De mens is een sociaal wezen en dit heeft te maken met het overlevingsinstinct. Het overlevingsinstinct zet de mens ertoe aan te zoeken naar veiligheid en geborgenheid. Het leven in gemeenschappen geeft de mens dit gevoel van veiligheid en geborgenheid. Het is derhalve natuurlijk voor de mens om in gemeenschappen leven, in plaats van in afzondering. En dit heeft de mensheid dan ook altijd gedaan.

Tot de normale, dagdagelijkse relaties tussen mensen behoort dan ook de relatie tussen buren. De manier waarop in de westerse wereld deze relatie geordend wordt realiseert niet het doel dat de mens heeft met het leven in gemeenschappen. In de westerse wereld is het namelijk niet abnormaal om geen relatie te hebben met de buren, of om de buren zelfs niet te kennen. Maar hierdoor wordt het gevoel van veiligheid en geborgenheid dat de mens tot stand probeert te brengen door in gemeenschappen te leven niet gerealiseerd. En dit betekent dat de westerse ordening van de relatie tussen buren niet de juiste ordening is. Integendeel, deze ordening is een bron van veel onrust en ellende. Buren leven met elkaar en als zij elkaar niet kennen dan bestaat er wantrouwen, terwijl het bestaan van vertrouwen noodzakelijk is voor een gezonde gemeenschap. En als buren elkaar niet kennen dan bestaat er ongeïnteresseerdheid, terwijl het bestaan van zorgzaamheid noodzakelijk is voor een gezonde gemeenschap.

Islam heeft wetgeving geopenbaard om de relatie tussen buren te ordenen. Wetgeving die de relaties tussen buren zo ordent dat uit het buurmanschap gezonde gemeenschappen resulteren. Gemeenschappen waarin rust heerst omdat de mensen elkaar kennen, elkaar vetrouwen en elkaar helpen. De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Onder de dingen die een man blijdschap brengen zijn een goede buurman, een dier dat comfortabel is om te berijden, en een ruim huis.” (Ahmad, Al Moenthiri en Al Haythami).

In de visie van Islam is “buurmanschap” een ruim begrip. Al Hassan al Basri heeft overgeleverd dat Al Hassan ibn ‘Ali werd gevraagd: “Wie precies is een buurman”. Al Hassan antwoordde daarop: “Je buren zijn veertig huizen voor je, veertig huizen achter je, veertig huizen aan je rechter zijde, en veertig huizen aan je linkerzijde” (Al Boechari in Al Adab Al Moefrad). Hieruit moet begrepen worden dat de rechten en plichten die horen bij buurmanschap betrekking hebben op de gemeenschap waarin men leeft, en niet enkel op de mensen die direct ten linker- en rechterzijde van het eigen huis wonen.

Islam heeft goede zorg voor de buren tot een grote verplichting gemaakt voor de moslim. De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Djibriel bleef maar aandringen dat ik mijn buren goed zou behandelen, tot het punt dat ik dacht dat hij me de opdracht zou geven hen tot mijn erfgenamen te maken.” (Boechari).

Zorgzaamheid voor de buren is door Allah (swt) zelfs vergeleken met het hebben van imaan (geloof) in Hem (swt). Allah (swt) zegt:

“En aanbidt Allah en vereenzelvigt niets met Hem en bewijst vriendelijkheid aan ouders, verwanten, wezen, de behoeftigen en jullie dichtbijzijnde buren, verre buren, aan jullie vrienden, de gestrande reiziger en aan jullie dienaren en werknemers die onder uw macht zijn. …” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Nisa 4, vers 36)

Hier bespreekt Allah (swt) de zorg voor buren tezamen met de aanbidding van enkel Hem (swt), waardoor Hij (swt) het belang van zorg voor buren benadrukt.

Ook in de Soenna van de Boodschapper van Allah (saw) wordt de grootsheid van de plicht tot zorgzaamheid voor de buren benadrukt door het te vergelijken met imaan. De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Bij Degene in wiens hand mijn ziel is, een dienaar (van Allah) kan niet geloven totdat hij wenst voor zijn buurman of zijn broeder hetgeen hij wenst voor zichzelf.” (Moeslim). De
Boodschapper van Allah (saw) heeft ook gezegd: “Wie ook gelooft in Allah en de Laatste Dag, laat hem goed zijn voor zijn buren.” (Moeslim). In de versie van deze tekst overgeleverd door Boechari wordt gezegd: “Laat hem zijn buren eren.” (Boechari).

De afwezigheid van zorgzaamheid voor de buren, feitelijk het veroorzaken van overlast en problemen voor de buren, wordt in de Soenna verschillende malen vergeleken met de afwezigheid van imaan. Zo heeft Aboe Hoerayra (ra) overgeleverd: “De Profeet (saw) werd gevraagd: ‘Boodschapper van Allah (saw)! Een vrouw bidt tijdens de nacht, vast tijdens de dag, handelt en geeft sadaqa, maar schaadt haar buren middels haar tong’. De Boodschapper van Allah (saw) zei: ‘Er is geen goed in haar. Zij is één van de mensen van het Hellevuur’.” (Boechari).

Aboe Hoerayra (ra) heeft ook overgeleverd dat de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Degene wiens buren niet veilig zijn voor zijn kwade gedrag, hij zal de Tuinen (van het Paradijs) niet betreden.” (Boechari). En Aboe Hoeraira (ra) heeft overgeleverd dat de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Degene die gelooft in Allah en in het Hiernaamaals, laat hem zijn buren niet lastigvallen (geen overlast veroorzaken).” (Boecharie, Moeslim).

Praktisch gezien betekent dit alles dat de moslim moet zorgen voor zijn buren, en hem geen kwaad mag aandoen of overlast mag veroorzaken. Één van de manieren waarop de moslim moet zorgen voor zijn buren is door zijn eten te delen met hen. Aboe Dharr (ra) heeft overgeleverd dat de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Wanneer jullie een jus koken, voeg water toe en geef iets (ervan) aan je buren.” (Moeslim).

In een normale situatie is dit een aangeraden (mandoeb) handeling. Maar het delen van het eten met de buren wordt een plicht op de moslim indien iemand van zijn buren honger leidt. De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd namelijk: “Hij is niet een gelovige die eet terwijl zijn buurman honger lijdt.” (Boechari, Al Haakim and Al Bayhaqi).

Andere dingen die een moslim zou moeten doen tegenover zijn buren is hen bezoeken als zij ziek zijn, het verwijderen van de paden en wegen de dingen die tot last zouden kunnen zijn voor zijn buren; het begroeten van hen en het spreken van vriendelijke woorden tegen hen; en het tonen van respect voor hun menselijkheid. Dit zijn allemaal dingen verricht door de Boodschapper van Allah (saw) als voorbeeld voor de mensen, en/of aangeraden door de Boodschapper van Allah (saw) aan de mensen.

Bij dit alles moet opgemerkt worden dat het volgens Islam niet uit maakt of de buren moslim zijn of niet-moslim. ‘Aiesja (ra) heeft overgeleverd dat ze tegen de Boodschapper van Allah (saw) zei: “Boodschapper van Allah, ik heb twee buren. Aan wie (van hen) zal ik mijn cadeaus geven?”. De Boodschapper van Allah (saw) antwoordde: “Aan degene wiens deur dichter bij je is.” (Boechari). En deze woorden zijn algemeen in betekenis en dus van toepassing op iedereen, op alle buren.

Er bestaat geen excuus om genoemd gedrag tegenover de buren niet te vertonen. Zelfs als de buren dit gedrag niet teruggeven en zich niet op correcte wijze gedragen, dan nog is de moslim verplicht om zich tegenover hen te gedragen zoals Allah (swt) heeft verplicht.

Indien de mensen deze Islamitische wetgeving betreffende de omgang met de buren zouden naleven, dan zouden veel van de sociale problemen die we kennen in de westerse wereld daarmee opgelost zijn.

Als slotwoord, het is van het grootste belang dat de moslim zich realiseert dat Islam niet enkel de plicht heeft gegeven om goed te zijn voor de buren en het daarna aan de moslim zelf heeft overgelaten om te bepalen wat precies goed is. Islam heeft de plicht gegeven en daarna uiteengezet wat “goed doen voor de buren” precies betekent. Goed doen voor de buren betekent niet de dingen doen die de buren graag van de moslim willen. Goed doen voor de buren betekent de dingen doen voor de buren die Allah (swt) graag wil. De moslim mag dus niet de Wet van Allah (swt) overtreden in zijn pogingen goed te doen voor de buren. En hij mag ook niet denken dat de haram plotseling halal wordt als men het doet om goed te doen voor de buren. De moslim mag dus niet de Wet van Allah (swt) overtreden ook al zou dit de relatie met zijn niet-moslim buren verbeteren; en hij mag niet de overtreding van de Wet van Allah (swt) door de niet-moslims goedpraten in de hoop zijn niet-moslim buren vriendelijk te stemmen. Allah (swt) zegt:

“Zeg: ‘O, mensen van het Boek, komt tot één woord, waarin wij met elkander overeenstemmen: dat wij niemand dan Allah aanbidden en dat wij niets met Hem vereenzelvigen en dat sommigen onzer geen anderen tot wetgever nemen buiten Allah’. Maar, als zij zich afwenden, zegt dan: ‘Getuigt, dat wij Moslims zijn’.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Imraan 3, vers 64)

Oftewel, wat de niet-moslims ook doen, wij moeten altijd laten zien dat wij moslims zijn en enkel en alleen de Wet van Allah (swt) volgen. Ook al behaagt dit de mensen in onze omgeving mogelijk niet.

Comments

comments

DELEN