In naam van Allah, de Verhevene, de Genadevolle

Alle lof zij Allah, die de Koran openbaarde als leiding en waarschuwing voor de God-vrezenden, en die Mohammed (vrede en zegeningen zijn met hem) stuurde als genade voor de mensheid.

Geachte heer / mevrouw,

Wij hebben de juridische justifiëring van het finale oordeel in de mensenrechtenzaak van “Layla Shahin” tegen de Turkse staat (nummer 447744/98 van de 10e november 2005), betreffende het dragen van de hoofddoek op de universiteitsterreinen, gelezen. We richtten ons in deze brief tot u, in de hoop dat u haar boodschap in overweging zult nemen.

Geachte heer / mevrouw,

Het oordeel in genoemde zaak doet een aantal vragen bovenkomen betreffende enerzijds de realiteit van uw Hof – het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – en anderzijds de realiteit van de seculiere democratie waarvandaan uw rechters vertrekken, waarop zij hun oordelen baseren, en waarvanuit zij hun juridische principes halen. Uit de zaak, de manier waarop zij is voortgegaan en behandeld is geworden, blijkt dat de kwestie fundamenteel een intellectuele, politieke en culturele kwestie is, met betrekking tot het westerse denken en het westers systeem van waarden, haar theoretische principes en haar praktische toepassing. Dit feit werd aan gerefereerd ook door rechter Tulkens in haar afwijkende mening, welke als een annex is toegevoegd bij de uitspraak in genoemde zaak, en waarin zij een aantal vragen stelt in reactie op de uitspraak van het Hof – die dichter bij een intellectuele benadering van de kwestie staan dan een juridische of wetgeeflijke.

Voor wat betreft deze intellectuele aspecten van de zaak en hun relatie met de rechtsfilosofie, wensen wij uw aandacht te trekken op het volgende:

Betreffende de context van de zaak

U heeft zich geconcentreerd op een idee dat stelt dat de relatie religie en samenleving in het algemeen, waaronder de kwestie van het dragen van de hoofddoek valt, een kwestie is die begrensd wordt door haar context. Aangezien er geen consensus bestaat onder de Europese natiestaten over de kwestie hoofddoek, vanwege de verschillen in opvatting betreffende de relatie religie en samenleving, was het moeilijk om voort te gaan op basis van een enkel, bepaald juridisch principe. Ongetwijfeld is dit het dat u het idee van context heeft doen overwegen. [1] Desgevolgs heeft u de genoemde kwestie behandeld in een context relevant voor de Turkse staat. U bevestigt dit wanneer u zegt: “… de kwestie van de islamitische hoofddoek in de Turkse context onderzoekend…” [2]

Na deze benadering benadrukt te hebben bent u gekomen tot een oordeel dat een verbod op de hoofddoek rechtvaardigt door het idee van de hoofddoek te beschouwen als conflicterend met het idee van pluralisme, als een vorm van agressie tegenover de vrijheden van anderen en als een overtreding van het idee van gelijkheid. In andere woorden, u houdt de hoofddoek als contradictoir aan een van de democratische en seculiere principes waarop de Turkse staat is gebaseerd. Echter, dit oordeel is onrechthebbend, zowel in totaal als in detail, waarvoor twee redenen bestaan:

1. Dat u bereid bent de kwestie van de hoofddoek te behandelen in de context waarin zij naar voren gekomen is, betekent dat u bereid bent twee conflicterende oordelen te geven in eenzelfde zaak. U oordeelt tegen Layla Shahin, ter voorbeeld, door te verklaren dat het haar verboden mag worden de hoofddoek te dragen op Turkse universiteiten gezien de context met betrekking tot de Turkse staat. Had Layla Shahin deze zaak aanhangig gemaakt tegen de Oostenrijkse staat, het land waar zij heden ten dage verblijft, dan zou u in haar voordeel geoordeeld hebben omdat de Oostenrijkse staat geen noodzaak ziet de hoofddoek te verbieden, enkel indien “het resulteert in een bedreiging van de gezondheid of veiligheid van de leerlingen”. [3] Dit betekent dat u eenzelfde feit in een staat verbiedt maar in een andere toestaat. De waarheid is volgens u dus niet een constante maar een relatieve, en afhankelijk van de context waarin u vervolgens de keuze maakt tussen erkenning danwel verwerping van deze waarheid.

Waar de waarheid relatief is en afhankelijk van de context waarin zij behandeld wordt, daar is de kwestie een waarheid in het ene land maar niet in een ander. De hoofddoek kan dan een recht zijn in het ene land maar niet in het andere. Daarom vragen wij ons af: welk recht spreekt u dan over, het verworpen recht of het geaccepteerde recht? En wat is de waarde van dit recht, wanneer zij even gemakkelijk bevestigd kan worden als ontkend? Denkt u dat het in de oren van intelligente mensen redelijk klinkt wanneer een staat de hoofddoek verbiedt om de mensenrechten te beschermen terwijl een buurstaat de hoofddoek toestaat evenzo ter verdediging van de mensenrechten?

Geachte mevrouw / meneer,

Wanneer de mens, individueel of collectief, handelingen onderneemt om zijn instinctieve en organische behoeften te bevredigen, dan streeft hij naar het bewerkstelligen van voordeel en de verwijdering van pijn. Oftewel, hij streeft naar realisatie van hetgeen voor hem als individu profijtelijk is en dat aan zijn persoonlijke eisen en wensen voldoet; wat geen ander mens met hem deelt. En als individu is hij onderdeel van een samenleving, welke gebaseerd is op de relaties die ontstaan ten gevolge van zijn pogingen om zijn instinctieve en organische behoeften te bevredigen. Omdat de mens in een samenleving leeft met andere mensen, en omdat de eisen en wensen van individu tot individu verschillen, zal er als natuurlijk een conflict bestaan tussen de mensen in de samenleving bij de vaststelling van wat precies profijtelijk is en wat precies pijn verwijdert; alsmede bij de vaststelling van wat precies als goed geclassificeerd zal worden en wat als niet goed. Er moet dus een partij zijn die voor de mens de belangen bepaalt en die voor hem, collectief of individueel, bepaalt wat precies profijtelijk zal zijn en wat precies pijn zal verwijderen.

De gehele mensheid is overtuigd van deze noodzaak om iets te hebben dat voordeel en nadeel voor de mens bepaalt en dat de mensen dwingt zich hieraan te houden. Waar de mensheid over verschilt is de realiteit van hetgeen het voordeel en het nadeel bepaalt. Sommigen hebben gezegd dat het verstand, de mens of de natuur het voordeel bepaalt, terwijl anderen hebben gezegd dat het de sjari’a openbaringen of God moet zijn. De mensheid is dus in overeenstemming dat het de wet moet zijn die het voordeel definieert, maar men verschilt over de oorsprong van de wet: is dit de mens of God?

De voordelen die de wet voor de mens bepaalt dragen de naam rechten. Dit betekent dat wat een recht genoemd wordt feitelijk het voordeel is dat de wet heeft bepaald voor de mens, individueel of collectief. Het is geen recht tenzij het aldus geaccepteerd is door de wet. En als de wet het niet accepteert dan is het geen recht ook al is het een voordeel volgens een bepaalde visie. Dus de wet bepaalt de rechten. En gezien het feit dat de wet een oorsprong kent – hetzij de mens, hetzij de sjari’a openbaringen – is de basis waarop de rechtmatigheid danwel onrechtmatigheid van de wet beoordeeld moet worden de oorsprong van de wet. Als deze juist is dan zijn de rechten die er uit resulteren juist; en als deze onjuist is dan zijn de rechten die er uit resulteren onjuist.

Aangezien het verstand zwak is, gebrekkig, beperkt en open staat voor verschillen in opvatting, voor contradicties en voor beïnvloeding door buitenaf, is het niet in staat om een alomvattend systeem voort te brengen dat voor de mens een juiste en uitgebalanceerde bevrediging van de instinctieve en organische behoeften verzekert. Een systeem waar geen gebrek zal zijn noch overdaad. Dit is de reden waarom Islam gekomen is met een systeem waarmee de mens zijn instinctieve en organische behoeften kan bevredigen op de juiste manier. Dit systeem onderdrukt geen enkele behoefte ten voordele van een andere en bevredigt geen behoefte ten koste van een ander. Integendeel, het brengt harmonie tussen al de behoeften tot stand en bevredigt al de behoeften door middel van een precies systeem dat de mens geluk en voorspoed brengt, onderwijl voorkomend dat de mens zich verlaagt tot het niveau van de dieren waar de bevrediging van de behoeften chaotisch wordt. Allah, Geloofd zij Hij en Verheven is Hij, zegt in de Koran wat het best vertaald kan worden met: “Zou Hij Die schiep niet alles weten?”. [4]

Toen Islam de rechten bepaalde deed het dit als constanten die niet onderhevig zijn aan een context. Zij zijn dus niet geoorloofd in een land maar niet in een ander land, omdat zij in een dergelijk geval geen constante rechten zouden zijn. Daarom mag een niet-moslim onderdaan van de Islamitische Staat de Khilafa varkensvlees eten en alcohol drinken of hij nu in Marokko verblijft of in Indonesië; en is het de staat verboden om hem te bespioneren, of er nu een oorlog tegen terreur is of vrede. Dit is omdat naar idee van Islam, een idee dat door de rede bevestigd wordt, een recht ongeacht contexten van tijd of plaats een recht moet blijven.

2. Doordat u de kwestie van de hoofddoek in relatie stelt tot een context, om precies te zijn omdat u deze kwestie in relatie stelt tot de Turkse context, oordeelt u uiteindelijk op een manier die het verbod op de hoofddoek van de Turkse staat bevestigt. Omdat de hoofddoek geacht wordt een bedreiging te zijn van de seculiere waarden en de vrijheden van anderen, en omdat de hoofddoek aanstootgevend zou zijn voor niet-religieuze mensen. Deze opvatting is onjuist vanuit twee gezichtspunten:

Ten eerste, het idee dat de hoofddoek een bedreiging behelst van de seculiere waarden en de vrijheden van anderen, en aanstootgevend werkt op andere mensen, is een vals idee omdat het door geen enkel rapport, waarneming of onderzoek ondersteund wordt. En zolang het niet door een realiteit bevestigd is, hoe kan het dan de basis vormen voor een oordeel?

Als dit zwakke en onzekere bewijs [5] naar uw mening geschikt is, dan zou men dit ook moeten gebruiken om de bouw van moskeeën te verbieden omdat die gezien kunnen worden als symbolen die aanstootgevend werken op anderen; en de kleding die de vrouw halfnaakt laat omdat dit de religieuze mensen beledigt; en de viering van Kerstmis omdat dit aanstootgevend kan werken op niet-christenen. De voorbeelden van mogelijke verboden op basis van het principe van belediging van anderen zijn teveel om op te noemen, een inzicht dat effectief uw juridisch principe [6] van tafel veegt en het nog niet het papier waarop het geschreven is waard maakt. En in haar toepassing wordt met twee maten gemeten, want de moslims wordt iets verboden wat anderen toegestaan is.

Ten tweede, indien het werkelijk noodzakelijk is om de Turkse context in ogenschouw te nemen bij de kwestie van de hoofddoek, zoals u beweert, dan is het noodzakelijk om de realiteit van de Turkse samenleving in ogenschouw te nemen en de realiteit van het Turkse volk, in termen van religie, cultuur, beschaving en gebruiken. Ook al heeft de Turkse staat met het vernietigen van de Khilafah Islam vervangen door laïcisme, de Turkse bevolking (bijna 99% van hen) heeft niet haar religie verlaten. Zij zijn moslim gebleven tot de dag van vandaag, loyaal aan hun Islam en met liefde voor de islamitische cultuur. U heeft deze realiteit echter niet in ogenschouw genomen. Misschien heeft u hier niet eens aan gedacht, wat nergens beter tot uitdrukking komt dan in de fout die u maakt wanneer u de vernietiging van de Khilafah onjuist dateert, omdat u zegt dat de vernietiging plaats vond de 3e maart 1923 terwijl de datum de 3e maart 1924 is, wat aangeeft dat u hierin van meet af aan niet in geïnteresseerd bent geweest. [7] U had de religie van de Turkse mensen mee in ogenschouw moeten nemen omdat de Turkse mensen geen aanstoot nemen aan een vrouw met haar hoofddoek, en evenmin aanstoot nemen aan een symbool van de religie die zij geadopteerd hebben.

Betreffende de essentie van de kwestie de hoofddoek

Dat de hoofddoek een verplichting vormt voor iedere volwassen moslim vrouw, daarover bestaat een consensus onder al de geleerden van Islam. Allah, Geloofd zij Hij en Verheven is Hij, zegt in de Koran wat het best vertaald kan worden met: “En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij ook haar ogen neergeslagen houden en hun passies beheersen, en dat zij haar schoonheid niet tonen dan hetgeen ervan zichtbaar moet zijn, en dat zij haar hoofddoeken over haar Juyubihinna (oftewel hun lichaam, boezen, nek, et cetera)laten hangen, en dat zij haar schoonheid niet tonen behalve aan haar echtgenoot of haar vader of de vader van haar echtgenoot, of haar zonen of de zonen van haar echtgenoot, of haar broeders, of de zonen van haar broeders, of de zonen van haar zusters of haar vrouwen, of haar slaven, of zulke mannelijke bedienden die geen geslachtsdrang hebben, of de jonge kinderen die van de naaktheid van een vrouw niets afweten. En laat haar niet met haar voeten slaan, opdat hetgeen zij van haar schoonheid bedekken openbaar moge worden. En wendt u allen tezamen tot Allah, o gelovigen, opdat gij moogt slagen.” [8]

Het Hof heeft de zaak in een bepaalde richting doen gaan, waardoor zowel de procedure als de visie vanwaaruit het oordeel resulteert beïnvloedt is. Het Hof heeft verklaard dat de kwestie van de hoofddoek voor het eerst verscheen in Turkije in 1980, en het brengt de kwestie in relatie met de verkiezingswinst van de Refah partij in 1996. [9] Met enkel dit nog niet tevredenen werden de kwesties “fundamentalisme” en “extremisme” aan de zaak toegevoegd door de verklaring “het Hof verliest niet uit het oog het feit dat er zich in Turkije extreme politieke bewegingen bevinden die ernaar streven de samenleving hun religieuze symbolen op te leggen, en een opvatting betreffende de samenleving gebaseerd op religieuze voorschriften”. [10] Dit maakt duidelijk dat het Hof de zaak tot een politieke kwestie heeft gemaakt en het vanuit een specifiek perspectief heeft bestudeerd, wat met objectiviteit niets te maken heeft, om vervolgens tot een oordeel te kunnen komen in de zaak betreffende de hoofddoek.

Uw Hof, dat zich bezig hield met een kwestie die resulteert uit een religieus gebruik, zou de eigenschappen van dit gebruik hebben moeten bepalen los van een historische of politieke context om objectief te kunnen zijn. Het had moeten vast stellen of de hoofddoek een religieuze verplichting is voor de moslim vrouw, om vervolgens te bepalen of deze verplichting in weerspraak is met artikel 9 van de “Overeenkomst ter Bescherming van de Rechten van de Mens binnen het kader van de Europese Gemeenschap” of niet. Maar in plaats hiervan heeft uw Hof het ertoe gemaakt dat de zaak zich bezig ging houden met kwesties die de limieten van het Hof te buiten gaan, en dat de essentie van de zaak – zijnde dat het een religieuze kwestie betreft want een religieus gebruik – genegeerd werd.

Het negeren van deze essentie van de zaak heeft haar rechtvaardiging. Door aandacht te schenken aan de ware essentie van de kwestie zou een groot intellectueel probleem betreffende de realiteit van het seculier democratische gedachtegoed en de realiteit van artikel 9 van de “Overeenkomst ter Bescherming van de Rechten van de Mens binnen het kader van de Europese Gemeenschap” geopenbaard zijn. Het seculier democratisch gedachtegoed beweert dat het gebaseerd is op fundamentele rechten zoals vrijheid, tolerantie en gelijkheid. Deze waarden zijn door de westerse wetgevende macht opgelegd zonder de ware aard van Islam in overweging te nemen in de zin van dat het een complete manier van leven is, en zonder Islam te vergelijken met andere religies. En op het moment dat de moslim terug begonnen te keren naar hun religie en dit uitten in hun handelingen, verrees hierdoor een probleem tussen enerzijds de theorie van het westers gedachtegoed en haar waardesysteem en anderzijds de praktijk. Het westen stond derhalve voor een keuze, welken beide even bitter waren: of men past de theorie compleet toe en staat de moslim toe hun religie te praktiseren; of men beperkt de handelingen van praktisering van Islam door moslims, waardoor men bij het verschijnen van iedere handeling verder restrictief zou moeten optreden en waardoor men de theorie in haar basis kapot zou maken.

Uw Hof heeft gezocht naar een uitweg. U heeft de zaak verdraait en u heeft ervoor gezorgd dat de zaak niet haar natuurlijke beloop zou nemen en tot een religieuze kwestie zou verworden die resulteert uit een religieuze verplichting op vrouwen verordend door Islam. U heeft de zaak losgetrokken van haar natuurlijke context en heeft voor haar een politieke context verzonnen, om zo de (volgens u) extremistische bewegingen te kunnen omzeilen uit naam van vrijheid, tolerantie en rechtvaardigheid.

Maar, heeft deze oplossing de problemen van de seculiere democratie opgelost? Heeft het de tekortkomingen van de seculiere democratie verborgen? Of heeft het dezen verergerd en aan dezen toegevoegd? [11]

Betreffende gelijkheid

Uw Hof heeft zich in de behandeling van de zaak geconcentreerd op het concept van gelijkheid tussen de seksen, en heeft verondersteld dat de hoofddoek een symbool van onderdrukking van de vrouw is en van discriminatie ten opzichte van de man. [12] Dit is onjuist voor de volgende redenen:

1. Het Hof heeft geen duidelijkheid verschaft betreffende de veronderstelde relatie tussen de hoofddoek enerzijds en onderdrukking van de vrouw anderzijds; noch heeft het duidelijkheid verschaft betreffende de veronderstelde relatie tussen een verbod op het dragen van de hoofddoek en gelijkheid van de vrouw. [13] Dit maakt dat de uitspraak van het Hof ver verwijderd is van wat men zou verwachten van een rechterlijke uitspraak. De uitspraak, namelijk, is gebaseerd op veralgemeningen en abstracties zonder relatie tot de realiteit, hetzij dan misschien enkel in de fantasieën van de auteurs ervan.

2. Het dragen van de hoofddoek heeft volgens de seculier democraten zelf verschillende betekenissen. Sommigen zien het als een religieus symbool, anderen als een symbool van onderdrukking en achtergesteldheid van vrouwen of zien het als een gebruik of een traditie van bepaalde volkeren, en weer anderen hebben nog weer andere en verschillende meningen. Het Duitse Constitutionele Hof verklaarde in een oordeel van 24/9/2003 dat de hoofddoek geen specifieke betekenis heeft en dat het voor verschillende redenen gedragen wordt. [14]

Waarom dan heeft uw Hof de betekenis van de hoofddoek beperkt tot een met een negatieve connotatie? Zou het niet veel meer gepast zijn geweest, gezien het feit dat de hoofddoek verschillende betekenissen wordt toegeschreven, zou het Hof generalisaties voorkomen hebben en iedere mogelijke betekenis als op zichzelf staand feit bestudeerd en behandeld hebben, en ook op deze basis het principe van context dat zij heeft geadopteerd toegepast zou hebben?

3. De hoofddoek, welke nogmaals een religieuze verplichting is voor de volwassen moslim vrouw, heeft geen politieke connotaties. Het is zuiver een religieuze verplichting, en als deze al enige connotaties toegewezen zouden kunnen worden dan zijn dit kuisheid, puurheid en menselijkheid. Uw Hof is ongetwijfeld bekend met de voorvallen van seksuele provocatie en verkrachting die wijdverspreid zijn geworden; de hoofddoek is een voorkomen hiervan. De vrouw wordt door haar beschermd tegen blikken van lust, en haar eer wordt beschermd tegen het haar bekijken als een seksueel object. De hoofddoek verheft de menselijkheid van de vrouw tot die van de mens, in plaats van dat zij beperkt wordt tot slechts een vrouwelijk lichaam dat als doel kent het opwinden van mannen.

4. Aangezien u heeft geoordeeld dat de hoofddoek een symbool van onderdrukking van de vrouw is, heeft u geoordeeld dat de wetgever van de hoofddoek de vrouwen onderdrukt. Daarom moet de visie van Islam op vrouwen verhelderd worden en vergeleken met die van het westen:

Geachte heer / mevrouw,

Gelijkheid, de waarde die voor de seculiere democratie een bron van trots is, is een valsheid omdat de verklaring dat er gelijkheid is tussen twee dingen impliceert dat er in aanvang discriminatie was. Oftewel, men kijkt eerste naar twee dingen als verschillend zonder relatie tussen hen, om vervolgens te oordelen dat zij elkanders gelijke zijn op basis van een eigenschap die zij beiden delen. Dat is waarom gelijkheid, als tegenwoordig oordeel, een eerder oordeel aangeeft dat onderscheidt aanbrengt en (dus) discrimineert. Dit maakt duidelijk dat het oorspronkelijke oordeel van de westerse wetgever een is van discriminatie tussen man en vrouw.

Verdermeer, gelijkheid vereist een voorbeeld waartegen het gemeten kan worden. Als zodanig betekent gelijkheid tussen man en vrouw dat de man tot de maatstaf wordt waarop men zich vervolgens zal baseren. Dit betekent onvermijdelijk dat de westerse wetgever rekening hield met de man toen het wetgeving tot stand bracht, om hierna de vrouw in relatie te brengen tot de man. De basis van wetgeving in het westen is dus gebaseerd op de man en niet op de mensheid bestaande uit mannen en vrouwen. En dit alles bevat een indicatie van de valsheid van westerse wetgeving met betrekking tot vrouwen, en de valsheid van hetgeen waarop deze is gebaseerd.

Islam bouwt voort op het idee dat Allah de Almachtige de mensheid heeft geschapen als mannen en vrouwen met een specifieke aard anders dan die van de dieren. Een vrouw is een mens net zoals de man een mens is, en zij verschillen niet in hun menselijkheid noch kan men onderscheidt tussen beiden aanbrengen op basis van menselijkheid. Allah heeft beiden voorbereid op een leven als mens en heeft het onvermijdelijk gemaakt dat zij zich in samenlevingen voort zouden bewegen. Hij heeft het voortbestaan van de mensheid afhankelijk gemaakt van hun samenkomen in de samenleving en hun beider aanwezigheid in de samenleving. Men kan hen niet onderscheiden om dat, als mens, zij beiden over dezelfde menselijke karakteristieken beschikken alsmede de essentiële voorwaarde voor leven. Allah heeft in hen beiden dezelfde levenskracht geschapen. Hij heeft in hen beiden de organische behoeften geschapen, zoals honger, dorst en de noodzaak tot ontlasten. Hij heeft ook in hen beiden een overlevingsinstinct geschapen, een voortplantingsinstinct en een aanbiddinginstinct. En beiden beschikken over dezelfde organische en instinctieve behoeften. En beiden zijn begunstigd met de capaciteit tot denken. Daarmee is intelligentie aanwezig in de man en net zo in de vrouw, omdat Allah het verstand heeft geschapen voor de mensheid en niet exclusief voor de man of voor de vrouw. Allah de Almachtige zegt, wat het best vertaald kan worden met: “En wij hebben de kinderen van Adam geëerd”. [15]

Toen Islam is gekomen met de Goddelijke verantwoordelijkheden voor de man en de vrouw, en toen het de Goddelijke regelgeving uiteenzette die betrekking heeft op de handelingen van beiden, heeft geen aandacht gegeven aan de kwesties gelijkheid of discriminatie tussen beiden. Islam zag een probleem dat opgelost diende te worden, en het loste dit probleem op als een probleem, niet als een probleem voor een man of een probleem voor een vrouw. Het vraagstuk van gelijkheid tussen man en vrouw is hierdoor nooit een onderwerp geweest. De term bestaat als zodanig niet in de islamitische jurisprudentie. Wat bestaat zijn Goddelijke regels voor incidenten die plaats vinden voor een mens, of deze nu mens nu een man of een vrouw is.

Dus toen Islam rechten en plichten toewees aan de man en de vrouw, gaf het beiden rechten en plichten op basis van het voordeel dat zij bieden, en het beschouwt dezen als oplossing voor een specifieke handeling. Het heeft de oplossing gelijk gemaakt wanneer de natuur van de mens vereist dat deze gelijk is, en het heeft deze verschillend gemaakt wanneer de natuur van de mens vereist dat deze verschillend is. Zo vindt men bijvoorbeeld dat Islam geen onderscheidt aanbrengt tussen mannen en vrouwen wanneer het de mensheid tot haar oproept. Het heeft de verplichtingen van aanbidding, zoals het gebed, het vasten, de bedevaart en de zakat, hetzelfde gemaakt in termen van verantwoordelijkheid. En het heeft de moraal en vereisten bij transacties zoals het in dienst nemen van arbeiders en delegatie gelijk gesteld voor man en vrouw. En het heeft leren en studeren verplicht zonder onderscheidt te maken tussen man en vrouw. Allah heeft wetten verordend voor de mens als mens, gelijk voor man en vrouw. Allah de Almachtige zegt, wat het best vertaald kan worden met: “Die juist handelt, hetzij man of vrouw en een gelovige is, hen zullen Wij voorzeker een goed leven schenken; en gewis zullen Wij hen belonen naar hun beste werken”. [16]

Voor wat betreft de gevallen waar de rechten en plichten tussen mannen en vrouwen verschillen, deze sjari’a plichten betreffen de natuur van de vrouw als vrouw of de natuur van de man als man. Dit is omdat deze oplossingen niet oplossingen zijn voor de mensheid in het algemeen, maar oplossingen voor een specifieke mens voor wat betreft fysieke en biologische eigenschappen. Hier moet de oplossing specifiek zijn voor deze specifieke mens, en niet algemeen voor de mensheid in het algemeen. Daarom heeft Islam speciale regels verordend voor de vrouw met betrekking tot haar geslacht, zoals de regels omtrent menstruatie en de bevalling; en heeft het de vrouw het recht op voogdij gegeven en niet de man, terwijl het de verzorging van een inkomen toegestaan heeft voor haar maar heeft verplicht voor de man en het haar vrij heeft gesteld van de verplichting tot vechten maar niet man.

Op basis van deze verlichte visie, is het dan gerechtvaardigd om te verklaren dat Islam de vrouwen kleineert, haar rechten ontneemt en onderdrukt, of om te zeggen dat de hoofddoek een symbool is van een kleinerende behandeling van vrouwen?

5. Gelijkheid betekent niet rechtvaardigheid, omdat rechtvaardigheid betekent dat zaken op juiste waarde worden geschat en dat iedereen krijgt hetgeen hem rechtmatig toekomt. Dit vereist soms gelijkheid, maar niet altijd. De leraar die al zijn studenten dezelfde score geeft heeft hen allen gelijk behandeld maar hij heeft hen niet rechtvaardig behandeld. Hij heeft de hardwerkende student niet het hem of haar toekomende recht op onderscheidt gegeven. Om deze reden is Islam gebaseerd op rechtvaardigheid en niet op gelijkheid, en heeft het gelijkheid in overweging genomen waar dit noodzakelijk is maar niet waar dit niet noodzakelijk is. Allah de Almachtige zegt, wat het best vertaald kan worden met: “Voorwaar, Allah gelast u al Adl (rechtvaardigheid)”. [17] En Hij, de Almachtige zegt, wat het best vertaald kan worden met: “Voorwaar, Allah gebiedt u het u toevertrouwde over te geven aan hen die er recht op hebben en dat, wanneer gij tussen mensen oordeelt, gij rechtvaardig handelt”. [18]

Rechtvaardigheid vereist erkenning van de culturele verschillen tussen mensen ook in zaken van wetgeving. Dit is waarom Islam de christenen niet verbiedt om alcohol te drinken terwijl het dit de moslim wel verbiedt, en verplicht het de niet-moslim niet om te vechten voor de Islamitische Staat de Khilafah terwijl het dit de moslim wel verplicht. In andere zaken die geen relatie hebben met cultuur of beschaving gerelateerde verschillen heeft Islam de moslim en de niet-moslim gelijk behandelt. Zoals bijvoorbeeld in geval van vergelding (qisas), waar Islam de moedwillige moordenaar bestraft of hij nu moslim is of niet-moslim, en of de vermoorde nu een moslim was of een niet moslim.

Voor deze redenen zou de westerse wetgever haar positie betreffende gelijkheid vanaf de basis moeten herzien, omdat het niet rechtvaardigheid betekent en geen rekening houdt met specifieke verschillen in cultuur of beschaving.

Betreffende tolerantie

Uw Hof heeft verklaard dat het dragen van de hoofddoek indruist tegen de waarde van tolerantie. [19] Hierin is wederom een teken dat het Hof afgeweken is van de zaak onder behandeling en in plaats hiervan de religie Islam voor het gerecht heeft geacht, met welk doel het zich vervolgens baseerde op een vals en onjuist beeld van Islam.

Maar, wat is deze tolerantie waarover het Hof spreekt? Laat ons kijken naar de betekenis van tolerantie zoals geaccepteerd door uw Hof:

Tolerantie betekent “respect, waardering en acceptatie van de rijkdom aan diversiteit van culturen in de wereld, de verschillende manieren waarop zij zich uitdrukken en de verschillende manieren waarop zij de menselijke essentie proberen te realiseren. Het wordt ondersteund door kennis, openheid en contact met elkander en door de vrijheid van denken, geweten en religie. Tolerantie is de coördinatie tussen verschillen. Het is geen morele verplichting maar een politieke en wettelijke vereiste. Tolerantie is de deugd die vrede mogelijk maakt en die het mede mogelijk maakt dat een cultuur van vrede de cultuur van oorlog vervangt.

Tolerantie is niet enkel erkenning, en het is noch concessie noch inschikkelijkheid. Veel meer dan dit is het een actieve houding die ondersteund wordt door erkenning van de universele mensenrechten en de fundamentele vrijheden waar anderen (ook) over bezitten. Het kan op geen enkele manier gebruikt worden om schending hiervan te rechtvaardigen. Het individu, groepen en staten moeten zich houden aan tolerantie.

Tolerantie betekent het dragen van verantwoordelijkheid voor het behoud van de mensenrechten, pluralisme (waaronder cultureel pluralisme), democratie en de heerschappij van de wet. Het omvat verwerping van dogmatisme en absolutisme.

Tolerantie betekent acceptatie van het feit dat mensen van nature zullen verschillen in uiterlijk, staat, taal, gedrag en waarden. Het betekent ook dat mensen het recht hebben om in vrede te leven en onderwijl te blijven wie zij zijn… [20]

Past het oordeel gegeven door het Hof bij dit eerste artikel van de “Verklaring betreffende de Principes van Tolerantie” zoals onderschreven door de leden van UNESCO?

De theorie van tolerantie accepteert de aanwezigheid van verschillen tussen mensen in hun culturen en beschavingen, en het accepteert verschillen in de manieren van leven tussen mensen ten gevolge van verschillen in hun visie op het leven. De waarneming van de realiteit, echter, maakt deze visie op tolerantie met al haar betekenissen kapot, vanaf het fundament waarop het is gebaseerd.

Het oordeel van uw Hof is een flagrante schending van de theorie die stelt dat tolerantie betekent “acceptatie van het feit dat mensen van nature zullen verschillen in uiterlijk, staat, taal, gedrag en waarden”. Als tolerantie betekent, zoals in de traditie van de westerse filosofen en wetgevers, een houding die zich uit in de bereidheid om verschillende meningen betreffende verschillen in gedrag en opvatting te accepteren zonder het noodzakelijkerwijs hiermee eens te zijn, is het volgens deze traditie dan acceptabel dat de hoofddoek van de moslim vrouw een kwestie wordt waarvoor rechtszittingen van de hoogste orde gehouden moeten worden? Met andere woorden, kan men mensen of samenlevingen die niet bereid zijn de hoofddoek te accepteren beschouwen als tolerant?

Geachte heer / mevrouw,

De hoofddoek van de moslim vrouw heeft de seculiere democratie ontbloot, het heeft haar naaktheid geopenbaard. En buiten dit, het is tot een test verworden voor de theorieën van de seculiere democratie en hun juiste danwel valse uitoefening. Men leest in het Roberts woordenboek dat tolerantie “is een houding die zich uit in acceptatie van een manier van denken of een handeling van een ander die anders is dan wat men zelf heeft aangenomen”. En men leest in het Lalande woordenboek dat “tolerantie is een intellectuele houding of een gedragsregel die zich uit in het geven van ruimte aan iedereen voor de uitdrukking van ideeën, ook als men deze ideeën niet deelt”. En men hoort Voltaire geciteerd worden: “Ook al ben ik het niet eens met wat je zegt, ik zal tot de dood jouw recht om het te zeggen verdedigen”. En Pasteur die zei: “Wat ook je nationaliteit is, of de kleur van je huid, vertel me waar de pijn is zodat ik je kan behandelen”. Helaas vallen al deze voorbeelden uiteen wanneer zij getoetst worden aan de realiteit, omdat deze tolerantie niet gepraktiseerd wordt wanneer het aankomt op de moslims.

Waar ligt de tekortkoming? Is het omdat het hier irreële voorbeelden betreft de voorstanders waarvan hebben ontdekt dat ze utopisch zijn? Of ligt de tekortkoming in hen zelf omdat ze gedefinieerd zijn voor westerse mensen en niet voor de mensheid als geheel? Of, ook niet onmogelijk, ligt hun tekortkoming bij degenen die hen verzonnen hebben?

Laatste punt

Aan het einde van deze brief wensen we nogmaals te herhalen dat het niet onze bedoeling is om de integriteit van het Hof in vrage te stellen, noch wensen we haar te kleineren. Integendeel, we wensen de aandacht van het Hof trekken naar een aantal zwakheden in haar oordeel betreffende de kwestie van de hoofddoek. Als zodanig hopen we dat het Hof onze brief aandachtig zal lezen en ermee om zal gaan op een intellectuele en niet een emotionele manier.

Accepteert u onze welgemeende groet,

Okay Pala
Lidvertegenwoordiger van Hizb ut Tahrir in Nederland

________________________________________

[ ] Zie paragraaf 109, pagina 26 van het oordeel van het Hof (Engelse versie).

[2] Zie paragraaf 115, pagina 28 van het oordeel van het Hof (Engelse versie).

[3] Zie paragraaf 60, pagina 15 van het oordeel van het Hof (Engelse versie).

[4] Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah al Moelk, vers 14

[5] Het principe is te vinden in paragraaf 2 van artikel 9 van de “Overeenkomst ter Bescherming van de Rechten van de Mensen binnen het Kader van de Europese Gemeenschap”, Rome, 4 november 1950

[6] Dit principe is te vinden in paragraaf 1 van artikel 9 van de overeenkomst vermeld onder noot 5.

[7] De verkeerde datum is genoemd in het eerste oordeel van het Hof, nummer 44774/98 van 29/6/2004 (Engelse en Franse versie). De fout is ook vermeld in het nieuwe oordeel, nummer 44774/98 van 10/11/2005, paragraaf 30 (Engelse en Franse versie). De juiste datum is 3/3/1924. Dit kan geverifieerd worden op de officiële website van het Turks Ministerie van Toerisme en Cultuur: www.kultur.gov.tr/portal/tarih_en.asp?belgeno=5314

[8] Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera an Noer, vers 31

[9] Zie paragraaf 35, pagina 9 van het oordeel van het Hof (Engelse versie).

[ 0] Zie paragraaf 115, pagina 28 van het oordeel van het Hof (Engelse versie).

[ 1] Betreffende de intellectuele inconsistentie en de onjuistheid van het secularisme zie appendix A van dit schrijven “Kritiek op Secularisme”

[ 2] Zie paragraaf 111, 115, 116 van het oordeel van het Hof (Engelse versie).

[ 3] Rechter Tulkens realiseerde zich dit, en zag dit als iets waarvoor het Hof bekritiseerd moest worden. Zie haar afkeurende mening van vermeld oordeel in paragraaf 11, pagina 47 van het oordeel van het Hof (Engelse versie).

[ 4] Zie het besluit van het Duits Constitutioneel Gerechtshof, oordeel van de Tweede Divisie van 24 september 2003, 2BvR 1436/042, de zaak Fereshta Ludin.

[ 5] Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah al Israa, vers 70

[ 6] Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah an Nahl, vers 97

[ 7] Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah an Nahl, vers 90

[ 8] Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soerah an Nisa, vers 58

[ 9] Zie paragraaf 111, pagina 27 van het oordeel van het Hof (Engelse versie).

[20] Verklaring betreffende de Principes van Tolerantie. Geformuleerd en ondertekend door de lidstaten van UNESCO op 16 november 1995. Artikel 1.

Comments

comments

DELEN