Internationaal recht speelt een belangrijke rol in de geopolitiek. Landen rechtvaardigen hun buitenlands beleid door te wijzen naar dit recht en ze bekritiseren elkaars handelen op basis van dit recht.

Soms doet dit vreemde situaties ontstaan. Zoals toen Amerika Rusland bekritiseerde voor diens invasie van de Oekraïne in 2014. Rusland verdedigde destijds haar handelen door te verklaren dat ze enkel voor ogen had om de Russische bevolking van de Oekraïne te beschermen, een in haar ogen legitieme doelstelling volgens internationaal recht. Amerika, echter, verklaarde dat een invasie van een ander land een misdaad is volgens internationaal recht. Waarna Rusland de Amerikanen herinnerde aan de militaire steun die zij de rebellen in Kosovo hadden gegeven tijdens de Kosovo Oorlog van 1998 – 1999, een handeling die Amerika destijds had gerechtvaardigd door te zeggen dat ze enkel de Kosovaren wilde beschermen.

De oorsprong van internationaal recht

De oorspronkelijke mens leefde in groepen, was nomadisch en at wat hij kon jagen en verzamelen. Latere generaties van de mensheid vestigden zich om landbouw te kunnen bedrijven, waardoor de eerste dorpen ontstonden. Sommigen van deze dorpen waren zo succesvol dat zij uitgroeiden tot steden. Deze nieuwe situatie bracht de mensheid tot nadenken over recht en wetgeving. In de stad waren nomadische tradities en gewoontes niet voldoende om het samenleven van de mensen te organiseren, omdat de relaties tussen de mensen in steden zoveel meer complex zijn dan wanneer de mens in kleine nomadische groepen leeft. Vanaf het moment dat sommige steden zo groot en machtig werden dat zij imperiale ambities kregen werd internationaal recht een onderwerp. Vanaf dat moment, namelijk, waren de relaties in de wereld niet langer beperkt tot de relaties tussen de mensen. Er hadden zich ook relaties tussen de (stads)staten ontwikkeld, die net zoals de relaties tussen de mensen in een (stads)staat ordening vereisen. Dit is het onderwerp van internationaal recht, de ordening van de relaties tussen de staten in de wereld.

Één van de eersten die ideeën ontwikkelde over internationaal recht was de Romeinse filosoof en politicus Marcus Tullius Cicero (106 – 43 voor christelijke jaartelling).

Marcus Tullius Cicero (106 – 43 voor christelijke jaartelling)

Cicero fundamentele opvatting was dat een wet rechtvaardigheid tot stand moet brengen. Hij was ook van mening dat het verstand van de mens in staat is om te beoordelen wat rechtvaardig is en wat niet, en dus dat de mens is staat is om de juiste wetten te maken.

Volgens Cicero kan op deze basis ook de relatie tussen staten geordend worden. Een handeling van een staat tegen een andere staat is dan legitiem als deze rechtvaardigheid tot stand brengt. Cicero zei: “Er zijn twee manieren om een dispuut (tussen staten) te slechten: Ten eerste door middel van discussie en ten tweede door middel van fysiek geweld. Aangezien de eerste een karakteristiek is van de mens, en de tweede van de bruut, moeten we enkel gebruik maken van fysiek geweld als we de kwestie niet door middel van discussie op kunnen lossen. Derhalve is de enige rechtvaardiging voor het voeren van oorlog het behoud van vrede. En als de overwinning behaald is, dan moeten we degenen die niet bloeddorstig waren tegenover ons, of barbaars in hun oorlogvoeren, gespaard worden.” [1]
Volgens Cicero was het verder ook gerechtvaardigd voor een staat om een andere staat te koloniseren, als de koloniserende staat rechtvaardige wetten ten uitvoer brengt terwijl de gekoloniseerde staat dit zelf niet gedaan zou hebben.

Geïnspireerd door de rebellie van de provinciën der Nederlanden tegen de koning van Spanje, alsook de oorlogen van de Nederlanders in Zuidoost Azië tegen zowel de lokale heersers daar als tegen Portugal en Spanje, wierp Hugo de Groot (Hugo Grotius, 1583 – 1645 naar christelijke jaartelling) een nieuwe blik op internationaal recht.

Hugo de Groot (1583 – 1645 naar christelijke jaartelling)

Volgens Grotius kent de mens vanwege zijn natuur twee essentiële behoeftes, namelijk bescherming van het eigen leven en samenleven met anderen. Uit deze behoeftes komen volgens Grotius emotionele verlangens voort die de mens karakteriseren. Een derde karakteristiek van de menselijke natuur is volgens Grotius het verstand. Op basis hiervan stelt Grotius dat de mens in zijn handelen altijd ten minste één van drie motieven volgt. Ten eerste kan de mens de verlangens volgen die horen bij zijn overlevingsdrang. Ten tweede kan de mens de verlangens volgen die horen bij zijn samenlevingsdrang. En ten derde kan de mens zijn verstand volgen. Grotius zegt dat het verstand kan uitvinden hoe precies de mens één van zijn twee natuurlijke behoeftes kan bevredigen zonder tegelijkertijd de andere natuurlijke behoefte te schaden. Grotius zegt ook dat alles was aan deze voorwaarde voldoet natuurlijk en dus juist is, omdat het perfect overeenstemt met de menselijke natuur. De wet die het samenleven van de mensen ordent zou daarom dit principe moeten volgen, omdat de mens dan op de juiste manier zou leven, de manier die overeenstemt met zijn natuur.

In zijn boek “De Jure Belli ac Pacis” (Recht in Oorlog en Vrede) van 1625 naar christelijke jaartelling onderzoekt Grotius of er voor wat betreft de relaties tussen staten ook zoiets bestaat als deze “natuurwetten”. Allereest stelt Grotius dat het natuurlijk is dat er in de wereld staten bestaan. Want, zegt hij, een centrale autoriteit is noodzakelijk voor het samenleven waarnaar de mens van nature verlangt. Samenleven vereist namelijk dat de mensen in de gemeenschap afspraken maken over hoe ze met elkaar om zullen gaan. Regels, zogezegd, die het samenleven organiseren en ordenen. En een centrale autoriteit is nodig om de naleving van deze afspraken te garanderen. Daarom is het volgens Grotius natuurlijk en dus juist dat de centrale autoriteit van een staat de bevoegdheid heeft om mensen te straffen wanneer deze de wet overtreden. De onderdanen van de staat geven de centrale autoriteit effectief deze bevoegdheid om geweld te gebruiken tegen haar onderdanen, omdat zij in een vreedzame samenleving willen leven.

Op zoek naar een antwoord op de vraag of staten ook onderling geweld mogen gebruiken merkt Grotius allereerst op dat de relatie tussen staten niet anders is dan de relatie tussen individuen. De principes betreffende de natuurwetten met betrekking tot individuen gelden volgens Grotius dus ook voor de natuurwetten met betrekking tot staten. Volgens Grotius zegt de natuurwet met betrekking tot individuen dat iemand geweld mag gebruiken ter verdediging van zijn lijf en leden, en ook ter verdediging van het bezit dat hij op rechtmatige wijze tot stand gebracht heeft. Oorlog tussen staten is daarom niet noodzakelijkerwijs onrechtvaardig, zegt Grotius. Want net zoals een individu zich mag verdedigen, mag een staat dit ook als haar aanvaller haar pijn wil doen of van haar wil stelen.

Omdat volgens Grotius iedereen de natuurwet moet volgen, mag een buitenstaander volgens hem ingrijpen wanneer iemand een onrecht begaat tegen een ander. En ook dit geldt volgens Grotius voor staten. Volgens de natuurwet theorie van Grotius is geweld dus niet enkel gerechtvaardigd in gevallen van zelfverdediging, maar ook als interventie.

Grotius onderzoekt in zijn boek ook wat voor soorten van geweld geoorloofd zijn. Zijn leidende principe hierbij is dat alles wat noodzakelijk is voor bescherming of herstel van de natuurwet gerechtvaardigd is. Hieruit resulteert het principe van noodzakelijkheid, oftewel oorlog is enkel toegestaan als er geen andere manieren om de natuurwet te herstellen beschikbaar zijn.

Het tegenovergestelde van deze natuurwet geldt volgens Grotius ook: alles wat het noodzakelijke te boven gaat is niet gerechtvaardigd. Van Grotius moeten landen in oorlog daarom hun vernietigingen en moorden tot een minimum beperken. Hieruit resulteert het principe van proportionaliteit, wat zegt dat in een oorlog enkel die oorlogshandelingen gerechtvaardigd zijn die noodzakelijk zijn om de verwinning te realiseren.

Ten slotte is het volgens Grotius van belang dat er in oorlog onderscheidt wordt gemaakt tussen degenen die de natuurwet onrecht aan hebben gedaan en de andere mensen die in hun omgeving leven. Oorlogshandelingen zijn alleen toegestaan als ze het lijden van de “onschuldigen” tot een minimum proberen te beperken, wat bekend is als het principe van discriminatie. [2]

David Hume (1711 – 1776 naar christelijke jaartelling)

David Hume (1711 – 1776 naar christelijke jaartelling) publiceerde in 1739 naar christelijke jaartelling zijn boek “Treatise on Human Nature” (Verhandeling betreffende de Menselijke Natuur) waarin hij argumenteert dat staten er naar zullen neigen om onderling afspraken te maken, waardoor praktisch gezien een basis voor internationaal recht tot stand komt.

Volgens Hume zijn staten zoals mensen, van nature egoïstisch en op zoek naar meer, maar behoeftig aan anderen om te overleven. Deze karakteristieken leiden ertoe dat de mensen in gemeenschappen afspraken maken om zich verenigen, en dus effectief staten stichten. Want

zonder de stabiliteit van afspraken kan niemand zijn eigenbelang najagen en zijn bezit vergroten. Voor dezelfde reden drijven deze karakteristieken staten ertoe om internationale afspraken te maken, zegt Hume, want staten hebben profijt bij het bestaan van afspraken en bij het nakomen van hun afspraken. Dit stelt hen namelijk in staat bezit te vergaren door middel van handel. Handel is immers een afspraak, en als afspraken niet worden nagekomen dan komt de handel tot stilstand. Volgens Hume is het daarom natuurlijk dat er een internationale rechtsorde bestaat. Deze orde is volgens Hume gebaseerd op de afspraken die staten vrijwillig overeenkomen. [3]

Immanuel Kant (1724 – 1804 naar christelijke jaartelling)

Volgens Immanuel Kant (1724 – 1804 naar christelijke jaartelling) is het niet enkel het profijt in handel dat staten ertoe aan zal zetten om afspraken aan te gaan waardoor internationaal recht tot stand komt.

In zijn boek “Perpetual Peace: A Philosophical Sketch” (Eeuwige Vrede: Een Filosofische Uiteenzetting) van 1795 naar christelijke jaartelling zet Kant zijn visie op de natuur van de mens uiteen. Hij stelt dat het menselijke verstand vrij is om te beslissen wat het wil en dat het kan achterhalen wat juist en goed is. Dit, zegt Kant, is de morele wet die tot juridische wet wordt wanneer de staat de naleving ervan afdwingt. Wanneer een juridische wet gebaseerd is op een morele wet, dan is deze wet volgens Kant moreel gerechtvaardigd omdat er een overtuigende, rationele overweging aan ten grondslag ligt. Men mag mensen dus dwingen om te handelen volgens de morele wet, omdat zij, als zij hun verstand op de juiste gebruikt zouden hebben, zelf gekozen zouden hebben voor deze handeling.

Volgens Kant moet de morele wet moet zelfs tot juridische wet gemaakt worden, omdat anders degenen die niet door middel van verstandelijke redeneringen tot de bepaling van hun handelingen komen, de irrationelen, de vrijheid van anderen om verstandelijke redeneringen te volgens zullen beperken. Met andere woorden, als de irrationelen vrij gelaten worden, dan zullen ze niet enkel zelf kiezen voor immorele handelingen maar (hierdoor) ook het voor anderen onmogelijk maken om de morele wet te volgen. Dit inzicht zal volgens Kant zelfs de irrationelen doen inzien dat zij een centrale autoriteit nodig hebben. In afwezigheid van een centrale autoriteit zullen de allersterkste irrationelen alle andere mensen tiranniseren, namelijk, ook de overige irrationelen. Zelfs voor de irrationelen is het dus verstandig om iets van hun vrijheid op te geven, oftewel om iets van hun vrijheid om immoreel te handelen op te geven, omdat ze anders in het geheel geen vrijheid zullen hebben. Zo komt volgens Kant de centrale autoriteit in een staat tot stand omdat iedereen inziet, zowel de rationele mensen als de irrationele mensen, dat deze nodig is voor het bestaan van vrijheid.

Volgens Kant is het voor dezelfde redenen natuurlijk dat de verschillende staten in de wereld zullen neigen naar een unie van samenwerkende staten. Een centrale autoriteit in een staat kan namelijk wel de irrationelen in de staat weerhouden van het tiranniseren van anderen, maar het kan niet voorkomen dat in andere staten de irrationelen hun staat tot oorlog zullen brengen en zo de vrijheid van de mensen in andere staten zullen beperken. Een internationale rechtsorde van morele wetten is volgens Kant daarom een vanzelfsprekend gevolg van de totstandbrenging van een nationale rechtsorde van morele wetten. Alle staten zullen zich realiseren dat zij onderling afspraken aan zullen moeten gaan, en zich aan deze afspraken zullen moeten houden, om hun eigen morele juridische wetten in stand te kunnen houden. Volgens Kant betekent dit dat staten zichzelf, uit vrije wil, beperkingen op zullen leggen. [4]

Een kritiek op de theorie van Internationaal Recht

Het beste waar de theorieën achter internationaal recht toe kunnen leiden is een akkoord dat er internationale afspraken zouden moeten zijn, tezamen met verschillende meningen over wat deze internationale afspraken zouden moeten zijn. Dit is geen houdbaar fundament voor internationaal recht.

De theorieën achter internationaal recht zijn namelijk allemaal gebaseerd op het menselijke verstand. Dat wil zeggen, ze gaan er van uit dat het menselijke verstand kan bepalen wat de juiste wetten zijn voor de ordening van internationale relaties. De oordelen van het menselijke verstand zijn echter afhankelijk van zaken die verschillen van mens tot mens, zoals kennis en ervaring. Wanneer twee mensen verschillen in kennis en ervaring dan zullen zij verschillend oordelen over dezelfde kwestie. Derhalve, als het menselijke verstand gebruikt wordt om te achterhalen hoe de internationale relaties geordend moeten worden, dan zullen verschillende meningen resulteren zonder dat van één mening gezegd kan worden dat deze absoluut, objectief beter is dan de anderen. De theorieën van Grotius, Hume en Kant kunnen dus niet resulteren in echte internationale afspraken, omdat zij niet kunnen resulteren in een internationale consensus betreffende goed en kwaad. [5]

De theorieën achter internationaal recht verwarren ook de onderwerpen recht enerzijds en afspraak of overeenkomst anderzijds.

Wetten zijn namelijk anders dan afspraken en overeenkomsten. Het belangrijkste verschil is dat de naleving van wetten afgedwongen kan worden door een derde partij die beschikt over middelen van dwang, terwijl dit bij afspraken en overeenkomsten niet noodzakelijkerwijs het geval is. Naleving van afspraken en overeenkomsten kan enkel afgedwongen worden wanneer zij opgeschreven zijn in de vorm van een formeel contract, gebaseerd op geldende wetten. Dit is feitelijk de kerneigenschap van de wet, hetgeen de wet uniek en anders maakt: het bestaan van iets of iemand die naleving ervan kan afdwingen. Als naleving niet afgedwongen kan worden bestaat er enkel afspraak of overeenkomst, geen wet. In het bereik van internationale relaties bestaat er geen entiteit, geen derde partij, die naleving kan afdwingen. Dus zelfs als er een consensus tot stand gebracht kan worden over hoe de ordening van de internationale relaties zou moeten zijn, dan kan dit hoogstens resulteren in een internationale afspraak of overeenkomst, niet in een internationale wet, omdat niets het nakomen van de afspraak door de staten kan afdwingen.

Men zou kunnen zeggen dat de meest machtige staat de naleving van internationale afspraken door andere staten kan afdwingen. Maar dit argument stuit op praktische bezwaren.

Een kritiek op de praktijk van Internationaal Recht

Thomas Hobbes (1588 – 1679 naar christelijke jaartelling) publiceerde in 1651 naar christelijke jaartelling het boek “Leviathan” waarin hij argumenteerde dat de drijvende krachten in de mens de behoefte aan bezit, de behoefte aan overleven, en de behoefte aan roem en glorie zijn. Dientengevolge, zei Hobbes, is de natuurlijke staat van de mens een situatie van “ieder voor zich”, van geweld en conflict waar enkel het recht van de sterkste geldt en waar alles is toegestaan omdat niemand een ander iets kan verbieden.

Volgens Hobbes is het bestaan van een centrale autoriteit daarom een noodzakelijkheid, want enkel een centrale autoriteit kan orde tot stand brengen en dus voorkomen dat de leden van een gemeenschap elkaar schade berokkenen. En enkel een centrale autoriteit kan de leden van een gemeenschap tot samenwerking brengen, zodat de gemeenschap zichzelf kan verdedigen tegen buitenlandse agressoren en ook de andere gemeenschappelijke belangen gerealiseerd kunnen worden. De onderdanen van een staat moeten zich van Hobbes daarom onderwerpen aan de centrale autoriteit, hoe slecht deze autoriteit ook moge zijn, omdat de afwezigheid van een centrale autoriteit nog veel slechter is. En deze realisatie maakt onderwerping aan de centrale autoriteit verstandelijk volgens Hobbes, omdat iedereen met verstand in kan zien dat onderwerping en onderdrukking beter is dan leven in de natuurlijke staat van de mens, de staat van chaos.

Thomas Hobbes (1588 – 1679 naar christelijke jaartelling)

Hobbes definieerde de wet dan ook als “de macht om anderen een beslissing op te leggen”, waarna hij tot de conclusie kwam dat er in de internationale arena geen wet bestaat omdat er daar geen entiteit is die de verschillende staten iets kan verplichten. Internationale relaties zijn een voorbeeld van de “natuurlijke situatie van de mens” volgens Hobbes, oftewel een situatie van “ieder voor zich”, geweld en conflict, waar enkel het recht van de sterkste geldt, en waar alles is toegestaan omdat niemand een ander iets kan verbieden.

Hobbes zei verder dat er in de praktijk van internationale relaties wel regels bestaan, maar enkel omdat de sterkste staten regels zullen opleggen aan de zwakkere staten. Regels, die de sterkste staten helpen om machtiger te blijven en te profiteren van hun machtspositie. Regels ook waar de sterkste staten zelf zich niet aan zullen houden, omdat niemand hen kan dwingen zich hieraan te houden. Internationaal recht is volgens Hobbes dus niets anders dan een wapen voor de sterkste staten, een instrument dat zij kunnen gebruiken om hun eigenbelang te dienen. [6]

Deze voorspelling is precies wat in de huidige realiteit waargenomen kan worden. Er bestaan internationale unies zoals de Verenigde Naties en de Wereldhandelsorganisatie waar internationale afspraken gemaakt worden. Maar de belangrijkste van deze afspraken zijn duidelijk instrumenten voor de reeds machtige staten om hun machtspositie te behouden.

Bijvoorbeeld het nucleaire non-proliferatie verdrag. Toen dit verdrag werd opgesteld in 1968 waren er vijf landen met de beschikking over kernwapens, te weten de Verenigde Staten, de Sovjet Unie, Groot-Brittannië, China en Frankrijk. Het nucleaire non-proliferatie verdrag stelt niet dat niemand nucleaire wapens mag hebben en dus dat deze landen hun voorraden moeten vernietigen, maar dat alleen deze landen kernwapens mogen hebben en niemand anders. [7]

Een ander voorbeeld zijn de internationale handelsafspraken. Geen enkele van de op dit moment economisch succesvolle landen (Amerika, China, Japan, Duitsland, enzovoorts) heeft zich tot haar huidige positie ontwikkeld door middel van het beleid en de instituties die deze afspraken verplicht stellen.

[1] “Cicero on Just War”, https://satyagraha.wordpress.com/2012/04/19/cicero-on-just-war-theory/

[2] “The Philosophy of International Law”, Samantha Besson & John Tasioulas, Oxford University Press, 2010, https://global.oup.com/academic/product/the-philosophy-of-international-law-9780199208586?cc=qa&lang=en& en ook “The Rights of War and Peace: Political Thought and the International Order from Grotius to Kant”, Peter Tuck, Oxford University Press, 2001, https://global.oup.com/academic/product/the-rights-of-war-and-peace-9780199248148?cc=qa&lang=en& en “Hugo Grotius, The Law of War and Peace”, http://www.classicsofstrategy.com/2015/07/the-law-war-peace-grotius.html

[3] “The Philosophy of International Law”, Samantha Besson & John Tasioulas, Oxford University Press, 2010, https://global.oup.com/academic/product/the-philosophy-of-international-law-9780199208586?cc=qa&lang=en& en ook “The Advantage of Treaties: International Law in the Enlightenment”, Martti Koskenniemi, http://www.helsinki.fi/eci/Publications/Koskenniemi/Edinburgh_enlightenment_2009.pdf

[4] Ibidem noot 2 en 3

[5] Het feit dat Grotius, Hume en Kant van mening verschillen over wat precies de natuur van de mens is, is het beste bewijs hiervoor. Als over dit fundament onder hun theorieën al geen consensus bestaat, hoe kan dan een consensus tot stand komen over de oordelen betreffende goed en kwaad die op deze fundamenten gebaseerd zijn?

De discussie tussen Amerika en Rusland waar in de introductie tot dit artikel naar verwezen is, is een verder voorbeeld van dit probleem betreffende de theorie achter internationaal recht. Omdat beide landen verschillende perspectieven hebben, vanwege verschillende ervaringen en verschillende belangen, hebben ze een verschil van begrip voor wat betreft de betekenis van de internationale afspraken; en voor wat betreft de implicatie van de internationale afspraken (wat mag wel en wat mag niet?); en voor wat betreft de toepasbaarheid van de internationale afspraken (wanneer geldt deze afspraak wel en wanneer niet?).

[6] “Thomas Hobbes: Moral and Political Philosophy”, Garrath Williams, http://www.iep.utm.edu/hobmoral/#H5 en “Hobbes on the International Rule of Law”, David Dyzenhaus, https://www.ciaonet.org/attachments/25024/uploads

[7] “Non-proliferatie verdrag”, https://nl.wikipedia.org/wiki/Non-proliferatieverdrag

[8] “Kicking Away the Ladder: Development Strategy in Historical Perspective”, Ha_Joon Chang, Anthem Press, 2002, http://www.anthempress.com/kicking-away-the-ladder

Comments

comments

DELEN