Geachte directie van HEMA, de heren van Zetten, Walter, Lagerwij, Jonker, Heesen en Repko, en mevrouw Hooijdonk,

Ongetwijfeld heeft de kwestie van de hoofddoek in uw Belgische vestiging te Genk u allen hoofdbrekens bezorgd. Want geen enkel bedrijf wil in het nieuws komen op de manier waarop uw HEMA de voorbije dagen in het nieuws is gekomen.

Uw Public Relations-probleem begon met een ondoordacht besluit door de leiding van uw vestiging in Genk om een moslima, over wiens functioneren de bedrijfsleiding zo tevreden was dat men haar een vast dienstverband aanbood, niet langer als werkneemster aan te houden vanwege haar dragen van de Islamitische hoofddoek.

Toen nieuws hierover naar buiten kwam, werd u geconfronteerd met in hoofdzaak uiterste negatieve reacties bij publiek en media. Mensen kwamen protesteren bij uw vestiging in Genk. Er werden oproepen gedaan tot een boycot van de HEMA. En verschillende de media vroegen zich af of u niet een daad van discriminatie had begaan.

In de hoop deze storm zo te kunnen laten luwen nam u in eerste instantie een loopje met de waarheid. Uw persvertegenwoordigers beweerden dat de dame wiens dienstverband u vanwege de Islamitische hoofddoek had beëindigd pas tijdens haar dienstverband bij HEMA moslima was geworden. Bij haar in dienst treding zou ze dus geen hoofddoek gedragen hebben, zo was de suggestie, waardoor uw persvertegenwoordigers hoopten de schijn van inconsequentie – een duidelijk signaal van discriminatie – van u weg te kunnen nemen. De moslima in kwestie maakte in een interview met De Standaard echter bekend al vijf jaar lang moslima te zijn en vanaf het allereerste contact met de HEMA de hoofddoek te hebben gedragen.

In een persverklaring in de Nederlandse media probeerden uw persvertegenwoordigers verder de indruk te wekken dat een verbod op de Islamitische hoofddoek juridisch gezien normaal is in België. Oftewel, dat er niet zo zwaar aan het HEMA besluit in Genk getild zou moeten worden. Maar deze bewering is volstrekte flauwekul natuurlijk, en dit is welbekend. België ligt voor Nederland immers niet aan de andere kant van de wereld.

Zo graafde de HEMA met haar reacties op de hoofddoek kwestie in Gent haar eigen PR-graf enkel dieper.

In een poging hier weer uit te komen probeerde u de kwestie te doen voorkomen als een puur zakelijke kwestie. In een persverklaring zeiden uw persvertegenwoordigers dat het besluit om afstand te nemen van de moslima met hoofddoek ingegeven was door klachten van klanten over de hoofddoek. Oftewel, u probeerde het te doen laten voorkomen alsof het besluit aan de bron van al uw ellende niet echt van de HEMA zelf uit was gegaan, maar dat het de HEMA was opgedrongen door klanten. Zodat u zichzelf kon presenteren als een in principe neutrale partij betreffende de Islamitische hoofddoek, omdat u enkel een zakelijke beslissing zou genomen hebben.

Toen bleek dat de situatie hierdoor niet tot bedaren werd gebracht kwam u met een stap ontworpen om iedereen in de kwestie tevreden te stellen: u bood de moslima aan om terug in dienst te treden bij de HEMA in haar oude functie, alsof niets voorgevallen was; en tegelijkertijd kondigde u een nieuwe regel aan betreffende de HEMA bedrijfskleding in België waaronder de Islamitische hoofddoek voortaan verboden zou zijn. Een vanuit PR-perspectief opmerkelijk besluit. Immers, de implicatie ervan was dat één moslima wél met een hoofddoek zou mogen komen werken bij de HEMA, terwijl de HEMA tegelijkertijd alle andere werkneemsters zou verbieden om de hoofddoek te dragen.

Zoals derhalve was te verwachten viel ook deze maatregel niet goed bij publiek en pers. Omstreeks één uur na deze “oplossing” kwam u daarom met wederom een nieuwe verklaring, en een, in uw optiek, finale oplossing voor de kwestie. De moslima zou terug mogen komen werken bij de HEMA, met haar hoofddoek, maar in het magazijn van de HEMA in Genk zodat de klanten haar niet zouden zien. En tegelijkertijd zou het nieuwe verbod op de Islamitische hoofddoek voor winkelpersoneel in stand worden gehouden.

Maar ook deze stap deed uw zaak geen goed. De moslima in kwestie voelt zich door deze finale oplossing van u namelijk nu ook nog eens ernstig geschoffeerd. En onterecht kan dit niet genoemd worden. Zou u zich ook niet ernstig geschoffeerd voelen als u uw werkgever u zou behandelen als iemand die een besmettelijke en ernstige ziekte met zich meedraagt; als een melaatse feitelijk? Of als iemand die onder een gruwelijke lichamelijk misvorming gebukt gaat; zoals de elephant-man of Quasimodo uit “De klokkeluider van de Notre Dame” van Victor Hugo?

Dat uw PR-probleem dus nog altijd niet opgelost is moge duidelijk zijn. Omdat al de tot dusver door u genomen stappen uw PR-probleem enkel vergroot hebben, heeft het er alle schijn van dat u zich de essentie van de kwestie niet realiseert. Toch is de essentie van de kwestie met enig historisch eenvoudig in te zien.

Ik vertel u niets dat u niet reeds weet wanneer ik zeg dat tijdens de Tweede Wereldoorlog Nederland werd bezet door de jodenhaters uit Nazi-Duitsland. En dat er ook in Nederland mensen waren, verenigd in de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert, die de ideeën van de Nazi’s, waaronder de jodenhaat, steunden. Vanaf het begin van de Duitse bezetting van Nederland organiseerden deze mensen activiteiten om joodse Nederlanders in hun zakelijke aangelegenheden lastig te vallen. Er werd vandalisme georganiseerd tegen bedrijven met joodse eigenaren. En bedrijven die joodse mensen in dienst hadden werden onder druk gezet om hen te ontslaan. Beroemd is bijvoorbeeld de inval door NSB’ers in cafe “Alcazar” in februari 1941 omdat daar joodse artiesten optraden. En de inval door de politie in ijssalon “Koco” omdat die joodse eigenaren had, eveneens in februari in 1941. Voorvallen als deze waren belangrijke motivatoren voor de februari staking van 1941. Grote aantallen Nederlanders legden het werk neer om te protesteren tegen de vervolging van joodse Nederlanders door de Duitsers en de NSB’ers. Er bestond destijds dus feitelijk een consensus dat het racisme tegen de joden in Nederland immoreel was. Dat het verworpen moest worden. En dat er iets tegen gedaan moest worden.

Er bestaan parallelen tussen deze historische gebeurtenis en uw huidige probleem, geachte directie van HEMA.

De klacht van sommigen van uw klanten betreffende de hoofddoek van de moslima bij in u in dienst kan namelijk niet beoordeeld worden als afkeur van een persoonlijke kledingkeuze. De argumenten hiervoor zijn enerzijds het simpele feit dat de Islamitische hoofddoek niet een persoonlijke kledingkeuze is maar een kernonderdeel van de religie Islam. De Islamitische hoofddoek is niet zoals andere kledingstukken die men draagt omdat men ze mooi vindt of omdat ze mode zijn. De Islamitische hoofddoek, zo is welbekend, is een Islamitische plicht op de moslima, niet veel anders dan het gebed en de pelgrimage naar Mekka. Zij wordt enkel en alleen daarom door de moslima’s gedragen. Anderzijds moet de vraag gesteld worden: is er ooit iemand geweest die bezwaar maakte tegen het dragen van hoofddoeken die voor de reden van mode gedragen worden, zoals de hoofddoek van Grace Kelly? Er zullen vast en zeker wel mensen zijn die deze hoofddoek niet mooi vinden, alhoewel de meeste mensen deze hoofddoek dankzij Grace Kelly associëren met stijlvol, sierlijk en gracieus. Maar er zijn geen aanwijzingen voor het van het bestaan een vurige haat bij sommige mensen voor deze modieuze hoofddoek, tot het punt dat deze mensen zich met ernst over deze hoofddoeken beklagen. De conclusie die hieruit getrokken moet worden is dat de klachten die u heeft ontvangen over de hoofddoek van de bij u werkende moslima dus te maken hebben met de Islam. Wat de klagers stoorde aan de hoofddoek van uw (voormalige) werkneemster was de herinnering aan Islam die er voor hen van uitgaat. De klachten van de klanten die u ontvangen heeft waren dus discriminatoir van aard. Het feitelijk probleem dat leidde tot klacht was niet het stukje stof op het hoofd van uw werkneemster, maar de waarneming van Islam in de vorm van een moslima.

Een duidelijke parallel tussen de door sommigen geëiste verwijdering van joden uit de economie in de periode 1940 – 1941, en de door sommigen van uw klanten geëiste verwijdering van de hoofddoek van uw werkvloer, is dus dat beide eisen voortkomen uit haat. De eerste uit haat voor het joodse ras en de tweede uit haat voor de Islamitische religie. Een andere parallel is dat beide eisen discriminatoir zijn. De eerste op basis van ras en de tweede op basis van religie.

Het probleem van uw reactie op deze kwestie wordt door dezelfde historische vergelijking duidelijk. Want waar een groot deel van het Nederlandse in 1941 in opstand kwamen tegen de geëiste discriminatie, en velen gaven voor deze nobele zaak hun leven; daar heeft u gewoonweg gehoor gegeven aan de discriminatoire eis.

U heeft dus uiterst immoreel gehandeld tegenover de moslima met haar Islamitische hoofddoek. Niet enkel omdat u in eerste instantie middels leugens de kwestie probeerde te doen laten weggaan. Meer nog omdat gehoor heeft gegeven aan een oproep tot discriminatie.

Veel mensen hebben dit aangevoeld. Zij hebben zich gerealiseerd dat uw besluit om een moslima uit uw bedrijf te verwijderen vanwege een Islamitische hoofddoek een onrecht is. Een immorele daad. En daarmee begon uw PR-probleem. De hierna door u gepresenteerde oplossing voor dit probleem, uw tergkrabbelen op uw eerste beslissing om de moslima te verwijderen uit uw bedrijf, heeft het onrecht in uw handelen enkel meer duidelijk gemaakt voor de mensen. En met uw zogenaamde uiteindelijke oplossing voor het probleem, uw behandeling van de moslima alsof zij een paria is en uw volledige verbod van de Islamitische hoofddoek en alle andere uitingen van religie, heeft het door u begane onrecht enkel vergroot. Want kon uw eerste immorele daad nog afgedaan worden als een fout door onnadenkendheid, daar heeft u middels u laatste besluit deze immorele daad tot bedrijfsregel verheven.

Geachte directie van HEMA,

Middels uw eigen ondernemingscode geeft u zichzelf de volgende plicht: “HEMA voert een personeelsbeleid waarbij geen onderscheidt wordt gemaakty op basis van iemands geslacht, ras, godsdienst, seksuele geaardheid, politieke voorkeur, handicap of ander gelijksoortige status. Geen enkele vorm van discriminatie op basis van deze kenmerken wordt getolereerd.” Middels uw besluiten betreffende de moslima en haar Islamitische hoofddoek heeft u dus zowel uw eigen interne regels overtreden, als de morele regels, en hierdoor heeft u de goede naam van uw bedrijf te grabbel gegooid. De moslims in Nederland en België vragen zich nu af: is dit nu het bedrijf dat tijdens het suikerfeest zich in haar reclame specifiek tot ons richt, om ons te motiveren bij haar te kopen? En de overige Nederlanders vragen zich nu af: is dit nu het bedrijf dat oer-Nederlandse waarden wil representeren?

Aangezien het nooit te laat is om fouten te corrigeren wil ik daarom van harte aanmoedigen om alsnog te doen wat moreel en menselijk gezien juist is. Stop de farce waar u momenteel mee bezig bent, dat u zich enkel wilt “aanpassen aan de cultuur en gewoonten van een land” en daarom van uw werknemers in België de uitdraging van “een neutraal imago” vraagt. Er wonen al decennia lang meer dan een half miljoen moslims in Belgen. En tienduizenden van hen zijn zogenoemde “autochtone” Belgen. Tellen zij volgens u niet mee wanneer de cultuur en gewoonten van een land wordt vastgesteld? En wat precies is er “niet neutraal” aan het volgen van de eigen religie, zonder anderen hiertoe te dwingen? Om anderen te dwingen onderdelen van hun religie te verlaten zoals u nu doet, dat is dwang en dat is juist niet neutraal! Stop dus uw vervolging van de moslims en hun religie op uw werkvloer, en respecteer voortaan de verschillen die kunnen bestaan tussen mensen.

En voor het geval morele waarden u koud laten, wees dan bij deze herinnert aan het feit dat deze enige moreel juiste handeling uw PR-probleem in één klap zal oplossen.

Met vriendelijke groet,

Abdullah as Siddiq

Comments

comments

DELEN