Vergiffenis betekent “kwijtschelding van schuld” en “het niet meer kwalijk nemen”. Het resulteert als iemand een kwaad is aangedaan en deze persoon er vervolgens voor kiest om geen gebruik te maken van het recht op wraak dat hem gegeven is, alhoewel hij in staat is om van dit recht gebruik te maken. Als de persoon dan ook nog uit zijn hart verwijdert de terechte boosheid over het kwaad dat hem aangedaan is en de terechte wrok tegen de misdadiger die hiervoor verantwoordelijk is, dan is er sprake van “oprechte vergiffenis”.

Dat mensen vergiffenis zoeken bij degenen die zij een kwaad hebben aangedaan kan verschillende redenen kennen. Bijvoorbeeld, degene die kwaad gedaan heeft had niet de intentie om kwaad te doen. Op het moment dat hij een handeling verrichte, realiseerde hij zich niet dat deze een kwaad was. Dit werd hem pas duidelijk na het verrichten van de handeling. En eenmaal het kwaad in de handeling hem duidelijk werd, voelde hij zich slecht vanwege zijn handeling, wat hem aanzette tot het zoeken van vergiffenis. Een voorbeeld hiervan betreft de gebeurtenis met betrekking tot Aboe Loeba’aba. Als gezant van de Boodschapper van Allah (saw) trok hij naar de joodse stam Bani Qoeraidha om hen te spreken. In het gesprek liepen de emoties zo hoog op dat Aboe Loeba’aba aan Bani Qoeraidha een geheim van de moslims verklapte. De ernst hiervan werd hem duidelijk toen Allah (swt) daarop openbaarde:

“O, gij die gelooft, weest Allah en de boodschapper niet ontrouw en weest niet ontrouw aan het u toevertrouwde tegen beter weten in.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Anfaal 8, vers 27)

Daarop kreeg Aboe Loeba’aba zo een spijt van hetgeen hij gedaan had dat hij zichzelf vast liet binden aan een paal met de intentie om daar te blijven, totdat Allah (swt) hem vergaf. Daarop openbaarde Allah (swt):

“En er zijn anderen, die hun fouten bekennen. Zij vermengden een goede met een slechte daad. Het kan zijn, dat Allah Zich met barmhartigheid tot hen zal wenden. Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera At Tauba 10, vers 102)

Het is ook mogelijk dat degene die kwaad gedaan heeft zich op het moment van handelen wel realiseerde dat hij kwaad deed maar dat hij na de handeling toch berouw ontwikkelt over zijn daad. Een voorbeeld hiervan is Ka’ab bin Maalik, die zijn voorbereidingen voor deelname aan de Slag bij Taboek alsmaar uitstelde alhoewel hij wist dat dit verkeerd was. Uiteindelijk zorgde zijn nalatigheid ervoor dat hij niet deelnam aan de Slag. Na terugkeer van de moslims vroeg de Boodschapper van Allah (saw) aan hem waarom hij niet met hen afgereisd was. Ka’ab gaf eerlijk antwoord en vertelde dat hij gewoonweg nalatig was geweest. Daarop zonderde hij zich af van de moslims en de moslims spraken niet meer met hem. Hij zocht vergiffenis bij Allah (swt) en na vijftig nachten openbaarde Allah (swt) aan de Boodschapper (saw) vergiffenis voor Ka’ab.

Dit zijn beiden voorbeelden van “oprecht zoeken naar vergiffenis”. Oprecht zoeken van vergiffenis resulteert uit oprecht berouw. Oftewel, wanneer een persoon in zijn hart een pijn voelt vanwege hetgeen hij gedaan heeft.

Allah (swt) heet de mensen aangespoord om te vergeven in gevallen van oprecht berouw en oprecht zoeken van vergiffenis. Hij (swt) zegt:

“Neig u tot vergiffenis en spoor tot vriendelijkheid aan en wend u van de onwetenden af.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al ‘Aaraaf 7, vers 199)

“Wedijvert met elkaar in het vragen om vergiffenis van uw Heer en om het paradijs, welks uitgestrektheid de hemelen en de aarde is, bereid voor de godvrezenden. Zij, die in voorspoed en in tegenspoed wel doen en zij, die toorn onderdrukken en mensen vergeven; Allah heeft hen die goed doen, lief.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Imraan 3, vers 133 – 134)

“En laat hen, die rijkdommen en overvloed onder u bezitten niet ophouden te geven aan verwanten en behoeftigen en hun die hun huizen terwille van Allah hebben verlaten. Laten zij vergeven en over het hoofd zien. Wenst gij niet dat Allah u zou vergeven? Allah is Vergevensgezind, Genadevol.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Noer 24, vers 22)

“Wat u is gegeven is slechts een voorziening voor dit leven, hetgeen bij Allah is, is beter en van langere duur voor de gelovigen die in hun Heer vertrouwen stellen. [En] Voor degenen die de zwaarste zonden en gruweldaden vermijden en die wanneer zij vertoornd zijn, vergeven; En voor degenen die naar hun Heer luisteren en hun gebeden houden en wier manier van handelen een zaak van wederzijds overleg is en voor degenen die geven van hetgeen waarmee Wij hen hebben voorzien; En voor degenen die, als een aanval hen treft, zich verdedigen. Doch de vergelding van het kwade is het daaraan gelijke; maar wie vergeeft en verbetering voor ogen houdt, zijn loon rust bij Allah. Voorzeker, Hij houdt niet van de onrechtvaardigen.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Asj Sjoera 42, vers 36 – 40)

De Boodschapper van Allah (saw) heeft ook gezegd: “[Profeet] Moesa, de zoon van [Profeet] Imraan vroeg eens: ‘O mijn Heer, wie is de meest eerwaardige van al Uw dienaren? Hij [Allah] antwoordde: ‘Degene die vergeeft op het moment dat hij in een positie van macht is [en dus ook wraak zou kunnen nemen]’.” (Al Bayhaqi).

Er bestaat echter ook een derde optie voor het zoeken van vergiffenis. Dit is wanneer degene die een kwaad gedaan heeft en vervolgens vergiffenis zoekt om zichzelf in een positie te manouvreren, waardoor hij in de toekomst weer kwaad kan doen. Een voorbeeld hiervan is paus Benedictus de 16e en zijn toespraak in Regensburg op 13 september 2006. In deze toespraak citeerde hij een Byzantijnse keizer en zei over Profeet Mohammed (saw): “Laat mij zien wat Mohammed voor nieuws heeft gebracht en je zult [daarin] enkel kwade en onmenselijke dingen vinden, zoals het gebod om zijn religie met het zwaard te verspreiden.” Nadat de moslims duidelijk hadden gemaakt dat een dergelijke belastering van de Boodschapper van Allah (saw) onacceptabel was, zei de paus dat het hem speet dat mensen zich gekwetst voelden door zijn woorden, maar dat hij achter de woorden bleef staan.

In dit geval is er geen sprake van oprecht berouw en derhalve ook niet van oprecht zoeken van vergiffenis. En met betrekking tot deze vorm van zoeken van vergiffenis heeft de Boodschapper van Allah (saw) gezegd: “Een gelovige laat zichzelf niet tweemaal bijten vanuit hetzelfde hol.” (Boechari, Moeslim, Aboe Dawoed, Ibn Maadja, Ahmed). De Boodschapper van Allah (saw) sprak deze woorden met betrekking tot Aboe ‘Izza al Djamhi. Tijdens de Slag bij Badr vocht hij samen met moesjrikkien (meergodendienaren) van Qoraiesj tegen de moslims. Hij werd door de moslims gevangen genomen en meegebracht naar Al Madina. Daar beklaagde hij zich bij de Boodschapper van Allah (saw) over het feit dat hij slechts een arme man was met een grote familie en zodoende veroorzaakte zijn gevangenschap grote problemen voor zijn gezin in Mekka. Hij verontschuldigde zich dus feitelijk bij de Boodschapper van Allah (saw) en beloofde nooit meer tegen de moslims te zullen vechten, mits zij hem vrij zouden laten. Vanwege zijn omstandigheden, die van zijn gezin en vanwege zijn verzoek om vergiffenis, vergaf de Boodschapper van Allah (saw) Aboe ‘Izza al Djamhi. Hij gaf opdracht om hem vrij te laten en te laten terug keren naar zijn familie in Mekka. Echter, na terugkeer in Mekka brak Aboe ‘Izza al Djamhi zijn belofte en trok hij opnieuw ten strijde tegen de moslims. Hij werd wederom gevangen genomen door de moslims en daarop beklaagde hij zich wederom bij de Boodschapper van Allah (saw) over het feit dat hij slechts een arme man was met een grote familie en dus dat zijn gevangenschap grote problemen veroorzaakte voor zijn gezin in Mekka. Hij verontschuldigde zich dus wederom bij de Boodschapper van Allh (saw) en beloofde nogmaals nooit meer tegen de moslims te zullen vechten als dezen hem vrij zouden laten. Maar de Boodschapper van Allah (saw) zei tegen hem: “Nee, jij zult niet terugkeren naar Mekka om te kunnen opscheppen over het feit dat jij Mohammed tweemaal voor de gek gehouden hebt”. Daarop liet de Boodschapper van Allah (saw) Aboe ‘Izza al Djamhi doden.

Dit alles toont aan dat de Moslim ten sterkste aangemoedigd wordt om te vergeven in geval van oprecht berouw. Maar de moslim moet niet naïef zijn. Hij moet dus altijd de oprechtheid van de persoon, die om vergiffenis vraagt,  onderzoeken. De regel hierbij is dat bij het eerste verzoek om vergiffenis niet zou moeten worden getwijfeld aan de oprechtheid van het verzoek, omdat het uitgangspunt is dat aan iedereen het voordeel van de twijfel wordt gegeven. Degene die dichter bij Allah (swt) wil komen, zou daarom het eerste verzoek om vergiffenis moeten inwilligen en boosheid en wrok uit zijn hart moeten verwijderen.

Bij een tweede verzoek om vergiffenis, na een tweede handeling van kwaad, bestaat het voordeel van de twijfel niet meer en moet eerst onderzocht worden of de misdadiger oprecht is of niet. Dit moet gedaan worden door de handeling van de misdadiger te bestuderen, de woorden die hij gesproken heeft, zijn geschiedenis, zijn reputatie voor wat betreft eerlijkheid en goedheid etcetera. Dit is om te voorkomen dat de moslim zichzelf of anderen bloot stelt aan kwaad. De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “De gelovige doet geen kwaad en laat geen kwaad doen.” (Ad Daraqoetni). Als er na een dergelijke diep onderzoek de moslim van mening is dat er sprake is van oprecht berouw, dan is het goed voor hem wanneer hij vergeeft en hoopt op de vergiffenis van Allah (swt) als beloning hiervoor.

Een laatste opmerking tot slot specifiek voor de drager van de da’awa tot Islam. De drager van de da’awa tot Islam stelt zichzelf bloot aan mogelijke vervolgingen zoals belastering, gevangenschap, marteling of zelfs de dood door de mensen die hij uitnodigt tot Islam. Deze vervolgingen zijn het gevolg van onwetendheid door de onwetenden. Dit is bijvoorbeeld precies de bedoeling van de “Oorlog tegen Terreur”. Deze probeert misbruik te maken van de onwetendheid bij mensen en hen bang te maken voor Islam, zodat zij de vervolgingen van de da’awa dragers zullen toestaan, accepteren of zelfs zullen veroorzaken. De Boodschapper van Allah (saw) is dit ook overkomen. Toen hij (saw) naar Taa’if trok om de mensen daar tot Islam uit te nodigen,  hitsten de leiders daar de eenvoudige mensen tegen hem (saw) op. Het gevolg was dat de mensen hem met stenen de stad uit dreven en ernstig verwondden. De engel Djibriel (as) vroeg de Boodschapper van Allah (saw) daarop of hij (saw) wilde dat Allah (swt) het volk van Taa’if zou straffen voor deze daad, door de twee bergen waartussen zij leefden samen te laten komen en hen te verpletteren. Maar volgens de boeken van Siera antwoordde de Boodschapper van Allah (saw): “O Allah, leid deze mensen, want zij weten niet wat zij deden”.

Comments

comments

DELEN