Geachte heer Vermeersch,

Op het moment dat in het publieke debat in België de Islamitische hoofddoek terug op de voorgrond trad, ten gevolge van het oordeel van de Raad van State dat scholen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs niet over het wettelijke recht beschikken om een hoofddoekenverbod af te kondigen, verscheen uw publicatie “De islam en de hoofddoek in België – een bredere benadering”. [1]

Met perfecte timing, derhalve, bepleit u hierin een algemeen verbod op de Islamitische hoofddoek op scholen, door primair te argumenteren dat

a) Het westers principe “godsdienstvrijheid” niet op Islam van toepassing is;

b) Er in Islam eigenlijk geen plicht tot hoofddoek bestaat; en

c) Er een noodzaak bestaat om de Islamitische hoofddoek op bepaalde plaatsen zoals scholen te verbieden.

U zegt feitelijk dat een verbod op de Islamitische hoofddoek wenselijk is om de maatschappelijke vrede te bewaren, en “dat er geen enkele solide argumentatie bestaat tegen de algemene beslissingen van schoolnetten om een hoofddoekenverbod in te voeren” (pagina 28).

In uw publicatie presenteert u deze opvatting op uiterst zelfverzekerde wijze, waardoor bij menigeen de indruk zal worden gewekt dat uw oordeel enkel het laatste oordeel kan zijn in de kwestie. Het oordeel dat de kwestie voor eens en voor altijd oplost, zogezegd. Echter, de redeneringen waarvan u gebruik maakt om uw positie te beargumenteren zijn op verschillende plaatsen aantoonbaar gebrekkig. In het nu volgende zal ik een poging doet dit duidelijk te maken, om het debat omtrent de Islamitische hoofddoek in België te kunnen dienen.

Meneer Vermeersch,

De eerste pilaar onder uw oproep tot een algemeen verbod op de Islamitische hoofddoek op scholen is
uw argument dat het principe “godsdienstvrijheid” eigenlijk niet van toepassing is op Islam. U redeneert hierbij als volgt:

– U zegt dat godsdienstvrijheid de vrijheid insluit om de aangehangen overtuiging “tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften” (pagina 2).

– Maar, zegt u feitelijk, over de godsdienstvrijheid is altijd gedacht in relatie tot de christelijk religies, die “hoofdzakelijk op het privé-leven betrekking hebben, of volledig stroken met de hier traditioneel gangbare normen” (pagina 2).

– Vervolgens wijst u op het feit dat Islam het gehele leven van de mens ordent en niet enkel de privé aangelegenheden. En dat Islam hierbij normen hanteert “die radicaal met de Europese wetgevingen in strijd zijn” (pagina 3) en waarden kent die “ingaan tegen bij ons algemeen aanvaarde gedragregels” (pagina 4).

– Omdat Islam zo anders is dan de christelijke religies waarop godsdienstvrijheid is gebaseerd, concludeert u dan dat het aanspraak maken door moslims op godsdienstvrijheid “kunstmatig” is (pagina 4), oftewel niet rechtmatig.

Alhoewel geldig is deze logische redenering verre van valide. [2] U lijkt vergeten te zijn dat de oorsprong van het westers principe “godsdienstvrijheid” is gelegen in de (late) middeleeuwen, op welk moment de katholieke kerk nog het idee van droit divin (goddelijk recht) uitdroeg en zich dus bezig hield met al de bereiken van het leven; en de kerkstrijd tussen de katholieken en protestanten in volle gang was omdat de protestanten afstand namen van de “traditioneel gangbare normen”. Het waren deze omstandigheden die de aanzet vormden voor mensen als Locke om het idee van godsdienstvrijheid te ontwikkelen. Het idee van godsdienstvrijheid, met andere woorden, is tot stand gebracht om het samenleven van verschillende religies, met verschillende opvattingen over de rol van religie in het leven, en met verschillende normen en waarden, te ordenen. De aanname waarvan u in uw redenering gebruik maakt, zijnde dat godsdienstvrijheid enkel geldt wanneer de verschillende religies gelijke opvattingen hebben over de rol van religie in het leven en de normen en waarden, is dus feitelijk incorrect. Godsdienstvrijheid is ontwikkeld juist om het vreedzaam samenleven van verschillende religies met verschillende opvattingen over de rol van religie in het leven en de normen en waarden, mogelijk te maken. De realiteit van godsdienstvrijheid is derhalve zo dat het volstrekt onmogelijk is om Islam en de moslims deze te onthouden.

Uw publicatie heeft het idee van godsdienstvrijheid dus beperkt, vervormd en een andere betekenis geven dan haar oorspronkelijke betekenis. In haar oorspronkelijke betekenis is godsdienstvrijheid van toepassing op het samenleven van religies met fundamentele verschillen. Maar in uw definitie is godsdienstvrijheid beperkt tot enkel van toepassing op het samenleven van religies die fundamenteel gelijk zijn, waardoor u uw argument dat moslims geen aanspraak kunnen maken op godsdienstvrijheid kon rechtvaardigen.

Ik wil gezegd hebben dat het u als filosoof natuurlijk toegestaan is om uw eigen definities en betekenissen tot stand te brengen. Maar daar uw publicatie niet tot een publiek van filosofen is gericht, zou uw publicatie duidelijk gemaakt moeten hebben waar precies u woorden met uw eigen, persoonlijke definities gebruik heeft; en waar precies u geredeneerd heeft op basis van woorden en hun “standaard” definities. Dit zou de nauwkeurigheid en helderheid in het debat over de Islamitische hoofddoek, die u middels uw publicatie juist probeerde te verbeteren, ten goede zijn gekomen. De lezers van uw publicatie zouden dan gewaarschuwd zijn om niet klakkeloos al uw aannames voor waar aan te nemen, maar deze eerst te onderzoeken op juistheid.

Ik wil tevens gezegd hebben dat uw eigen, persoonlijke definitie van godsdienstvrijheid feitelijk onzinnig is. In uw definitie is godsdienstvrijheid enkel voor de religieuze minderheid wiens religie fundamenteel gelijk is aan de religie van de meerderheid. Oftewel, wanneer de religie van de minderheid over de rol van religie in het leven en normen en waarden hetzelfde denkt als de religie van de meerderheid. Om deze voorwaarde te stellen aan godsdienstvrijheid is onzinnig omdat er geen conflict zal bestaan wanneer religies fundamenteel gelijk zijn. Er zal in een dergelijke situatie geen spanning bestaan tussen de verschillende religies in de samenleving, en dus zal er dan geen beroep gedaan hoeven te worden op een “recht” om de eigen religie te belijden en te beleven. Uw definitie van godsdienstvrijheid beperkt de toepassing van dit idee dus tot de situaties waarin toepassing van godsdienstvrijheid niet nodig is. En dat is onzinnig.

Uw godsdienstvrijheid is onzinnig ook voor een tweede reden, en deze is dat u godsdienstvrijheid voorwaardelijk maakt. Volgens uw definitie kan en mag een minderheid enkel aanspraak maken op uw godsdienstvrijheid als hun religie niet teveel anders is dan de religie van de meerderheid. Dit betekent feitelijk dat de meerderheid eerst de religie van de minderheid mag toetsen, en dan mag beslissen of zij aan de minderheid uw godsdienstvrijheid gaat geven of niet. Enkel als de meerderheid van mening is dat de religie van de minderheid niet teveel afwijkt van de “norm” en van hetgeen “aanvaard” is, dan krijgt de minderheid uw godsdienstvrijheid. Maar wat voor “vrijheid” is dit, waar de één het recht wordt gegeven om voor de ander te bepalen? Als mijn “vrijheid” om mijn religie te beleven beperkt is tot hoe u uw religie beleeft, of tot toestemming van u om mijn religie te beleven, dan is enkel tirannie de realiteit. Het is gewoonweg pervers om dit “vrijheid” te noemen, maar toch doet u dit. En ook dat is onzinnig.

Uw definitie is dus onjuist en onwerkbaar, en dit laat ons in de situatie waar de enige keuze is tussen acceptatie van godsdienstvrijheid zoals deze is, of verwerping van godsdienstvrijheid zoals deze is. Ofwel u accepteert godsdienstvrijheid zoals deze is, en dit heeft als onvermijdelijk gevolg dat u mij toestaat om mijn religie te beleven zoals ik dit wil, ongeacht wat u hier van vindt. En indien ik dan van mening ben dat een hoofddoek onderdeel is van mijn religie, dan kan u niet anders dan dit accepteren en mij dit toestaan. Ofwel u verwerpt godsdienstvrijheid zoals deze is, en dan staat niets u in de weg om mij ervan te weerhouden te leven in overeenstemming met de door mij aangehangen religie. Maar dit impliceert dat u een tiran bent, omdat u denkt voor anderen te mogen bepalen hoe zij hun leven zullen moeten leiden.

Meneer Vermeersch,

De tweede pilaar onder uw oproep tot een algemeen verbod op de Islamitische hoofddoek op scholen is een ontkenning van het feit dat de hoofddoek voor de vrouw bij Islam hoort. U zegt dat de hoofddoek niet door de Koran voorgeschreven wordt (pagina 7), en u wijst op het feit dat er mensen zijn die beweren dat de hoofddoek pas drie eeuwen na de dood van Profeet Mohammed (saw) zijn intrede heeft gedaan in de Islamitische jurisprudentie (pagina 8). Echter, dat u dit vraagstuk onderdeel laat zijn van uw argumentatie voor een algemeen verbod op de Islamitische hoofddoek is methodologisch incorrect.

Volgens het westers principe van godsdienstvrijheid doet het er namelijk in het geheel niet toe of Islam de hoofddoek heeft verplicht. Het is immers het simpele feit dat iemand gelooft dat Islam de hoofddoek verplicht heeft, en daardoor religieuze opvattingen heeft die afwijken van de norm en die ingaan tegen hetgeen aanvaard is, dat de discussie met betrekking tot godsdienstvrijheid tot stand brengt. Dit betekent dat uw behandeling van de vraag of de hoofddoek bij Islam hoort of niet, irrelevant is.

Bovendien, door te onderzoeken of de hoofddoek bij Islam hoort of niet, en door de rechtmatigheid van de claim van de moslima’s met hoofddoek op godsdienstvrijheid te beoordelen op basis van dit onderzoek, schept u feitelijk het belachelijke en krankzinnige precedent dat iedereen die aanspraak wil maken op godsdienstvrijheid hiervoor eerst aan Etienne Vermeersch moet vragen of hij een specifiek geloof in zijn religie op mag nemen. En zonder dat Etienne Vermeersch akkoord is dat dit specifieke geloof bij zijn religie hoort, mag hij dan geen aanspraak maken op godsdienstvrijheid. In een situatie als deze is van godsdienstvrijheid natuurlijk helemaal geen sprake meer, omdat men eerst toestemming moet krijgen om aanspraak te mogen op godsdienstvrijheid. En zoals reeds gezegd, dit kan geen vrijheid genoemd worden. Deze “voorwaardelijke vrijheid” is de antithese van vrijheid. Dit is tirannie. Bij de kwestie godsdienstvrijheid mag hetgeen een persoon precies in gelooft dus niet eens ter zake doen!

Bovendien is het antwoord dat u geeft op de vraag of Islam de hoofddoek verplicht heeft volstrekt incorrect. Het dragen van de hoofddoek is namelijk wel degelijk een plicht voor de vrouwen, waarover onder de moslims van kennis en kunde geen discussie bestaat, omdat Allah (swt) zegt, wat zoveel betekent als:

“En zij moeten hun khoemoer over hun djoeyoeb trekken.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Noer 24, vers 31)

Alhoewel u dit vers zelf citeert in uw publicatie begrijpt u hieruit niet de plicht op de moslima’s die hieruit begrepen moet worden. U zegt in reactie op dit vers: “Er is geen voorschrift om een hoofddoek te dragen; de tekst verwijst immers naar een ‘khimaar’ die reeds bestond. (De khimaar was waarschijnlijk een kledingstuk dat vanaf het hoofd of vanaf de hals over het lichaam hing, maar gedeeltelijk de borsten zichtbaar liet)” (pagina 7). Uw probleem is dat u voor achterhaling van de precieze betekenis van dit vers niet de correcte methode hanteert. U verwerpt bijvoorbeeld de hadith, de overleveringen van Profeet Mohammed (saw), terwijl Islam duidelijk maakt dat de overleveringen van Profeet Mohammed (saw) gebruikt moeten worden:

“Uw metgezel is noch afgedwaald noch afgeweken, Noch spreekt hij naar eigen begeerte. Het is slechts de Openbaring die wordt nedergezonden.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Nadjm 53, vers 2 – 4)

En:

“En wat de boodschapper u ook moge geven, neemt het. En wat Hij u ook verbiedt, onthoudt u daarvan.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Hasjr 59, vers 7)

Om vers 24:31 te kunnen begrijpen is men dus verplicht te kijken naar de overleveringen van Profeet Mohammed (saw). Dit is de correcte Islamitische methode, waardoor het juiste begrip van het vers tot stand wordt gebracht. In het vers wordt gebruik gemaakt van het woord khoemoer, wat het meervoud is van khimaar. Letterlijk betekent dit “stof”. Wat khimaar in het vers exact inhoudt, valt af te leiden uit hetgeen de hadithgeleerde Aboe Dawoed heeft overgeleverd van ‘Aiesja (ra): “Toen Asmaa, de dochter van Aboe Bakr met een doorzichtig gewaad bij de Boodschapper van Allah (saw) verscheen, wendde hij (saw) zijn blik af en zei: ‘O Asmaa, wanneer een vrouw de menstruatieleeftijd heeft bereikt, mag ze niets meer dan deze delen van haar lichaam laten zien’. En hij toonde hierbij zijn handen en gezicht.” In het vers is khimaar dus het Arabische woord voor de hoofddoek. Het is een stof die specifiek het hoofd wel en het gezicht niet bedekt.

Uit het vers en de hadith tezamen wordt dus duidelijk dat het dragen van een hoofddoek die enkel het gezicht onbedekt laat verplicht is voor de moslima’s. Het vers en de hadith tezamen maakt ook duidelijk in hoeverre de hoofddoek de rest van het lichaam moet bedekken. Het woord djoeyoeb is het meervoud van djayb. Dit betekent de halsopening of de kraag van een kledingsstuk. Het vers spreekt derhalve over de boezem, ofwel het lichaamsdeel boven de borsten dat de hals omvat. Uit het vers en de hadith tezamen volgt dus het Islamitisch oordeel dat het verplicht is om middels een hoofddoek zowel het hoofd, met uitzondering van het gezicht, als de boezem te bedekken. De door Islam voorgeschreven khimaar heeft derhalve een specifiek eigen vorm. Het bedekt de haren, de oren, de nek, de hals en ten slotte de boezem. Hiermee onderscheidt deze Islamitische hoofddoek, de khimaar, zich van andere hoofddoeken. Alle mogelijke varianten van de hoofddoek die deze vorm niet hebben, zoals de bandana, voldoen dus niet aan de vereisten gesteld door Islam.

Zoals al gezegd, er is onder de moslims van kennis en kunde altijd consensus geweest dat Islam de volwassen moslima’s verplicht tot het dragen van de hoofddoek. Vanaf het allereerste begin van Islam. Er is bijvoorbeeld door de hadithgeleerde Al Boechari overgeleverd dat ‘Aiesja (ra), de echtgenote van de Profeet (saw), heeft gezegd: “Moge Allah genadig zijn voor de Moehadjir vrouwen (vrouwen van de emigranten uit Mekka naar Al Medina). Toen Allah (swt) het vers openbaarde: ‘en laat hen hun hoofddoeken over hun nek en boezem hangen’ (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Noer 24, vers 31), toen verscheurden zij de doeken waarin zij zich hulden en bedekten zichzelf hiermee”.

Overigens, uw argument voor uw verwerping van de overleveringen van Profeet Mohammed (saw), “Uitspraken van de Profeet (hadiths) over deze materie zijn minstens een paar eeuwen later opgeschreven en spreken elkaar vaak tegen” (pagina 7), is wat men in de Islamitische terminologie baatil (nietig) noemt. Dat de geschreven verzamelingen van hadith omstreeks 200 jaar na de dood van Profeet Mohammed (saw) tot stand gebracht zijn betekent namelijk niet dat de ahadith hierin onbetrouwbaar zijn. Enerzijds werden de hadith vanaf de eerste dag van Islam gememoriseerd door de moslims. Anderzijds namen de hadithverzamelaars een hadith alleen in hun geschreven boeken op na deze grondig onderzocht te hebben. Er werd onderzocht wat de keten van overleveraars tot aan de Profeet (saw) was. Er werd onderzocht wat bekend was betreffende de genoemde overleveraars, zodat de leugenaren en de betrouwbaren, de vergeetachtigen en de bewusten, geïdentificeerd konden worden. En er werd onderzocht of de hadith conflicteerde met Koranverzen of met andere ahadith. Dit proces was zo veeleisend dat bijvoorbeeld de grote hadithgeleerde Mohammed Ismaïl al Boechari van de ruim 300.000 door hem verzamelde hadith slechts omstreeks 2.600 opnam in zijn boek.

Meneer Vermeersch,

De derde pilaar onder uw oproep tot een algemeen verbod op de Islamitische hoofddoek op scholen is wat u een noodzaak tot “pacificatie door secularisering” (pagina 12) noemt. De noodzaak tot “pacificatie door secularisering” is volgens u wat een algemeen verbod op de Islamitische hoofddoek op scholen wenselijk maakt. Om dit te beargumenteren redeneert u als volgt:

– U herinnert ons eraan dat er in het België van het verleden, toen de katholieke kerk nog van invloed was op de mensen en er eigen ideeën en onafhankelijk denken op na hield, regelmatig conflicten waren in de samenleving (Pagina 11). Omdat de normen en waarden van de vrijzinnige seculieren strijdig waren met de normen en waarden van de katholieken.

– U herinnert ons eraan dat deze conflicten zijn opgelost tijdens de tweede helft van de 20e eeuw door het seculariseringproces (pagina 12). U noemt dit ook wel “ontkerkelijking” (pagina 12).

– U trekt vervolgens een parallel met het heden, waarin de normen en waarden van Islam tegenover de normen en waarden van de vrijzinnige seculieren zijn komen te staan. Volgens u is dit samen bestaan van verschillende normen en waarden in een samenleving een bron voor conflict in heden en toekomst (pagina 13).

– En daarom roept u op tot een algemeen verbod op de Islamitische hoofddoek op scholen. Dit verbod zou namelijk een aanzet moeten vormen tot nieuw seculariseringproces. Ditmaal in de 21e eeuw en ditmaal voor Islam.

Het is duidelijk dat volgens u de geschiedenis van België aangeeft dat secularisering een zegen is voor de samenleving, omdat dit in het verleden aan het conflict tussen katholicisme en secularisme een einde heeft gemaakt. Volgens mij, echter, geeft deze geschiedenis van België aan dat secularisme een mislukking en een verderfelijk kwaad is.

Om u mijn standpunt uit te kunnen leggen is het noodzakelijk om eerst de geschiedenisles waarop u ons trakteert in uw publicatie, te completeren. Het is nodig te vermelden dat de invloed van de katholieke kerk op de mensen reeds sinds de Verlichting sterk tanende was doordat meer en meer mensen het secularisme aannamen als intellectueel leiderschap, en dat de 20e eeuw het slotstuk was van dit proces. In de 20e eeuw nam het secularisme de absolute macht in de samenleving over van de katholieke kerk. En de katholieke kerk reageerde hierop door haar verlies officieel te accepteren en zichzelf te seculariseren. Zij paste haar manier van denken aan tot de seculiere norm (acceptatie door de kerk van de scheiding van kerk en staat) en probeerde haar ideeën in het reine te brengen met de seculiere ideeën (acceptatie door de kerk van scheiding, homofilie, et cetera). Zo deed het seculariseringproces het conflict tussen de katholieke kerk en het secularisme, een conflict dat honderden jaren geduurd had, verdwijnen uit de samenleving.

Dit is de complete geschiedenis en eruit blijkt dat niet gezegd kan worden dat secularisme vreedzaam samenleven van mensen met verschillende opvattingen en ideeën tot stand heeft gebracht. Het vreedzaam samenleven is namelijk tot stand gebracht doordat de niet-seculiere ideeën zichzelf ophieven en veranderden tot seculiere ideeën. Iedereen in België heeft het secularisme geaccepteerd als intellectueel leiderschap, als leidraad voor het leven, ook de katholieke kerk. En zo is het conflict tussen de de katholieke kerk en het secularisme opgelost.

Misschien is het vanwege dit succes in haar conflict met de katholieke kerk, maar secularisme probeert nu altijd vreedzaam samenleven van mensen te realiseren door verschillen in opvattingen en ideeën op te heffen. Als seculier vaandeldrager bent u zelf het bewijs hiervoor. Uw publicatie toont aan dat u het bestaan van verschillende opvattingen en ideeën in een samenleving enkel kunt zien als een bron van problemen. Daarom ageert u tegen de Islamitische hoofddoek, omdat u niet wilt dat “andere” opvattingen en ideeën – u noemt dit “fundamentalisme” of “radicalisme” – bestaan in de samenleving. Verschil is conflict, dat is uw visie op de wereld, waarmee u symbool staat voor gans het secularisme. Om het “andere” gewoon te accepteren zoals het is, om het te respecteren zonder het er mee eens te zijn, dat is voor u niet een optie.

Het secularisme is daarom niet een oplossing voor de kwestie samenleven. Het zoekt namelijk niet naar vreedzaam samenleven van mensen met verschillende opvattingen en ideeën. Het zoekt naar verwijdering uit de samenleving van het “andere”, om aan de verschillen een einde te kunnen maken. De seculiere beschaving spreekt dus wel over pluralisme en tolerantie, maar in de praktijk van de seculiere samenleving wordt hetgeen mensen echt doet verschillen, verschillen in opvattingen en ideeën, niet getolereerd. In de praktijk wordt druk uitgeoefend om de “andere” opvattingen en ideeën te verwijderen uit de mensen die deze aanhangen.

Deze mentaliteit van het secularisme is de echte bron van problemen. Het is niet het bestaan van verschillen tussen mensen dat conflicten veroorzaakt. Het zijn de mensen die deze verschillen niet kunnen accepteren en die de verschillen opgeheven willen zien, die het echte probleem zijn. Waartoe zij oproepen is tirannie, namelijk, wat zij ook voor redenaties en argumentaties aandragen.

De seculiere beschaving kan voor wat betreft het samenleven van mensen met verschillende opvattingen en ideeën nog wat leren van Islam. Islam kijkt naar de problemen die horen bij het samenleven van mensen met verschillende opvattingen en ideeën vertrekkende van de realisatie dat het nooit zo zal zijn dat al de mensen over alles hetzelfde zullen denken. Er zullen altijd verschillende opvattingen en ideeën bestaan in de samenleving en geen enkele mate van tirannie zal dit anders kunnen doen laten zijn:

“Zijn de gelovigen het niet te weten gekomen dat, indien Allah het wilde, Hij het gehele mensdom zou hebben geleid?” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Ar Ra’ad 13, vers 31)

En:

“En bij Allah berust het, de rechte weg (te tonen) en er zijn wegen die afwijken. En als Hij wilde, zou Hij u allen hebben geleid.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Nahl 16, vers 9)

Daarom zoekt Islam de oplossing voor het samenleven van mensen met verschillende opvattingen en ideeën in het ordenen van dit samenleven. Deze Islamitische ordening is gebaseerd op respect voor de bestaande verschillen:

“Allah verbiedt jouw niet, voor wat betreft degenen die niet tegen jouw vechten voor je geloof en die jullie niet uit jullie huizen drijven, hen aardig (met respect) en rechtvaardig te behandelen: want Allah houdt van diegenen die rechtvaardig zijn.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Moemtahana 60, vers 9)

De praktische uiting van het respect van Islam voor verschillen is ondermeer dat de Islamitische Staat Al Khilafa die de Islamitische ordening van het leven zal implementeren niemand van de niet-moslims zal dwingen om zijn opvattingen en ideeën te veranderen:

“Er is geen dwang in de godsdienst. Voorzeker, het juiste pad is duidelijk van dwaling onderscheiden.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Baqara 2, vers 256)

De niet-moslims zullen enkel uitgenodigd worden tot Islam:

“Roep op tot de weg van uw Heer met wijsheid en goede raad en debatteer met hen op de beste van wijzen.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Nahl 16, vers 125)

En:

“En debatteer met de mensen van het Boek slechts op de goede wijze.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Ankaboet 29, vers 46)

Tevens zal de Islamitische Staat Al Khilafa de niet-moslims de ruimte laten om hun leven te ordenen in overeenstemming met hun eigen opvattingen en ideeën. Dus zullen zij bijvoorbeeld kunnen en drinken wat zij willen, ongeacht wat Islam hiervan vindt; en zullen zij de echtelijke relaties kunnen regelen zoals zij willen, ongeacht wat Islam hiervan vindt; en mogen zij de onderlinge disputen oplossen zoals zij willen, oftewel volgens de wet van hun eigen religie, als zij dit willen.

Dit is werkelijk respect voor verschillen, meneer Vermeersch, waardoor al de mensen in de samenleven zich thuis zullen voelen in die samenleven, ongeacht hun eigen opvattingen en ideeën, en waardoor de mensen prettig en vreedzaam zullen samenleven.

Meneer Vermeersch,

Ik realiseer me dat dit een lange brief is geworden, veel langer in ieder geval dan ik me had voorgenomen. Toch heb ik mijn reactie beperkt tot de enkel kern van uw betoog voor een algemeen verbod op de hoofddoek op scholen. Dat u op verschillende plaatsen onjuiste informatie over Islam verspreidt, zoals dat een man kan huwen met een meisje dat niet geslachtsrijp is (pagina 3), dat een man zijn vrouw mag slaan (pagina 3), dat een vader de huwelijkskeuze voor zijn dochter mag bepalen (pagina 5) en dat broeders gezag hebben over hun zusters (pagina 5); en dat u onvolledige informatie over Islam verspreidt, zoals dat de erfenis van de vrouw slechts de helft van een man is (pagina 3), zonder erbij te vermelden dat de man verplicht is te zorgen voor het onderhoud van zijn gezin terwijl de vrouw hiertoe niet verplicht is; heb ik maar genegeerd om de brief niet nog langer te laten worden.

Maar ik heb geprobeerd duidelijk te beargumenteren waarom ik uw opvatting verwerp, en waarom ik vind dat de al de mensen uw opvatting zouden moeten verwerpen. Dit is omdat uw oproep tot een algemeen verbod op de Islamitische hoofddoek op scholen niets meer of minder is dan tirannie.

Zoals ik al eerder heb aangegeven, u heeft feitelijk enkel de keuze tussen acceptatie van godsdienstvrijheid zoals deze is, en dit heeft als onvermijdelijk gevolg dat de moslima’s toegestaan moet worden hun Islamitische hoofddoek te dragen; of verwerping van godsdienstvrijheid zoals deze is, en dan mogen de moslima’s verboden worden hun Islamitische hoofddoek te dragen. Er is gewoon geen mogelijkheid tot “eat the cake and have it also”, oftewel zeggen “wij geloven in godsdienstvrijheid” om dan de godsdienstige gebruiken van sommige mensen toch gewoon te verbieden, wat uw publicatie tot stand probeert te brengen. Uw argumenten “godsdienstvrijheid geldt niet voor Islam” en uw “de hoofddoek hoort niet echt bij Islam, dus ik mag het verbieden”, wat overigens bijna hetzelfde is als het Franse “de moslima’s willen de hoofddoek eigenlijk niet dragen maar moeten van hun mannen dus we doen hen een plezier als we hun hoofddoek verbieden”, proberen binnen de godsdienstvrijheid enkel te rechtvaardigen wat niet te rechtvaardigen valt.

Ik dank u voor uw aandacht voor mijn schrijven. Weet dat ik open sta om deze kwestie verder met u te bespreken, mocht u dit zo willen. In de tussentijd wens ik u het allerbeste.

Okay Pala

PS: Ik accepteer dat u mij meest waarschijnlijk “fundamentalist” en “radicaal” zult noemen, omdat ik het seculier beschavingsproject een mislukking noem en omdat ik geloof dat enkel Islam het doel dat deze beschaving nastreeft, zijnde vreedzaam samenleven van mensen met verschillende opvattingen, kan realiseren. Ik heb mijzelf dus niet aangepast aan de seculiere maatstaf en ook in uw publicatie wordt deze daad bestraft met de betiteling “fundamentalist” of “radicaal”. Een echte intellectueel, echter, laat zich niet leiden door de titels die aan mensen gegeven wordt. Hij kijkt enkel en alleen naar de argumenten die aangedragen worden. Ik zie daarom vol vertrouwen uit naar een reactie van u op mijn schrijven.

________________________________________
[1] http://www.standaard.be/extra/pdf/vermeersch.pdf

[2] “Geldig” betekent dat de logische redenering consistent is. Dit betekent dat de conclusie in overeenstemming is met de premissen (aannames). “Valide” betekent dat de conclusie in overeenstemming is met premissen die aantoonbaar correct zijn.

________________________________________

Annex: De fundamentele rechten en plichten van de niet-moslims in de Islamitische Staat Al Khilafa (dhimmi)

A. Het recht op waardig bestaan

Islam erkent het recht dat de niet-moslim onderdanen van de Islamitische Staat hebben op een menswaardig bestaan. Allah (swt) zegt, wat zoveel betekent als:

“En inderdaad hebben we de zonen van Adam geëerd.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Israa 17, vers 70)

Deze eer betreft de mens als mens, willekeurig hun overtuiging, kleur of ras. Het is daarmee verplicht de waardigheid van mensen te respecteren, of zij nu moslim zijn of niet-moslim zijn. Een voorbeeld van dit respect voor de waardigheid van mensen kan gevonden worden in het gedrag van Profeet Mohammed (saw), in een hadith van Boechari: “Toen een dag een begrafenisstoet voorbij de Profeet trok, stond hij op. Zijn metgezellen zeiden tegen hem: ‘Het is de begrafenis van een jood’. Hij antwoordde door te zeggen: ‘Is hij niet ook een ziel?’.”

Verder, overeenkomstig het idee betreffende de waardigheid van mensen hebben niet-moslims recht op respect voor hun gevoelens en emoties. Ook is het hun recht dat hun eer niet bezoedeld wordt, en dat discussie met hen plaatsvindt op de meest eerwaardige manier. Allah (swt) zegt, wat zoveel betekent als:

“En redetwist niet met de mensen van het boek, enkel op een betere manier (dan enkel twisten).” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Asj Sjoera 42, vers 46)

Feitelijk gezien is een niet-moslim dus gelijk aan een moslim. Het is daarom niet toegestaan een niet-moslim te schaden zonder reden hiertoe, of dit nu zijn eer betreft, eigendom of persoon. Hij mag niet gedood worden zonder het benodigde proces van wet en rechtvaardigheid.

B. Het recht op goede behandeling

Het is een plicht op de moslims tegenover de niet-moslims om te zorgen voor de zwakkeren onder hen, om de behoeften van de armen onder hen te bevredigen, hun hongerigen te voeden en van kleding te voorzien, hen vriendelijk te bejegenen, en zelfs om kwetsingen door hen te tolereren; al was het van een buur en al was de moslim de rechthebbende partij. De moslims moeten hen tevens van eerlijk advies voorzien en beschermen tegen eenieder die hen of hun families schade toe wenst te brengen, hun bezittingen wenst te stelen, of hun rechten wil schenden.

C. Het recht cultuur specifieke eigenschappen te behouden

Islam verplicht degenen die haar niet welwillend tegenover staan niet haar desalniettemin toch te accepteren. Integendeel, Islam erkent de absolute vrijheid voor de niet-moslim om zijn eigen religie te behouden. Allah (swt) zegt, wat zoveel betekent als:

“En er is geen dwang in het geloof. De waarheid is duidelijk onderscheiden van de valsheid.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Baqarah 2, vers 256)

Een vers dat werd geopenbaard om te voorkomen dat bepaalde individuen van onder de Ansaar (degenen van de oorspronkelijk bewoners van Al Medina die de Profeet aldaar hebben geholpen) hun zonen die het jodendom of het christendom hadden aangenomen zouden dwingen tot bekering tot Islam nadat zij was gekomen. Islam gaf de niet-moslim onderdanen van de Islamitische Staat niet enkel het recht hun religie te behouden, het gaf hen tevens het recht hun religieuze rituelen ten uitvoer te brengen en garandeerde veiligheid voor hun plaatsen van aanbidding. Hiernaast, betreffende voeding, kleden, huwelijkse zaken, scheiding en sociale relaties mogen de niet-moslims hun eigen religies en culturen volgen. Ook zullen zij niet onderworpen worden aan Al Hoedoed (geopenbaarde wettelijke bestraffing), enkel in geval van overtredingen ook volgens hun eigen wetten, zoals diefstal en overspel. Maar zij mogen dus niet vervolgd worden voor handelingen die naar hun maatstaven geen overtredingen zijn, zoals het eten van varkensvlees of het drinken van alcohol.

D. Het recht op bescherming tegen agressie

Het is de Islamitische Staat verplicht om te zorgen voor bescherming van de niet-moslims die in Dar al Islam verblijven, tegen de agressie van externe vijanden. Nog belangrijker is bescherming tegen interne vijanden. Bescherming van de niet-moslims is een plicht op de moslims. Het is de niet-moslims niet verplicht in het leger van de Islamitische Staat te treden, of om te vechten ter bescherming van de Staat. Het is een plicht voor de Khalifa om hen die zich in Dar al Islam bevinden te beschermen net zoals hij de moslims zou beschermen, en om te werken voor hun vrijlating uit gevangenschap indien in vreemde handen.

E. Het recht tot klagen

Volgens de huidige generatie moslim geleerden heeft iedere onderdaan van de Islamitische Staat, indien hij volwassen is en bij gezond verstand, het recht om zitting te nemen in het Hof voor Sjoera (consultatie). Derhalve beschikt de niet-moslim tevens over het recht deel te nemen aan verkiezingen voor het Hof. Deelname aan verkiezingen voor en zitting in het Hof van Sjoera is dus een recht voor moslim en niet-moslim, man en vrouw. Echter, het is de niet-moslim niet toegestaan zich uit te spreken in zaken van wetgeving omdat de wetgeving van de Islamitische Staat ten alle tijde gebaseerd is op Islam, en dus de bronnen van Islam de Koran en de Soenna. En het feit van de niet-moslim blijft dat zijn visie niet is gebaseerd op deze bronnen. In het verlengde hiervan heeft een niet-moslim ook niet het recht deel te nemen aan de verkiezingen voor een nieuwe Khalifa. Iedere niet-moslim heeft wel een recht tot klagen over onrecht hem of haar aangedaan door de heersers, of over onjuistheden in de ervaren tenuitvoerbrenging van Islam op hem of haar. En de niet-moslim heeft het recht zijn mening te geven in technische aspecten van het leven, zoals bijvoorbeeld over de precieze locatie van een nieuw te bouwen school of ziekenhuis, et cetera.

F. Het recht op arbeid

Iedereen die burger is van de Islamitische Staat en over de noodzakelijke kwaliteiten beschikt, moslim of niet-moslim, mag aangesteld worden als directeur van of werknemer binnen een administratief departement van de overheid. Maar de niet-moslims mogen niet posities van wetgeving of regering bekleden binnen de overheid. Ook mogen zij niet de religieuze posities bekleden die van doen hebben met specifiek Islam, zoals de posities van imaam (voorganger bij gemeenschappelijke gebeden).

G. De plicht tot gehoorzamen van de wetten van Islam die op de niet-moslims van toepassing zijn, en de plicht tot betaling van de djiziya

Indien de niet-moslims weigeren de wetten van Islam die op hen van toepassing zijn te gehoorzamen, of weigeren de djiziya te betalen, dan overtreden zij hiermee hun overeenkomst met de Staat. Hierbij dient opgemerkt te worden dat indien iemand van hen op deze wijze ongehoorzaam is, de overtreding enkel hem wordt aangerekend en niet zijn gemeenschap. Het verdrag is net zo overtreden, wederom enkel door degene die de overtreding begaat, indien iemand van de niet-moslims overspel pleegt met een moslim vrouw of haar huwt; vijandige spionnen of soldaten verbergt; een moslim wegleidt van Islam; een moslim doodt; iets ontoelaatbaars zegt over Allah (swt) of de Boodschapper van Allah (saw); of een geval van struikroof begaat.

Comments

comments

DELEN