Weledelgeleerde professor,

Dit schrijven doe ik u toekomen in reactie op uw artikel “Minima Philosophica – Submission II” in de meest recente uitgave van de periodiek Filosofie & Praktijk. Enerzijds om u te bedanken voor deze bijdrage aan het publiekelijk debat over de kwestie samenleven in Nederland. Anderzijds in een poging om, voortbordurend op de publicatie van mijn eigen bijdrage aan deze discussie het essay “Het samenleven”, de ideeën die u presenteert hieromtrent met u te bediscussiëren.

Verreweg de meeste mij bekende uitgeschreven of uitgesproken meningen bij dit onderwerp delen een aantal opvallende maar teleurstellende karakteristieken, onafhankelijk of zij afkomstig zijn van denkers of politici. Meestal borduurt de opvatting die gepresenteerd wordt voort op een uitermate beperkte beschouwing van de kwestie, daarmee dus een verkeerd begrip van haar essentie, en is zij het resultaat van een oppervlakkige redenering los van iedere mogelijke ideologische overtuiging. Zeer vaak ook kan men dezen onmogelijk een neiging naar de irreële opvatting bij uitstek, xenofobie, ontzeggen. Verder baseert men zich veelal op die welbekend onjuiste, eeuwenoude oriëntalistische voorstelling van Islam, en als zodanig doen deze opiniestukken eerst en vooral herinneren aan vroegere tijden van intolerantie, totalitarisme en absolutisme. Reeds in het vertrekpunt, echter, onderscheidt uw artikel zich van al die anderen.

In plaats van mee te lopen met een discussie die gekenmerkt wordt door het gebruik van ongedefinieerde en daardoor nietszeggende termen als “integratie” en “extremisme”, presenteert u een inzicht in de essentie van de kwestie samenleven waar ik mij volkomen in kan vinden, namelijk dat deze fundamenteel het samenleven van groepen mensen met verschillende opvattingen – levensovertuigingen, zo u wilt – behelst. Hiermee beschrijft u precies de realiteit van de kwestie.

Groepen worden eerst en vooral gedefinieerd door ideeën en samenleven wordt daarom pas een onderwerp bij de erkenning van het feit van verschillende groepen, oftewel bij erkenning en acceptatie van het feit dat er verschillende fundamentele ideeën bestaan in de samenleving. Uiteindelijk is dit ook de reden waarom over de moslimgemeenschap in Nederland gesproken wordt binnen de context van samenleven. Deze realiteit van de moslimgemeenschap, alszijnde een specifieke groep vanwege haar specifiek eigen ideeën, doet u op prachtige wijze tot uitdrukking komen in de dialoog in uw artikel, bijvoorbeeld wanneer u de beklaagde in de rechtszaak die u als case study benut, waarmee een groep van moslims de mogelijkheid op een verbod op de film Submission II onderzoeken, laat zeggen: “Ik val u ook niet aan als persoon, ik heb alleen kritiek op uw onredelijke religieuze opvattingen”. Om dan de moslim aanklagers als antwoord laat geven: “Ware gelovigen zien de Islam als de kern van hun identiteit. Gelukkig hebben wij de westerse Verlichting niet doorgemaakt; wij kennen geen onderscheidt tussen geloof en persoon”. Net zo wanneer u deze laatsten laat zeggen: “Uw liberale rechtsorde is in onze ogen even partijdig en onderdrukkend als onze islamitische sjaria in de uwe”. Een dialoog waarmee u aantoont het verschil in fundamentele opvattingen te erkennen, en tevens laat zien het denken en voelen van de moslim te begrijpen, tot een niveau dat men slechts zelden aantreft bij schrijvers zonder Islamitische achtergrond zelf.

Op dit punt aangekomen, professor, denk ik dat ik mijzelf aan u behoor te introduceren. Mijn naam is Abdullah as Siddiq, en ik ben een van de redacteuren van Expliciet. Als zodanig werk ik mee aan de verzorging van zowel Expliciet Magazine (“Het magazine voor een Islamitisch bewustzijn”) als de website www.expliciet.nl, welken beiden eenzelfde visie & missie statement delen:

“Ieder mens draagt in zichzelf het bewijs van het bestaan van een schepper. In plaats van haar te laten dolen, heeft deze schepper – Allah (swt) – Zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid aan Zijn schepping getoond: door te openbaren het pad waarop zij voort dient te gaan in dit leven, als oplossing voor al haar problemen. Zijn openbaring draagt in haarzelf het bewijs dat zij werkelijk van Hem (swt) afkomstig is; daarmee bewijzend dat de brenger van deze boodschap, Mohammed (saw), waarlijk een profeet is. Onze visie is dat deze openbaring – de islamitische manier van leven – indien objectief beoordeelt het verstand er van kan overtuigen dat ze van alle alternatieven het beste past bij de realiteit van de mens en het leven. De missie van Expliciet, als onafhankelijk orgaan, is vanuit deze visie Islam te presenteren aan de mensen: als alternatief voor de manieren van leven die resulteren uit de ideologieën van mensenhanden. Ons doel is er voor te zorgen dat discussies betreffende de weg voorwaarts voor de mens Islam op basis van juiste kennis en inzichten, en vrij van vooroordeel en vooringenomenheid, benaderen.”

Ik behoor dus tot diegenen waarmee – vanuit westerse optiek – samengeleefd moet worden, en om de uit deze realisatie voortvloeiende emotionele betrokkenheid bij de kwestie samenleven in Nederland te vertalen naar actieve participatie aan de discussie heb ik mijn essay “Het samenleven” gepubliceerd. Een formulering van ideeën relevant bij de kwestie samenleven vanuit Islamitisch perspectief heb ik noodzakelijk geacht, omdat het voor mij duidelijk is dat bij de kwestie samenleven het niet zo kan zijn dat de één aan de ander oplegt hoe deze zal moeten samenleven; een vanzelfsprekendheid, wat desalniettemin helaas niet heeft kunnen doen voorkomen dat vooralsnog de discussie bij samenleven juist wel voornamelijk op deze basis gevoerd is geworden. Ik, en met mij de moslims in Nederland, hoop voor de toekomst op een vreedzaam bestaan als moslim in Nederland, het land waar verreweg de meesten van ons geboren zijn, maar met behoud van eigen Islamitische identiteit. Bij deze wens tot samenleven ontkomen wij als moslim er dus feitelijk niet aan om ook ideeën te vormen betreffende de manier waarop naar onze mening dit samenleven tot stand gebracht moet worden, want het is enkel uit het samenkomen van deze ideeën van de verschillende groepen binnen de samenleving dat in deze uiteindelijk het pad naar vreedzaam en respectvol samenleven resulteert. En dit is dan ook wat mijn essay voor ogen heeft: de presentatie van een oplossing voor de kwestie samenleven gebaseerd op de islamitische levensvisie, de visie waarop wij ons in alles baseren, zodat de moslims als belanghebbenden hun bijdrage kunnen leveren bij het eerlijke en open debat dat zoekt naar een menselijke en rechtvaardige oplossing voor de gestelde kwestie. Enerzijds om de oplossing naar idee van de moslims te presenteren, anderzijds om de propagandisten van fabeltjes als zouden de moslims niet willen samenleven in een samenleving gedomineerd door een andere levensvisie, of niet kunnen samenleven in een dergelijke samenleving, de mond te kunnen snoeren.

Van wat ik kan opmaken is deze oprechte poging tot samenleven, deze noodzakelijke stap om überhaupt te kunnen komen tot samenleven, door de moslims geapprecieerd geworden. Veel hebben ook laten blijken uit de reactie van de media op mijn essay te hebben opgemaakt dat de gewenste vorm van samenleven in Nederland nog ver af is. Want als het essay iets heeft duidelijk gemaakt, dan is het wel de afwezigheid van de zijde van diegenen met wie de moslims samen moeten leven van iets van de formulering van een beargumenteerd standpunt betreffende de te volgen methode om uiteindelijk te kunnen komen tot samenleven. Zoals eerder al aangehaald, de tendens is namelijk een opvatting in lijn met hetgeen men van een totalitaire staat zou verwachten: repressie van alles dat anders is dan de dominante overtuiging, gedwongen verandering van hetgeen dat anders is, en verwerping van alles dat niet aan deze twee maatstaven voldoet. Echter, simpelweg eisen dat iedereen de dominante overtuiging adopteert is feitelijk iets anders dan “werken aan samenleven van verschillen”. Zogezien faciliteert u met uw artikel dus eindelijk de totstandkoming van een echte discussie bij de kwestie samenleven. U wisselt de emotie in voor de rede, en verlost ons van de demagogie ten gunste van het argument. Mede daarom acht ik uw bijdrage dan ook zo waardevol in deze, want nu eindelijk kan echt gewerkt worden aan samenleven. En gezien het belang van de kwestie – het alternatief voor samenleven is een hernieuwde Inquisitie – vraag ik u: laat onze opvattingen elkander ontmoeten om te zien welk een pad voorwaarts hieruit zou kunnen resulteren.

Hoewel dit misschien niet uw voornaamste doel was bij het schrijven uw artikel, is voor de grondige lezer duidelijk dat uit haar een heel precies beargumenteert idee resulteert als de oplossing voor de kwestie samenleven, namelijk de methode waarop volgens de seculier liberale filosofie het samenleven van verschillende groepen in een samenleving behoort te worden geordend. Een oplossing voor de kwestie samenleven – en dit moet gezegd – resulterende uit denken, vertrekkende van een stevig verankerd filosofisch fundament (zoals men van een hoogleraar rechtsfilosofie zou verwachten) en een diep begrip van de essentie van de kwestie samenleven. In de positie van rechter bij de rechtszaak in uw artikel oordeelt u:

“Er kan een strategische reden zijn om moslims in het publieke debat voorzichtig te benaderen: ze verkeren toch al in een kwetsbare positie, dus moet men ze niet nog verder buitensluiten. In het dagelijks verkeer kun je wederzijds respect zelfs zien als een eis van fatsoen. Een liberale overheid kan zulke fatsoensregels echter niet wettelijk afdwingen. Een verbod zou ik uitsluitend overwegen als er sprake was van ernstige schade, maar bij Submission is dat niet het geval.”

Een oordeel in een specifieke zaak gebaseerd op zuiver de seculier liberale filosofie bij een specifieke zaak, waarvan ik denk dat het zich leent voor extrapolatie naar regels met meer algemene toepassing bij de kwestie samenleven. Ik permitteer mijzelf dan ook, zoals gezegd bij de eerste maal dat ik kennis maak met iets dat zich hiertoe leent, mijn begrip van deze algemene toepassing van uw oordeel weer te geven:

 De seculier liberale filosofie stelt aan de manier van omgang met “vreemde” overtuigingen feitelijk geen grenzen; niet een algemeen begrip van fatsoen, noch een begrip van fatsoen zoals bepaalt door de vreemde overtuiging, en evenmin wat voor fatsoen doorgaat naar de seculier liberale visie.

 De seculier liberale filosofie stelt als enige beperking bij de omgang met verschillende overtuigingen dat de omgang niet mag resulteren in schade voor één van de partijen, waarbij enkel uit de seculier liberale filosofie de maatstaf voor schade resulteert.

 Deze ordening van de omgang met verschillende overtuigingen is algemeen geldend; de seculier liberale filosofie laat de eigenschappen en karakteristieken van de vreemde overtuiging niet mee wegen in de oplossing die zij biedt voor de omgang ermee, en biedt dus feitelijk een one-size-fits-all benadering.

Natuurlijk dien ik u mijn opvattingen over het samenleven van verschillende overtuigingen te presenteren wil een discussie tussen ons bij dit onderwerp de kans hebben zich te ontwikkelen. En omdat dit zeer zeker het doel is van dit schrijven, zal ik alvorens in te gaan op wat ik denk dat uw opvatting in de praktijk zal betekenen voor het samenleven van verschillende overtuigingen, precies dit doen.

Als alomvattend idee behelst Islam als vanzelfsprekend tevens een ordening van de samenleving. En omdat het samenleven van verschillende opvattingen eigenlijk de natuurlijke staat-van-zijn is voor de mensheid, omvat deze ordening specifieke wetgeving die ten doel heeft het samenleven van verschillende fundamentele opvattingen te faciliteren. Impliciet toont Islam daarmee aan geen totalitaire ideologie te zijn, en haar staat (de ideologische Islamitische Staat of Khilafa) geen totalitaire staat; expliciet draagt zij daarmee een oplossing aan voor de problemen die horen bij het samenleven van verschillende overtuigingen. Om de praktische toepassing van dit idee enigszins te kunnen begrijpen denk ik dat het van belang is dat u in enige mate bekend bent met het begrip burgerschap zoals door Islam gedefinieerd.

Kort door de bocht genomen geldt dat degene die in de ideologische Islamitische Staat wenst te verblijven voor langer dan een jaar, moslim of niet-moslim, het recht heeft onderdaan te worden van deze staat. Tegelijkertijd geldt dat degene die er voor kiest om permanent buiten deze staat te verblijven, wederom onafhankelijk of dit een moslim betreft of niet-moslim, over dit recht niet beschikken zal. Over de plichten die horen bij burgerschap, net zoals dit in iedere staat is, is ook in Islam de eerste plicht voor de burger gehoorzaamheid aan de wetten van het land. Echter, in tegenstelling tot wetgeving in bijvoorbeeld de seculier liberale westerse landen valt de wetgeving in Islam op hoog niveau in twee delen uiteen: in een deel van het geheel aan wetten (sjari’a) waarvoor geldt dat Islam een voorwaarde is, en in een ander deel dat algemeen geldend is en waarvoor Islam dus geen voorwaarde is. Het bestaan van wetten waarvoor Islam de voorwaarde is houdt niet in dat de onderdaan zich moet overgeven aan Islam en dus de islamitische overtuiging moet adopteren. Integendeel, het betekent dat de wet enkel van toepassing is op de moslim onderdanen van de ideologische Islamitische Staat, en niet op de niet-moslim onderdanen van de ideologische Islamitische Staat. De algemeen geldende wetten zijn van toepassing op iedere onderdaan van de Staat, ongeacht overtuiging.

Om inzicht te verkrijgen in het bereik van beide fundamenten van de sjari’a is het begrip aanbidding behulpzaam. Voor de moslim is aanbidding in overeenstemming met Islam een plicht, en de ideologische Islamitische Staat kent dan ook als taak de zorg voor het nakomen van de plichten betreffende aanbidding – zoals het gebed, de vasten, et cetera – door haar moslim onderdanen. Onderwijl, echter, wil Islam haar niet-moslim onderdanen niet verplichten tot zaken die feitelijk horen bij aanbidding in Islam. Daarmee wordt duidelijk dat de wetgeving waarop de staat zich baseert wanneer zij de aanbidding volgens Islam door de moslims verzekert, behoort tot het deel van wetten waarvoor Islam een voorwaarde is, welke daarmee van toepassing is enkel op de moslim onderdanen van de ideologische Islamitische Staat en niet op de niet-moslim onderdanen. Ik zal u nog wat verdere praktische voorbeelden om dit karakteristiek van sjari’a verder duidelijk te maken:

Voor de moslim is het een plicht zich in te zetten voor behoud en verspreiding van de eigen Islamitische overtuiging. In geval van bedreiging van de ideologische Islamitische Staat is de verdediging van deze staat dan ook een plicht op haar moslim onderdanen. En omdat Islam verordent dat behoud van de overtuiging tot de allerbelangrijkste zaken in het leven behoort, een van de zaken van leven en dood, behoort de moslim onderdaan van de ideologische Islamitische Staat zich met alles waarover hij beschikt, zowel zijn bezit als zijn leven, in te zetten voor deze zaak. Tegelijkertijd is Islam van mening dat van mensen die de Islamitische overtuiging niet delen ook niet gevraagd kan worden deze overtuiging te beschermen. Deze plicht tot bescherming van de ideologische Islamitische Staat behoort dus tot de wetgeving waarvoor Islam de voorwaarde is, en geldt daarmee dus niet voor de niet-moslim onderdanen van de staat. Dus zou een vreemde macht de ideologische Islamitische Staat bedreigen, dan is het aan de moslims om de staat, waaronder de eer, bezit, leven en religie van al haar onderdanen (ook de niet-moslim onderdanen), te beschermen.

De familiale aangelegenheden zijn een ander onderwerp waarvoor geldt dat de wetgeving van Islam een overtuiging door Islam als voorwaarde heeft. En daarom mogen de niet-moslims bijvoorbeeld de huwelijkse aangelegenheden, het scheiden en de nalatenschap, ordenen op basis van eigen wetgeving. En wat men in de westerse landen zou plaatsen onder de noemer belastingen valt tevens onder het bereik van de wetgeving waarvoor Islam vereist is. De moslims betalen jaarlijks de zakaat (hoewel strikt genomen niet een belasting), zijnde een heffing van 2,5% over hun bezit. Maar omdat de zakaat feitelijk een vorm van aanbidding is, betalen de niet-moslims geen zakaat maar de djiziyya, een vast bedrag per volwassen en gezonde man, in hoogte afhankelijk van de welvaart van het individu; arm met inkomen, rijk of middenklasse. Mochten de niet-moslims dit wensen, dan kan de djiziyya geheven worden voor een bedrag gelijk aan wat men onder de regels der zakaat verschuldigd zou zijn. Betreffende de rechten tegenover de staat is van dit onderscheidt, uitgedrukt als “Islam als voorwaarde”, geen sprake.

Zoals ik al zei, de bescherming van het leven, de eer, het bezit en de religie van haar al onderdanen is de voornaamste plicht op de ideologische Islamitische Staat. Met andere woorden, het is haar verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat haar niet-moslim onderdanen niet met religieuze onderdrukking te kampen zullen krijgen, maar juist in staat zullen zijn hun religie in vrijheid te beleven. Ter behartiging van de belangen van de onderdanen van de ideologische Islamitische Staat, en ter garantie van de bovengenoemde (en nog andere) rechten van de onderdanen van de staat, kent deze een instelling genaamd de Madjlis asj Sjoera, of ook wel Madjlis al Oemma. Dit is het orgaan waarin zowel de moslim als de niet-moslim onderdanen van de staat zitting hebben, en wiens taak het is de Khalifa (Kalief; heerser van de ideologische Islamitische Staat) te adviseren en ter verantwoording te roepen mocht hij zijn onderdanen niet hun rechten op basis van Islam doen toekomen.

En ten slotte, ook over de manier van omgang met de niet-moslim onderdanen door de moslim onderdanen van de staat heeft Islam zich in detail uitgesproken, zoals verwoord geworden is door bijvoorbeeld Imaam Qarafi, een klassieke geleerde van Islam: “Het is de verantwoordelijkheid van de moslims tegenover het volk der Dhimma (de niet-moslim onderdanen van de ideologische Islamitische Staat) om te zorgen voor diegenen van hen die zwak zijn, om de behoefte van diegenen van de dhimma die arm zijn te voorzien, hun hongerigen te voeden en van kleding te voorzien, hen beleefd te benaderen en de toebrenging van schade, zelfs door een buurman, te tolereren, ook al zijn de moslims in een positie van dominantie. De moslim moet hen tevens van eerlijk advies voorzien en hen beschermen tegen eenieder die probeert hen te schaden, hun bezit te stelen of hun rechten te schenden.”

In werkelijkheid is deze uiteenzetting van enkele van de karakteristieken van de sjari’a, de rechten en plichten op zowel de moslim als de niet-moslim onderdaan van de ideologische Islamitische Staat, en de ordening van de relatie tussen beide onderdanen – alles tezamen dus de methode ter verzorging van samenleven binnen Islam – als een druppel in de oceaan die de jurisprudentie betreffende samenleven in de ideologische Islamitische Staat representeert. Desalniettemin blijken hierdoor enkele van de karakteristieken van de benadering van Islam van deze kwestie. Heel duidelijk is dit burgerschap een menselijk recht naar de visie van Islam, onafhankelijk van ras, overtuiging, capaciteit, kunde of welvaart.

Dat dit menselijke recht niet alleen in woord beleden wordt maar ook in de praktijk toegepast wordt, zo wordt duidelijk uit het bestaan van wetten met Islam als voorwaarde naast wetten waarvoor Islam geen voorwaarde is. Hiermee biedt Islam haar niet-moslim onderdanen de mogelijkheid een groot deel van hun leven te ordenen in overeenstemming met de eigen overtuiging. Om te kunnen appreciëren wat dit betekent voor het samenleven van verschillende overtuigingen volstaat het om terug te keren naar het inzicht dat de essentie van de kwestie samenleven verschillen in overtuiging zijn binnen de samenleving. In de ideologische Islamitische Staat is Islam dominant, maar superieur – in de zin van met alle andere overtuigingen minderwaardig beschouwend – is zij niet. De sjari’a is een praktische uitwerking van acceptatie van het bestaan van verschillende overtuigingen binnen een samenleving, en een uiting van diep respect voor verschillende overtuigingen. Binnen de sjari’a blijkt iedere overtuiging werkelijk geaccepteerd en gerespecteerd, en zo voelt iedere overtuiging zich werkelijk geaccepteerd en gerespecteerd. Deze tolerantie voor verschillen is de basis waarop Islam het samenleven baseert.

Ter behandeling van de seculier liberale oplossing voor de kwestie samenleven zoals ik deze begrepen heb uit uw artikel, zou ik willen aanvangen met een kritiek op de realiteit van samenleven in de seculier liberale landen. Vervolgens zal ik deze realiteit terugkoppelen naar de theorie, om gebruik makend van de verschillen in opvatting tussen Islam en de seculier liberale filosofie bij deze kwestie uiteindelijk een positie te beargumenteren betreffende beide oplossingen.

Het feit dat het experiment van de multiculturele samenleving in Nederland als mislukt wordt ervaren is naar mijn mening het resultaat van het feit dat in de realiteit adoptie van de seculier liberale overtuiging als voorwaarde wordt gezien voor de mensen die hier willen wonen, door de mensen die hier wonen. Burgerschap voor allochtonen wordt door autochtoon Nederland heel duidelijk gezien als een gunst van hen voor de autochtoon, zoals blijkt uit het feit dat dit enkel voor politieke vluchtelingen is weggelegd en voor mensen die een kwantificeerbare bijdrage aan de samenleving kunnen bieden. Het bestaan van de eis van loyaliteit aan de dominante opvattingen in de samenleving en de eis van adoptie van deze opvatting van de zijde van degene die de gunst verleent ten opzichte van de begunstigde, blijkt uit vele voorbeelden uit de praktijk. Ten eerste, “radicalisme” – niet terrorisme, wat geheel iets anders is – onder moslims wordt als de grootste bedreiging voor samenleven met moslims ervaren, zoveel is een feit. Tegelijkertijd, en dit is net zo zeer een feit, wordt radicalisme afgemeten aan de mate waarin een persoon de opvattingen behorende bij een seculier liberale overtuiging geadopteerd heeft, dan wel afgewezen heeft. Ten tweede, “integratie” wordt gezien als de voorwaarde voor samenleven. Gezien mijn eerste punt is het hier voldoende om te wijzen op het feit dat radicalisme wordt gezien als de aanzet tot de antithese van integratie. Ten derde, zogenaamde “radicale imams” die preken geven waarin zij niet een oproep doen tot geweld maar enkel blijk geven van de afwezigheid van een overtuiging door de seculier liberale filosofie, worden in Nederland en andere seculier liberale landen gedeporteerd, heeft de praktijk uitgewezen. En ten vierde, verscheidene keren reeds is in de Tweede Kamer door politici en in de media door zowel politici, journalisten als intellectuelen een oproep gedaan tot een verbod op niet-democratische partijen, oftewel partijen die de seculier liberale overtuiging niet hebben geadopteerd, en uitzetting van eenieder met hen geassocieerd. Dus duidelijk is dat de afwezigheid van loyaliteit aan en adoptie van de seculier liberale filosofie een mens tot paria in de samenleving maakt.

Gezien het feit dat burgerschap als gunst wordt ervaren, is deze houding onder degenen die deze zogenaamde gunst verlenen begrijpelijk, want dat uit een gunst een schuld resulteert in de westerse samenlevingen, en dus iets te eisen door degene die de gunst verleent, behoeft geen betoog. Het feit dat de eis in het bijzonder loyaliteit aan en adoptie van de seculier liberale overtuiging betreft, is een belangrijk punt in deze. Het toont namelijk aan dat van echte tolerantie tegenover andere overtuigingen dan de eigen in de seculier liberale landen geen sprake is. Dit is een uiting van de superioriteit die – over het algemeen – de aanhangers van de seculier liberale filosofie veronderstellen betreffende hun eigen overtuiging. Een superioriteit waaruit resulteert een positie van minderwaardigheid van iedere mogelijke andere overtuiging in de ogen van deze mensen. Bij dit punt aangekomen zult u eventueel, en op het eerste gezicht zelfs terecht, beargumenteren dat hoewel eventueel een realiteit in de seculier liberale samenlevingen, dit alles niet resulteert uit de seculier liberale filosofie, wat toch het onderwerp van de discussie was. U heeft hierbij natuurlijk gelijk, daarom zal ik zoals beloofd de vertaalslag maken van de praktijk terug naar de theorie, om aan te tonen dat wel degelijk deze praktijk gebruikt kan worden om de theorie te bekritiseren.

Verwijzend naar de drie punten die ik heb gepresenteerd alszijnde de algemene regels van de seculier liberale landen betreffende samenleven, is het niet onredelijk om te beweren dat naar idee van de seculier liberale filosofie ook het leven van diegenen in de seculiere samenlevingen die niet een overtuiging door deze visie kennen, geordend zal worden naar deze visie. Al de wetten en systemen, al de oplossingen voor het leven feitelijk, resulteren uit de seculier liberale filosofie. In de rechtzaak in uw artikel wordt geoordeeld op basis van het schadebeginsel, een principe dat voortvloeit uit de seculier liberale kijk op het leven. Maar, ook blijkt uit deze drie punten dat buiten de wetten en systemen tevens de maatstaf van toepassing bij deze wetten en systemen resulteert uit de seculier liberale filosofie.

Bijvoorbeeld het schadebeginsel dat de grens aan de manier van omgang tussen de verschillende groepen bepaald gebruikt een begrip van schade dat resulteert uit de seculier liberale kijk op het leven. Dat belediging van de religie voor de moslim, christen of jood als bijzonder schadelijk wordt gezien telt in de praktijk dus niet, omdat de seculier liberale filosofie ertoe heeft geleidt dat “schade” is gedefinieerd vanuit een zuiver materieel perspectief. Dus voor de “niet-seculier liberalen”, en voor de mensen die omgaan met hen, wordt de grens bepaald door de seculier liberale filosofie, ongeacht wat de eigen niet-seculiere overtuiging voor opvattingen heeft betreffende schade. Aldus kan men beargumenteren dat de bekende opmerking “in de seculier liberale samenlevingen mag iedereen het leven vorm geven naar eigen inzichten” in praktische zin betekenisloos is, omdat uit de seculier liberale filosofie de premisse resulteert dat alles geordend moet worden met een systeem dat resulteert uit de seculier liberale filosofie. En voor de opvatting dat de seculier liberale filosofie neutraal is ten aanzien van overtuiging en allen gelijke ruimte biedt, geldt hetzelfde. Immers, niet alleen moet volgens deze filosofie alles geordend worden met een systeem dat resulteert uit de seculier liberale filosofie, maar tevens gebruik maken van een maatstaf die resulteert uit de seculier liberale filosofie. Dus in een positie van dominantie eist de seculier liberale filosofie voor zichzelf een positie van superioriteit, want het laat feitelijk geen enkele ruimte aan andere overtuigingen. De gestelde aangenomen superioriteit van de seculier liberale filosofie onder de aanhangers van deze filosofie, de afwezigheid van tolerantie voor andere overtuigingen in de ordening van het leven die uit haar resulteert, is daarmee niet enkel aangetoond alszijnde een realiteit, zij lijkt tevens een natuurlijke neigingen voor de aanhangers van deze filosofie: wat anders kan men verwachten van de aanhangers van een filosofie die in een positie van dominantie geen enkele, maar dan ook werkelijk geen enkele ruimte biedt voor andere overtuigingen?

Professor, u zult na dit alles misschien begrip hebben voor mijn standpunt betreffende de oplossing die de seculier liberale filosofie biedt voor de kwestie samenleven. In de praktijk zal deze filosofie inderdaad zoals ook waargenomen kan worden in de seculier liberale landen, aanzetten tot een eis van loyaliteit aan en adoptie van haar door eenieder die onder haar ordening wenst te leven. Maar loyaliteit kan men niet eisen in afwezigheid van overtuiging, en overtuiging valt in het geheel niet te eisen. Ook het te verwachten resultaat van deze eis valt vandaag de dag waar te nemen in de samenleving: de eisers zijn boos en teleurgesteld vanwege wat zij zien als een weigering tot samenleven, degenen van wie geëist wordt voelen zich met de rug tegen de muur gezet vanwege wat zij ervaren als een onmogelijke eis. Hieruit kan nooit vreedzaam en respectvol samenleven resulteren.

In mijn essay “Het samenleven” heb ik juist beargumenteerd dat enkel oprechte tolerantie voor verschillen samenleven mogelijk kan maken. Deze tolerantie vereist dat men de verschillende opvattingen de ruimte laat, zonder dat men de opvattingen en de maatstaven van de dominante overtuiging bij alles opdringt aan al de mensen, ook diegenen die niet de dominante opvatting delen. Inderdaad, zoals Islam doet.

Professor, ook al heb ik deze vergezeld doen laten gaan van een kritiek op de oplossing die resulteert uit de seculier liberale levensbeschouwing – wat u mogelijk geheel begrijpelijk enigszins rauw op het dak valt gezien het feit dat kritiek op de seculier liberale filosofie niet zo gangbaar is in het publieke debat (wat mede te doen heeft met het feit dat dit over het algemeen niet zo gewaardeerd wordt) – heb ik goede hoop dat u als denker mijn uiteenzetting van het idee van Islam bij de kwestie samenleven zult kunnen appreciëren. In erkenning van uw status en aanzien heb ik hierbij absoluut niet de pretentie dat deze brief er toe zal leiden dat u zich gedwongen zult vinden hierop te moeten reageren om de discussie aan te gaan. Evenmin leef ik in de waan van de overtuiging dat u zich dit schrijven zult herinneren wanneer u in de toekomst gevraagd zult worden met oplossingen te komen bij andere praktische problemen van relevantie bij de kwestie samenleven. Het is enkel dat ik, vanuit de oprechte wens tot vreedzaam en respectvol samenleven in Nederland, op beiden een stille hoop koester.

Met de meeste hoogachting verblijf ik derhalve,
Drs. Abdullah as Siddiq

Comments

comments

DELEN