Ongetwijfeld zal naar aanleiding van de recente uitspraak van het Hof van Beroep in Antwerpen, dat het scholen toegestaan zijn hun leerlingen het dragen van de Islamitische hoofddoek te verbieden, de discussie betreffende de hoofddoek in België weer in alle hevigheid los barsten. Moslims zullen dan tegenover voorstanders van het verbod mogen proberen de hoofddoek te verdedigen door uit te leggen waarom deze toch niet strijdig is met de westerse visie op de vrouw. Het zullen zinloze discussies zijn, omdat men een cultuur of onderdelen van een cultuur niet kan beoordelen op basis van de ideeën van een andere cultuur. Nog belangrijker, echter, is het feit dat deze discussies de werkelijk belangrijke boodschap die de rechtzaak en de uitspraak daarin overbrengen, zullen doen bedekken. In essentie, namelijk, is het feit dat moslimmeisjes anno 2005 in de zelfverklaarde landen van vrijheid en (religieuze) tolerantie moeten vechten voor het menselijk recht op een leven in overeenstemming met de eigen levensbeschouwelijke overtuiging, een verder bewijs dat omgang met de moslims van de mensen in de landen van de democratie gekenmerkt wordt door hypocrisie.

Onder de woorden “we hebben niets tegen Islam of tegen de moslims” worden uitingen van de Islamitische overtuiging en de Islamitische cultuur – alles dat mogelijkerwijs doet herinneren aan Islam – simpelweg verboden. En in het proces waaronder de moslims in de Europese landen impliciet verplicht worden de Islamitische principes te verlaten om een visie op het leven te ontwikkelen conform de democratische principes, worden deze principes met voeten getreden door juist diegenen wiens normen en waarden wij verwacht worden over te nemen.

De hoofddoek in zichzelf is een fundamenteel onderdeel van Islam. De weerstand en afkeer onder de niet-moslims in Europa tegen haar, bevestigen deze stelling betreffende de positie van de hoofddoek in Islam enkel. Over de bijna 1400 jarige geschiedenis van Islam heeft de hoofddoek altijd deze rol gespeeld, want zij resulteert uit de islamitische overtuiging, waarin zich voor de moslims geen reden tot schaamte bevindt. Iedere discussie over de hoofddoek behoort dus dit inzicht in haar realiteit als vertrekpunt te nemen.

Gebaseerd op de democratische filosofie, de vrucht van het intellect en de arbeid van de grote geesten van de Verlichting, is de enige gepaste houding van de democraat tegenover de Islamitische hoofddoek, dit onderdeel van de Islamitische cultuur, dan ook acceptatie van haar bestaan en aanwezigheid. Iedere andere houding, namelijk, zou gebrekkig zijn in tolerantie voor verschillen en zou mensen beperken in wat ook de Verlichtingsdenkers hebben erkend als een menselijk recht zijnde, het recht op een leven in overeenstemming met de eigen overtuiging. “Gezien de afwezigheid van absolute waarheid”, stelde John Locke bijvoorbeeld, “heeft niemand het recht anderen een waarheid voor te schrijven”.

En feitelijk gezien is het een menselijk recht, boven iedere overtuiging verheven, om te leven naar de eigen overtuiging. Afhankelijk van de situatie kan men erkenning van dit recht soms ook waarnemen in de westerse landen, waaronder ook België. Bijvoorbeeld, het is een feit dat veel mensen in België worstelen met het gevoel van beknelling van de eigen identiteit en met de angst voor verdere beknelling van de eigen identiteit in de toekomst. Zonder hier direct in te willen gaan op de vraag of dit gevoel en deze angst terecht zijn en of er werkelijk factoren bestaan die dezen kunnen rechtvaardigen, enkel uit hun bestaan blijkt dat er in deze mensen een diepgeworteld verlangen bestaat tot behoud van de eigen identiteit. Ook een feit is het dat in reactie op deze angst onder sommige mensen politici zo goed als over elkaar heen vallen bij het indienen van voorstellen tot maatregelen die zogenaamd de Belgische identiteit moeten beschermen. Waar men er ook voor had kunnen kiezen dit gevoel onder sommigen van de mensen in België te negeren, met hun handelingen geven ook de politici blijk van erkenning van het menselijk recht op behoud van de eigen identiteit.

Als een korte zijstap, het is natuurlijk gerechtvaardigd om de vraag te stellen of dit gevoel van bedreiging van de eigen identiteit dat leeft onder veel niet-moslim Belgen terecht is of niet. Twee punten bestrijden deze opinie:

Ten eerste, men lijkt te zijn vergeten dat de moslims oorspronkelijk naar hier gekomen zijn op verzoek, en in de hoop hier een beter bestaan op te kunnen bouwen dan in het land van herkomst, waar het einde van de heerschappij van Islam – eind 19e, begin 20e eeuw – een tijdperk van tirannie heeft ingeluid. Tot op de dag van vandaag is dit het primaire verlangen van de absolute meerderheid van moslims in België: een bestaan waarin uit arbeid welzijn en rust resulteert. Historische gezien, daarmee, is er niets dat het gevoel van bedreiging dat leeft bij veel mensen, rechtvaardigt.

Ten tweede, ook de Islamitische identiteit spreekt dit gevoel van bedreiging door de moslims tegen. Diegenen die ook maar een beetje bekend zijn met Islam, haar regelgeving en de geschiedenis van de Islamitische Staat de Khilafa, weten dat zelfs in een positie van heerschappij Islam ongekend tolerant is voor de mensen waarover zij regeert maar die niet haar ideologie delen. Noch altijd wonen in de van oudsher Islamitische gebieden grote gemeenschappen van joden en christenen bij wie men de oorspronkelijke joodse en christelijke riten en rituelen nog altijd terug kan vinden. De reden hiervoor is dat onder Islam deze mensen altijd hebben kunnen leven naar eigen overtuiging en naar eigen religieuze wetten. Dit is de tolerantie die Islam eigen is, en daarmee de tolerantie die de moslims eigen is. Ook in de Islamitische identiteit is dus niets dat het gevoel van bedreiging dat leeft bij veel mensen rechtvaardigt. En om de houding tegenover de moslimgemeenschap te baseren op het gedrag van enkelen, gedrag dat boven alles ook nog eens los staat van Islam, is werkelijk onrechtvaardig en onjuist.

Desalniettemin, bij het bestaan van de ongefundeerde en daarmee irreële angsten en gevoelens ten overstaan van de moslimgemeenschap en Islam, heeft bij veel mensen in Europa het absolutisme de plaats ingenomen van de tolerantie die men zou verwachten gezien de democratische filosofie. Sterker nog, absolutisme, de antithese van tolerantie, is hetgeen vandaag de dag dominant is in de harten en hoofden van de mensen in Europa: alles wat niet met de filosofie van democratie overeenstemt is om enkel deze reden reeds “barbaars”, “achterlijk”, onderwerp van spot en belediging, en verdienend van verbod en onderdrukking. Ontegenzeggelijk heeft deze houding te doen met de waarneming van wat niet anders uitgelegd kan worden als een wederopleving van Islam onder de moslims, in veel gevallen een intellectuele renaissance. Niet enkel in België, maar over heel de wereld. Na vele, vele jaren van verdwaald zijn, en na verlangend gekeken te hebben naar beide westerse ideologieën ter oplossing van de problemen waarvan dit verdwaald zijn onvermijdelijk gepaard ging, zijn de moslims teruggekeerd naar hun basis. Zij zijn weer overtuigd van hun Islam en zij zoeken de oplossingen voor hun problemen weer in Islam. Daarmee hebben de moslims weer een werkelijk doel in het leven, want Islam geeft hun leven inhoud, betekenis en richting. Waar dit doel lange tijd vaag en onomlijnd was, is zij dit nu niet meer. Het beeld van de toekomst dat de moslims voor ogen hebben is helder geworden en precies bepaald, want gebaseerd op Islam. Dit is de reden dat men vandaag de dag de moslims massaal in opstand ziet komen tegen de tirannie in hun landen, in weerwil van vervolging, gevangenname en in vele gevallen de dood – want beschikkende over een helder doel en een methode kan men niet blijven zitten en zwijgen in het aanzien van tirannie.

Maar dit is ook de reden dat vandaag de dag de moslims in Europa opstaan in protest wanneer hun identiteit door allerhande maatregelen welgericht bedreigd wordt. Men kan dan ook niet anders dan respect en bewondering hebben voor die jonge moslimmeisjes die op dezelfde wijze, beïnvloedt door deze intellectuele renaissance onder moslims, de moed hebben gehad om op vreedzame wijze in te gaan tegen die verordeningen die hen beperken in hun menselijk recht als moslims, wetende welke beschimpingen hen hiermee naar alle waarschijnlijkheid ten deel zullen vallen. Stelt men zichzelf daarbij eens de vraag; hoe vreemd is het dat, terwijl niemand andere Belgen het recht op behoud van de eigen identiteit zou durven ontzeggen, wanneer moslims vragen dit recht ook voor hen opgeldt te laten doen, zij onvermijdelijk het predikaat “extremist”, “fundamentalist”, of – erger nog! – “terrorist” opgeplakt krijgen? Maar net zoals dit voor anderen geldt behoort het recht op behoud van de eigen identiteit ook te gelden voor de moslims. Protest tegen maatregelen die dit recht voor moslims onderdrukken is daarmee een deugd, en niet een misdaad of een uiting van wat “de weigering om samen te leven” genoemd wordt. Echter, er bestaat van de zijde van de moslims die zich baseren op Islam geen probleem voor wat betreft samenleven in België, noch enige vooringenomenheid hiertegenover. De huidige trend van onderdrukking en repressie van Islam en de uiting van Islam is daarmee onjuist en onnodig. Het is verkeerd om te denken dat “integratie”, in de zin van adoptie door de moslims van de principes van de democratie, een noodzakelijkheid is voor samenleven, en al de pogingen om dit te bewerkstelligen, waaronder het verbod op het dragen van de hoofddoek, dienen dus geen nut bij het werken aan samenleven. Hoe juist hebben de Verlichtingsdenkers dit begrepen: wat nodig is voor samenleven is tolerantie voor verschil in overtuiging.

Wat de moslims dan ook leren uit de recente uitspraak van het Hof van Beroep in Antwerpen, is dat de idealen van de seculiere democratie in ruim 300 jaren klaarblijkelijk nooit het stadium van idealen hebben kunnen ontgroeien. Het verbod op het dragen van de hoofddoek van de Provinciale Handelsschool van Hasselt toont aan dat vrijheid van meningsuiting een droom is, enkel vereist wanneer de mening overeenstemt met de heersende mening. In De Morgen wordt bijvoorbeeld gemeld:

“De directie greep in nadat enkele allochtone leerlingen in november 2003 lezersbrieven naar kranten hadden gestuurd en dat naar aanleiding van de hoofddoekpolemiek in Frankrijk.” (15 juni 2005)

De uiting van een mening is in Hasselt dus opgevolgd door represailles die een dictatuur niet zouden misstaan. Verder, wanneer het Hof van Beroep in Antwerpen in haar verdict aangeeft:

“Een religieuze verplichting is … niet dienstig voor het rechtsdebat”,

dan wordt duidelijk dat tolerantie en de Belgische democratie praktisch gezien niet samengaan. De ideologie, namelijk, die religieuze of culturele identiteit als “niet dienstig” beschouwt bij het vraagstuk rechtvaardigheid, erkent feitelijk niets anders dan de eigen identiteit. En als men voor de onderdelen religie of cultuur binnen de identiteit van een individu geen tolerantie kan opbrengen, wat blijft er dan nog over in de identiteit van een individu waar men tolerant tegenover kan zijn? Deze ideologie, de seculiere democratie, zal dus nooit op de juiste manier om kunnen gaan met wat feitelijk de natuurlijke situatie van de mensheid is, zijnde dat op een plaats altijd mensen van verschillende religieuze of culturele identiteiten tezamen verblijven; en zij die dit natuurlijk feit negeert bij haar levensordening laat zien over niets van menselijkheid te beschikken.

Vergeeft u ons wanneer wij dit aanhalen ter bevestiging van onze stelling dat absolutisme en totalitarisme de regel zijn geworden in Europa en België.

De volgende maal dat de moslims dus weer eens opgeroepen worden tot de democratie, dan zullen zij zich dit alles herinneren. Buiten het feit dat de tijd waarin de moslims gekeken hebben naar de democratie voor de oplossing van hun problemen reeds geweest is, beëindigd met de terugkeer van de realisatie dat de filosofie van vrijheid waaraan de democratie onlosmakelijk verbonden is absoluut conflicteert met Islam, de hypocrisie in de oproep tot de democratie gericht aan de moslims is nu voor iedereen duidelijk. Onderwijl, namelijk, laat men de moslims duidelijk merken dat de principes van de democratie voor het westen zelf geen waarde hebben. De moslims zullen zich ongetwijfeld dit gedrag van dwang en repressie herinneren wanneer zij weer worden opgeroepen om de ideeën van Islam – “barbaars”, “achterlijk” en “vrouwonvriendelijk” zal men dan ongetwijfeld weer zeggen – te verwerpen ten faveure van westerse ideeën.

De moslims hebben de boodschap van het toestaan van een verbod op iets onschuldigs als de hoofddoek begrepen, en zij hebben nu ingezien dat met haar behandeling van de moslims de democratie blijk geeft van het feit dat zij geen oplossing kent voor de natuurlijke staat van een samenleving, waarin mensen van verschillende overtuigingen naast elkaar leven. En dus is er niets meer dat mogelijkerwijs de moslims nog zou kunnen overtuigen van democratie; de kritiek van democratie op Islam is de kritiek van een beperkte en imperfecte ideologie op de alomvattende oplossing Islam. Bewust van de schoonheid van de islamitische identiteit en in het aanzien van de lelijkheid van de democratie, zo duidelijk gemaakt door de keuze voor dwang en repressie van de zijde van de democraten, zullen de moslims nu alleen maar sterker vasthouden aan Islam. Inderdaad, precies zoals hun menselijk recht is.

Dus de aanwezigheid van moslims in België, de moslims met hun eigen identiteit, zal een blijvende realiteit zijn. De toekomst vereist daarom werken aan samenleven, want de enigste alternatieven zijn verdere onderdrukking en uitroeiing. En terugdenkend aan het Europa van het midden van de 20e eeuw valt het te hopen dat deze beide paden voor de mensen geen opties meer zullen zijn. Maar, samenleven is afhankelijk van twee partijen. En de partij die haar bereidheid tot samenleven voorwaardelijk maakt op basis van adoptie van de seculier democratische levensvisie; die er blijk van geeft geen tolerantie op te kunnen brengen voor mensen die niet aan haar eigen norm voldoen; en die in dwang een methode ziet om te komen tot samenleven, het is die partij die niet kan samenleven en die niet wenst samen te leven.

Daarom blijven de moslims, voor wie samenleven in België natuurlijk is, hopen dat een dag deze houding tegen over hen zal veranderen en dat tolerantie eindelijk omgezet zal worden van woorden in daden.
Annex: Hoofddoek verbieden op school is geen discriminatie

Schooldirecties mogen het dragen van een hoofddoek in de klas verbieden. Het hof van beroep in Antwerpen heeft daarover gisteren een arrest geveld. Het hof deed dat in een zaak die werd aangespannen door zes moslimmeisjes van de Provinciale Handelsschool. Ze verzetten zich tegen het verbod op het dragen van een hoofddoek in de klas en hadden het hof gevraagd om een dwangsom van 500 euro op te leggen per keer dat ze niet met een hoofddoek de klas in mogen. Die eis is dus afgewezen.
Het hof oordeelde dat het verbod op hoofddeksels gerechtvaardigd was en dat er geen sprake is van enige discriminatie. De leerlingen vingen in oktober vorig jaar ook al bot bij de Hasseltse kortgedingrechter die hun eis eveneens had afgewezen. Sinds 1 september 2004 geldt er in de Provinciale Handelsschool in Hasselt een schoolreglement dat het dragen van een hoofddeksel in de klas verbiedt. De vorige schooljaren was het dragen van hoofddoeken wel toegelaten. De directie greep in nadat enkele allochtone leerlingen in november 2003 lezersbrieven naar kranten hadden gestuurd en dat naar aanleiding van de hoofddoekpolemiek in Frankrijk.

Het hof oordeelde gisteren dat het verbod gerechtvaardigd was. Volgens het hof is de vraag of het dragen van een hoofddoek al dan niet een religieuze verplichting voor islamieten is “niet dienstig voor het rechtsdebat”. Het verbod beperkt zich bovendien niet tot bepaalde leerlingen, maar geldt voor iedereen. Van enige discriminatie is er dan ook geen sprake, besluit het hof.
Vier van de zes meisjes volgen nog steeds les aan de Handelsschool en laten hun hoofddoek af tijdens de lessen. De andere twee hielden voet bij stuk en veranderden van school.

www.demorgen.be

15/06/2005

Comments

comments

DELEN