“Het Kalifaat in de Nederlandse media” is een artikelenserie die de geschiedenis van de Islamitische Staat Al Khilafa van de moslims onder de loep neemt op basis van historische Nederlandse kranten. Het doel hiervan is om te achterhalen wat de geschiedenis van de Khilafa van de moslims werkelijk is. Is deze zoals de westerse geschiedschrijvers zeggen, of is deze toch anders? En als de geschiedenis van de Khilafa van de moslims anders is dan de westerse geschiedschrijvers zeggen, hoe is deze dan werkelijk?

Focus van dit artikel

In dit vierde deel van de artikelenserie “Het Kalifaat in de Nederlandse media” een analyse van de rol die Ibn Saoed en zijn Saoedi-Arabië gespeeld hebben bij de ondergang van het Kalifaat. Onder de moslims presenteren de Ibn Saoed’s zich als degenen die na de val van het Kalifaat ervoor gezorgd hebben dat het regeren met Islam behouden is, en dus als beschermers van Islam en de moslims. Het feit dat de Ibn Saoed’s door de westerse media steevast als “vijand” danwel “onbetrouwbare bondgenoot” afgeschilderd worden, geeft in sommige kringen geloofwaardigheid aan deze claim. Dit artikel zal de historische Nederlandse kranten gebruiken om een beeld te krijgen van de rol die de Ibn Saoed’s gespeeld hebben in de geschiedenis van het Kalifaat, om de waarheid van deze claim te onderzoeken.

De opkomst van de Ibn Saoed dynastie

De Ibn Saoed dynastie deed voor de eerste keer van zich spreken in het midden van de 18e eeuw. Het Arabisch schiereiland was op dat moment onderdeel van de Ottomaanse Islamitische Staat. Voor het beheer van het Arabisch schiereiland werkten de Ottomanen samen met de Sjarief van Mekka. Oorspronkelijk was de Sjarief degene die verantwoordelijkheid droeg voor het organiseren van de jaarlijkse Hadj. Deze positie bracht grote status en invloed met zich mee waardoor de Sjarief – een positie die van vader op zoon overging binnen de Hasjemieten clan van de Qoraiesj stam – over tijd een meer politieke positie werd. Toen de Ottomanen het Kalifaat overnamen gaf de toenmalige Sjarief van Mekka de eed van trouw aan de Ottomaansche Kalief en erkende hij hem als “leider der gelovigen”, waarna de Ottomanen de Sjariefen een grote mate van autonomie gaven om te regeren over het Arabisch Schiereiland. Maar zij stelden wel altijd een gouverneur aan om dienst te doen naast de Sjarief, en legerden een divise van het leger in de stad om deze macht en invloed te geven.

In het midden van de 18e eeuw, in 1744 om precies te zijn, boodt een lokaal stamhoofd op het Arabisch Schiereiland, Mohammed Ibn Saoed, toevlucht aan ene Mohammed ibn ‘Abd al Wahhab, een Islamitische geleerde volgens wie het Ottomaanse Kalifaat de moslims naar afgoderij had geleid. Vanwege deze opvatting had Mohammed ibn ‘Abd al Wahhab weinig vrienden onder de moslims op het Arabisch Schiereiland, maar in Mohammed Ibn Saoed vond hij een partner. Ze begonnen samen te werken om – vanuit het perspectief van Ibn ‘Abd al Wahhab – het Arabisch Schiereiland te “schonen van bijgeloof”; en om – vanuit het perspectief van Ibn Saoed – de macht en invloed van de Ibn Saoed clan op het Arabisch Schiereiland te vergroten.

Tezamen brachten ze de Eerste Saoedische Staat tot stand die tussen 1744 en 1818 het grootste deel van het Arabisch Schiereiland onder politieke controle van Ibn Saoed bracht en onder religieuze controle van Ibn ‘Abd al Wahhab, waaronder Mekka en Al Madina. De Ottomaanse Kalief in Istanboel verzette zich hier echter tegen en liet de gouverneur van Egypte een militaire expeditie ondernemen tegen Ibn Saoed en Ibn ‘Abd al Wahhab, om het Arabisch Schiereiland terug onder controle van de Kalief in Istanboel te brengen. Ten gevolge hiervan kwam er in 1818 kwam er een einde aan deze Eerste Saoedische Staat.

Maar in 1824 bracht een nazaat van Mohammed ibn Saoed de stad Riyaadh terug onder controle van de Ibn Saoed’s, waardoor de familie in het politieke spel op het Arabische Schiereiland weer mee telde. Ditmaal, echter, voorkwam de Al Rasjied familie uit de stad Haa-il, die samenwerkten met het Ottomaansche bestuur op het Arabisch Schiereiland, dat de Ibn Saoed’s hun macht opnieuw konden uitbreiden. In 1891, ten slotte, verdreef de Al Rasjied familie de Ibn Saoed’s uit Riyaadh naar wat tegenwoordige Koeweit is.

De Ibn Saoed’s ten tijde van de Eerste Wereldoorlog

In de Eerste Wereldoorlog van 1814 tot 1818 vocht de Ottomaanse Islamitische Staat aan de zijde van Duitsland tegen een samenwerkingsverband tussen – meest voornaam – Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland. In deze oorlog probeerden de Britten de leiders van de Arabische stammen op het Arabische Schiereiland achter zich te krijgen om de Ottomaanse Islamitische Staat van binnenuit te kunnen verzwakken.

Het was in het westen algemeen bekend dat bijvoorbeeld de Sjarief van Mekka, Hoessein, de Khalifa had verraden en naar het kamp van de Britten was overgegaan. De krant De Tribune informeerde haar lezers hierover middels de volgende woorden: “Engeland besteedt na dien wereldoorlog de grootste zorg aan de bewaking van de Aziatische oever van het Suezkanaal en van den landweg naar Britsch-Indië. Reeds in den oorlog werd er om de macht over het Arabische schiereiland gestreden; dank zij de haat der Arabieren tegen die eeuwenlange Turksche onderdrukking en verleid door Engelands beloften en omkooperijen, kozen de voornaamste Arabische stammen de zijde der Entente. Hoessein, de sherif van Mekka, een der roofgierigste Arabische vorsten, werd door Engelands genade ‘koning van Hedsjas’ in 1915 werd tusschen hem en de vertegenwoordiger van Engeland een overeenkomst gesloten, waarbij aan Hussein ondersteuning werd beloofd bij de vergrooting van zijn machtsgebied.”
“Engeland’s positie”, Tilburgsche courant, 13-08-1928

Maar het was ook bekend dat de Britten niet enkel Sjarief Hoessein aan zich hadden weten te binden. Ook de politieke rivalen van de Sjarief van Mekka op het Arabische Schiereiland, de Ibn Saoed’s, werkten samen met de Britten. Het Vaderland zei: “De Londensche correspondent van de Temps deelt eenige bijzonderheden mede over een sterke hervormingsbeweging onder de Arabieren. Er heeft zich een secte gevormd onder de leiding van Abdoel Aziz Ibn Saoed … . Zijn eerste heilige oorlog gold de herovering van Riad, waar zijn vaderen geregeerd hadden. Nadat hij zijn gezag daar stevig gevestigd had, verjoeg hij de Turken uit El-Hasa, het Oostelijke deel van Arabië, langs de Perzische golf. … Nadat Konstantinopel de zijde van Duitschland gekozen had zond Engeland groote subsidies aan Abdoel-Aziz en kon deze zijn oorlog met verdubbelde kracht doorzetten.”

Sjarief Hoessein werd in de periode geadviseerd door de beroemde Britse geheim agent T.E. Lawrence (“Lawrence of Arabia”). De Ibn Saoed’s werden eveneens geadviseerd door een beroemde Britse geheim agent, kolonel Harry Sint-John Bridger Philby. Het Vaderland vertelde over de relatie tussen Groot-Brittannië en Ibn Saoed middels Philby: “Toen kolonel Philby hem [Ibn Saoed] de hand boven het hoofd hield … werd hij letterlijk met goud overstroomd; van 1917 – 1923 ontving Ibn Saoed ongeveer 540.000 pound sterling.”

In deze periode prefereerden de Britten echter samenwerking met Sjarief Hoessein boven samenwerking met de Ibn Saoed’s. De krant Voorwaarts meldde dat Ibn Saoed dit geld kreeg van de Britten om geen problemen te veroorzaken voor Hoessein: “Volgens de laatste berichten uit Engelsche bron is de toestand weinig veranderd. De Wahabitsche roovers schijnen niet naar Mekka op te rukken. Men vermoedt, dat zij onder dezelfde leiding staan als bij den op stand van 1919. In welingelichte kringen beweert men dat de actie van de Wahabieten voor een groot deel is te wijten aan een fout van de Britsche regeering. Deze heeft gedurende geruimen tijd 10.000 pond per maand uitbetaald aan Ibn Saoed, het stamhoofd van de Wahabieten, als waarborg dat hij koning Hoessein geen moeilijkheden zou berokkenen.”

De Ibn Saoed’s na de afschaffing van het Kalifaat

Toen Moestafa Kemal in 1924 het Kalifaat officieel afschafte, overspeelde Sjarief Hoessein zijn hand echter. De Britten werkten met hem samen tegen het Kalifaat dat zij vernietigd wilden zien. En zij beloofden Sjarief Hoessein het koningsschap over Arabië eenmaal het Kalifaat vernietigd was. Hongerig naar status en macht ging Sjarief Hoessein akkoord met dit Britse voorstel. En de Britten konden zo hun plan ten uitvoer brengen om het Kalifaat te vernietigen en de Arabische landen van het Kalifaat onder hun controle te brengen. De krant De Tribune beschreef in 1924 wat dit had betekend voor de moslims van deze landen: “De Engelschen hebben in zooverre hun belofte gehouden, dat zij Hussein ook na den oorlog als de rechtmatige koning van Hedsjas erkenden, zijn zoon Feisal (nadat zijn in ’t geheim door de Engelschen ondersteunde poging om Syrië te bemachtigen mislukt was) op den troon van Mesopotamië (Irak) plaatsten en zijn tweeden zoon Abdallah tot emir verhieven over het Oost-Jordaansche gebied. Palestina werd tot Britsch mandaatsgebied verklaard, en Syrië kwam, ondanks de heftige tegenstand der bevolking, onder Fransch bestuur. … De door Engeland aangestelde Arabische vorsten (trekken) zich van de nooden van hun volk niet veel aan, ze regeeren met een absolute macht, zonder parlement of zoo iets, en persen hooge belastingen uit hun volk. Dit geld verkwisten ze voor hun hofhouding, en slechts een gering deel wordt voor het beheer en de welvaart van het land uitgegeven. Bijvoorbeeld Emir Abdallah heft 120.000 pond jaarlijks aan belasting van zijn 350.000 onderdanen, waarvan hij 90.000 pond voor zijn persoonlijk gebruik en slechts 30.000 pond voor het beheer van zijn land uitgeeft. De ontevredenheid der bevolking moet bedwongen worden door huurtroepen, die uit oorlogszuchtige Bedouinenstammen en afdeelingen van de ‘Royal air force’ (Engelsche luchtvloot) samengesteld zijn. Weerspannige dorpen en streken worden met bommen gestraft, als ze hun belastingen niet willen betalen. … De Arabische vorsten en emirs worden door Engelsche raadgevers ter zijde gestaan, die zoogenaamd voor de nakoming der Engelsche belangen zorgen, maar eigenlijk in opdracht van de Engelsche regeering de politiek van Arabië bepalen.”
“Engelands politiek in Arabië”, De Tribune, 31-03-1924

Sjarief Hoessein fout was dat hij na de verbanning van de Khalifa uit Istanboel probeerde de nieuwe Khalifa van de moslims te worden. De krant Het Centrum meldde hierover in 1924: “De Hedjas van Mesopotamis en Transjordanië hebben het Kalifaat aangeboden aan Koning Hussein. Deze heeft het aanbod aanvaard.” 1 Een nieuwe Kalief, Het Centrum, 07-03-1924 Het Vaderland zei betreffende dezelfde gebeurtenis: “Honderd gevolmachtigend uit verschillende gedeelten van Palestina, samegekomen met den oppersten Mohammedaanschen raad, hebben met algemeene stemmen aan koning Hussein het Kalifaat aangeboden in naam der Muzelmannen in Palestina”

Een nieuwe Islamitische Staat en een nieuwe Khalifa was echter niet wat de Britten voor ogen hadden. Dus wendden de Britten zich tot Ibn Saoed. Op een later moment terugkijkend op deze gebeurtenis beschreef de krant de Banier dit als volgt: “Het eerst waren de Engelschen er. Zij zaaiden hier reeds hun politieke zaad lang voordat de wereld van Ibn Saoed sprak, in een tijd dus dat hier nog de familie der sherifs heerschte en sherif Hoessein op den troon van den Hedzjas zat. Dezen sherif hadden de Engelschen tegen Turkije opgezet, met hem en zijn zonen organiseerden zij tijdens den wereld oorlog den opstand in de woestijn. Men liet hem echter vallen nadat gebleken was dat men hem op ’t verkeerde paard had gezet en in het Arabische spel niet de sherif van Mekka, maar deze Ibn Saoed, aan wien men eigenlijk weinig aandacht besteed had de machtigste geweest was. Met de erkenning van Ibn Saoeds kracht in de arena van den Arabischen strijd begon het Engelsche dingen naar zijn gunst. Men bood hem geld, men bood hem wapens, men bood hem diplomatieken steun … .”

Zo keerden de Ibn Saoed’s terug op de voorgrond. Met steun en toestemming van de Britten trokken zij op tegen de “Kalief” Hoessein. De Nieuwe Rotterdamsche Courant meldde in 1924: “De Temps verneemt uit Djeddah dat de Wahabieten, onder aanvoering van emier Ibn Saoed zijn in opstand gekomen tegen den koning van Hedsjas. Met een leger van 4000 man, versterkt met de bedoeïnen uit den Hedsjas, hebben zij zich meester gemaakt van Taïf.” Het Vaderland zei: “De Wahabi Arabieren hebben de steden in Hedjaz tusschen Mekka en Medina bezet. Zij vervolgen thans het leger van koning Hussein. Drie Wahabi-troepenmachten marcheeren via Hedjaz naar Transjordanië op.” En slechts korte tijd na het begin van hun opstand stonden de Ibn Saoed’s met hun leger voor poort van Mekka: “De Wahabi’s, een fanatieke Arabische stam is in opstand tegen de vazallen van het Britsche imperialisme en zij bedreigen Mekka. De bevolking van Mekka verlaat de stad in grooten getale, daar zij voor gewelddaden vreest, wanneer de Wahabis binnendringen. Het gerucht ging, dat de ministers van koning Hussein naar Jeddah vertrokken zijn en dat de regeerings-archieven en schatten aan boord van een schip in de haven van Jeddah zijn gebracht, doch volgens een later telegram zou de koning met zijn ministers zich nog te Mekka bevinden. Het kan zijn, dat zij daarheen van Jeddah terugkeerden toen bleek, dat de Wahabis niet oprukten. Volgens den correspondent van de ‘Dail Eprexss’ te Caïro zijn de regeerings-archieven en schatten naar Jeddah gezonden, doch is koning Hussein in Mekka gebleven, om de verdediging der stad te organiseeren. De Wahabis zouden 20.000 man sterk zijn. Koning Hussein kan niet rekenen op den steun van andere stamen.”

Dus nadat de Britten de Ibn Saoed’s tot hun voornaamste agent hadden gepromoveerd was het snel gedaan met Sjarief Hoessein. Volgens Het Vaderland probeerde Sjarief Hoessein nog zijn relatie met de Britten te herstellen, om te kunnen overleven: “Koning Hoessein deed een beroep op Engeland om hulp.” Maar in hetzelfde bericht maakte de krant duidelijk dat aan zijn tijdperk een einde was gekomen: “De Engelsche regeering hield zich echter afzijdig”

Opvallend in dit alles is dat de Ibn Saoed’s duidelijk gebruikt maakten van de haat die de meeste moslims voelden voor Sjarief Hoessein omdat hij samengewerkt had met de Britten tegen het Kalifaat. Het Centrum meldde: “Uit Cairo wordt bericht, dat Koning Hussein afstand van den troon beeft gedaan. Intusschen schijnen de Wahabieten Mekka nog niet te hebben genomen. Wel heerscht daar een onbeschrijfelijke verwarring en zijn vele duizenden bewoners weggevlucht. Maar indien Hussein van het tooneel verdwijnt kan de rust spoedig wederkeeren, daar het verzet der streng Mohammedanen juist ging tegen den Koning, die wegens zijn goede betrekkingen met de Engelsche regeering als een verrader van den islam werd beschouwd.” Maar onderwijl werkten de Ibn Saoed’s dus ook al jaren met de Britten samen!

Voor de Nieuw Tilburgsche Courant was het duidelijk dat Sjarief Hoessein ten onder was gegaan door zijn flirt met het Kalifaatschap: “De Engelsche regeering wilde hem echter slechts als koning van Hadjez erkennen … . Mrt. j.l. nam Hussein den titel van khalief aan: hij werd als zoodanig openlijk te Shunek in Trans-Jordanië gehuldigd en enkele dagen later door een enthousiaste menigte van Moslem-gedelegeerden uit zijn eigen konink rijk, uit Syrië en Palestina en uit de dominions van zijn twee regeerende zonen: Faical, Koning van Irak, en Abdulla, emir van Trans-Jordanië. Zijn glorie heeft echter niet lang geduurd; hij, die zich enkele maanden de hoogster heerscher van den Islam waande, is nu een gewoon burger, of liever nog minder een uitgestootene, een vluchteling, die door zijn tegenstanders als vogelvrij verklaarde behandeld wordt.”

De nakomelingen van Hoessein probeerden in eerste instantie nog iets te redden van hun positie. Waar hun vader het Kalifaatschap genomen had, namen zij hier snel afstand van, hopende dat ze dan koning zouden mogen blijven van de Britten. Het Centrum berichtte over hoe dit ging: “Notabelen uit Mekka, die thans te Jeddah vertoeven, en leidende persoonlijkheden te Jeddah, hebben hierop getelefoneerd aan den koning, dat zij het beter achten dat hij het bewind zou neerleggen ten gunste van Ali. Zij boden Ali den troon aan als constitutieneel heerscher van den Nedjaz alleen; van het kalifaat werd niet gesproken, evenmin als van een vereeniging met andere Arabische landen.” En de Nieuwe Tilburgsche Courant meldde: “Uit Cairo wordt gemeld, dat ofschoon Emir Ali, zoon van koning Hussein zijn vader opvolgt op den troon van Hedjaz hij geen aanspraak maakt op het kalifaat. Sherif Ali, de Emir van Medina, is te Mekka officieel geproclameerd tot constitutioneele koning van Hedjaz. Het feit dat hij geen aanspraak maakt op het kalifaat, wordt van groot belang geacht daar dit het twistpunt is, waarom de godsdienstoorlogen steeds plaats hebben gehad.”

Maar de Britten wilden een complete breuk met het Kalifaat en alles en iedereen die daar nog aan dacht. Dit was duidelijk voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1925: “De regeering te Angora heeft, naar men weet in 1924 het kalifaat afgeschaft. Koning Hoessein is daarna als kalief opgetreden, hetgeen een der oorzaken was waardoor hij in handen van Ibn Saud den emier der Wahibieten, is gevallen.” Dus lieten ze Sjarief Hoessein tezamen met zijn nakomelingen vallen ten gunste van Ibn Saoed, omdat die niets met het Kalifaat te maken wilde hebben. Een bericht in Het Vaderland maakte dit duidelijk: “lbn Saoed heeft een proclamatie uitgevaardigd, waarin hij zegt, dat hij niet streeft naar de heerschappij over de Hedsjaz, noch naar het Kalifaat. Hij zegt bescherming van het eigendom en persoonlijke veiligheid toe.”

In een analyse van de Ibn Saoed’s in dezelfde krant, korte tijd later, komt dit ook duidelijk naar voren: “Het verjagen van Koning Hussein beteekent het begin van een nieuwe ontwikkeling in de Monammedaansche wereld, waarbij de orthodoxie en moderne richting scherper dan vroeger tegenover elkaar zullen komen te staan. De orthodoxen wenschen een uitsluitend geestelijk opperhoofd der gemeenschap van geloovigen … . De Wahabieten zijn steeds vijandig geweest aan het Turksche kalifaat en hebben sinds langen tijd een onpolitiek uitsluitend geestelijk opperhoofd voor de Mohammedanen. … De eerste eisch dier beweging is, dat het Kalifaat of wel zal worden afgeschaft en vervangen door een Medjlis — een opperste raad van vertegenwoordigers uit alle Mohammedaansche landen — of wel dat het zal gegeven worden aan iemand, die volkomen los staat tegenover alle regeeringen en trouwens toch door zulk een Medjlis zal worden bijgestaan. Men zou aldus een volledige scheiding krijgen tusschen de Mohammedaansche religieuse organisatie en de staatsmacht.”
“Orthodoxie en Modernisme onder de Mohamedanen” Het Vaderland, 28-11-1924

Oftewel, de Ibn Saoed’s positioneerden zich als de partij die voor afschaffing van het Kalifaat was. De Britten gaven de Ibn Saoed’s daarom de macht over het Arabische Schiereiland. Het Vaderland maakte bekend dat het de Britten waren die de overgave van controle over het Arabisch Schiereiland van de clan van Hoessein naar de Ibn Saoed’s organiseerden: “Binnenkort zal te Dzjedda aan de Roode Zee een conferentie gehouden worden tusschen vertegenwoordigers van den vroegeren koning Hoessein van Hedzjas, lbn Saoed, den aanvoerder der Wababieten, en Engeland om een uitweg uit de tegenwoordige impasse te zoeken, die het gevolg is van het conflict tusschen lbn Saoed en Hedzjas. Nadat ten gevolge van den val van Mekka koning Hoessein afstand heeft moeten doen en zijn regeering de wijk heeft genomen, is men in een moeilijk parket geraakt. Wegens de groote ongerustheid in de Muzelmansche wereld en vooral wegens de politieke toestanden die nu in Arabië ontstaan zijn, heeft Engeland het besluit genomen, ofschoon bet zich tot dusver terzijde had gehouden, het initiatief te nemen tot het bijeenroepen van de conferentie.”

De kwestie van het Kalifaat tijdens de heerschappij van de Ibn Saoed’s over het Arabisch Schiereiland

Onmiddellijk na hen de macht te hebben gegeven organiseerde Groot-Brittannië de toekomst van het Arabisch Schiereiland onder de Ibn Saoed’s. Het Algemeen Handelsblad meldde eind 1925: “Uit Jeruzalem wordt gemeld; dat de vroegere ‘chief secretary’ van de regeering van Palestina, Sir Gilbert Clayten uit Bara in Midden-Arabië is teruggekeerd, waar hij twee overeenkomsten met Ibn Saoed heeft onderteekend. De eerste betreft de verhindering van overvallen van de Wahabieten, wier leider Ibn Saoed is, op naburige stammen in Mesopotamië. Deze overeenkomst volgt de lijnen welke werden vastgesteld op de conferentie der Arabische leiders te Koweit aan de Perzische Golf in het jaar 1923. De tweede overeenkomst stelt de grens vast tusschen Nesjd en Transjordanië, dat naar men weet onder Britsch mandaat staat.” De Nieuwe Rotterdamsche Courant voegde aan deze informatie toe: “Uit Kaïro wordt gemeldt, dat een overeenkomst is getroffen tusschen de Britsche regeering en Ibn Saoed, den sultan van Njed in Arabië. Ibn Saoed erkent het recht der Britsche regeering om Njed in andere landen te vertegenwoordigen, Engeland zal hem jaarlijks £ 200,000 betalen voor zijn leger.”

Het Vaderland concludeerde hieruit het overduidelijke, namelijk dat Groot-Brittannië met deze politieke manouvre de Arabische landen volledig onder haar controle had gebracht: “Het geslacht van Ibn Saoed is steeds Engelsch-gezind geweest en er schijnt geen reden om zich ongerust te maken over de grenzen tusschen Njed en de Engelsche mandaatsgebieden Irak en Transjordanie. Ibn Saoed heeft zelfs reeds een overeenkomst gesloten met deze staten.”

Hierna mocht Ibn Saoed van de Britten de positie claimen die hij graag wilde hebben. In 1926 meldde de Nieuwe Rotterdamsche Courant: “Een telegram uit Kaïro meldt, dat volgens berichten uit Dzjeddah Ibn Saoed, de emier van Nadzjd, zich in de Heilige Stad tot koning van Hedzjas heeft laten uitroepen.” De Nieuwe Rotterdamsche Courant meldde ook dat de nieuwe grondwet vastlegde dat het land van Ibn Saoed een nationalistische monarchie zou zijn, en niet een Kalifaat: “De Omm ol Cora (de staatscourant van den Hedjaz) van verleden week maakt de desbetreffende bepalingen van den 31 Safar 1343 (Hegira). di. 29 Augustus 1926, openbaar. Zij komen in hoofdzaak op het volgende neer: Het Koninkrijk van den Hedjaz, binnen zijn bekende grenzen, is een en ondeelbaar. Het is een Moslimsche monarchie, volkomen souverein naar binnen en naar buiten. De hoofdstad is Mekka, de officieele taal het Arabisch.”

Hiermee was de kwestie van het Kalifaat op het Arabische Schiereiland tot een (voorlopig) einde gekomen. Ibn Saoed begon onmiddellijk hierna te werken om deze kwestie ook in de andere moslimlanden te beëindigen. Enkele weken na de kroning van Ibn Saoed, in februari van 1926, maakte de Al Azhar uiversiteit in Cairo bekend een congres te zullen houden over de kwestie van het Kalifaat. De moslims van alle landen werden voor dit congres uitgenodigd om samen te onderhandelen over wie de nieuwe Kalief zou moeten worden, en hoe deze benoemd zou moeten worden. Volgens de Tilburgsche Courant: “De groot-sjeik van de Asjbar [Azhar]-moskee, die voorzitter is van het algemeene Islamitisch kalifaat-congres, maakt bekend, dat er 13 Mei een congres te Kaïro zal worden bijeengeroepen. De Mohammedaansche vereenigingen in verschillende Islamitische landen zijn telegrafisch bijeengeroepen om zoo spoedig mogelijk de namen van hun afgevaardigden ter conferentie en den datum van hun aankomst in Egypte mede te deelen.” Het Algemeen Handelsblad informeerde haar lezers over wat precies op de agenda stond voor dit congres: “Op 13 Mei zal te Kairo onder voorzitterschap van den rector der universiteit van Al Azhar de kalifaat-conferentie worden gehouden. Op de agenda komen o.a. voor een bespreking der geschiedenis van het Kalifaat, de eischen waaraan een Kalief moet voldoen, de wijze van verkiezing, de huidige mogelijkheid of iemand thans aan de eischen voor het kalifaat kan voldoen en indien dit onmogelijk blijkt, wat er dan gedaan moet worden.”
De kalifaatconferentie te Kairo, Algemeen Handelsblad, 30-04-1926

Ibn Saoed reageerde op dit initiatief voor het Kalifaat door zelf ook een congres te organiseren. Het Rotterdamsch Nieuwsblad berichtte: “Islamitische Congres bij Ibn Saoed. De koning van den Hedzjas heeft tot de geheele Mahomedaanse wereld uitnoodigingen gericht tot het bijwonen van een Mahomedaans congres, dat in zijn land gehouden zal worden.” Toen sommige moslims hierin een teken zagen dat ook Ibn Saoed het Kalifaat wilde redden, maakte hij snel duidelijk wat hij dit niet van plan was zijn congres. In het artikel “Het merkwaardige Khalifaatscongres te Mekka begonnen” meldde het Rotterdamsch Nieuwsblad: “Het Britsch-Indische kalifaatscomite heeft te Cawmpore stormachtig Ibn Saoed’s candidatuur voor het kalifaat gesteld. Echter heeft deze die candidatuur uitdrukkelijk afgewezen. … Zeker is dat dit congres voor hem een heel andere betekenis heeft: goede betrekkingen met alle deelen der Islamwereld aan te knopen … .” In een ander artikel maakte dezelfde krant duidelijk wat Ibn Saoed wel wilde: “Thans is echter te Mekka een door den Wahabi-sultan, Ibn Saoed pan-islamitisch congres bijeengeroepen, dat het Mahomedaanse probleem langs den weg van de hervorming van den Islam en het nationalisme tot stand wil brengen. Ibn Saoed … streeft naar niets minder dan de schepping van een Mahommedaanse Volkenbond … .”
Het Pan-Islamitisch Congres te Medina, Het Vaderland, 21-08-1926

Korte tijd later bleek dat het Kalifaat in het geheel niet op de agenda stond van Ibn Saoed’s congres. In wederom het Rotterdamsch Nieuwsblad: “Van groot belang was al dadelijk de rede, waarmede de sultan der Wahabi, Ibn Saoed het congres opende en waarin hij den wensch uitsprak, dat het congres voor altijd de solidariteit van alle geloovigen zou bevestigen. Daarmede stelde hij het program voor het congres vast. Op merkelijk was de nadruk, die Ibn Saoed in zijn rede legde op het geestelijke en het godsdienstige.” Het Vaderland meldde verder over de agende van Ibn Saoed’s congres: “Toen Jalatsch Malik Sultan ibn Saoed … de groote pan-Islamitische verzameling opende, verklaarde hij in zijn welkomstrede … dat de Hooge en Verheven Vergadering haar kostbaren tijd niet had te ‘verspillen’ met beraadslagingen over aangelegenheden welke de politiek van Hejaz raakten… . Het Congres werd verzocht zich te willen bezighouden met den bouw van spoorwegen tusschen Djeddah (haven) en Mekka, van de Heilige Plaats naar de Hedjaz-spoorweg te Medina en van daar naar de haven van Yambo aan de Rode Zee; verder met het aanschaffen van veldlazaretten voor de pelgrims, met het verbeteren van de watervoorziening uit het Zoehaida kanaal en met den aanleg van breede wegen rond de ‘Haram’. In één woord slechts over aangelegenheden welke uitsluitend het bevorderen van de bedevaart betroffen en geen politieken betekenis hadden.” Met andere woorden, Ibn Saoed had zijn congres georganiseerd om te voorkomen dat de moslims de kwestie van het Kalifaat zouden bespreken.

Het Vaderland meldt in 1929, vervolgens, dat Ibn Saoed de deur naar het Kalifaat voor eens en voor altijd probeerde te sluiten door een wet uit te vaardigen die het de moslims verbood om nog na te denken over het Kalifaat: “lbn-al-Saoed, het hoofd der Wahabieten, heeft kortelings als koning over de Hedjaz, Nedzjd en verdere landen voorschriften gegeven nopens de wijze waarop zijn onderdanen, en in het algemeen een ieder in zijn landen zich hebben te gedragen ten opzichte van aangelegenheden en vraagstukken van godsdienstigen en politieken aard. Zulke vraagstukken en aangelegenheden mogen door het volk niet worden onderzocht en uitgelegd. Zulks komt alleen den oeloema’s (schriftgeleerden) toe die den Koran en de Overleveringen van den Profeet te hunner beschikking hebben om hen voor te lichten. Het is personen en vereenigingen verboden politieke of godsdienstige aangelegenheden te bespreken, dan op aanstichten van het gouvernement.”

Toen in 1931 de moslims te Palestina een nieuw Kalifaat-congres wilden organiseren, reageerde Ibn Saoed zoals voorheen bij het Kalifaat-congres in Cairo. Het Algemeen Handelsblad meldde: “In aansluiting op het bericht, waarin gemeld werd, dat de neef van den ex-sultan van Turkije, Abdoel Medsjid, naar Jeruzalem zou komen ter bijwoning van een Mohammedaansch congres aldaar, wordt thans bekend gemaakt, dat de plannen voor dit congres voornamelijk zijn uitgegaan van Sjawkat Ali.” Gelijktijdig sprak het Algemeen Handelsblad de verwachting uit de Ibn Saoed zich niet achter dit initiatief zou scharen: “De plannen hebben bij de verschillende Islamitiesche heerschers groote opschudding verwekt, en waarschijnlijk zullen allen sterk tegen de aanbieding van het kalifaat aan Abdoel Medsjid gekant zijn. … Ook op instemming van den Sjah van Perzië en van de Arabische heerschers als koning Feisoel van Irak, zijn broer Abdoellah, emir van Frans Jordanië, koning Abdoel-Aziz-ibn-Saoed van Nedjed en de Hedjaz en de groot-Imam Djaja van Jemen, valt niet te rekenen.”

En inderdaad keerde Ibn Saoed zich tegen dit initiatief, ook nu door een tegencongres te organiseren. Het Vaderland meldde: “Ibn Saoed organiseert een conferentie in Mekka als antwoord op het congres van Jeruzalem.”

Terugkijkende op de kwestie van het Kalifaat kwam Het Vaderland daarom in 1939 tot de volgende conclusie: “Het eigenlijke probleem van elke Arabische concentratie [eenheid] is het probleem der hegemonie. En deze zal op onaanvechtbare wijze bij dien Arabischen staat berusten, welks hoofd tot kalief aller geloovigen wordt benoemd. (…) Maar ook koning lbn Saoed ls pretendent. Wel heeft hij eens een voorstel, om hem tot kalief uit te roepen, van de hand gewezen. Hij is een verstandig man, die begreep, dat de toestand daar niet rijp voor was. En zijn politiek was erop gericht, om vooral elke beslissing in de kalifaatskwestie te voorkomen.”

De Kalifaatskwestie, Het Vaderland, 27-01-1939
Conclusie

Voor de Nederlandse kranten was het dus duidelijk dat men vor wat betreft Ibn Saoed met een agent van Groot-Brittannië van doen had, al wiens successen uit de koker van de Britten kwamen. De terugblik op de heerschappij van Ibn Saoed door de Limburger Koerier in 1938 maakt dit eens te meer duidelijk: “Ibn Saoed, de kroonprins van den Hedsjas, is naar Londen getrokken om daar met de competente regeeringsinstanties de situatie in Palestina, In Arabië en in den geheelen Oriënt te bespreken. (…) Grijpt men slechts dertig jaren terug, dan ontmoet men hem ergens in de Orient, een prins die uit den Hedsjas verdreven is en als emigrant onderdak zoekt. Hij vond dit onderkomen en den noodigen steun bij de agenten van den Engelschen Intelligence Service en bij William Knox d’Arcy (…). Deze mensen intereseerden zich voor Ibn Saoed (…). Met de steun van den Intelligence Service en van William Knox ondernam Ibn Saoed een aanval op Riyaadh, de hoofdstad van den Hedsjas.”

Dat Ibn Saoed gehoorzaam de wensen en verlagens de Britten volgde, in iedere politieke kwestie, wekte dan ook geen verbazing. Uit Het Hieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië van 1937: “Volgens te Caïro ontvangen berichten heeft Ibn Saoed, de heerscher van den Hidjaaz, het Pan-Arabische congres, dat ter gelegenheid van den jongsten pelgrimstocht te Mekka zou plaatshebben en dat georganiseerd was door dèn vroegeren Groot- Moefti en andere Arabische leiders, verboden. Ibn Saoed gaf hierbij gevolg aan door de Engelsche regeering uitgesproken wenschen.” Het Vaderland melde in 1937 hoe Ibn Saoed ook de Britse plannen voor Palestina ondersteunde: “Uit Londen: Koning Ibn Saoed van Arabië heeft een wet afgekondigd, die de doodstraf stelt op deelneming aan de ongeregeldheden in Palestina door de onderdanen van Saoedisch Arabië. De patrouilles aan de noordelijke grens van den Hedzjas zijn in verband hiermede verstrekt.” Oftewel, als loyaal agent deed Ibn Saoed ook zijn deel om het Britse plan voor Palestina, de kolonisatie door de zionisten en de verdrijving van de moslims, zo vlotjes mogelijk te laten verlopen.

De Nederlamdse kranten realiseerden zich dan ook dat Ibn Saoed de religie slechts gebruikte voor zijn politieke doeleinden. Oftewel, dat hij Islam misbruikte om de moslims onder controle te kunnen krijgen en houden. De Limburger Koerier verwoorde dit in 1938 op de volgende wijze: “Intussen is later steeds weer gebleken dat Ibn Saoed met zij Wahabieten weliswaar groote successen behaalde, zelfs Mekka en Medina veroverde, echter in de realiseering der strenge geboden van de Wahabieten de grootste toegeeflijkheid aan de dag legde.”

De Britten deelden het profijt in hun agent Ibn Saoed ook met Nederland. Al de problemen die het Kalifaat Nederland had bezorgd in Nederlands-Indië werden door Ibn Saoed opgelost, zo meldde de Nieuwe Rotterdamsche Courant al in 1926: “Zoolang Bin Sa’oed de teugels van het bewind in handen hoeft, zijn de betrekkingen, die hij met de vertegenwoordigers van Nederland — den consul te Djeddah en den Javaanschen viceconsul te Mekka — onderhield, zoo aangenaam mogelijk geweest, zeer ten gerieve van de Nederlandsche onderdanen, die zich door hun godsdienst verplicht achten, de heilige steden van Arabië te bezoeken. De meeste moeilijkheden, die onder het Oud-Turksche regime en onder dat van Koning Hoesein telkens terugkeerden, werden in vriendschappelijk overleg uit den weg geruimd.”

Het Nederlandse koningshuis was Ibn Saoed hier zo dankbaar voor dat ze in 1935 vertegenwoordigers van koning Ibn Saoed hoge officiele onderscheiding gaf toen dezen op bezoek kwamen. Uit het Nieuwsblad van het Noorden: “H. M. de Koningin heeft den Prins het Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau verleend. De lijfarts van den Prins werd benoemd tot officier in die Orde, tot ridder in deze Orde is benoemd de secretaris van den directeur van Buitenlandsche Zaken Mohammad Shaikho. De eere-medaille in zilver v. d. Oranje-Nassau Orde werd toegekend aan de heeren Fahd bin Kraidis en Saleh al ‘All gardisten van den Prins.”

En deze geschiedenis laat er geen twijfel over bestaan wat de huidige realiteit van de Ibn Saoed’s is – voor wie hier nog aan twijfelde.

Comments

comments

DELEN