en die raad zou hem van nut kunnen zijn. Maar aan hem, die onverschillig is Schenkt gij uw aandacht, Hoewel gij er niet voor aansprakelijk zijt als hij zich niet loutert. Maar hij die zich tot u haast, En Allah vreest, Voor hem zijt gij onverschillig. Neen! Voorwaar, het is een vermaning. Dus, wie het wil, laat hem er lering uit trekken.” (Zie VBK, soera ‘Abasa, 80-1-12)

Ibn Kathir zegt in zijn tafsir over dit vers: “Meer dan één geleerde van de exegeses (tafsir) hebben dezelfde gebeurtenis genoemd: Op een dag was de Boodschapper van Allah (saw) in gesprek met één van de grote leiders van de Qoeraisj. Hij hoopte dat degene Islam zou accepteren. Terwijl hij in gesprek was met deze man, kwam ibn Umm Makhtoem naar hem. Hij was iemand die Islam al in een vroeg stadium had geaccepteerd en hij begon de Boodschap van Allah (saw) te vragen over iets. De Profeet hoopte dat de man geleid zou worden door zijn uitnodiging. Hij vroeg dus aan ibn Umm Makhtoem te wachten, totdat hij zijn gesprek zou afronden. Daarna fronste hij in het gezicht van ibn Umm Makhtoem en wendde zich van hem af. Daarna heeft Allah (swt) dit vers geopenbaard. (…) Hier beveelt Allah (swt) de Boodschapper (saw) om geen enkele persoon anders te behandelen als het op de Boodschap van de Koran aankomt. Hij moet de nobele en de zwakken gelijkelijk waarschuwen. Dit geldt eveneens voor de meester en de slaaf, de man en de vrouw, jong en oud. Daarna zal Allah leiden wie hij wilt naar het pad welke Hij wilt. Hij (swt) bezit de diepgaande kennis van zaken en de definitieve oordelen.“

De Imaam geeft in zijn uitleg aan dat er een fundamentele principe hier wordt aangekaart, gebruikmakend van deze ene geïsoleerde situatie. Deze fundamentele principe is dat men elke persoon gelijk moet behandelen en benaderen wat betreft de Boodschap van Islam. Daarnaast is de meest nobele onder de mensen degene met de meeste godsvrees (49:13)

Degene die de Profeet (saw) op dat moment benaderde was een leider en een nobele uit de samenleving. Tegelijkertijd waren deze leiders ook niet-moslims die de Islam constant dwarsboomden. Ondanks het feit dat de Profeet (saw) puur uit belang van de Boodschap handelde – toen hij zich afwendde van de arme blinde man –  wenste Allah (swt) toch iets duidelijk te maken. Allereerst; de moslims hebben een specifieke verantwoordelijkheid jegens elkaar in het verkondigen van de Boodschap van Islam. Ten tweede; er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen rijk, arm, machtig of zwak aangaande het verkondigen van de Boodschap. Allen dienen gewaarschuwd te worden en uitgenodigd te worden naar de Waarheid.

Comments

comments

DELEN