Status van de vreemdelingen politiek in Nederland, anno 2006

De recente verkiezingen in Nederland kenden als uitkomst een overwinning voor de christen democraten (CDA). Deze werd de grootste partij met 27% van de stemmen, oftewel 41 van de 150 zetels in het parlement. Echter, dit was niet de belangrijkste uitkomst van de verkiezingen van 2006. De belangrijkste uitkomst was de groei van de aanhang van de beide extremen van het politiek spectrum van seculier democratisch Nederland, bij “extreem links” in de vorm van de Socialistische Partij (SP) en “extreem rechts” in de vorm van de nieuwe Partij voor de Vrijheid (PVV – Groep Wilders). De SP is de meest linkse partij in het politiek spectrum Nederland en behaalde met 17% van alle stemmen 25 zetels in het parlement. Dit zijn maar liefst 16 zetels meer dan bij de vorige verkiezingen in 2003, een stijging van 180%. Met 6% van de stemmen waren 9 zetels het resultaat voor de PVV, de meest rechtse partij in Nederland gesticht door de voormalige liberaal-democraat Geert Wilders, die voor de eerste maal aan de verkiezingen mee deed.

Voor een waardering van het aantal stemmen op extreem rechts horen bij de stemmen voor de
PVV opgeteld te worden het aantal voorkeurstemmen voor de minister van Vreemdelingen Zaken, mevrouw Verdonk (VVD). De ten tijde van de verkiezingen nog minister Verdonk presenteerde zich evenals de PVV bij uitstek op een anti-Islam en anti-allochtonen platform, wat haar uiteindelijk 620.555 voorkeurstemmen opleverde. Omstreeks 9 zetels in het parlement. Dus gesteld kan worden dat “extreem rechts” in Nederland bij de laatste verkiezingen in totaal 18 zetels, oftewel 12% van de stemmen, heeft weten te bemachtigen. Tezamen hadden extreem links en extreem rechts van het politieke spectrum in de Nederlandse seculiere democratie dus bijna één op de drie kiezers achter zich.

Een blik op het vreemdelingen beleid toont aan dat van een werkelijk verschil tussen links en rechts geen sprake meer is. Uit ieder politiek statement betreffende deze kwestie blijkt namelijk dat links en rechts de kwestie op identiek dezelfde wijze benaderen. Vergelijkt men bijvoorbeeld het partijprogramma van de Socialistische Partij in Nederland hieromtrent en het verkiezingspamflet van de Partij voor de Vrijheid, dan zal men zien dat het enigste verschil de formulering van de standpunten is, omdat de standpunten in essentie dezelfden zijn:

“De vrijheid van religie is verankerd in onze grondwet, evenals de scheiding tussen kerk en staat, de vrijheid van meningsuiting en andere individuele vrijheden. Religieuze organisaties van en voor allochtonen die in Nederland actief zijn en of willen worden, dienen die rechten te kennen en te respecteren.” – Socialistische Partij, partijprogramma 2006 – 2010

“Nieuw artikel 1 van de Grondwet: christelijk/joods/humanistische cultuur moet in Nederland dominant blijven.” – Partij voor de Vrijheid (Groep Wilders), verkiezingspamflet 2006

“De komst van geestelijken en imams uit het buitenland die geen kennis hebben van de Nederlandse taal en van de Nederlandse samenleving moet worden tegengegaan.” – Socialistische Partij, partijprogramma 2006 – 2010

“Preekverbod buitenlandse imams, verplichting tot spreken van Nederlandse taal in gebedshuizen.” – Partij voor de Vrijheid (Groep Wilders), verkiezingspamflet 2006

“Buitenlandse financiering van in Nederland opererende religieuze genootschappen moet worden tegengegaan en dient, waar het toch gebeurt, volstrekt transparant te zijn.” – Socialistische Partij, partijprogramma 2006 – 2010

“Verbod op buitenlandse financiering of buitenlandse bestuurlijke invloed moskeeën.” – Partij voor de Vrijheid (Groep Wilders), verkiezingspamflet 2006

“Allochtonen die ervoor kiezen terug te keren naar hun land van herkomst in het kader van de terugkeerregeling, dienen geholpen te worden bij het realiseren daarvan.” – Socialistische Partij, partijprogramma 2006 – 2010

“Bevorderen vrijwillige remigratie.” – Partij voor de Vrijheid (Groep Wilders), verkiezingspamflet 2006

Oftewel, zowel links als rechts delen de bevolking consequent op in twee categorieën, zijnde de autochtoon en de allochtoon. En beiden zien de mensen in Nederland dus niet primair als gelijken van elkander waartussen geen verschillen bestaan omdat allen mensen zijn, want beiden brengen onderscheidt aan tussen de mensen op basis van afkomst en/of ras. Verder verheffen beide partijen de “autochtoon” tot boven de “allochtoon”, door de allochtoon te benaderen als iemand die iets te presteren heeft om met de autochtoon samen te mogen leven en door de autochtoon te benaderen als iemand die het recht van eisen heeft tegenover de allochtoon – want bij beide politieke stromingen moet de allochtoon “integreren”.

Toch is deze afwezigheid van alternatieven – wat het zogenaamde recht op kiezen overigens in een geheel ander daglicht stelt, maar dit terzijde – niet altijd zo duidelijk geweest in de Nederlandse politiek. Voor een verklaring van dit toch opzienbarende verschijnsel zou ingegaan moeten worden op wat in principe het verschil is tussen politiek links en rechts bij de kwestie samenleven en hoe dit ook in Nederland lange tijd was. Dit, omdat juist bij deze kwestie links en rechts met verschillende opvattingen geassocieerd worden.

De traditioneel “rechtse” ideeën betreffende samenleven

Bij de kwestie samenleven, namelijk, wordt rechts gewoonlijk geassocieerd met de absolutistische benadering van de kwestie. Wanneer een partij het standpunt uitdraagt dat iedereen in een samenleving zich aan de autochtone cultuur zou moeten aanpassen dan wordt deze partij gewoonlijk als rechts bestempeld. Het denkpatroon van dit rechts bij de kwestie samenleven kent gewoonlijk twee pilaren. De eerste pilaar is de opvatting dat samenleven enkel mogelijk is indien iedereen in de samenleving één en dezelfde cultuur deelt. Er bestaat bij rechts dan ook altijd een sterke focus op hetgeen anders is, waarbij het andere steevast gepresenteerd wordt als een bedreiging voor het samenleven – het is immers “anders”. De tweede pilaar is de overtuiging dat “autochtoon-heid” het bestaan van bepaalde voorrechten impliceert, rechten die niet gelden voor hetgeen niet-autochtoon is, oftewel de allochtoon. Daarom redeneert rechts gebruikelijk dat de autochtoon van de allochtoon mag eisen en dat de autochtoon de allochtoon verplichtingen mag opleggen, terwijl het eisen door de allochtoon of het verplichten door de allochtoon niet geaccepteerd worden. Want, zo wordt dan gesteld, de allochtoon is “te gast” en “gasten hebben niets te eisen, die hebben zich aan te passen”.

Volgens rechts mag de autochtoon dus van de allochtoon eisen om de autochtone cultuur over te nemen om zo samenleven mogelijk te maken. Sterker nog, ten gevolge van de opvatting dat samenleven vereist dat iedereen dezelfde cultuur deelt is het in de ogen van rechts geheel normaal dat de autochtoon simpelweg van de allochtoon eist dat deze zijn allochtone cultuur omruilt voor de autochtone cultuur. Vandaar de beschrijving van de benadering van rechts van deze kwestie als absolutistisch: het eist adoptie van haar cultuur door ieder ander in de samenleving en het accepteert geen afwijkingen hiervan, op basis van het principe “wie hier met mij wil zijn die moet zijn zoals ik, anders kunnen we niet samenleven”. In de praktijk betekent dit dat rechts algemene ideeën uitdraagt over hoe zij denkt dat de autochtoon denkt, handelt en voelt, om vervolgens iedere allochtoon te verplichten ook zo te denken, handelen en voelen. Bij dit alles valt het niet moeilijk om in te zien dat door deze politieke stroming licht gedacht wordt over het grijpen naar de maatregelen van dwang en repressie in een poging de gewenste eenheid van cultuur in de samenleving te realiseren. Hoofdzakelijk dus omdat door rechts de afwezigheid van eenheid van cultuur in de samenleving als een bedreiging wordt ervaren en gepresenteerd.

De traditioneel “linkse” ideeën betreffende samenleven

Links, daarentegen, wordt geassocieerd met het principe van cultureel relativisme als uitgangspunt bij de kwestie samenleven. Het cultureel relativisme stelt dat iedere cultuur, oftewel ieder stelsel van opvattingen over goed en slecht, resulteert uit een specifieke eigen visie over de mens en het leven. Anders gezegd, het cultureel relativisme kent als basis de bewering dat iedere cultuur een eigen basisidee kent waaruit al de andere ideeën van de cultuur vervolgens resulteren. In een voorbeeld om dit duidelijk te maken, de humanistische cultuur achter het kapitalisme heeft een specifiek eigen visie over de mens en het leven, oftewel een eigen basisidee, dat volkomen anders is dan bijvoorbeeld de Islamitische visie op de mens en het leven. Het basisprincipe van het humanisme is in feite het secularisme, zijnde de overtuiging dat ieder mens voor zichzelf uit moet maken wat goed en slecht is en dat ieder mensen naar zijn eigen opvattingen over goed en slecht zou moeten handelen. Oftewel, het humanisme gelooft in vrijheid voor het individu. Het basisprincipe van de Islamitische cultuur, echter, is het credo van Islam “Er is geen God / Oordeler (ilaah) buiten Allah, en Mohammed is Zijn Profeet”. Dit houdt in dat de Islamitische cultuur als goed beoordeelt hetgeen door Allah (swt) als goed beoordeeld is en als slecht beoordeelt hetgeen door Allah (swt) als slecht beoordeeld is, en dus dat de mens bij de bepaling van goed en slecht geen andere rol speelt dan het extraheren (idsjtihaad) van het oordeel van Allah (swt) uit de uitspraken van Allah (swt). Nu, omdat de basisideeën van het humanisme en Islam van elkaar verschillen, zo stelt het cultureel relativisme, valt het te verwachten dat ook de respectievelijke stelsels van opvattingen over goed en slecht van elkaar zullen verschillen. De mens is immers de bron van goed en slecht in de humanistische cultuur terwijl Allah (swt) de bron van goed en slecht is in de Islamitische cultuur. En als de bronnen van goed van elkaar verschillen zullen als natuurlijk het goed en slecht bij beiden ook van elkaar verschillen.

Naast deze beschrijving van de realiteit van culturen omvat het cultureel relativisme ook een idee over de realiteit van het basisidee. Het cultureel relativisme stelt dat geen enkel basisidee kan bewijzen dat zij juist is en dat alle andere basisideeën onjuist zijn. Hieruit concludeert het cultureel relativisme vervolgens dat geen enkele cultuur kan zeggen dat zij beter is dan een andere cultuur. Er wordt als volgt geredeneerd. De humanist kan de opvatting van de moslim over goed en slecht niet beoordelen, omdat de opvatting van de moslim resulteert uit het basisidee dat zegt dat goed en slecht bepaald moet worden door Allah (swt), terwijl de humanist vindt dat goed en slecht enkel en alleen door het individu zelf bepaald mag worden. Als de moslim dus zegt “dat is goed want Allah zegt zo” dan zal de humanist dit zonder twijfel beoordelen als “slecht” omdat de moslim doet wat iemand anders zegt en niet wat hij zelf wil. En andersom, als de humanist zegt “dat is goed want ik vind het goed” dan zal de moslim dit zonder twijfel beoordelen als “slecht” omdat de humanist niet heeft gekeken naar de uitspraken van Allah (swt). Maar, zegt het cultureel relativisme verder, dit is niet zozeer een beoordeling van de ene cultuur door de andere maar veel eerder een vaststelling van het verschil tussen de beide culturen. De humanist stelt enkel vast dat de opvattingen van de moslim niet passen bij de humanistische cultuur en haar basisidee, en de moslim stelt enkel vast dat de opvattingen van de humanist niet passen bij de Islamitische cultuur en haar basisidee. Om werkelijk te kunnen oordelen over een andere cultuur zou de humanist eerst moeten bewijzen dat zijn basisidee juist is en dat alle andere basisideeën fout zijn. Pas daarna zou de vaststelling van een conflict tussen de opvatting van de moslim en het humanistisch basisidee een werkelijke, objectieve beoordeling van de opvatting van de moslim zijn: “basisidee humanisme is juist, opvatting moslim past niet bij basisidee humanisme, dus opvatting van moslim is onjuist”. Maar omdat volgens het cultureel relativisme geen van de culturen de definitieve juistheid van het eigen basisidee kan claimen, kan geen enkele cultuur oordelen over andere culturen. Voor de aanhangers van het cultureel relativisme is de waarheid dan ook relatief, voor de humanist zijn de opvattingen van het humanisme de waarheid, terwijl voor de moslim de opvattingen van Islam de waarheid zijn. En derhalve de term cultureel relativisme.

Voor de kwestie samenleven, ten slotte, betekent deze opvatting de huldiging van het principe “leef en laat leven”. Omdat niemand kan claimen dat hij juist is en de andere onjuist zijn, moet iedereen elkanders “waarheid” respecteren.

De opkomst van de “cultuur kritische” benadering van de kwestie samenleven

Het opvallende in Nederland vandaag de dag is dat de politiek van uiterst links naar uiterst rechts dezelfde absolutistische benadering van de kwestie samenleven huldigt. Toch is links in Nederland niet absolutistisch geweest. Sterker nog, de meeste tijd van de voorbije 40 jaar huldigden zowel links als rechts het principe van het cultureel relativisme. Het is nog niet zo lang geleden dat de partijen die niet het cultureel relativisme als uitgangspunt namen bij de kwestie samenleven, te denken valt in het bijzonder aan de Centrum Democraten van Hans Janmaat, eenvoudigweg genegeerd werden in het parlement. De overige politici, zowel links als rechts, draaiden Janmaat hun ruggen toe wanneer hij de microfoon opeiste. En zijn absolutisme (“Weg met de multiculturele samenleving”, oftewel iedereen moet zich aanpassen aan de Nederlandse cultuur) deed Janmaat destijds zelfs in de gevangenis belanden wegens racisme. Dat links en rechts nu beiden ditzelfde absolutisme huldigen is daar de intellectuele onderbouwing van het vreemdelingenbeleid in Nederland van de voorbije 30 jaar altijd onjuist is geweest.

Het cultureel relativisme leidde in de “progressieve” jaren ‘70 van de vorige eeuw tot beleid waaronder het samenleven van verschillende culturen gezocht werd in het negeren van de verschillen tussen de culturen. Omdat conform de theorie van het cultureel relativisme aangenomen werd dat geen enkele cultuur de absolute en definitieve waarheid was, en dus dat niemand over de opvatting van een andere cultuur kan oordelen, werd over de verschillen tussen de culturen maar niet gesproken uit angst dat teveel aandacht voor verschillen zou leiden tot breuken in de samenleving. Oftewel, men erkende het bestaan van verschillen maar men zag in de verschillen tussen de cultuur van mensen een bedreiging voor het samenleven van deze mensen. Wat het cultureel relativisme dus deed was de mensen aanpraten dat er geen kwestie samenleven bestond omdat er zogenaamd geen echte verschillen tussen de culturen waren, enkel overeenkomsten (“we zijn toch allemaal mensen”, “we geloven toch allemaal in dezelfde God”, et cetera). Wat de mensen impliciet geleerd werd door het krampachtig negeren van de eenvoudig waar te nemen verschillen tussen culturen, echter, was dat verschillen iets zijn om te vrezen. Immers, als verschillen werkelijk geen probleem waren, waarom zou men dan zo hardnekkig ontkennen dat de cultuur van de Italiaanse, Turkse, Spaanse of Marokkaanse gastarbeider anders was dan wat men in Nederland gewoon was? Deze benadering van de kwestie samenleven, die dus resulteerde uit erkenning van het feit dat culturen van elkaar verschillen, leerde de mensen dus eigenlijk dat samenleven enkel mogelijk is indien er eenheid van cultuur is in de samenleving. Tegelijkertijd, door het negeren van de realiteit leerden de mensen ook niet hoe om gegaan behoort te worden met verschillen. Het resultaat was dat de mensen de verschillen uit de weg gingen, en dus dat de verschillende culturen zichzelf terugtrokken in hun eigen steden, wijken en buurten, om in de waan te kunnen blijven dat er geen verschillen bestonden en er ook geen kwestie samenleven bestond. Men sprak hoogdravend over het “tolereren” van verschillen, terwijl men in werkelijkheid niets anders deed dan negeren van verschillen.

De politiek van krampachtig negeren en terugtrekking in eigen kring maakte de verschillen tussen culturen enkel des te meer evident. En als onvermijdelijk leidde deze politiek dan ook tot een nieuw politiek tijdperk, en wel op het moment dat het ontkennen van verschillen tussen de culturen in Nederland eenvoudigweg niet langer mogelijk was. Dit was eind jaren ‘80, begin jaren ‘90 van de vorige eeuw. Min of meer op hetzelfde moment ging ook het communisme ten onder, waarna het kapitalisme als absolute alleenheerser overbleef in de wereld. Dit was aanleiding voor een tijdperk van ongekend optimisme en vertrouwen in de eigen juistheid onder de aanhangers van de kapitalistische ideologie en dus de humanistische cultuur. In reactie op de ondergang van het communisme werden dan ook boeken geschreven onder hoogdravende titels als “Het einde der geschiedenis”, waarin werd betoogd dat nu het kapitalisme al de andere culturen overwonnen had. Zo bezien was het einde van de geschiedenis bereikt, stelde men. Er zou nog enkel kapitalisme zijn, en er zou geen ideologische strijd meer zijn omdat de juistheid van het kapitalisme en haar humanistische cultuur door de ondergang van het communisme boven alle twijfel verheven zou zijn.

Deze twee bijna gelijktijdige gebeurtenissen, enerzijds de beëindiging van de traditie van het negeren van verschillen en anderzijds de komst van het geloof in de absolute waarheid van de humanistische cultuur onder het kapitalisme, deed de politiek zich wenden tot de cultuur kritische benadering van verschillen tussen culturen. Onder de cultuur kritische beschouwing van culturen wordt in aanvang geredeneerd zoals onder het cultureel relativisme, namelijk dat de opvattingen van een cultuur te maken hebben met het basisidee van de cultuur. Oftewel, de realiteit van culturen alszijnde een basisidee waaruit opvattingen over goed en slecht resulteren wordt hieronder geaccepteerd. Maar onder de cultuur kritische benadering van verschillen wordt afstand genomen van het idee dat de ene cultuur niet kan oordelen over de andere cultuur. Om precies te zijn, er wordt afstand genomen van het idee dat stelt dat geen enkele cultuur met zekerheid kan stellen dat haar basisidee juist is en dat alle andere basisideeën onjuist zijn. Het idee was dat de humanistische cultuur had aangetoond superieur te zijn, en dat enkel en alleen hierdoor het communisme ten onder was gegaan. In de overwinningsroes van de tijd geloofden de mensen dus dat met zekerheid gezegd kon worden dat de humanistische cultuur de juiste cultuur was, en dus dat alle andere culturen onjuist waren. In het verlengde hiervan verwachte men dat voor de overgebleven niet-humanisten enkel de realisatie van een verschil tussen hun cultuur en de humanistische cultuur onder het kapitalisme genoeg aanleiding zou zijn om te veranderen in een humanist. En omdat ten gevolge van het cultureel relativisme de mensen overtuigd waren van het feit dat samenleven enkel mogelijk was indien iedereen dezelfde cultuur kent, zou uiteindelijk het ideale samenleven resulteren als iedere niet-humanist het conflict van de eigen cultuur met het humanisme zou hebben ingezien een humanist zou zijn geworden. Zo beelde men zich in, althans, en zo verwerd de vaststelling van het bestaan van een verschil tussen een cultuur en de humanistische cultuur tot de aanleiding voor afwijzing van deze cultuur. Als het niet humanistisch was dan was het duidelijk onjuist, zo was het denken. Dus als maar genoeg werd gesproken over de gebreken van de andere culturen, oftewel over de elementen van de andere culturen die niet in overeenstemming waren met de humanistische cultuur, dan zou ter zijner tijd iedereen wel al de onjuiste culturen verlaten en ook een humanist worden. Dan zouden de mensen allemaal humanist zijn, en dan zou het juiste samenleven een feit zijn.

In dit tijdperk werden verschillen tussen culturen dus automatische vertaald naar kritieken op culturen. En voortaan zou de humanist dan ook bijvoorbeeld de Islamitische cultuur publiekelijk veroordelen als een minderwaardige cultuur, waar en wanneer hij kon, enkel en alleen omdat de moslims zich laten leiden door Islam en niet door de eigen wensen en verlangens zoals de humanist dat doet, en omdat de moslims geloven in de Wet van Allah en niet in de wet van de mens zoals de humanist dat doet, et cetera.

Zo brak het tijdperk van de cultuur kritiek met het eerdere tijdperk van het cultureel relativisme. Ten tijde van het cultureel relativisme was de praktijk altijd geweest om verschillen te negeren. Ten tijde van de cultuur kritiek was de praktijk om de verschillen tussen culturen juist te benadrukken, omdat gedacht werd dat hierdoor de superieure humanistische cultuur duidelijk zou worden voor de mensen, waarna iedereen dan zou omarmen. Echter, het probleem van deze benadering van verschillen tussen culturen is dat zij in feite de realiteit van culturen ontkent. Het is gewoonweg een juiste observatie die heeft geleidt tot de cultureel relativistische beschrijving van het fenomeen cultuur, waaronder wordt gesteld dat de opvattingen van culturen afhankelijk zijn van het basisidee onder de cultuur. Precies voor deze reden is het in feite vanzelfsprekend dat de humanist de opvattingen van de moslim niet juist zal vinden, omdat humanist en moslim zich beiden op verschillende basisideeën baseren. De afwijzing door de humanist van de opvatting van de moslim, oftewel de vaststelling van een verschil tussen de humanistische cultuur en de van de Islamitische cultuur, zal pas een werkelijke intellectuele kritiek zijn op het moment dat de humanist heeft bewezen dat zijn vertrekpunt – zijn basisidee – juist is en dat van de moslim onjuist. Gezien de realiteit van culturen zal de humanist nooit de moslim er toe kunnen bewegen om van cultuur te veranderen, enkel en alleen maar omdat de Islamitische cultuur van de moslim anders is dan de humanistische cultuur van de humanist. Pas op het moment dat de humanist heeft bewezen dat zijn basisidee juist is en dat van de moslim onjuist, pas dan zal de kritiek van de humanist de moslim er toe kunnen bewegen om van mening te veranderen betreffende goed en slecht. De vraag die beantwoord moet worden om een dergelijke verandering te doen plaatsvinden is dus “waarom is het basisidee van de Islamitische cultuur onjuist en waarom is het basisidee van de humanistische cultuur juist?”. Maar voor de cultuur critici was (en is) een dergelijke discussie over de fundamentele ideeën onder de culturen not-done. Het basisidee van het humanisme bediscussiëren werd (en wordt) gezien als het in twijfel trekken van het humanisme, terwijl het humanisme volgens de cultuur critici toch net het communisme overwonnen had! Dus deze discussie over waarom precies de opvattingen van de humanistische cultuur beter waren dan de waarden van de andere culturen, oftewel waarom het basisidee van het humanisme beter was dan het basisidee van de andere culturen, dit lieten de cultuur critici na. Er werd door hen aangenomen dat de eigen cultuur superieur was, maar beargumenteerd werd dit nooit. Dus men liet na om te beargumenteren waarom het basisidee van onder de humanistische cultuur de juiste zou zijn, terwijl men iedere opvatting die hier niet mee overeenstemde vanwege dit feit wel veroordeelde en verketterde.

De mislukking van de “cultuur kritische” benadering van de kwestie samenleven

Hetgeen de cultuur critici voor ogen hadden en hetgeen zij verwachtten heeft nooit plaatsgevonden. Ten gevolge van continue benadrukking van de verschillen tussen de culturen die resulteerde uit de cultuur kritische benadering van de kwestie samenleven en ten gevolge van de continue kritiek op de andere culturen enkel en allen omdat zij niet overeenstemden met de humanistische cultuur, zonder dat serieus beargumenteerd werd waarom de humanistische cultuur juist was, kende deze benadering van de kwestie samenleven als voornaamste resultaat dat de verschillen tussen de culturen in de samenleving enkel nadrukkelijker gemaakt werden. Omdat over het algemeen genomen de kritiek door de humanisten op de andere culturen in de samenleving geen intellectuele basis kende, oftewel nooit verder kwam dan enkel de vaststelling van verschillen, werden de aanhangers van de andere culturen zich door de kritiek meer bewust van hun eigen cultuur zonder dat ze zich ook maar in de minste mate geroepen voelden om hun eigen cultuur te verlaten voor het humanisme. Integendeel, mensen grepen door het oneindig lijkende bombardement van goedkope kritiek op hun cultuur juist meer terug op hun eigen cultuur. Voor de cultuur critici was deze dus mede uit hun inspanningen resulterende wederopleving van bijvoorbeeld de Islamitische cultuur meer dan enkel een teleurstelling. Hun ideeën betreffende samenleven waren allen gebonden aan de verwachting dat uiteindelijk iedereen wel de door hen aangehangen humanistische cultuur zou aannemen. En waar het cultureel relativisme het idee had gezaaid dat stelt dat samenleven enkel mogelijk is indien er geen verschillen bestaan, daar was dit in het tijdperk van de cultuur kritiek dus tot bloei gekomen. De juistheid van de humanistische cultuur was overduidelijk voor de humanisten zelf, dus, zo dacht men, hoe kon dit niet zo zijn voor anderen? Men kon zich niet voorstellen dat iemand niet overtuigd kon zijn door de humanistische cultuur, en ten gevolge hiervan legde men de weigering om de humanistische cultuur te adopteren uit als een weigering om samen te leven. Zo leidde het cultureel relativisme via de cultuur kritiek tot de situatie waar iedere afwijking van het humanisme als een bedreiging voor het samenleven wordt uitgelegd.

Wat dus heeft geresulteerd uit de cultuur kritische benadering van verschillen in culturen, en wat enkel kon resulteren uit deze benadering, was een ongekende onrust in de samenleving. Onder de zogenaamde kritiek van het noemen van verschillen tussen culturen werd al snel teruggevallen tot het beledigen van hetgeen anders is, waardoor grote groepen van medelanders zich voortdurend in het diepst van hun wezen beledigd vinden. Tegelijkertijd heeft de cultuur kritische benadering de mensen geleerd dat het niet veranderen tot de humanistische norm geïnterpreteerd moet worden als teken dat men niet samen wil leven. Zo is iedere allochtoon in de ogen van de autochtoon tot een potentiële vijand verworden, die enkel en alleen vertrouwd kan worden indien hij of zij zich volledig ondergeschikt maakt aan de wensen en verlangens van de autochtoon.

Het resultaat van 40 jaar onjuiste vreemdelingen politiek in Nederland: tirannie

Een doodsangst voor het vreemde regeert nu in Nederland. Dit is het resultaat van de onjuiste vreemdelingen politiek de voorbije 40 jaar. En als gevolg hiervan kunnen zowel politiek links als politiek rechts zich het samenleven van verschillen niet meer voor stellen, waardoor al de partijen binnen het seculier democratisch bestel er van overtuigd zijn dat iedere cultuur die zich niet uit zichzelf conformeert aan het humanisme onder dwang veranderd moet worden tot conform het humanisme. Dit is tijdperk van het absolutistische denken waar we nu in beland zijn, waaronder iedere niet-autochtoon geacht wordt zich aan de “autochtone” cultuur te conformeren. Of de niet-autochtoon dit nu een goede cultuur vindt of niet, dat doet er niet toe. Hij wordt gewoonweg verplicht – en indien nodig gedwongen! – te denken volgens de autochtone cultuur en te handelen volgens de autochtone cultuur.

Het is de barbaarsheid in de ultieme vorm, het “ik zal bepalen hoe jij zult moet zijn”. Maar het is ondertussen zo een gemeengoed geworden dat het niet langer als zodanig herkend wordt. En het is een onmenselijkheid, omdat dwang en repressie mensen niet van cultuur kan doen laten veranderen. Voor een verandering van opvatting is discussie en debat nodig, intellectualiteit, argumenten die de juistheid danwel onjuistheid van basisideeën aantonen. Enkel zo kunnen de mensen komen tot een verandering van cultuur, en daarvoor is dan geen dwang nodig. Maar juist de absolutistische benadering neemt afstand van de discussie en van het argument, omdat het van mening is dat de autochtoon niets beargumenteren hoeft, want de autochtoon mag simpelweg eisen van de allochtoon. En zo is het onvermijdelijk geworden dat een vicieuze cirkel binnengetreden is: de barbaarse druk van het absolutisme op allochtoon om te veranderen kan enkel leiden tot terugtrekking in de eigen cultuur door de allochtoon, wat onder het absolutisme door de autochtoon zal worden opgevat als een weigering om samen te leven en dus tot meer dwang tot verandering. Het is onbekend hoe dit precies tot samenleven zal moeten leiden, ook bij de absolutisten zelf, en evenals haar voorgangers in de geschiedenis is het huidige absolutisme dan ook gedoemd om de mensen te leiden naar ellende en leiden op alsmaar grotere schaal: naar tirannie, onderdrukking en vervolging.

Het Islamitische alternatief: De oplossing voor de vreemdelingen problematiek

Enkel Islam heeft haar oplossing voor de kwestie samenleven gebaseerd op een juist begrip van de realiteit van culturen en een juist begrip van de realiteit van samenleven.

Voor wat betreft de realiteit van culturen, iedere cultuur resulteert uit een specifiek basisidee, en de juistheid van een cultuur wordt derhalve bepaalt door de juistheid van het basisidee. Als het basisidee juist is dan zal de cultuur die zich op haar baseert het juiste stelsel van opvattingen over goed en slecht kennen, en als het basisidee onjuist is dan kan de cultuur die zich op haar baseert onmogelijk het juiste stelsel van opvattingen over goed en slecht kennen. Dus over het basisidee moet gediscussieerd worden, want dit is waar de mens zich uiteindelijk op baseert. Maar de adoptie danwel afwijzing van een basisidee, en dus de adoptie danwel afwijzing van een cultuur, en dus de adoptie danwel afwijzing van specifiek denken, en dus de adoptie danwel afwijzing van een bepaald gedrag, kan men onmogelijk eenvoudigweg opleggen aan mensen. De adoptie danwel afwijzing heeft te maken met overtuiging en vereist dus debat en discussie over argumenten ter overtuiging. Dus wie een verandering van cultuur bij een persoon tot stand wil brengen, die zal met argumenten moeten komen waaruit blijkt dat de aangehangen cultuur inderdaad onjuist en met argumenten waaruit blijkt dat de alternatieve cultuur de juiste is. Dwang tot verandering is simpelweg onmogelijk.

Islam roept daarom op tot discussie tussen mensen, tussen culturen, om de waarheid te vinden:

“Roep op tot de weg van uw Heer met wijsheid en goede raad en debatteer met hen op de beste van wijzen.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Nahl 16, vers 125)

“En debatteer met de mensen van het Boek slechts op de goede wijze.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Ankaboet 29, vers 46)

De betekenis van “op de beste van wijzen” is met goede manieren, en de betekenis van “op de goede wijze” is met argumenten.

En Islam verbiedt in termen die onmogelijk verkeert begrepen kunnen worden de tirannieke dwang:

“Er is geen dwang in de godsdienst. Voorzeker, het juiste pad is duidelijk van dwaling onderscheiden.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Baqara 2, vers 256)

Dit betekent dat mensen niet met dwang of repressie gedwongen mogen worden om hun cultuur en ideeën te verlaten en moslims te worden.

Islam onderkent dat zelfs definitieve argumenten niet door iedereen geaccepteerd zullen worden. En dus dat er altijd verschillende culturen naast elkaar zullen bestaan:

“Zijn de gelovigen het niet te weten gekomen dat, indien Allah het wilde, Hij het gehele mensdom zou hebben geleid?” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Ar Ra’ad 13, vers 31)

“En bij Allah berust het, de rechte weg (te tonen) en er zijn wegen die afwijken. En als Hij wilde, zou Hij u allen hebben geleid.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Nahl 16, vers 9)

Er zal volgens Islam dus altijd samenleven van verschillende culturen bestaan, en daarmee een noodzaak tot het ordenen van dit samenleven van verschillen.

Deze ordening moet van Islam gebouwd worden op een fundament van respect voor de bestaande verschillen:

“En inderdaad hebben Wij de kinderen van Adam geëerd” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Israa 17, vers 70)

Het “kinderen van Adam” betekent alle mensen, omdat niet verder gespecificeerd wordt welke kinderen precies. Hierdoor geeft Islam de opdracht om al de mensen met hun culturen te respecteren en eerbiedwaardig te behandelen, ongeacht hun ras, afkomst of religie. Een eerbiedwaardige behandeling betekent dat de mensen de ruimte gelaten wordt om binnen bepaalde grenzen hun leven volgens hun eigen cultuur in te richten. En dus dat het uiterste wordt gedaan om te voorkomen dat iemand verboden wordt wat hij zegt dat zijn religie hem verplicht, of verplicht wordt wat hij zegt dat zijn religie hem verbiedt. Dit is in een notendop het idee van Islam omtrent het samenleven van mensen met onderlinge verschillen. Zeer zeker zal enkel en alleen uit deze respectvolle omgang met verschillen het juiste samenleven resulteren.

Het is derhalve ook een waanidee om te stellen dat samenleven enkel mogelijk is “indien bepaalde fundamentele opvattingen door iedereen binnen de samenleving gedeeld worden”, hoe de eis tot verandering van cultuur vaak verwoord wordt. Het is degene die aldus denkt, die eenheid van cultuur wenst, die niet samen wil leven. Dat is degene die de ware blokkade vormt voor samenleven, want hij wil niet accepteert dat niet iedereen is zoals hij.

Comments

comments

DELEN