In een recentelijk advies aan het Europese Hof van Justitie stelde Juliane Kokott, de advocaat-generaal van het Hof, dat bedrijven in de EU het recht zouden hebben om een algemeen bedrijfsreglement in te voeren dat zichtbare politieke, filosofische en religieuze tekens op de werkvloer verbiedt. Dit zou wettelijk toegestaan zijn voor bedrijven die een beleid van levensbeschouwelijke neutraliteit voeren. Het advies was het resultaat van een zaak die een moslimvrouw aanspande tegen haar werkgever G4S Secure Solutions, nadat zij ontslagen werd als receptioniste omdat ze met een hoofddoek wilde werken (die ze bij aanvang van tewerkstelling nog niet droeg). G4S gaf aan haar ontslagen te hebben op grond van het geldend bedrijfsreglement dat stoelt op neutraliteit en het daarbij horende verbod op het dragen van religieuze tekens.

Na aanzwengelende debatten over neutraliteit in de publieke sector, het onderwijs en het hoofddoekenverbod in die sectoren, is nu ook de privé sector aan de beurt. In een opiniestuk dat gisteren verscheen in Knack [1], liet Jurgen Slembrouck (Universiteit Antwerpen) zich alvast uit over het recente advies van het HvJ dat hij omschrijft als perfect legitiem. De suggestie dat dit advies discriminatie legaliseert wijst hij gebeten van de hand. Volgens Slembrouck is een hoofddoekenverbod op de werkvloer een geldige uiting van neutraliteit en omvat het ‘eerbare motieven’ die betrekking hebben op de dienstbaarheid en de duurzame handhaving van een economische activiteit in een concurrentiële omgeving. Of in andere woorden: de hoofddoek moet wijken omdat islamitische uitingen onwenselijk zijn in een seculiere samenleving en in een bedrijfscontext kan dit de relaties met stakeholders bemoeilijken. Maar van islamofobie kan volgens Slembrouck dus geen sprake zijn…

Over de neutrale dienstverlening

In elk debat over religieuze tekens op de werkvloer wordt het stokpaardje neutraliteit gekoppeld aan dienstverlening. Een hoofddoekenverbod is zogenaamd gerechtvaardigd omdat dit een neutrale dienstverlening zou vooropstellen. Moslimvrouwen die een hoofddoek dragen zouden kennelijk geen neutrale dienstverlening kunnen garanderen of de schijn van neutraliteitsschending tegengaan. Niet enkel zijn beide assumpties absurd, maar ze bevatten tevens een valse aanname die moslimvrouwen met een hoofddoek bij voorbaat veroordelen tot ‘partijdigheid’. Het idee van neutrale dienstverlening – in eender welke sector overigens – houdt in dat de dienstverlening an sich onpartijdig en zonder discriminatie verloopt. Dit criterium beperkt zich tot de strikt professionele relatie tussen de dienstverlener en de klant/consument/burger. De levensbeschouwelijke overtuiging van de dienstverlener staat hier verder helemaal los van. Het houdt dan ook geen steek om ze wél te koppelen aan elkaar. Hoe paradoxaal is het bovendien om hoofddoekdragende moslimvrouwen te discrimineren in een zogenaamd streven naar een discriminatieloze dienstverlening?

Neutraliteit of afkeer jegens islamitische uitingen?

Het is duidelijk dat de waarborging van een neutrale dienstverlening niet de werkelijke issue omvat. De neutrale dienstverlening staat natuurlijk niet in het gedrang noch zijn er klachten ten aanzien van hoofddoekdragende moslimvrouwen die partijdigheid zouden vertonen. Wat wel speelt echter is een diepgewortelde afkeer waarbij het neutraliteitsprincipe wordt misbruikt om islamitische uitingen nu ook te verbannen uit de privé sector. Of om bedrijven althans de legale permissie te geven hiervoor. Het volgen van de eigen religie zonder anderen hiertoe te dwingen kan hoe dan ook nooit gelijkgesteld worden aan partijdigheid en een schending van de neutraliteit. Veeleer is het dwingen van moslims om onderdelen van hun religie los te laten een regelrechte schending van neutraliteit. Een ronduit kwalijke schending die dus discriminerend van aard is en moslimvrouwen met een hoofddoek uitsluit van de arbeidsmarkt.

Respect in plaats van onderdrukking

Het HvJ, de heer Slembrouck en alle voorstanders van een (zogenaamd recht op het invoeren van een) hoofddoekenverbod pleiten in essentie voor onderdrukking, discriminatie en uitsluiting op de arbeidsmarkt. Dit is onacceptabel en bovendien uiterst ondankbaar gezien de bijdrage van de moslimgemeenschap in het economische leven. Meer zelfs, de Belgische economie zal in de toekomst nog meer gebaat zijn bij het talent en het potentieel dat aanwezig is bij moslimjongeren. De uitsluiting van moslims en het verbannen van islamitische uitingen moet dus stoppen. En primair vanuit een menselijk perspectief welteverstaan. Respect voor verschillen die bestaan tussen mensen moet immers voorop staan in plaats van onderdrukking onder het mom van een misplaatste neutraliteitsbegrip. Moslims willen heel graag constructief samenleven, maar wel met behoud van de islamitische identiteit. Bedrijven die dit principe van respect hoog in het vaandel dragen en niet zwichten voor de heersende koloniale mentaliteit, zullen hier gegarandeerd voordeel uit halen.

Youssef ibn Yazied

 

Comments

comments

DELEN