“Het Kalifaat in de Nederlandse media” is een artikelenserie die de geschiedenis van de Islamitische Staat Al Khilafa van de moslims onder de loep neemt op basis van historische Nederlandse kranten. Het doel hiervan is om te achterhalen wat de geschiedenis van de Khilafa van de moslims werkelijk is. Is deze zoals de westerse geschiedschrijvers zeggen, of is deze toch anders? En als de geschiedenis van de Khilafa van de moslims anders is dan de westerse geschiedschrijvers zeggen, hoe is deze dan werkelijk?

Focus van dit artikel

In dit derde deel van de artikelenserie “Het Kalifaat in de Nederlandse media” een analyse van de reactie van de moslims op de afschaffing van het Kalifaat. In de landen die het Kalifaat uitmaakten wordt het tijdperk van het Kalifaat gewoonlijk negatief voorgesteld dor de geschiedenisboeken. Er wordt daarom ook gezegd dat de moslimmassa’s destijds vooral blij waren met de afschaffing van het Kalifaat. Mogelijk is deze bewering correct, maar er zijn in de huidige tijd aanwijzingen die een mens hieraan doen laten twijfelen. Bijvoorbeeld, de moslimmassa’s in de moslimwereld tegenwoordig praten in hoofdzaak positief over hun geschiedenis in het Kalifaat. Het sentiment vóór terugkeer van Islam in regeren, ter vervanging van de systemen waarmee de moslims sinds de afschaffing van het Kalifaat mee zijn geregeerd, is ook sterk. De vraag is dus, hebben de moslims de herinnering aan de –volgens hun geschiedenisboeken – treurige geschiedenis van het Kalifaat verdrongen? Of zijn deze geschiedenisboeken niet een correcte weergave van de geschiedenis van het Kalifaat en de moslimreactie op de afschaffing van deze? Deze kwestie kan onderzocht worden door te kijken naar wat de Nederlandse kranten rapporteerden aan moslimreacties op de afschaffing van het Kalifaat, op het moment dat dit gebeurde.

De achtergrond tot de afschaffing van het Kalifaat

De officiële afschaffing van het Kalifaat vond plaats op de 3e dag van maart, 1924. De ondergang van het Kalifaat, waar de officiële afschaffing van het Kalifaat het sluitpunt van was, was echter niet een gebeurtenis van één dag. Dit was een proces waar door verschillende partijen vele jaren aan was gewerkt. Vanuit het perspectief van degenen die afschaffing van het Kalifaat wensten en hieraan werkten, kunnen drie gebeurtenissen essentieel genoemd worden in dit process.

Ten eerste de afzetting van Khalifa Abdoel Hamied II door de Jonge Turken beweging, in de periode 1908 – 1909, en de aanstelling van Raasjid Effendi – de broer van Abdoel Hamied – als nieuwe Khalifa. Van Khalifa Abdoel Hamied is algemeen bekend dat hij een sterk voorstander was van het Kalifaat en dat zijn regeerperiode in teken stond van het versterken van het Kalifaat. Raasjid Effendi, daarentegen, oftewel Khalifa Mehmed V, was een zwakke persoonlijkheid die zich tot het moment van zijn aanstelling als Khalifa eigenlijk nooit met politiek bezig gehouden had. De vervanging van Abdoel Hamied door Raasjid Effendi was daarom een belangrijke overwinning voor degenen die werkten aan beëindiging van het Kalifaat. Het tweede belangrijke moment in de geschiedenis van de ondergang van het Kalifaat is de uitroeping van de Turkse Republiek op 1 november 1922 [1]. De positie van Khalifa Mehmed VI werd hiermee een louter symbolische positie, vergelijkbaar met de positie van het koningshuis in Nederland en België. Khalifa Mehmed VI vertok hierop uit Istanboel en werd opgevolgd door Abdoel Madjied II. De offiële afschaffing van de post van Khalifa in de Turkse Republiek, ten slotte, en de uitzetting van de laatste Khalifa Abdoel Madjied II en diens familie op 3 maart 1924, was de zogenoemde nagel in de doodskist van het Kalifaat. Het is als zodanig het derde breekpunt in de geschiedenis van de ondergang van het Kalifaat.

Voor een correcte inschatting van het sentiment onder de moslimmassa’s moet voor al deze gebeurtenissen gekeken worden naar hun reactie.

De reactie op de afzetting van Khalifa Abdoel Hamied II

Tijdens de 19e eeuw werd het onontkenbaar dat de Islamitische Staat aan het afgleiden was. Er ontstonden verschillende bewegingen die iets aan de situatie wilden doen, en één daarvan was de Jonge Turken partij. De Jonge Turken wilden Turkije hervormen naar het voorbeeld van Groot-Brittannië en Frankrijk. Het Algemeen Handelsblad schreef in 1899 over de oprichter van deze beweging, Ahmed Riza bey: “In staat gesteld aan de landbouwschool van Grignan maakte hij zich daar de Europeesche vrijheidsideeën eigen… . In het begin van 1896 (verliet hij) het land en week uit naar Londen. Van daar uit begaf hij zich naar Parijs en Genève, waar hij … zich aan het hoofd der Jong-Turksche beweging stelde.”

De Jonge Turken waren tegen het Kalifaat, derhalve, en zij werkten om de macht van de Khalifa te beëindigen. Volgens de Nederlandse kranten gebruikten zij hiervoor alle mogelijke middelen. Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië maakte op 19 augustug 1905 bijvoorbeeld melding van een bomaanslag op Khalifa Abdoel Hamied II: “Hij weet nu in elk geval dat hij vijanden heeft, Abdul Hamid. Want een kwajongens dreigbommetje was het projectiel niet, dat … tachtig mensen vermassacreerde. Het was een echte bom om te verwoesten.” De Nieuw Tilburgsche Courant bevestigde dat de Jonge Turken achter deze dad schuil gingen: “Aan de muren der moskees te Konstantinopel zijn plakkaten bevestigd, waarin verklaard wordt dat de tegenwoordige Sultan onwaardig is op den troon te blijven, dat hij behoort te ‘verdwijnen’ en dat het tegenwoordige regime onhoudbaar is. Het manifest eindigt met de woorden: ‘Recht en vrijheid zijn onze principes’, en is onderteekend: ‘het Turksche revolutionaire comité’. Men beschouwt te Konstantinopel dit incident als zeer ernstig, daar er uit blijkt dat de aanslag op den Sultan het werk is geweest van leden der Jong Turksche partij.”
“Een bedreiging tegen den Sultan”, Nieuw Tilburgsche Courant, 19-08-1905

De Jonge Turken wisten vooral aanhang te vergaren onder de soldaten van de Khilafa die in Europa gelegerd waren, op de Balkan en in Griekenland. Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië meldde dat op 22 juni 1908 deze troepen in opstand kwamen tegen hun aanvoerders: “Muiterij in het Turksche Leger. De moordaanslagen op Turksche officieren, welke vermoedelijk bedreven worden door aanhangers der Jong Turken-partij … houden aan in Macedonië. De luitenant-kolonel der Turksche troepen in Sares werd vermoord, Mates Sarif werd vermoord in Dibra en de Turksche luitenant-kolonel in Salonika werd gewond.” Khalifa Abdoel Hamied II raakte zo bewust van de rijzende macht en invloed van de Jonge Turken en werkte om te voorkomen dat zij hun doel – afschaffing van het Kalifaat – zouden realiseren. In antwoord op de rebellie in zijn leger in het westen kondigde hij daarom op 24 juli 1908 de instelling van een grondwet en een parlement voor de Islamitische Staat aan, precies zoals de Jonge Turken hadden eisten. Het Rotterdamsche Dagblad berichtte hierover als volgt: “Niet alleen voor Turkije, maar voor gansch Europa zal Vrijdag 24 Juli 1908 een historische dag van groote beteekenis genoemd kunnen worden. Wat men weinig weken geleden nauwelijks voor mogelijk gehouden had, is geschied: Turkije heeft een grondwet en een parlement gekregen.” Maar Khalifa Abdoel Hamied II wilde hierdoor niet werkelijk toegeven aan de eisen van de Jonge Turken. Door zelf te doen wat de Jonge Turken probeerden te realiseren wilde hij hen de wind uit de zeilen nemen en de situatie onder zijn controle te houden. De Jonge Turken waren zich bewust van deze manouvre van Khalifa Abdoel Hamied II volgens het Rotterdamsch Dagblad op 28 junin 1908, waarin de Jonge Turken als volgt geciteerd worden: “Wij leggen de wapens niet neer, maar wachten af, tot het parlement bewijzen van zijn goede wil en zijn macht gegeven heeft. ”

Op 12 augustus 1908 maakt het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië duidelijk dat de Jonge Turken het plan van Khalifa Abdoel Hamied II deden mislukken: “Het is al heel moeilijk een juist beeld van den toestand op het oogenblik te geven. Er worden weinig betogingen gehouden en het ziet er dus op het oog kalm uit. Toch kan men aannemen dat er zich nog wel moeilijkheden zullen voordoen.… Niet het minst heeft daartoe het Jong-Turksche comité bijgedragen, dat den noodigen druk op de regeering heeft uitgeoefend. … reeds drie ministers van dit kabinet in hechtenis, waaronder de oud-minister van Marine, Hassan Rashmi Pasja …. Verder Tahsin Pashja eerste-secretaris van den sultan; Raghib Pasja en Faik Pasja, kamer heeren, en Ebdoel Houda, de sterren wichelaar, die naar het schijnt een grooten invloed op Z(ijne) M(ajesteit) gehad heeft. Dagelijks vermelden de couranten de afzetting van verschillende invloedrijke beambten, die allen door vooruitstrevende personen vervangen worden, natuurlijk tot de Jong Turksche partij behoorende.” Met andere woorden, langzaam maar zeker duwden de Jonge Turken meer van hun eigen mensen naar voren in invloedrijke plaatsen, ter vervanging van mensen die loyaal waren aan de Khalifa en het Kalifaat.

Ook op andere terreinen werkten de Jonge Turken om hun invloed te vergroten, bijvoorbeeld in de media. Het Algemeen Handelsblad maakte bijvoorbeeld op 14 april 1909 melding van de moord op een vooraanstaande journalist die voor de Khilafa en tegen de Jonge Turken was: “Dat in het zogenaamd vernieuwde Turkije niet alles was, zooals men had verwacht dat het zou worden, … was voor hen, die met de toestand enigszins op de hoogte zijn, reeds lang geen geheim meer. … De moord op Hassan Fehmi, hoofdredacteur van de Serbesti, was een der eerste gewelddadige uitingen van de onderlinge tweedracht [2] … . Deze opzienbarende moord wordt, misschien niet ten onrechte, op rekening gesteld van het Jong Turksche comité, dat door Fehmi in zijn blad op de heftigste wijze was bestreden.” Het kookte in de Islamitische Staat, met andere woorden, en het wachten was op de komst van de open confrontatie tussen de aanhangers van de Islamitische Staat, de zogenoemde “Oude Turken”, en de aanhangers van het secularisme, de Jonge Turken.

Op 15 april 1909 maken de Nederlandse kranten melding dat deze confrontatie begonnen was. De Tilburgsche Courant schreef: “Soldaten, niet door officieren aangevoerd, hebben zich Dinsdag voor het parlementsgebouw verzameld, waar zij een betooging hielden, bedoeld als protest tegen de houding van sommige afgevaardigden van het Comité van Eenheid en Vooruitgang [3], die in strijd wordt geacht met de wetten van den Islam. Een officier werd gedood. De opwinding is vrij groot in Stamboel waar alle winkels en magazijnen gesloten zijn. Een nader bericht meldt: De toestand is ernstig. De opstandelingen hebben zich wel is waar niet meester gemaakt van den zetel der regeering, maar zij hebbeen het parlementsgebouw bezet, waar zij echter de afgevaardigden in- en uit laten gaan. De gewapende bevolking, die zich bij de troepen heeft gevoegd, en het garnizoen schijnen voor het grootste gedeelte den opstand gunstig te zijn. … Later ontvangen telegrammen uit Konstantinopel geven niet duidelijk de oorzaak der onlusten aan, maar beweren, dat het omverwerpen van het ‘Comité van Eenheid en Vooruitgang’ het hoofddoel der beweging was. … De kreten om vrijheid maakten in den loop van den dag voor gejuich voor den sultan plaats.” De massa’s in Istanboel, zowel het volk als het leger, schaarden zich in het conflict tussen de Islamitische Staat en de Jonge Turken dus achter Khalifa Abdoel Hamied II. De Jonge Turken reageerden hierop door de troepen die zij controleerden op de Balkan en in Griekenland naar Istanboel op te laten trekken. Het Nieuws van de Dag meldde op 19 april 1909: “Van Vrijdag af marcheeren de ‘Jong-Turksche’ troepen naar Constantinopel. Het derde legerkorps van Saloniki, dat in zijn geheel trouw is gebleven aan het comité, het tweede legerkorps van Adrianopel, en daarbij tal van vrijwilligers, Macedoniërs, Bulgaren en anderen, komen per trein of te voet naar Constantinopel om — zoo zeggen ze — voor de grondwet te vechten, wanneer het noodig mocht zijn.” Volgens de Nederlandse kranten omsingelden de Jonge Turken Istanboel met omstreeks 100,000 soldaten. Deze overmacht was teveel voor de aanhangers van de Islamitische Staat, en de Jonge Turken waren daarom in staat om Khalifa Abdoel Hamied II af te zetten. Volgens wederom het Nieuws van de Dag, ditmaal van 28 april 1909: “Sultan Abdul Hamid van Turkije is onttroond en zijn oudste broeder, Prins Resjad Efïendi, is onder den naam van Mehmed (Mohammed) den Vijfde tot Sultan uitgeroepen. De groote slag is gevallen; wat de Jong-Turken in Juli j.l. niet hebben gedurfd of gewild, hebben zij thans volbracht.”

Kort na deze gebeurtenis kwam het Algemeen Handelsblad met een analyse van de gebeurtenissen in Turkije, die duidelijk maakte hoe de massa’s in de Islamitische Staat tegen de staatsgreep van de Jonge Turken aankeken. Op 30 april 1909 schreef de krant: “Uit Macedonië komen berichten, dat de tijding van de troonswisseling met grote vreugde is vernomen, maar daarmede is niet gezegd … dat de boeren op het platteland en de kleine burgerij in de provinciesteden er eveneens mee ingenomen zijn. … En nu dringt zich de vraag op, of de gewone burgerman te Konstantinopel, die, volgens berichten, bij de gebeurtenissen van den jongsten tijd zich alles behalve geestdriftig heeft betoont, niet misschien nog zal overslaan tot opstand tegen de tegenwoordige machthebbers. … Toen in het vorige jaar de beweging tegen het absolutisme [4] begon, werd zij in Anatolië, het kernland van het Ottomaansche rijk, opgevat als een bevrijding van het onverdragelijke juk der ambtenaren-heerschappij. Men meende, dat thans de tijd was aangebroken, waarin de burger zich kon onttrekken aan elke verplichting tegenover den staat en het natuurlijke gevolg van dezen opvatting was dan ook, dat op verschillende plaatsen geweigerd werd belasting. Haat of wrok tegen de Sultan waren daarbij echter geenszins in het spel. … Menig Muzelman leeft immers nog heden ten dage in de overtuiging, dat de ambtenaar en officier een soort slaaf van de Grooten Heer is. … De belastingdruk en de afpersingen weet hij (de Anatolische boer) niet aan den padisjah, maar aan de ambtenaren, van wier juk hem, naar hij meende, de nieuwe grondwet zou bevrijden.“ Deze uiteenzetting van de gevoelens onder het gewone volk maakt duidelijk dat zij niet achter een afschaffing van het Kalifaat stonden. Zij zagen het bestaan van de Islamitische plicht nog altijd als een Islamitische plicht op hen. Maar ze waren ontevreden met de manier waarop ze geregeerd werden, en wilden daarom hervormingen van de Islamitische Staat. Daarom steunden sommigen van hen de Jonge Turken, en werkten anderen niet tegen de Jonge Turken, omdat zij dachten dat de Jonge Turken met hun plannen de Khilafa zouden helpen om het bestuur van de Islamitische Staat te verbeteren.

Onder het het leger was de situatie hetzelfde, zo maakt de analyse in het Algemeen Handelsblad verder duidelijk. Het artikel maakte namelijk ook bekend dat de soldaten die de Jonge Turken in staat hadden gesteld om Khalifa Abdoel Hamied II af te zetten en te vervangen, tegen iedere poging om het Kalifaat af te schaffen waren: “Hoe ontzaglijk groot de invloed van den Islam is op de geloovigen, is immers gebleken uit het feit dat dezelfde jagersbataljons uit Saloniki, die feitelijk naar de hoofdplaats waren gezonden als lijfgarde van het comité … de slachtoffers zijn geworden van verdachtmakingen en influisteringen, dat hunne officieren het heilige recht met voeten treden.” Oftewel, toen het gerucht zich verspreide dat de Jonge Turken tegen het regeren met Islam waren, keerden ook de soldaten die aan de zijde van de Jonge Turken waren opgetrokken naar Istanboel zich tegen hen. Dit betekent dat ook zij de Jonge Turken hadden gholpen omdat ze dachten dat zij hierdoor de Islamitische Staat hielpen.

Er was sprake van een misverstand, met andere woorden. De massa’s realiseerden zich niet dat de Jonge Turken uiteindelijk afschaffing van het Kalifaat wilden realiseren. Zij dachten dat de Jonge Turken het Kalifaat wilden helpen. De analyse in het Algemeen Handelsblad meldde dat de Jonge Turken bewust dit misverstand gecreëerd hadden. Ze hadden de soldaten bijvoorbeeld bewust misleid: “Bij de oproeping had men hun gezegd, dat zij ten oorlog zouden trekken tegen Oostenrijk-Hongarije en daartegen maakten zijn geen bezwaar, wel echter, toen hun werd gelast te strijden tegen broederen.” En volgens het Algemeen Handelsblad deden de Jonge Turken hun best om ook tegenover het volk hun ware doelen te verhullen: “Gedurende de laatste maanden is er in berichten uit de Turksche hoofdstad herhaaldelijk op gewezen, dat de liberalen [5] door onvoorzichtigheden de massa dikwijls in hare heiligste gevoelens hebben gekwestst. De nieuwe machthebbers zullen echter wel zorgen in het vervolg niet in die fouten te vervallen. … Zij zullen van de fatwa van den sjeich-ul-Islam wel een verstandig gebruik maken, ten einde de groote meerderheid der geloovigen te overtuigen, dat de troonswisseling rechtens geschied is.” De Jonge Turken deden dus hun best om de mensen te laten denken dat ze voor Islam waren. De mensen keerden zich namelijk tegen hen als het ook maar leek alsof ze tegen Islam waren. De mensen waren dus duidelijk nog steeds voor Islam.

Bewust van deze misleiding concludeerde het Algemeen Handelsblad in haar artikel daarom dat de Jonge Turken uiteindelijk wel in repressie van het volk van moesten vervallen. Want de massa’s wilden een wederopleving van het Kalifaat, terwijl de Jonge Turken op afschaffing van het kalifaat uit waren: “Het zal wel niet te vermijden zijn, dat door krachtig militair optreden nu en dan het bewijs geleverd zal moeten worden, dat de tegenstand gebroken is.” Volgens het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië, overigens, was repressie van het sentiment onder de moslimmassa’s van begin af aan de methode ter verandering van de Jonge Turken geweest: “Wat hier in de nacht van Maandag op Dinsdag 13 april en dien dag voorgevallen is, heeft het klaarste bewijs gebracht, dat de Jong-Turksche hoofdmannen zich enkel en alleen staande hebben kunnen houden, zoolang zij konden steunen op de bajonetten van het leger, maar dat zij in en onder het volk op geen enkelen verdediger konden rekeken.”

De reactie op de uitroeping van de Turkse Republiek

De Nederlandse kranten waren zich bewust van de ware betekenis van de uitroeping van de Turkse Republiek in 1922 door Moestafa Kemal. Het Vaderland schreef op 4 november 1922 bijvoorbeeld: “Het heele Ottomaansche rijk was in zekeren zin een theocratie. De Koran deed er in vele gevallen dienst als wetboek. De beslissing welke thans te Angora [6] genomen is komt feitelijk neer op een scheiding van kerk en staat. Immers het sultanaat wordt afgeschaft en zijn rechten op de nationale vergadering overgedragen terwijl het kalifaat behouden blijft en zelfs aan een lid der Osman-familie zal worden opgedragen. De Kerk moet afstand doen van haar wereldlijke macht. Turkije kan nu een volkomen moderne geseculariseerde staat worden.” Dat de blijdschap van Het Vaderland niet door al de moslims gedeeld werd, maakte hetzelfde artikel ook duidelijk: “Het besluit schijnt overigens niet zonder verzet genomen te zijn. Den correspondent van de Times te Konstantinopel seinde namelijk, dat een groot aantal afgevaardigden uit de Oostelijke landsdeelen de vergaderingen onder protest verlaten.”

Uit de Nederlandse kranten blijkt verder dat het einde van het Kalifaat toen nog geen uitgemaakt zaak was. Omdat grote groepen mensen het hier niet mee eens waren. Op 6 november 1922 schreef Het Vaderland: “In verschillende Turksche wijken van de stad duren de betoogingen voort. De toestand is zeer delicaat en vernomen wordt, dat de Sultan weigert af te treden, ook als Kalief.”

In een bericht op 28 november 1922 maakt Het Vaderland duidelijk hoe Moestafa Kemal zijn beslissing om het Kalifaat effectief af te schaffen en enkel in naam nog te laten bestaan, probeerde door te zetten: “Volgens berichten uit Konstantinopel wordt het meer en meer duidelijk, dat Medjid’s kalifaat eerder een Turksch dan een pan-islamietisch karakter draagt. Mufid Effendi, voorzitter van de delegatie van Angora, kondigt aan, dat voortaan de gebeden, waarin de naam van den kalief wordt genoemd, in alle moskeeën te Konstantinopel in het Turksch in plaats van in het Arabisch moeten voorgelezen worden. Voortaan zal het Turksch mohamedanisme in den beperkten zin de staatsgodsdienst zijn. Duizenden Turken vreezen de gevolgen hiervan voor de islamietische eenheid, maar durven niet in het openbaar te protesteeren.” De beperking van de rol van de Khalifa was dus een welgekozen stap om de moslims langzaam te laten wennen aan een leven zonder Islamitische wetten en systemen, alvorens de Khilafa compleet af te schaffen. En de moslims die zich dit realiseerden werden middels tirannie bang gemaakt om zich tegen deze eerste stap te verzetten.
“De strijd om het Kalifaat”, Het Vaderland, 18-12-1923

Dat Moestafa Kemal feitelijk inging tegen de wens van de moslims blijkt verder uit een bericht in Het Vaderland van 2 mei 1923: “De propaganda der oppositie is trouwens zeer bemoeilijkt door de onlangs uitgevaardigde wet ter bescherming der republiek: alle tegenstanders der nieuwe grondwet worden daardoor schuldig verklaard aan landverraad en kunnen als zoodanig vervolgd worden. Die dictatoriale maatregelen zullen zeer waarschijnlijk tot gevolg hebben, dat de meerderheid van Moestafa Kemal nog grooter zal zijn dan aanvankelijk verwacht werd.” Ook ruim 4 maanden na de officiële afschaffing van het Kalifaat was het dus nog niet zeker of Moestafa Kemal inderdaad stand zou kunnen houden, omdat er toen nog immer oppositie werd gevoerd tegen zijn besluit. De kracht van deze oppositie blijkt uit het feit dat Kemal “dictatoriale maatregelen” moest treffen. Als het volk achter zou hebben gestaan, dan zou dit niet nodig zijn geweest!

Het Algemeen handelsblad vatte de stand van zaken na de uitroeping van de Turkse Republiek samen op 25 oktober 1923: “De Anatolische Turk is, wat zijn geestelijk leven betreft, de Turk der Middeleeuwen. Hij leeft nog heelemaal in het theocratisch-militaire systeem, waarop het Turksche rijk in zijn glansperiode gebaseerd is en waarvan de absolutistische Sultan-Kalief de emanatie is, het geestelijk en wereldlijk middelpunt der Mohammedaansch-Turksche theocratie. … Voor het Anatolische volk is het begrip ‘staat’ in Europeeschen zin ook thans nog onbekend. Het kan dus ook van het moderne staatsbegrip der Jong-Turken en der mannen van Angora niets begrijpen. Volgens hun begrip zijn zij alleen aan den door God gestelden hoeder der ware religie, den Sultan-Kalief, gehoorzaamheid verschuldigd en zij zijn bereid voor hem hun goed en bloed te offeren. … De Turksche boer in Anatolië heeft nog geen flauw begrip van wat men in Angora reeds gedaan heeft en eigenlijk wil. Hij weet nog niet eens, dat er geen Sultan meer is maar slechts een Kalief. En om hem dit bij te brengen zal nog niet zoo gemakkelijk gaan. … Het staat toch in den Koran, dat de Sultan-Kalief de opperste heer is, aan wien al wat leeft onderdanig moet zijn. De Turksche intellectueelen mogen het zonder Sultan kunnen stellen, maar bij het volk gaat dit er niet in. … Thans is er nog een revolutionaire toestand in Turkije. Al het vroegere is omver geworpen en in dezen chaos kan men veel decreteeren. Maar of dit alles stand zal houden, dat zal eerst blijken als de storm zich gelegd heeft. Dan zullen wij zien of het volk zich met de gedachte zal kunnen verzoenen, dat er geen sultan meer is, maar een republikeinsche dictatuur, die niet op den Koran berust. Dan zullen wij zien of het volk niet weer zijn sultan zal willen terughebben, die hen weliswaar straft en doodt, maar todh de sultan is, dien de Schrift voorschrijft. Dan zal blijken welke invloed in Turkije grooter is, de Oostersche of Weetersche.”
“Turkije: De groote hervorming. … Volgens hun begrip zijn zij alleen aan den door God gestelden hoeder der ware religie, den Sultan-Kalief, gehoorzaamheid verschuldigd en zij zijn bereid voor hem hun goed en bloed te offeren. … Het staat toch in den Koran, dat de Sultan-Kalief de opperste heer is, aan wien al wat leeft onderdanig moet zijn.”, Algemeen Handelsblad, 25-10-1923

Maar weerstand tegen afschaffing van het Kalifaat bestond niet enkel onder het gewone volk. Het bestond onder alle geledingen van de samenleving. Het Vaderland maakte in september 1923 bijvoorbeeld melding van een actie door een groep van soldaten die zich tegen Kemal hadden gekeerd: “800 Anti-Kemalisten, onder leiding van Shevket Bey, hebben een aanval gedaan op Aidin, ten Zuiden van Smyrna.Zij doodden de militaire en civiele autoriteilen. Zij ontsloten de gevangenis en namen alle gelden in beslag. De overval had plaatsin naam van den afgezetten kalief, die niet viel onder de door Kemal verleende amnestie.” Het algemeen Handelsblad maakte op 10 december 1923 melding van steun voor het Kalifaat onder de media: “De hoofdredacteuren van de ‘Tanin’ en de ‘Ikdam’ zijn gearresteerd en beide bladen geschorst. (Reuter meldt dat de bladen verboden zijn wegens het publiceren van een brief van den Agha Khan over het Kalifaat.)” En enkele dagen later, op 17 december 1923, maakte de Nieuw Rotterdamsche Courant melding van steun voor het Kalifaat binnen de politieke elite: “De Kamer keurde het ontwerp voor de rechtbank goed met 80 tegen 63 stemmen. Er blijkt dus nog een krachtige oppositie te heerschen, ook in den boezem van de nationale vergadering.”

De Nederlandse kranten maken ook melding van de draconische maatregelen die Moestafa Kemal daarom moest nemen om de moslims te kunnen onderdrukken. Het Vaderland meldde in december van 1923: “Maandag heeft, naar wij in de Times lezen, de nieuwe contra-revolutionare rechtbank in Konstantinopel zitting genomen. … De regeering hoopt, dat de nieuwe rechtbank bij machte zal zijn om in korten tijd met de intriges af te rekenen, die volgens de officieele beweringen, in het Kalifaat hun middenpunt hebben.” Wat dit aangaf was duidelijk voor de Nederlandse media. Wederom Het Vaderland schreef: “Wij hebben dezer dagen gemeld, dat de nationale vergadering te Angora het plotseling noodig heeft geacht een uitzonderingsrechtbank te benoemen en de leden daarvan in allerijl naar Konstantinopel zijn vertrokken, om daar drie journalisten te berechten. (…) Het lijdt toch geen twijfel, dat men zich daar te midden eener binnenlandsche crisis bevindt, waarvan de gevolgen trouwens niet alleen in Turkije zelf, maar in de heele wereld van den Islam zullen merkbaar zijn. (…) Het spreekt vanzelf, dat er thans ook in Turkije velen zijn, die het nieuwe politieke regiem nog niet aanvaarden.”

De speciale rechtbank was een pilaar in de strijd van Moestafa Kemal tegen het Kalifaat. Het maakte zelfs het gebruik van het woord Kalifaat effectief verboden. Het Algemeen Handelsblad melde bijvoorbeeld op 29 december 1923: “De ‘Rechtbank der Onafhankelijkheid’ in Konstantinopel heeft Loefti Fikri, president der Turksche balie, tot vijf jaar dwangarbeid veroordeeld. Tegen dit vonnis kan geen beroep worden aangetekend. Loefti Fikri was van verraad beschuldigd wegens het publiceeren van artikelen over het Kalifaat. Hij had zich uitgesproken vóór een constitutionele monarchie en was tegen de nieuwe republikeinsche wetten gekant. Het 0(openbaar) M(inisterie) had de doodstraf geëischt.” De imaams werden ook goed in de gaten gehouden. Het Vaderland meldde op 10 januari 1924: “De bijzondere republikeinsche rechtbank te Konstantinopel heeft, naar de Manchester Guardian verneemt, thans een jong prediker veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, omdat hij naar hun oordeel veel te reactionair preekte. Ibrahim Effendi werd beschuldigd de massa tegen de wet op te zetten en als verzwarende omstandigheid gold het feit dat hij deze opruiende woorden in de moskee hield. Zijn preeken in de Hagia Sofia waren berekend zijn gehoor op te zetten tegen elken vorm van vooruitgang of hervorming in de republiek.” Enkel door tirannie kon Moestafa Kemal zijn besluit dus doorzetten. Een verder bewijs dat de massa’s niet achter hem stonden, maar achter het Kalifaat.

De reactie op de officiële afschaffing van het Kalifaat

Het was niet enkel binnen Turkije dat er weerstand bestond tegen Moestafa Kemal en diens besluiten. Ook buiten Turkije voelden de moslims zich verraden door Moestafa Kemal toen hij in 1922 de Republiek uitriep. Het Centrum berichtte naar aanleiding hiervan vanuit Egypte bijvoorbeeld: “Volgens berichten uit Kaïro heeft de staatsgreep te Constantinopel tegen het Kalifaat een groote verbijstering veroorzaakt. De sympathie voor de Kemalisten op grond hunner overwinningen [7] is bii velen weder geheel verdwenen en het nationalistische hoofdblad schrijft zelfs, dat Angora volstrekt niet het recht heeft, zoo op te treden in een aangelegenheid, die de tradities van den Islam in ’t algemeen aangaat en volstrekt niet die der Turken alleen. Het blad houdt zich vast aan de noodzakelijkheid, dat geestelijke en wereldlijke macht in één hand behooren te liggen. In de groote Universiteit Al Ashar spreekt men zélfs van een plechtige openlijke veroordeeling van het nationalistisch optreden.” En Het Vaderland meldde vanuit Brits-Indië: “Die beide briefschrijvers zijn de leiders der Mohammedanen in Engelsch- Indië. Gedurende den oorlog … (hebben) zij zeer veel gedaan voor het Turksche nationalisme en Kemal Pasja wordt door hen vereerd niet alleen als een groot Turksch staatsman, maar tevens als een bijzonder verdienstelijk Mohammedaan. Thans voelen zij zich echter erg teleurgesteld in verband met de godsdienstpolitiek van Angora. Hebben zij en zooveel millioenen niet-Turksche Mohammedanen de nationalisten van Kemal Pasja niet juist zooveel mogelijk gesteund, omdat Turkije het land is van het Kalifaat?”

Niet verrassend derhalve, was heel de moslimwereld in rep en roer toen Moestafa Kemal in 1924 vervolgens de Kalief en zijn familie het land uitzette en het laatste dat was overgebleven van het Kalifaat beëindigde. Dit blijkt goed uit het advies van Moestafa Kemal aan de moslims van Turkije om in dat jaar maar niet op Hadj te gaan: “Men verwacht dat het besluit der Nationale Vergadering te Angora, om het Kalifaat af te schaffen, een verreikenden invloed zal hebben op de Mohammedaansche wereld. Teekenend is dat Moestafa Kemal een proclamatie heeft uitgevaardigd, waarin hij personen, die den pelgrimstocht naar Mekka zouden willen ondernemen, aanraadt de reis voorloopig uit te stellen.” De moslims rond de wereld waren inderdaad woedend. Het Vaderland rapporteerde vanuit Brits-Indië: “Volgens de Daily Telegraph heerscht onder de Indische Mohammedanen ten gevolge van de afschaffing van het kalifaat en de uitwijzing van den Kalief door de regeering van Angora, groote opwinding. De aanhangers van het Kalifaat hebben besloten een missie naar Angora te zenden om onderhandelingen met de Nationalisten te voeren.”

Maar ook in Turkije zelf was de strijd tegen het Kalifaat nog niet gestreden. In het oosten van Turkije begon een gewapende opstand tegen Moetsfa Kemal. De Nieuwe Rotterdamsche Courant meldde op 25 februari 1925: “Uit Angora wordt gemeld: Een zekere sjeik Said, die misbruik maakt van de goedgelovigheid en de onwetendheid van het volk, heeft onder voorwendsels van religieuze aard … een opstand verwekt. (…) De opstandige macht onder leiding van den sjeik Said is vrij groot. (…) De opstandige beweging heeft zich uitgebreid … ten gevolge van godsdienstige propaganda, waarbij beloofd wordt dat het chalifaat weer hersteld … zal worden. … Fathi bey las een proclamatie van de sjeik Said voor, waarin deze voorstelt … de positie van den chalief en de godsdienstige wetten te herstellen, alsmede de huidige regering, welke atheistisch verklaard wordt, omver te werpen.” Het Vaderland melde betreffende beweegredenen van deze opstandelingen: “De opstandelingen verspreiden pamfletten, waarin zij zeggen dat het Mohammedanisme onbestaanbaar is zonder Kalifaat.” Dat deze opstand ook buiten Oost-Turkije op steun kon rekenen bleek uit een bericht in de Nieuwe Rotterdamsche Courant: “De Turksche regeering geeft toe, dat zij haar gezag in de twaalf Koerdische vilajets heeft verloren en het officieel regeeringsblad Djoemhoeriet geeft toe dat de geheele politie en de regeeringstroepen zich bij de opstandelingen hebben aangesloten en oorlogstuig en arsenalen hebben overgegeven.” Oftewel, ook de politie en soldaten die in het gebied gestationeerd waren sloten zich bij de opstand voor wederoprichting van het Kalifaat aan. En Het Vaderland meldde op 17 juli 1925 verder: “In verscheidene Turksche steden is volgens de bladen een samenzwering tegen de republiek ontdekt, welke ten doel had, alle leidende politici te vermoorden, en de hoofdstad weder van Angora naar Konstantinopel over te brengen. Tot heden zijn 15 personen in hechtenis genomen. Tegen den voormaligen sultan en 2 keizerlijke prinsen is een strafvervolging ingesteld wegens hoogverraad.”

Eenzelfde sentiment bestond buiten Turkije. De Nieuwe Rotterdamsche Courant meldde vanuit Brits-Indië dat de moslims daar vastbesloten waren om Turkije terug te brengen naar het Kalifaat: “Het congres voor het kalifaat heeft een motie aangenomen ten gunste van Turkije als zetel voor het kalifaat, omdat daar de krachtigste mohamedaansche regeering gevestigd is. De motie voegt daaraan toe, dat als de Turken een tegen het kalifaat gerichte handelwijze volgen, de moslims de aandacht van de Turken moeten vestigen op de noodzakelijkheid om hun houding te herzien.” En op het Arabisch schiereiland was het sentiment onder de moslims niet anders. Een verslag in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van een reis naar Saoedi-Arabië in 1922 maakt duidelijk dat de moslims daar diepe haat hadden ontwikkeld voor al degenen die bijgedragen hadden aan de ondergang van het Kalifaat: “Wij hebben boven reeds gememoreerd welke rol Hoesein gespeeld heeft in het begin van den wereldoorlog en welk aandeel de Arabische troepen onder aanvoering van Feisal [8] en georganiseerd door Lawrence gehad hebben in de nederlaag van de Turken in Palestina. Deze successen, en de instelling van het Syrische koninkrijk zijn den ouden Hoesein naar het hoofd gestegen. Reeds vroeger had hij den titel van Emir en Koning van de Hedzjas aangenomen. Later voegde hij daaraan dien van Koning van Arabië toe. En toen in Maart 1924 Abdul Medjd afstand deed als sultan van Turkije en Kalief van den Islam, was dit voor hem het oogenblik om zich tot Kalief aller geloovigen uit te roepen. Deze zelfverheffing is het begin van zijn val geweest, en het feit dat hij bij dit alles slechts een pion geweest is in het schaakspel van de Britsche politiek, heeft aan zijne positie tegenover de Arabieren niet bepaald goed gedaan. Bij mijn bezoek aan Djeddah in 1922 heb ik zelden meer vervloekingen over een heerscher hooren uiten als door de verschillende Arabieren die ik toen gesproken heb.” De Nieuw Rotterdamsche Courant melde ook: “De secretaris van Abdoel Medzüd heeft verklaard dat aangezien de kalief geen afstand heeft gedaan, er in zijn opvolging niet kan worden voorzien. De aanwijzing van Hoessein tot zijn opvolger kan niet worden aanvaard; in belanghebbende kringen toch wordt Hoessein als een verrader van den Islam beschouwd.”

Voor jaren bleef dit sentiment in stand. Het Vaderland meldde op 20 september 1928 bijvoorbeeld, jaren na het einde van het Kalifaat: “Want voor een orthodox Mohamedaan kan geen Europeeër zoo verachtelijk zijn, als de aanhangers van Kemal Pasja, die het kalifaat vernietigde en den Islam afschafte als staatsgodsdienst.” In 1931 melde Het Vaderland vervolgens: “Toen Turkije zijn groote revolutie beleefde, de monarchie deed vallen en de republiek aanvaardde, verloor het niet zijn sultan ook den Kalief, het geestelijke hoofd der Mohamedaansche wereld. Angora, het nieuwe centrum des Rijks, deed ook geen moeite om het kalifaat te handhaven los van het sultanaat. … Sinsdien is er geen kalief meer geweest. Maar de wensch naar een geestelijk hoofd bleef leven in de Mohamedaansche wereld en telkens ziet men hier of daar plannen opduiken om het te herstellen.” Zelf in 1939 berichtte Het Vaderland over het verlangen onder de moslims naar terugkeer van het Kalifaat: “lets wat telkens weer opvalt, al raakt men er langzamerhand toch meer aan gewend, is het feit dat personen die men als zeer critisch aangelegd heeft leeren kennen, die het Kalifaat beschouwen als iets wat ‘uit den tijd is’, en die meenen dat de tegenwoordige wereld slechts beheerscht wordt door materieels machtsfactoren, dat deze zelfde personen niettemin, zoodra er eenige kans op herleving van het Kalifaat in den een of anderen vorm schijnt te beslaan, dadelijk vol enthousiasme blijken te zijn voor dlt perspectief van solidariteit met alle volken van den Islam.” Het Vaderland concludeerde hieruit: “Het verlangen naar herstel van het Kalifaat blijft bestaan.”
“Het verlangen naar herstel van het Kalifaat blijft bestaan”, Het Vaderland, 09-02-1939

Dit alles maakt doet heel goed begrijpen waarom vandaag de dag de oproep tot wederoprichting van de Islamitische Staat Al Khilafa overal in de moslimwereld gehoord kan worden. In tegenstelling tot wat de geschiedenisboeken beweren, namelijk, waren de moslimmassa’s het in eerste instantie al niet eens met afschaffing van het Kalifaat.

________________________________________

[1] De Ottomaanse Khilafa gebruikte een unieke kalender, de zogenoemde Roemi-kalender, die begon met de Hidjra van Profeet Mohammed (saw), maar gebruik maakte van de gregoriaanse maanden (januari, februari, et cetera) in plaats van de Islamitische maan-maanden (Ramadhan, Sjawwal, et cetera). De Roemi-kalender liep ook 12 tot 13 dagen achter bij de gregoriaanse kalender in gebruik in de westerse wereld. Omdat dit artikel kijkt naar Nederlandse kranten die de gregoriaanse kalender gebruikten, wordt de gregoriaanse datum van gebeurtenissen weergegeven en niet de datum op basis van de Roemi-kalender.

[2] Bedoeld wordt het conflict tussen de Khalifa en de Jonge Turken.

[3] Het Comité van Eenheid en Vooruitgang was de politieke tak van de Jonge Turken.

[4] Bedoeld wordt de Islamitische Staat. Tegenwoordig zou men zeggen “het Islamisme” of “de politieke Islam”.

[5] De Jonge Turken worden bedoeld.

[6] Bedoeld wordt Ankara.

[7] In de Eerste Wereldoorlog en hierna tegen de geallieerde machten.

[8] De zoon van Hoessein.

Comments

comments

DELEN