Niet zelden wanneer moslims in gesprek gaan met niet-moslims over de waarheid van Islam wordt gezegd door de niet-moslims: ‘Ik hoef geen moslim te worden want ik ben geen slecht mens maar een goed mens. Mocht God bestaan dan zou hij mij niet naar de hel sturen’. Of wanneer er wordt gediscussieerd over het verbod op alcohol in Islam dan zegt een ongelovige weleens dat er niets mis mee is om af en toe een biertje of een glas wijn te nuttigen, zolang je er maar niet dronken van wordt. Dit zijn antwoorden en argumenten die we allen wel eens gehoord hebben.

Tevens vanuit de politiek en de samenleving zien we dat er dominante waarden en normen heersen over wat goed is en slecht is wat in sommige gevallen kan conflicteren met hetgeen we vanuit Islam hebben meegekregen aangaande goed en slecht. De vraag die uit dit probleem voortvloeit is daarmee dan ook: ‘Wat is goed en wat is slecht? En wie bepaalt wat goed en slecht is?’

Dit artikel zal met de wil van Allah ingaan op deze vraagstukken en een inzicht geven over hoe Islam kijkt naar deze discussie.

Ethiek en moraal

Al sinds de tijd van de oude Grieken werd er gediscusseerd over moraal, of ook wel ‘goed’ en ‘slecht’. Zij bogen zich over de vraag over wat de werkelijke betekenis is van goed en slecht. De wetenschap die uit deze discussie voortkwam wordt ookwel moraalfilosofie, moraalwetenschap of ethiek genoemd.

Het woord ‘moraal’ komt van het Latijnse woord ‘moralis’ en ‘ethiek’ komt van het Griekse woord ‘èthos’. ‘Moralis’ betekent ‘de heersende zeden’ (1) en het woord ‘èthos’ betekent ‘gewoonte of zedelijke handeling’ (2). Moraalfilosofie of ethiek gaat over de zedenleer, ofwel met andere woorden de leer over wat goed en slecht is.

De oude Grieken

Van de eerste Griekse filosofen die over ethiek spraken werden ‘goed’ en ‘slecht’ ontleend uit oude mythen en sagen. Moreelrelativisme werd daarna in de vijfde eeuw voor Christus via de Sofisten bekend. Deze visie op ethiek hield in dat moraal een zaak is welke relatief is en dus per cultuur, groep of individu kan verschillen. Plato (427 – 347 v.Chr.) en Socrates (469 – 399 v.Chr.) hadden kritiek op deze visie. Socrates was van mening dat het goede lag in kennis en het slechte in onwetendheid. Wanneer een mens dus geleerd zou zijn dan zou hij het goede doen en wanneer hij onwetend zou zijn het slechte. Dit wordt ook wel het ‘Socratisch Intellectualisme’ genoemd. Filosoof Aristoteles (384 – 322 v.Chr.), een leerling van Plato, schreef als eerste een werk in zedenleer genaamd ‘Ethica Nicomachea’. Volgens hem streeft alles naar zijn doel. En het doel van de mens is een deugdzaam en gelukkig leven. Dit is het pad welke dus het goede is voor de mens en welke hij dient te bewandelen. Alles wat daarvan afwijkt wordt gezien als slecht. Wel had hij kritiek op Socrates zijn idee dat kennis altijd tot het goede leidt. Volgens hem kan iemand bijvoorbeeld een afspraak moedwillig niet nakomen uit bijvoorbeeld luiheid. Hij noemde dit ‘Akrasia’ ofwel een gebrek aan wilskracht. Het Epicurisme en Hedonisme stellen dat hetgeen goed is alles wat valt onder het genot van de mens en alles wat daarbuiten is kan als slecht worden betiteld. Wel was er een kanttekening volgens Epicurus (341 – 270 v.Chr.) in deze visie. Want soms kan het zijn dat je pijn moet lijden om genot te bereiken en genot kan soms leiden tot iets slechts zoals een drugsverslaving (3).

 

Middeleeuwen

Door de komst van het Christendom naar het Westen deed de christelijke ethiek zijn intrede. De Griekse ethiek werd hiermee niet verstoten maar werd geintegreerd met de christelijke ethiek. De ‘kardinale deugden’ bijvoorbeeld bevatten deugden die ook al te vinden waren in de werken Plato en Aristoteles. Bij de vroeg christelijke denker Augustinus van Hippo (354 – 430 n.Chr.) kwamen de termen als verlossing, erfzonde en het probleem van het kwaad centraal te staan. God werd gezien als al het goede en dus het uitvoeren van Zijn wil is wat goed is. Daar tegenover is al hetgeen buiten zijn wil het slechte. Filosoof en Theoloog Thomas van Aquino (1225 – 1274 n.Chr.) verbond de deugdenleer van Aristoteles met christelijke elementen. Echter stelde hij dat al deze deugden een expressie zijn van de rationele orde of natuurwet die voortkomt uit de Goddelijke wil. De hoogste vorm van goedheid en geluk is het na de dood mogen aanschouwen van God.  Johannes Duns Scotus (1266 – 1308 n.Chr.) stelde liefde voor God centraal. Alles wat verenigbaar is met de liefde voor God is goed en alles wat daarmee in strijd is valt onder het slechte. Hierdoor kon het zijn dat niet-gelovigen wanneer zij daden deden die door God als goed worden gezien moreel neutraal zouden zijn (4).

 

Verlichting

In de Verlichting veranderde de visie weer op ethiek. Er werd voorgoed afstand genomen van het idee dat moraal een zaak was dat universeel is en vanuit de natuur van de mens of van een God afkomstig is. Ethiek werd nog meer een individuele en subjectieve kwestie. De Engelse filosofoof Thomas Hobbes (1588 – 1679 n.Chr) was van mening dat alles waar de mens naar verlangt goed is en alles waar hij niet naar verlangt slecht is. Vanwege het gedeelde verlangen van de mens om in veiligheid te leven ontstaat het ‘sociaal contract’ en onderwerpt men zich aan een leider die wetten opstelt. Decartes (1596 – 1650 n.Chr.) en Spinoza (1632 – 1677 n.Chr.) trachtten met nieuwe ethische stelsels te komen die teruggaan naar de Griekse Epicurus. David Humes (1711 – 1776 n.Chr.) was van mening moraal niet uit de rede voortkomt maar eerder uit het gevoel. Wanneer men zich goed voelt is iets dus goed en wanneer men zich slecht voelt slecht. Deze visie leidde tot een nieuwe ethische theorie genaamd ‘utilitarisme’. Bentham (1748 – 1832 n.Chr), James Mill (1773 – 1836 n.Chr) en diens zoon John Stuart Mill (1806 – 1873 n.Chr.) werkten deze theorie verder uit. Immanuel Kant (1724 – 1804 n.Chr) had kritiek op deze visie en was van mening dat moraal ligt in het plichtsbesef. Indien een handeling ervoor zou zorgen dat wanneer iedereen deze zou uitvoeren er schade zou ontstaan dan zou de handeling slecht zijn, ookal zou deze handeling een individu op dat moment gelukkig kunnen maken. Hij noemde de handeling die dus verantwoord is vanuit plichtsbesef hetgeen in overeenstemming is met het ‘categorische imperatief’. Dit wordt ook wel deontologie genoemd. Voor een deontoloog is marteling bijvoorbeeld altijd slecht, zelfs wanneer men er levens mee zou kunnen redden (5).

 

Moderne tijd

Schopenhauer (1788 – 1860 n.Chr.) zag de wereld als een manifestatie van een Wil. Ook alle mensen zijn hier onderdeel van. Het pijn doen van een ander is dus het pijn doen van jezelf. Nietszche (1844 – 1900 n.Chr) was een criticus van ethiek en met name die van Plato en Kant. Volgens hem was de oorspronkelijk ethiek van de mens een herenmoraal waarbij de deugden als grootsheid, spilzucht en moed het belangrijkst waren. Dit is volgens hem later veranderd in een slavenmoraal waarbij deugden als ascese, matigheid en gehoorzaamheid als goed werden gezien.

In de twintigste eeuw is er een spliting ontstaan tussen continentale en analytische filosofie. Volgens de eerste groep filosofen waaronder Moore (1873 – 1958 n.Chr) kan men niets zinnigs zeggen over ethiek en is ethiek vooral subjectief en gebaseerd op gevoelens. In de tweede groep filosofen waaronder Levinas (1906 – 1995 n.Chr.) speelt ethiek wel een belangrijke rol. Men zou ethiek kunnen vinden door geconfronteerd te worden met hoe de ander zich voelt (6).

Kritiek op de ethiek van de filosofen

Uit het voorgaande is te zien dat er veel verschillende meningen bestaan over ethiek. Sommigen zien ethiek als kennis, anderen als het streven naar geluk, en weer anderen zien ethiek als al hetgeen als goed bevonden wordt door God, enzovoort. Daarmee is dus ook de bron van wat de ethiek bepaalt bij een ieder weer anders. Bij de één is dit de menselijke natuur, bij de ander is het plichtsbesef en bij weer de ander is het God.

Het probleem van alle voorgenoemde filosofen is dat zij zelf middels het verstand hebben bepaald wat goed en slecht is. Met andere woorden is het verstand de bron van de bepaling van het goede en het slechte. Echter het verstand is beperkt in zijn capaciteit en vatbaar voor fouten en tegenstrijdigheden indien het gaat om de bepaling van wat goed en slecht is. Dit is exact hetgeen we hebben kunnen zien bij de filosofen waardoor de meningen over goed en slecht zeer uiteenlopen.

De bepaling van goed en slecht kan op twee manieren worden bepaald. Het kan bepaald worden middels het verstand of door iets buiten het verstand. Zoals eerder gezegd is het verstand niet geschikt voor het bepalen voor wat goed en slecht is omdat dit vatbaar is voor tegenstrijdigheden en in tijd, plaats en situaties kan veranderen. Daarom dient de bepaling van goed en slecht te komen van buiten het verstand. En dit is de Schepper van de mens en het universum die de mens het beste kent en weet wat goed en slecht voor hem is.

Een ander probleem naast dat het verstand niet als bron kan worden genomen is de subjectiviteit van de moraal. Door de subjectiviteit van moraal zoals die bij de genoemde filosofen betekent dit dat een ieder persoon een andere mening kan hebben over wat goed en slecht is. Het gevolg hiervan is dat op het moment een mens wenst samen te leven met andere mensen dat er problemen zullen ontstaan. Een ieder heeft namelijk een eigen mening over wat goed en slecht is. Wanneer bijvoorbeeld een nudist van mening is dat het goed is dat een ieder in de samenleving zoveel mogelijk naakt zou moeten zijn en het tegenovergestelde slecht vindt, en er in dezelfde samenleving ook mensen zijn die juist het tegenovergestelde vinden, dan ontstaat er conflict. Een ander voorbeeld is dat wanneer een veganist het goed zou vinden dat in de samenleving er geen vlees, eieren of melkproducten zouden worden gegeten en er anderen zijn die dit juist wel goed vinden, dan ontstaat hier ook een conflict. Dit conflict kan enkel opgelost worden wanneer de één de ander domineert of overtuigt, of dat beide partijen elkaar accepteren en er dus een compromis gesloten wordt. Echter wanneer men zuiver principieel is in zijn beoordeling van goed uit de eigen overtuiging dan zal dit leiden tot een conflict waarbij de één de ander zal moeten domineren wat onrechtvaardig is omdat beide beoordelingen van goed en slecht komen vanuit het verstand en dat is bij alle mensen gelijk. Het waardeoordeel van de één is niet beter dan de ander. Er is dus geen universele maatstaf wat kan worden gebruikt als referentiepunt voor alle mensen in dit geval.

Een verder probleem van een subjectieve moraal is dat het constant kan veranderen omdat de mens niet alwetend is en telkens nieuwe ervaringen opdoet en in nieuwe situaties terechtkomt. Afhankelijk dus van de staat van de mens zal de moraal welke een aantal decennia geleden gold kunnen veranderen. Homofilie was in Nederland nog een halve eeuw geleden bijvoorbeeld een taboe terwijl het nu algemeen geaccepteerd is. Men heeft geaccepteerd dat men vroeger een ‘foutieve’ gedachte heeft gehad over dat een man niet samen met een man mag zijn en een vrouw niet met een vrouw. Er is dus afstand genomen van de oude moraal omtrent homofilie en een nieuwe moraal is geadopteerd. Daarom is de moraal van vandaag niet die van morgen wanneer deze subjectief is en zal deze altijd weer kunnen veranderen. Dit is ook mogelijk door promotiecampagnes via de media, educatie en politiek. Niet zelden in de historie bijvoorbeeld worden grote groepen mensen misleid en verandert hun moraal. De Duitsers bijvoorbeeld waren niet van mening dat het een goede handeling was om Joden te vervolgen en af te sturen naar concentratiekampen voordat Hitler en zijn partij aan de macht kwamen. Echter door een campagne tegen de Joden is dit volledig omgeslagen en werd dit wel als iets goeds gezien. Voorts na de Tweede Wereld Oorlog toen Duitsland verslagen was, hebben ze de moraal ten opzichte van de behandeling van Joden weer teruggedraaid en werd de vervolging van hen weer gezien als iets slechts.

Derhalve is een subjectieve moraal altijd onderhevig aan verandering en niet constant en is het noodzakelijk dat er van buiten de mens een constante duidelijke moraal zal gelden voor de mens.

De visie van Islam op ethiek

De Schepper is de bron voor de bepaling van ethiek en niet het verstand. Het is een zekere bron die niet verandert van tijd tot tijd in tegenstelling tot het verstand van filosofen. Deze bron is zeker omdat ondanks het verstand niet zelf goed en slecht zou kunnen bepalen het verstand wel in staat is om het bestaan van de Schepper te kunnen bevatten. En met het verstand na diep onderzoek en overpeinzing van de bewijzen kan zonder enige twijfel worden beoordeeld dat de Schepper, Allah (swt) is en de Islam Zijn Boodschap aan de mens welke bewezen wordt middels de Koran.

Allah (swt) heeft ons geschapen en heeft voor ons bepaald wat goed en slecht is. In Islam is de ethiek dus volledig gebaseerd op de wil van Allah (swt) voor Zijn schepping. Allah (swt) is Alwetend en dus op de hoogte van alle zaken. Hij (swt) zegt:

وَعِندَهُ مَفَاتِحُ الْغَيْبِ لَا يَعْلَمُهَا إِلَّا هُوَ ۚ وَيَعْلَمُ مَا فِي الْبَرِّ وَالْبَحْرِ ۚ وَمَا تَسْقُطُ مِن وَرَقَةٍ إِلَّا يَعْلَمُهَا وَلَا حَبَّةٍ فِي ظُلُمَاتِ الْأَرْضِ وَلَا رَطْبٍ وَلَا يَابِسٍ إِلَّا فِي كِتَابٍ مُّبِينٍ

 

“En bij Hem liggen de sleutels van het onwaarneembare. Niemand behalve Hij is daarvan op de hoogte. En Hij weet wat zich op het land en in de zee bevindt. En er is geen blad dat valt of Hij weet ervan. En er bevindt zich geen graankorrel in de duisternissen van de aarde, noch iets vers of droogs, of het staat in een duidelijk Boek (geschreven).” (VBK 6:59)

En Hij (swt) zegt:

وَمَا تَدْرِي نَفْسٌ مَّاذَا تَكْسِبُ غَدًا ۖ وَمَا تَدْرِي نَفْسٌ بِأَيِّ أَرْضٍ تَمُوتُ ۚ إِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرٌ

 

“En niemand weet wat hij morgen zal doen. En niemand weet op welke grond hij zal sterven. Voorwaar, Allah is van alles op de hoogte, Alwetend.” (VBK 31:34)

En in een ander vers zegt Hij (swt):

وَمَا يَعْزُبُ عَنْ رَبِّكَ مِنْ مِثْقَالِ ذَرَّةٍ فِي الْأَرْضِ وَلَا فِي السَّمَاءِ وَلَا أَصْغَرَ مِنْ ذَٰلِكَ وَلَا أَكْبَرَ إِلَّا فِي كِتَابٍ مُبِينٍ

“En niets ontgaat jouw Heer (zelfs niet) datgene wat zich ter grootte van een mosterdzaadje op de aarde of in de hemel bevindt. Er is niets dat kleiner of groter is dan dat, of het staat in een duidelijk Boek (geschreven).” (VBK 10:61)

Aldus kent Allah (swt) het hele universum en alles wat daarin is, inclusief de mens. Daarom is één van Zijn schone name de Alwetende (Al ‘Aliem). Niets ontgaat Hem en Hij omvat in Zijn kennis de toekomst het heden en het verleden. Hij schiep in de mens zijn behoeften en instincten en Hij (swt) schiep al wat om de mens is. Daarom weet enkel Hij (swt) voor de mens wat goed is en wat slecht.

Allah (swt) zegt:

وَعَسَىٰ أَن تَكْرَهُوا شَيْئًا وَهُوَ خَيْرٌ لَّكُمْ ۖ وَعَسَىٰ أَن تُحِبُّوا شَيْئًا وَهُوَ شَرٌّ لَّكُمْ ۗ وَاللَّهُ يَعْلَمُ وَأَنتُمْ لَا تَعْلَمُونَ

 

“En het kan zijn dat jullie iets haten terwijl het goed voor jullie is en het kan zijn dat jullie van iets houden wat slecht voor jullie is. En Allah weet het en jullie weten het niet” (VBK 2:216)

Uit het bovenstaande vers blijkt duidelijk dat de mens soms een mening kan hebben over iets wat goed is terwijl het slecht voor hem kan zijn en soms vindt hij iets slecht terwijl het juist goed voor hem zal zijn. Allah (swt) legt uit dat Hij de Enige is Die exact dit wel weet, terwijl de mens dit niet kan weten. Daarom is hetgeen Hij (swt) voor ons heeft bepaald als zijnde goed, dan is dit goed. En wanneer Hij (swt) ons informeert over dat iets slecht is, dan is dit ook slecht.

Allah (swt) is middels de Koran en de Soenna van Zijn Profeet Mohammed (saw) gekomen met een ethiek welke past bij de aard van de mens: de sjarie’a. De sjarie’a is gekomen ter ordening van de behoeften en instincten van de mens waar de handelingen uit voortvloeien. Omdat deze behoeften en instincten nooit veranderen verandert daarmee de sjarie’a ook niet en is constant. Zelfs heeft de sjarie’a de mogelijkheid om morele oordelen te geven over nieuwe kwesties doormiddel van bestaande teksten die kunnen worden toegepast middels idjtihaad.

De moraal wordt vertaald naar de vijf vormen van goddelijke oordelen: verboden (haraam), afgeraden (makroeh), vrijgelaten (moebaah), aangeraden (mandoeb) en verplicht (fardh). Allah (swt) informeert ons in de Koran en Soenna over hetgeen goed is en hetgeen slecht. Wanneer een niet-moslim daarom zegt dat hij een goed mens is en toch niet naar de hel gestuurd zal worden, dan zal er moeten worden gekeken of de Koran en de Soenna dit bevestigen. De Koran bevestigt echter het tegendeel. Men kan zijn hele leven daden verrichten die ook door Islam worden gezien als goed, maar toch niet geloven waardoor zijn bestemming voor eeuwig in het hellevuur zal zijn. Allah (swt) zegt:

إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ وَالْمُشْرِكِينَ فِي نَارِ جَهَنَّمَ خَالِدِينَ فِيهَا

“Voorwaar de ongelovigen van de Mensen van het Boek en de polytheisten zullen voor eeuwig in het vuur van de hel zijn..” (VBK 98:6)

En de Profeet (saw) heeft gezegd:

والذي نفسي بيده لا يسمع بي أحد من هذه الأمة يهودي ولا نصراني ثم يموت ولم يؤمن بالذي أرسلت به إلا كان من أصحاب النار

“Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is, er is niemand van deze oemma, geen Jood noch Christen, die over mij heeft gehoord en sterft zonder te geloven in hetgeen ik mee gezonden ben, behalve dat hij van de bewoners van het vuur zal zijn” (Moeslim)

Een niet-moslim kan van mening zijn dat een beetje alcohol toch zou moeten kunnen. Of men kan van mening zijn dat het geen kwaad kan om alcohol aan iemand te verkopen. Echter de Profeet (saw) heeft gezegd:

لعن رسول الله في الخمر عشرة: عاصرها ، ومعتصرها ، وشاربها ، وحاملها ، والمحمولة إليه ، وساقيها ، وبائعها ، وآكل ثمنها ، والمشتري لها ، والمشتراة له

 

“De Profeet (saw) heeft aangaande alcohol tien (typen mensen) vervloekt: Degene die het drinkt, degene die het draagt, degene naar wie het gedragen wordt, degene die het vervoert, degene die het verkoopt, degene die eet van haar winst, en degene die het koopt en degene voor wie het gekocht wordt.” (Ibn Maadja)

Het is dus absoluut verboden en dus slecht om alcohol te nuttigen of dit te verkopen of zelfs te vervoeren ondanks dat de mening van een individu met zijn beperkte verstand over deze situatie anders is. Het is Allah (swt) die met Zijn Alomvattende kennis dit voor ons heeft bepaald.

Concluderend is de juiste ethiek en moraal afkomstig van Allah (swt). Dit is een objectieve en constante moraal en ethiek welke niet verandert in tijd en plaats. Door deze objectieve en constante moraal vindt het individu rust bij de sjarie’a. Tevens is de toepassing van de sjarie’a en haar morele oordelen in de samenleving op staatsniveau het enige wat eerlijk zal zijn daar dit de morele oordelen zijn van de Schepper en niet subjectieve meningen van individuen die dit opleggen aan anderen of men daarmee misleidt middels propaganda te behartiging van bepaalde belangen. Een ieder kan zich overgeven aan deze verstandsoverstijgende moraal die door onze Schepper bepaald is. Dit zal een enorme last bij de mens wegnemen omdat de mens niet meer diep hoeft na te denken wat goed of slecht voor hem is terwijl hij hier zelf niet toe in staat zal zijn. Het is deze moraal welke de sjarie’a is van Allah (swt) die de juiste oplossing is voor de mensheid wat het verstand overtuigt, past bij de aard van de mens en vervolgens het hart rust geeft.

Referenties:

  1. https://www.mijnwoordenboek.nl/puzzelwoordenboek/Moraal/1
  2. https://nl.wikipedia.org/wiki/Ethiek
  3. Ibidem
  4. Ibidem
  5. Ibidem
  6. Ibidem

 

 

 

Comments

comments

DELEN