“Het Kalifaat in de Nederlandse media” is een artikelenserie die de geschiedenis van de Islamitische Staat Al Khilafa van de moslims onder de loep neemt op basis van historische Nederlandse kranten. Het doel hiervan is om te achterhalen wat de geschiedenis van de Khilafa van de moslims werkelijk is. Is deze zoals de westerse geschiedschrijvers zeggen, of is deze toch anders? En als de geschiedenis van de Khilafa van de moslims anders is dan de westerse geschiedschrijvers zeggen, hoe is deze dan werkelijk?

Waarom een nieuwe analyse van de geschiedenis?

De overwinnaar schrijft de geschiedenis. Op een bepaalde manier is dit natuurlijk en dus onschuldig. Gewoonlijk kan men namelijk op verschillende manieren tegen een conflict aankijken. De uiteindelijke overwinnaar in het conflict is degene die de dominante macht in handen krijgt, hij domineert na het conflict de samenleving, en dus is het natuurlijk dat zijn perspectief op het conflict gebruikt wordt voor de geschiedsschrijving. Op onbewuste wijze “schrijft” de overwinnaar zo de geschiedenis. Maar heel vaak ook “schrijft” de overwinnaar de geschiedenis op bewust wijze. Vooral wanneer de uiteindelijke overwinnaar in een conflict er voordeel bij heeft dat latere generaties op een bepaalde manier naar het conflict kijken. Hij kan dan besluiten zijn macht te gebruiken om de geschiedenis op de voor hem voordelige manier geschreven te krijgen.

Voor wie de waarheid te weten wil komen over de geschiedenis is zowel de onbewuste als bewuste invloed van de overwinnaar op de geschiedschrijving een probleem. De onbewuste invloed zorgt namelijk voor eenzijdige beschouwingen van de geschiedenis. En een eenzijdige beschouwingen van de geschiedenis biedt niet een geheel correcte weergave van die geschiedenis. En de bewuste invloed zorgt er voor dat wanneer na het conflict de geschiedenis van het conflict geschreven wordt, sommige feiten worden genegeerd of verdoezeld, terwijl anderen groter en belangrijker worden gemaakt dan zij in werkelijkheid waren.

Degene die de waarheid over de geschiedenis te weten wil komen moet zich dit alles realiseren. Hij leert hieruit namelijk dat hij niet kan volstaan met het lezen van enkel geschiedenisboeken die het perspectief van de overwinnaar hanteren. Noch kan hij volstaan met het lezen van enkel geschiedenisboeken die het perspectief van de verliezer hanteren. Hij zal beiden moeten lezen om een gebalanceerd rapport van de gebeurtenissen te verzamelen. Hiernaast zal hij dit meer gebalanceerde rapport van gebeurtenissen moeten toetsen. Zijn de vermelde gebeurtenissen echt en correct weergegeven? Missen er misschien gebeurtenissen? Deze taak brengt degene die de waarheid over de geschiedenis te weten wil komen vaak op plaatsen anders dan de geschiedenisboeken. Hij moet hiervoor namelijk op zoek gaan naar bronnen die de gebeurtenissen van het conflict opschreven op het moment dat zij plaatsvonden. Want deze bronnen zijn nog vrij van de bewust invloed op de geschiedschrijving, omdat op het moment van noteren het conflict nog gaande was.

Wat zijn zoal dingen die als bronnen voor de toetsing van de in de geschiedenisboeken beschreven feiten gebruikt kunnen worden? Gedacht kan worden aan brieven geschreven in de tijd van het conflict, of kranten uitgegeven in de tijd van het conflict. Daarom is het project van de Koninklijke Bibliotheek in Nederland om kranten uit de periode 1618 tot 1995 beschikbaar te maken op internet zo interessant en belangrijk. Want deze kranten bevatten informatie over gebeurtenissen opgeschreven op het moment dat de gebeurtenis plaatsvond. En zij kunnen dus gebruikt worden om de algemeen geaccepteerde geschiedsschrijving te controleren op juistheid.

Vooral de moslims zou dit moeten interesseren. De roep om vestiging van de Islamitische Staat klinkt op dit moment luider dan ooit te voren in de wereld, wat verschillende vragen oproept. Bijvoorbeeld vragen degenen die in hoofdzaak door westerse geschiedschrijving geïnformeerd zijn over de geschiedenis van de moslims: “Islam is nu ruim 1400 jaar oud dus waarom klinkt de roep om vestiging van de Islamitische Staat nu pas? Als deze zaak echt zo belangrijk is als de oproepers tot deze zaak beweren, waarom vinden we in de geschiedenis van de moslims dan geen andere momenten waar deze oproep gedaan werd?”. Want in de westerse geschiedschrijving vindt men zo goed als geen melding van de Islamitische Staat. En als de westerse geschiedschrijving melding maakt van de Islamitische Staat, dan is dit gewoonlijk op uiterst negatieve wijze. Deze zou de moslims tot niets dan last zijn geweest zeg de westerse geschiedschrijving gewoonlijk. Daarom is een andere veelgehoorde vraag onder degenen die hoofdzaak door westerse geschiedschrijving geïnformeerd zijn over de geschiedenis van de moslims: “Hoe correct is het beeld van de Islamitische Staat dat de oproepers tot deze zaak schetsen? Was deze echt to goed als zij beweren, zodat zij ook nu een oplossing voor de problemen van de moslims kan zijn, of is dit slechts een fantasie?”.

Focus van dit artikel

In het nu volgende eerste deel van artikelenserie “Het Kalifaat in de Nederlandse media” een analyse van het verzet in Indonesië tegen het Nederlandse kolonialisme. In de Nederlandse algemeen geaccepteerde geschiedschrijving wordt erkend dat de Indonesiërs zich soms verzetten tegen de overheersing door Nederlanders. Maar dat men in hoofdzaak blij was met de Nederlandse overheersing, omdat de Nederlanders hun kennis en kunde zouden hebben gebruikt om het leven voor iedereen in Indonesië beter te maken. In de algemeen geaccepteerde geschiedschrijving wordt de term “tempo doeloe”, wat Indonesisch is voor “de goede oude tijd”, gebruikt om het sentiment in Indonesië op dat moment weer te geven: iedereen zou tevreden zijn geweest en een rustig leventje geleefd hebben.

Voor wat betreft het verzet dat volgens de algemeen geaccepteerde geschiedschrijving slechts af en toe opkwam, hierover wordt over het algemeen gezegd dat dit nationalistisch was. Het verzet had volgens de algemeen geaccepteerde geschiedschrijving weinig of niets met onderdrukking of uitbuiting van de Indonesiërs door de Nederlanders te maken, zegt men, maar met een verlangen naar onafhankelijk. Het verzet had volgens de algemeen geaccepteerde geschiedschrijving dus ook niets te maken met Islam of de Islamitische Staat die op dat moment nog bestond, alhoewel de Indonesiërs moslims zijn.

Het doel van deze analyse zal zijn om duidelijk te maken hoe het verzet was en hoe Nederland destijds tegen dit verzet aankeek. Zagen Nederland destijds ook als slechts een klein probleem omdat het enkel sporadisch voorkwam? Zag men destijds ook nationalisme als kern van dit kleine probleem? Als het antwoord op deze vragen “ja” is, dan is dit een argument ter ondersteuning van de algemeen geaccepteerde geschiedschrijving. Maar als het antwoord op deze vragen “nee” is, dan is dit een argument tegen de algemeen geaccepteerde geschiedschrijving en wordt de vraag: wat gebeurde er dan wel in Indonesië en waarom?

Gebeurtenissen van verzet tegen het Nederlandse kolonialisme in Indonesië

Wie in de Nederlandse kranten uit de periode 1850 – 1930 zoekt naar termen als “onlusten”, “woelingen” en “opstanden”, wordt overspoeld met artikelen. En sommigen van de gerapporteerde onlusten / woelingen / opstanden houden verschillende kranten voor langere perioden in hun greep.

Bijvoorbeeld in 1850 de opstand te Bandjarmasin: “In het laatst der maand Januari jl. werd van uit de western-afdeling van Borneo aan Z. Exc. Den Gouverneur-Generaal berigt, dat (…) te Bandjarmasin een opstand was uitgebroken” [1]. Deze opstand tegen het Nederlandse bewind hield Nederland, blijkens de kranten van destijd, wekenlang in haar greep.

Als de blik naar enige jaren later verlegd wordt, naar 1868, maken de kranten melding van onlusten op Bali: “Op Bali is de toestand ellendig: de oproerling Ida Madeh Rahi heeft de gekommitteerden van ons Gouvernement niet alleen niet willen volgen, hij zwerft rond met duizend aanhangers. (…) De militaire hulp is reeds lang aangevraagd en hoog noodig, maar komt nog niet opdagen. Spoedig zal het Bestuur zich niet langer kunnen handhaven”. Maar ook van onlusten op Celebes, hedendaags Sulawesi: “Volgens een telegram uit Makassar is een zekere kraëng [2] Bonto-Bonto (…) zodanig tegen het wettig gezag in verzet gekomen, dat de hulp der militaire magt vereischt werd”.

Weer iets later, in 1885, dan valt op dat de Nederlandse kranten betreffende Indonesië melden: “Omtrent de toestand in Indië valt weinig bevredigends te melden. De opstand der Chinezen in de W. afdeling van Borneo dreigt (…) zich uit te breiden. (…) Ook in de Toba landen heerschen wederom onlusten.” De toon van dit artikel geeft aan dat “opstanden” en “onlusten” en weidverbreid fenomeen waren op dat moment. En dat was ook inderdaad het geval. Bijvoorbeeld in Atjeh werden de Nederlandse voortdurend geconfronteerd met opstand en verzet, wat in 1888 verschillende Nederlandse kranten ertoe bracht om opiniestukken te publiceren over wat men noemde de Atjeh-kwestie: “Een vervelende quaestie, de Atjehquaestie”.
“Waarschuwende stemmen uit Indie” Algemeen Handelsblad, 06-09-1859

Maar ook op andere plaatsen in de Archipel vonden op dat moment opstanden plaats tegen het koloniale bewind. De kranten maken in 1888 bijvoorbeeld ook melding van “De onlusten te Bantam”, West-Java. En enkele jaren later zijn de opstanden op het eiland Lombok zo groot dat het Nederlandse leger besluit tot een grootschalige militaire actie tegen de lokale bevolking daar. “Er is besloten tot een (militaire) expeditie naar Lombok” koppen de kranten in 1894. Atjeh was op dat moment nog altijd niet rustig overigens: “Zo weder deze dagen toen er berichten kwamen van onlusten op Atjeh” schreef een journalist van een Nederlandse krant. Dat hij begint met “Zo weder”, oftewel “wederom”, verraadt dat men ondertussen moedeloos raakte van het grote aantal gebeurtenissen van Indonesisch verzet tegen de Nederlanders.

Ook in iedere latere periode van de Nederlandse koloniale overheersing van Indonesië vinden op grote schaal opstanden plaats tegen de Nederlanders. In 1902 schrijven de Nederlandse kranten ondermeer over “De Soekaboemische woelingen”. In 1907 is het onderwerp “Onlusten in Kota Waringin”. In 1910 gaat het over “Onlusten te Makassar”. In 1916 is Djambi in Centraal-Java het onderwerp van de dag: “Uit Soerabaja wordt ons bericht: de toestand te Djambi is nog kritiek”. En in 1927 zijn de problemen nabij hedendaags Jakarta: “Onrust in Tangerang”.

Dit is slechts een overzicht van de belangrijkste en grootste gebeurtenissen van verzet tegen de Nederlandse overheersing van Indonesië. Het is een verre van compleet overzicht van alle gebeurtenissen van verzet. Het volstaat echter om duidelijk te maken dat van de “tempo doeloe” uit de geschiedenisboeken nooit echt sprake is geweest. Op geen enkel moment in de periode 1850 – 1930, zo blijkt uit het feit dat de Nederlandse kranten voortdurend melding maakten van voorvallen van verzet tegen de Nederlanders, was het sentiment onder de Indonesiërs één van tevredenheid met de vreemde overheersing. Integendeel, over gans de periode werden de Nederlanders geconfronteerd met opstand en verzet tegen hun overheersing van Indonesië.

Nederlandse beschrijving van het verzet in Indonesië

Er was dus voortdurend verzet tegen de Nederlandse overheersing van Indonesië, in tegenstelling tot wat de algemeen geaccepteerde geschiedschrijving beweert. Voor wat betreft de realiteit van het verzet in Indonesië, in de algemeen geaccepteerde geschiedschrijving wordt dit gewoonlijk verklaard door nationalisme onder de Indonesiërs. Men zegt dat de Indonesiërs uit verlangen naar een eigen staat in opstand kamen tegen de Nederlanders.

Ook deze bewering betreffende het verzet in Indonesië wordt door een verkenning van de Nederlandse kranten in de periode 1850 – 1930 ontkracht, echter. Destijds, namelijk, was men van mening dat het verzet te maken had met de Islam van de Indonesiërs. Bijvoorbeeld zei het Algemeen Handelsblad in 1859 betreffende de al eerder vermelde opstand te Bandjarmasin: “Wij wenschen nog stil te staan bij de meer bekende oorzaken van het gebeurde te Banjermassin in verband tot meerdere verschijnselen van onrust in sommige delen van de archipel. Wij hebben gezien dat volgens de berichten, door den Heer van Twist van zeer geloofwaardige zijde ontvangen, de beweging in het Zuid-Oostelijke deel van Borneo een bepaald Mohammedaans of anti-Europees karakter had.” Met andere woorden, volgens het Algemeen Handelsblad was de overeenkomst tussen de opstand van Badjarmassin en andere opstanden in Indonesië op dat moment, dat zij allen voortkwamen uit de Islam van de Indonesiërs.

En ook naar aanleiding van andere gebeurtenissen van Indonesisch verzet tegen de Nederlanders vindt men dat de kranten dezen verklaren middels verwijzingen naar de Islam van de Indonesiërs. Bijvoorbeeld in 1864 schrijft het Algemeen Handelsblad betreffende opstanden in Tegal: “Zekere Singo Troeno (…) heeft (…) getracht de bevolking in het Tagalsche in opstand te brengen tegen het Europesche in inlandse bestuur. (…) Ook het fanatisme schijnt hij als hulpmiddel te hebben gebezigd.” Met “fanatisme” bedoelde men Islam.

In 1885 zegt de krant Het Nieuws van den Dag zelfs dat de Indonesiërs hun verzet als Jihad zagen, oftewel Heilige Oorlog, wat een zuiver Islamitisch motief is. Heilige Oorlog in de Indonesische taal is prang sabil: “Te Soekaboemi heeft men tegenwoordig (…) 5 plaatsen waar godsdienstige verenigen kunnen bijeenkomen. (…) De lieden die tot die vereniging behoren, de dweepers, bijven na het Vrijdags-gebed bij elkaar ter bespreken van den Prang Sabil, den Heiligen Oorlog. (…) Zie daar wat te Soekaboemi plaatsgrijpt en omgaat. Is het ook gevaarlijk genoeg?”. Een duidelijker bewijs dat het verzet van de Indonesiërs tegen de Nederlandse overheersing voortkwam uit een religieuze overtuiging is er eigenlijk niet.
“Prang sabil” Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië, 05-06-1906

Het Algemeen Handelsblad stelt in 1894 zelfs dat er buiten Islam feitelijk geen andere verklaring voor het verzet van de Indonesiërs mogelijk is: “Het overheersend ras treedt zeer gematigd op tegen de andere bevolking en de opstanden op Lombok zijn hoogstwaarschijnlijk volgens hen die ermee bekend zijn, o.a. den heer Willemsen, toe te schrijven aan Mohammedaans fanatisme.” En wanneer wederom Het Nieuws van den Dag opmerkt dat er een relatie bestond tussen het verzet van de Indonesiërs en de Islamitische vastenmaand Ramadan, poewasa in de Indonesische taal, dan betekent dit niets anders dan dat men het verzet van de Indonesische moslims verklaarde door hun Islam: “Eergister (…) bij Anak-Goeleng (…) werd daar nogal geschoten. (…) De poewasa (grote vasten) is begonnen en een djahat [3] die gedurende die tijd in den prang sabil (helige oorlog) valt, is zeker van zijn zaligheid”.

In nog latere jaren blijft men de schuld voor de voortdurend uitbrekende opstanden aan Islam geven. Bijvoorbeeld in 1904 schreef Het Nieuws van den Dag: “(…) toen men hem meedeelde dat er in Soekaboemi ‘misdadige woelingen’ waren voorgevallen die vrij duidelijk verwantschap toonden met de onlusten op Soemedang en in Sidoardjo. Hij schreef de gisting [4] aan fanatisme toe.” En in hetzelfde jaar schreef deze krant betreffende opstanden op andere plaatsen: “En de kracht welke van het fanatisme uitgaat is er eene waarmede men wel degelijk rekening heeft te houden (…). Deze kracht is in den laatsten tijd in volle werking , z.s. nu weer blijkt in Djambi, Korintji, de Gajoe-eilanden. Het treurspel van Tjilegon, de geestdrijverij overal elders, en nu weer de onlusten in Gedanggan wijzen ’t uit. Deze onlusten op Sidhoradjo, als het ware onder de rook van twee sterke garnizoensplaatsen, toonen ons die kracht.”.

“Het fanatisme in het Bantamse” Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië, 23-02-1907

In 1907 was de oorzaak voor opstand en verzet niet anders volgens Het Nieuws van den Dag: “Hier te Serang en trouwens in geheel Bantam wordt onder de bevolking veel gesproken over het onlangs op Barong plaatshebbend opstootje (…). Dat is alles zeer verklaarbaar, want het is immers geen geheim dat de bevolking alhier (…) aan fanatisme doen. (…) De bevolking van Bantam doet aan fanatisme en er is niet veel nodig om er weer een (verzets)beweging te doen ontstaan.” En zo ook in 1908: “Wij weten nu dat (…) alweer een Mohammedaanse secte, die der Satria, hier de hand in het spel had – opnieuw het bewijs leverend, dat de Indische overheid niet krachtig genoeg kan optreden tegen dit van het westen uit aangewakkerd fanatisme, dat door de stille ondermijning van ons gezag in Indië een allerengst, blijvend gevaar oplevert. (…) Met zulke en andere voorwendsels werd de Heilige Oorlog tegen de ‘kaffirs’ (ongeloovigen) gepredikt, en bijna onverwachts barstte opnieuw, tegen het midden dezer maand, een zeer ernstig verzet los.” En in 1910 geeft de Sumatra Post aan Islam de schuld van de opstand in Padang: “Seder die dagen (van opstand) kwamen herhaaldelijk uitingen van geestdrijverij aan den dag en bleek het daarbij, hoezeer de onderafdeling Priaman, der residentie Padangse Benedenlanden, nog steeds een broeinest is van dweepzieke Mohammedanen, behorende tot de sekte der Sataryah, van welke sekte volgens officiële berichten ook het gewapend verzet in 1908 voornamelijk was uitgegaan.”

Afgaande op de commentaren in Nederlandse kranten betreffende gebeurtenissen van verzet in Indonesië lijkt er in Nederland dus een consensus te hebben bestaan dat de Islam van de Indonesiërs de werkelijke oorzaak hiervoor was. Islam werd door de Nederlanders gezien als het fundementele probleem. De verklaring nationalisme wordt niet eens genoemd. Dit betekent dat de geschiedenisboeken van nu niet enkel het verzet van de Indonesiërs tegen de Nederlandse overheersing onderschatten, maar tevens incorrect beschrijven.

Het Nederlandse inzicht in het verzet in Indonesië: “Khilafa is de oorzaak”

Afgaande op de Nederlandse kranten van de periode 1850 – 1930 waren de meeste analysten destijds van mening dat de bedevaart naar Mekka door de Indonesische moslims de kern van het Nederlandse probleem in Indonesië was. Zo schreef een analyst in het Algemeen Handelsblad van 1859: “Naar het algemeen gevoelen is de aanleiding tot deze gisting voornamelijk te vinden: (…) 2e, in de toeneming der bedevaartsgangers naar Mekka en het daaruit voortvloeiende fanatisme, waardoor de inlandse bevolking tegen het christendom en en de Europeesche overheersing wordt vooringenomen.” En de krant De Locomotief schreef in 1866: “Dat het gevaar in een vermeerdering van bedevaartsgangers voor de veiligheid van de Javaan en de openbare rust schromelijk miskend wordt. Dat gevaar bestaat zonder enigen twijfel.”
“Hadj” Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië, 12-07-1911

Waarom deze analysten, net zoals vele anderen met hen, naar de bedevaart wezen als kern van het Nederlandse probleem in Indonesië wordt uitgelegd door andere analysten. Wederom De Locomotief schreef in 1877: “Hoe meer bedevaartsgangers naar Mekka trekken, hoe meer ook de kennis van den Koran zal uitbreiden, en hoe meer het fanatisme zal toenemen.” Met andere woorden, men realiseerde zich dat de bedevaart een mogelijkheid was voor de Indonesiërs om meer te leren over hun Islam. Want in de periode 1850 – 1930 bestond de Islamitische Staat Al Khilafa, of in het Nederlands het Kalifaat, nog. En de Hidjaaz, het gebied van de steden Mekka en Medina dat moslim bedevaartsgangers bezoekers, behoorde op dat moment nog tot deze Islamitische Staat. Wanneer een Indonesiër dus op bedevaart ging, dan trok hij naar de natie die gebaseerd was op Islam. Daar was onderwijs in Islam overal voor handen in de vorm van hele scharen van geleerden. En daar werden mensen door de staat gemotiveerd om onderwijs te nemen in Islam. Met die kennis die de bedevaartsgangers opdeden in Mekka en Medina keerden ze dan terug naar Indonesië, om dit te delen met hun geloofsgenoten aldaar. Maar wat vreesden de Nederlanders dan zo aan kennis van Islam onder de Indonesische moslims?

Het antwoord op deze vraag is “pan-islamisme”. Een analyst schrijvende voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1915 zegt dit ook ronduit: “Vroeger kon men de zeker overdreven neiging onzer Indischen Mohammedanen om op bedevaart te gaan uit verschillende oogpunten zeker betreuren. (…) of niet sommigen althans van de te Mekka studerenden inlanders daar onder den invloed van panislamitische droombeelden geraakten, en later, in hun land teruggekeerd, een minder gewenschten invloed uitoefenen op de geestesrichting hunner landgenoten.” Of zoals een analyst schrijvende voor Het Nieuws van den Dag in in 1911 zei: “Over ’t meegebrachte fanatisme van een groot deel teruggekeerden (bedevaartsgangers), behoeven we niet te spreken. Dat is overbekend en en nog gevaarlijker in onze dagen, nu het PanIslamisme zelfs door Dr. Snouck Hurgronje als noodlottig gesignaliseerd, overal propaganda zoekt te maken.”
“De Indische regering en de Islam” Algemeen Handelsblad, 09-07-1889

Lessen in pan-islamisme voor de Indonesische bedevaartsgangers was volgens de Nederlanders dus het probleem. Wat precies onder dit pan-islamisme verstaan werd, wordt uitgelegd door de Nieuw Tilburgsche Courant van 1900: “Onder pan-islamisme verstaan europeanen gewoonlijk het streven der muzelmannen naar staatkundige eenheid. (…) Waarin is het panislamisme geworteld? In de leer van het orthodoxe mohammedaanse recht, dat alle muzzelmannen, van welke landaard ook, en welke volkstaal ook sprekende, eene enkele ideale gemeenschap behoren te vormen, en dat alle verschillende Mohammedaanse vorsten allen een oppervorst moeten erkennen (…). Wat volgt hieruit? Dat een ongeloovige vorst principieel nooit door orthodoxe muzelmannen als hun wettig soeverein kan worden erkend. (…) Een onmiskenbaar gevaar dus voor de christenmogendheden wier onderdaden in min of meer grote getalen de islam beleiden.” Of zoals het Algemeen Handelsblad zei: “Spreker zette uiteen dat voor de Mohammedanen alleen het gezag van den Kalif – den Sultan van Turkije – het wettig gezag vertegenwoordigt, dat zij elk ander gezag, ook het onze dus, als ongrondwettig beschouwen. In die opvatting van de leer van het Kalifaat schuilt voor ons een gevaarlijk element (…).”
“De heer Colijn over de algemeene Koloniale politiek” Algemeen Handelsblad, 02-02-1910

Met andere woorden, de Nederlanders realiseerden zich dat de Islamitische Staat Al Khilafa een kernonderdeel van Islam is. Dit kernonderdeel van Islam zegt dat alle moslims, overal ter wereld, zich moeten verenigen in deze Islamitische Staat Al Khilafa, waarin door een moslim Khalifa met enkel en alleen de wetten van Islam geregeerd wordt. En de Nederlanders realiseerden zich dat dit idee van Khilafa hetgeen was dat de Indonesiërs voortdurend motiveerde om zich te verzetten tegen de Nederlandse overheersing! Het Nieuws van den Dag zei precies dit reeds in 1897: “Onze Regering zou daar nog last genoeg mee kunnen krijgen want ook voor ons is het Pan-Islamisme, evenals voor alle andere Europese landen welke veel Muzelmannen onder haar onderdanen of onderworpen volken tellen, de grootste en gevaarlijkste vijand voor de rust in onze koloniën.”

En ook binnen de Nederlandse regering leefde dit bewustzijn, blijkens een bericht uit de Nieuw Tilburgsche Courant van 1898: “Bij de algemene beraadslaging over de Indische begroting 1899 betoont de heer De Waal Malefijt zijn bezorgdheid over de toeneming van het Mohammedanisme in Indië, waardoor de invloed van het panislamisme toeneemt.”

De politieke relatie tussen het verzet in Indonesië en de Khilafa

Dat de invloed van het idee van Khilafa aanzienlijk was in Indonesië blijkt ook duidelijk uit de Nederlandse kranten uit de periode 1850 – 1930.

Het was bijvoorbeeld algemeen bekend bij de Nederlanders dat verschillende van de Indonesische Soeltans de ba’ya – gelofte van gehoorzaamheid en trouw – hadden gegeven aan de Khalifa in Istanboel, waardoor de gebieden in Indonesië onder de controle van deze Soeltans feitelijk onderdeel waren geworden van de Islamitische Staat Al Khilafa [5]. Van de zijde van de Indonesische moslims waren de moslims van Atjeh zich het meest bewust van hun officiële status als “onderdaan van de Islamitische Staat Al Khilafa”. De Sumatra Post bijvoorbeeld schreef hierover in 1922: “Wel erkent echter de Atjehsche Mohammedaan den kalief te Stanboel.” De moslims van Atjeh waren zich daarom ook bewust van het feit dat zij leefden in gebied dat behoorde tot de Islamitische Staat Al Khilafa, en dat door de Nederlanders bezet werd gehouden. Dit was wat er voor zorgde dat zij zich tot het einde van de Islamitische Staat Al Khilafa in 1924 bleven verzetten tegen de Nederlanders, zonder ophouden. De Sumatra Post schreef ook hierover in 1922: “De enige aanslagen waaraan nog enige politieke betekenis zou zijn te hechten spruiten voort uit een mentaliteit die bij sommigen nog uit de begrippen omtrent den ‘heiligen oorlog’.”
“Pan-islamisme” Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië, 13-11-1912

Er was ook geregeld contact tussen de moslims van Atjeh en de Khalifa in Istanboel. De moslims van Atjeh stuurden bijvoorbeeld afgevaardigden naar de Khalifa in Istanboel om hem te informeren over hun situatie en om hem om hulp te vragen. Zo berichtte wederom de Sumatra Post in 1915 over zo een bijeenkomst in Istanboel in 1868: “Van meer belang leek een direct verkeer van Atjehse ingezeten met de Turksche regering (…). Niet minder dan 68 notabelen (…) smeekten (…) in den loop van 1868 aan den Verheven Porte [6] hen ‘wel van de vreemde overheersing, die der Nederlanders, te bevrijden’. Want zij werd ‘dagelijks groter, gevaarlijker en machtiger en met de tijd zullen zij het gansche land van Atjeh beheersen’. Gebeden werd aan hen, Atjehers, ‘voldoende troepen en krijgsvolk te zenden en ook nog aan alle vreemde volken mede te delen dat wij (Atjehers) onder de bescherming staan en onderdanen zijn van de Verheven Porte (…).”

Maar de Khilafa stond in Indonesië niet enkel de moslims van Atjeh terzijde. De Nieuw Tilburgsche Courant rapporteerde in 1899 dat de Islamitische Staat Al Khilafa zorgde voor Islamitische onderwijs voor de zonen van verschillende Indonesische Soeltans, om het verzet in Indonesië tegen de Nederlanders te ondersteunen: “Nog dezer dagen schreef de correspondent van de NRC te constantinopel aan het genoemde blad dat er weer een zevental zoons van Indische notabelen aldaar aangekomen zijn en aan de minister van onderwijs voorgesteld waren, daar zij de lessen aan de hoogere inrichtingen van het onderwijs moeten volgen. (…) De moslims van Java, voegde de correspondent erbij, hadden de Sultan een dankadres toegezonden naar aanleiding der opneming van hun zonen op de scholen der staat. (…) Alzoo ontvangen op het ogenblik al veertien Nederlands-Indische jongelieden op kosten der particulieren kas van de Sultan te Constantinopel een strenge muzelmanische opvoeding. Eenmaal terug in hun vaderland zullen de jongelieden, van den Islamitischen zuurdesem doortrokken, natuurlijke voorvechters van de Koran zijn tegen de christenhonden die over hun land heerschappij voeren. (…) Ziedaar het gevaar van het panislamisme in onze Oost. (…) Nederland heeft het grotendeels aan zichzelf te wijten dat het thans door Panislamitische woedelingen in zijn Oost-indische bezittingen wordt opgeschrikt. Te lang heeft het verzuimd krachtig mee te werken aan de verspreiding van het christendom, de enige doelmatige weg om de Islam te keer te gaan.” En de Khalifa stuurde ook afgevaardigden naar Indonesië om de moslims te helpen. Het Nieuws van den Dag merkte bijvoorbeeld op dat de consul van de Khalifa het verzet ondersteunde: “Er was in Indië slechts één Ottomaanse consul, te Batavia, en deze had nu wat veel ijver aan den dag gelegd voor het pan-islamisme. Vandaar dat de Regering zijn verplaatsing vroeg.” En in 1912 maakte dezelfde krant melding van het nieuws dat de Khilafa ook geheime afvaardigingen naar Indonesië stuurde om de moslims te helpen: “De Nederlandse gezant te Constantinopel waarschuwde zijne Regering dat Mohammedaanse geheime boden vanuit Turkijke naar Nederlandsch-Indië zijn afgezonden met de opdracht de Mohammedaanse bevolking aldaar in beroering te brengen.”

Maar ook andersom bestond er samewerking. Betreffende het besluit van de Khalifa in Istanboel om de Hidjaaz-spoorweg aan te leggen om de landen van de moslims beter te integreren zei Het Nieuws van den Dag in 1905 bijvoorbeeld: “De vorst van Boni [7] heeft 200 pond sterling geschonken voor den verderen bouw van den zogenaamde Hedschjaz spoorweg naar den heiligen plaatsen van Islam. (…) Tegelijkertijd was die tusschenpersoon de overbrengen van een brief van, of vanwege den Bonischen vorst, waarin deze de hulp van den Chalief inroept voor hem en zijne bondgenoten in hunne moeilijkheden met den Nederlandschen regering.”
“Panislamisme in onze Oost” Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië, 17-07-1905

Daarom begonnen verschillende analysten zich zorgen te maken voor de situatie in Nederlands-Indië toen de Britten, Fransen en Russen tegen het einde van de Islamitische Staat Al Khilafa alsmaar meer misdaden begingen tegen de moslims: “Ik vrees dat onze Mohammedanen de nawerking van het onrecht dat nu geschiedt, wel degelijk zullen gevoelen. Gisting en onvrede zullen toenemen, ook in Nederlands-Indië.” Met andere woorden, zij realiserden zich de hechte band tussen de Khilafa en de moslims van Indonesië, en zij vreesden dat de moslims in Indonesië in opstand zouden komen om hun Khalifa en broeders te helpen.

De Nederlandse plannen tegen het verzet in Indonesië: “Stop het idee van Khilafa”

De Nederlandse kranten uit de periode 1850 – 1930 maken ook duidelijk waar Nederland aan dacht om Indonesië onder haar controle te krijgen en te houden. Bijvoorbeeld stelde Nederland regels en wetten in werking die ten doel hadden de Indonesische moslims van het verrichten van de bedevaart weg te houden. Het Nieuws van den Dag schrijft in 1884: “Wel zijn er vroeger bepalingen in het leven geroepen om het gaan naar Mekka zoveel mogelijk te beperken (…).” Hiermee verwijst de krant naar de “Hadj Ordonantie” van 1859 waaronder allerhande eisen werden gesteld aan degenen die op Hadj wilden gaan, en waaronder degenen die daadwerkelijk gingen in de Hidjaaz voortdurend moesten contact onderhouden met het Nederlandse conslutaat in Djeddah zodat de Nederlandse regering hun ontwikkeling in de gaten kon houden. Desondanks bleef de invloed van de Hadj op het verzet groot, en bleven Nederlandse analysten de overheid dus aanraden om meer te doen tegen de bedevaart, blijkens het Nieuws van den Dag van 1904: “De invloed van dat trekken naar vreemde gewesten en van korter en langer verblijf in Mekka (…) heeft niet op zich doen wachten. De Pan-islamitische beweging is er het gevolg van geweest. En nu was er een tijd waarin men de invloed van de Hadji’s te hoog heeft ingeschat; thans echter schat men hem te laag want zij vormen ook heden ten dage een soort brandstof, die gevaarlijk wordt zodra de een of andere kwaadwillige of eerzuchtige er dan brand in steekt. (…) Van regeringsweze dient streng toezicht te worden gehouden.”

Omdat de Nederlandse overheid de Hadj niet simpelweg kon verbieden – dat zou haar een massale opstand in Indonesië opgeleverd hebben, de Indonesiërs ware traditiegetrouw de grootste groep Hadji’s in de Hidjaaz – raadden sommige analysten hun overheid aan om verdere controle uit te oefen op degenen die op bedevaart gingen. In het Nieuws van den Dag van 1884 stelde een analyst de Nederlandse regering bijvoorbeeld voor om spionnen aan te stellen onder de bedevaartsgangers: “Niet in de mesjdjids noch in de langgars worden de kiemen gezaaid van godsdiensthaat en fanatisme, maar in de desa’s in de kampongs en in de afgelegen woningen der inlanders. Daar sluipt de Hadji rond (…). Vetrouwbare, met de Javaanse, Maleisische, Soendanese of Madorische taal grondig bekende Indo-Europeanen zouden door de Regering (…) als geheime politie naar die streken (Mekka, Medina) gezonden moeten worden (…).” Met het sturen van de oriëntalist Christiaan Snouck Hurgronje als spion naar Mekka heeft de Nederlandse regering dit advies ook daadwerkelijk opgevolgd.

Eens terug in Indonesië wilde Nederland de invloed van de Hadji’s te beperken. In het Algemeen Handelsblad van 1889 werd het koloniale bestuur geadviseerd om de moskeeën en de madrassa’s onder haar controle te brengen, zodat ze de lessen over Islam gegeven in Indonesië onder haar controle kon brengen: “Het is onbegrijpelijk: men ziet het kwaad, wordt er van verschillende zijden voor gewaarschuwd, – en toch laat men het ongehinderd vorwoekeren! Aldus is de laatste jaren de houding van het Indisch bestuur geweest tegenover de opruiing van het pan-islamisme. (…) De heer Van den Berg verzekert ons dat de preeken, in de moskeeën voorgedragen, ‘een allerkwaadaardigsten geest tegen het gezag der Christenen ademen’. (…) daarom achten wij een behoorlijk toezicht nodig op de verkondiging van leerstellingen die het wettig gezag ondermijnen.”

Zo groot was de angst – en haat! – voor Islam en de Islamitische Staat Al Khilafa, dat het koloniale bestuur in Indoneë besloot iedere moslim in het gevang te zetten die hierover sprak: “Het wetboek van strafrecht voor inlanders bedreigt dwangarbeid buiten den ketting van drie maanden tot vijf jaren voor elke godsdienstleraar die in een openbaren bijeenkomst de Regering gispt of hekelt, of het volk opruit tot verzet of opstand.” Volgens sommige analysten ging deze maatregel nog niet ver genoeg, echter. In het Nieuws van den Dag van 1915 wordt de Nederlandse regering opgeroepen om van spreken over pan-islamisme of de Khilafa landverraad te maken: “Wie bij de inlandse bevolking de door het pan-islamisme gewekte dwaling verlevendigt dat zij iets met den Turkschen kalifah zou hebben te maken, pleegt landverraad ten opzichte van ons gezag.” Voor de goede orde, de straf voor landverraad was de dood. Het voorstel was dus om spreken over de Khilafa te bestraffen met de dood.
“Tweëerlei gezag” Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië, 10-06-1915

Wat men wilde realiseren met dit alles is overduidelijk. Men wilde het contact tussen de moslims in Indonesië en de Islamitische Staat Al Khilafa verbreken en het idee van Khilafa verbannen uit Indonesië.

Conclusie: Het Indonesisch verzet, Islamitisch of nationalistisch?

Er bestaat duidelijk een groot verschil tussen het Indonesisch verzet tegen het Nederlandse kolonialisme volgens de kranten van de stijds, en het Indonesisch verzet tegen het Nederlandse kolonialisme volgens de geschiedenisboeken van tegenwoordig. En dit betekent niets anders dan dat het “af en toe, nationalistische” verzet van de geschiedenisboeken van tegenwoordig een leugen is. Een mythe betreffende het Indonesisch verzet tegen het Nederlandse kolonialisme bewust creëerd en in stand gehouden voor bepaalde doeleinden. De werkelijkheid van het Indonesische verzet blijkt uit de destijdse rapportages over dit verzet en analyses van dit verzet in de Nederlandse kranten. Zonder uitzondering zeggen dezen dat het Indonesisch verzet tegen het Nederlandse kolonialisme massaal was en uit de Islam van de Indonesische moslims voortkwam. Omdat de Indonesische moslims zichzelf als onderdanen van de Islamitische Staat Al Khilafa zagen en hun land als moslimgrond die door ongelovigen bezet werd.
“De bedevaart naar Mekka en haar beteekenis voor onze Oost” Het Vaderland 11-11-1938

De analyses in de Nederlandse kranten die de invloed van de ondergang van de Islamitische Staat Al Khilafa in 1924 op Nederlands-Indië onderzoeken, spreken wat dit betreft boekdelen. Na de ondergang van de Islamitische Staat Al Khilafa in 1924 was de eenheid van de moslims gebroken en kwam de Hedjaaz onder de controle van de Al Saoed-familie, wiens uiterlijk weliswaar Islamitisch was maar wiens inhoud niet. Volgens de in 1938 oud-consul van Nederland in Djeddah, ene heer Van der Meulen, bij een bijeenkomst van het Indische Genootschap [8] in Den Haag, betekende dit dat de Islamitische bedevaart en de Hadji niet langer een gevaar vormden voor het Nederlandse gezag in Indonesië. Volgens de krant Het Vaderland zei Van der Meulen: “De Mekka bedevaart is onder de tegenwoordige omstandigheden, met een koning van Saoedijah, die pan-islamitische en communistische actie tegengaat en die zijn waardering voor onze koloniale gezagvoering openlijk uitspreekt, geen bedreiging meer voor ons gezag.” Dit betekent maar één ding, en dit is dat de band tussen de Islamitische Staat Al Khilafa en de moslims van Indonesië altijd het echte probleem was voor Nederland. Daarom was men in Nederland blij en tevreden toen in 1924 de Islamitische Staat Al Khilafa ten onder ging.

________________________________________

[1] De lezer is gewaarschuwd: “berigt” is geen spelfout, maar de manier waarop het woord dat wij vandaag de dag kennen als “bericht” werd geschreven in 1850. Wanneer in de rest van dit artikel verdere citaten uit oude kranten worden weergegeven, dan zullen meer voorbeelden van verschillen tussen de hedendaagse en de oude spelling blijken.

[2] “Kraëng” is een titel voor een vorst op Sulawesi.

[3] Blijkbaar gebruikten de Nederlanders deze Indonesische term voor degenen waarover de Indonesische moslims zeiden: “hij is een ‘sjahied’ (martelaar)”. Want in de Islamitische leer is de sjahied degene die valt in de Jihad en hij is zeker van zijn zaligheid.

[4] Gisting is oud-Nederlands voor onrust.

[5] Al in 1530 had Soeltan Alauddien van Atjeh de Khalifa in Istanboel gecontacteerd en hem de bay’a gegeven. De Khalifa stuurde hierna geregeld schepen naar Atjeh om de moslims daar te bevoorraden en om hen te leren kanonnen en buskruit te maken. Zie: www.en.wikipedia.org/wiki/Ottoman_expedition_to_Aceh

[6] De Khalifa werd door de Nederlanders “de Verheven Porte” genoemd.

[7] Boni is een gebied op Sulawesi.

[8] Het Indisch Genootschap was wat men heden ten dage een “denk-tank” zou noemen, die probeerde de Nederlandse overheid te adviseren omtrent het te voeren beleid in Indonesië.

Comments

comments

DELEN