Wanneer mensen in groepen samenleven bestaat bij hen de behoefte aan ordening van hun samenleven. Want zonder ordening zou het samenleven van mensen tot chaos leiden. Iedereen zou dan van alle mogelijke middelen gebruik maken om zijn eigenbelang te behartigen, wat tot niets anders zou leiden dan onrust, conflict en uitbuiting. Het is daarom dat de mensheid van systemen gebruik maakt om het samenleven te ordenen. Van wetten, feitelijk, die duidelijk maken wat een mens wel en niet mag, en wat hij wel en niet moet. Het doel hiervan is het garanderen van stabiliteit in de samenleving.

Over de noodzaak tot ordening van de samenleving door middel van wetten bestaat dus iets als een consensus onder de mensen. Over hoe precies deze ordening moet zijn, oftewel over welke wetten gebruikt zouden moeten hiervoor, daarover echter bestaat geen consensus. Van tijd tot tijd en van plaats tot plaats heeft de mensheid hierover altijd van mening verschilt. Tot op de dag van vandaag, zo blijkt bijvoorbeeld uit het felle debat over “secularisme versus Islam” dat zowel in het westen als in de moslimwereld gevoerd wordt.

Maar ook over de consequentie van het overtreden van een wet, oftewel over de straf voor misdadigers, heeft nooit consensus bestaan onder de mensen. Alhoewel de dreiging met straf absoluut noodzakelijk is om de mensen de gekozen ordening van de samenleving te laten respecteren. Men kan zeggen dat de mensheid hieromtrent altijd als een pendule heen en weer is gegaan tussen twee basisopvattingen.

De eerste van deze twee basisopvattingen is zeer oud, maar zij kent ook vandaag de dag een grote groep aanhangers. Dit is het idee van retributivisme. Dit idee betreffende straf kent enkele unieke kenmerken. Het gaat er van uit dat bij een misdaad iemand onrecht aangedaan wordt en dat rechtvaardigheid vereist dat dit onrecht gecorrigeerd wordt. Het gebruikt ook het principe van proportionaliteit om de manier of mate van bestraffing te bepalen. Men zegt dat rechtvaardigheid vereist dat de misdadiger het door hem aangedane leed moet corrigeren, en als dit niet kan moet lijden zoals hij zijn slachtoffer(s) heeft laten lijden. Het welbekende “oog om oog, tand om tand” uit zowel Tora, Bijbel als Koran is dus een typisch voorbeeld van de retributivistische visie op bestraffing. Oftewel, het retributivisme kijkt terug in de tijd, vanuit het perspectief van het slachtoffer van de misdaad, om in het heden rechtvaardigheid te herstellen op basis van evenredigheid.

De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724 – 1804) is één van de meest beroemde voorvechters van het idee van retributivisme. In zijn boek “Die Metaphysik der Sitten (De metafysica van de moraal)” van 1797 zegt hij ondermeer: “Bestraffing (…) kan nooit aangedaan worden als enkel een manier om één of ander goed voor de crimineel zelf of de samenleving te realiseren. Het moet hem altijd aangedaan worden omdat hij een misdaad heeft begaan. (…) Het principe van bestraffing is categorisch noodzakelijk.” En: “De rechtbank wordt geroepen door het verstand om een evenredig kwaad op te leggen aan de overtreding van de morele wet.”
Immanuel Kant

De tweede basisopvatting betreffende straf is feitelijk een kernonderdeel van de Verlichting, de filosofische beweging die heeft geleid tot de ideologie van de seculiere democratie, ook wel liberale democratie of kortweg kapitalisme genoemd. Dit is het idee van utilitarisme. Dit idee betreffende straf kent ook enkele unieke kenmerken. Het gaat er van uit dat er niets zoiets bestaat als een moreel recht – laat staan een morele plicht – om mensen te bestraffen. Het zegt dat bestraffing in principe een misdaad in zichzelf is omdat straf geluk wegneemt van iemand. Bestraffing is volgens de utilitaristen enkel gerechtvaardigd als dit het totale geluk in de samenleving vergroot. Oftewel, als het misdaden in de toekomst kan voorkomen. Voor de bepaling van de strafmaat wendt het utilitarisme zich daarom niet tot proportionaliteit ten opzichte van de gepleegde misdaad, maar tot proportionaliteit ten opzichte van het kwaad dat door de misdaad tot stand werd gebracht. Hoe groter het kwaad van de misdaad, des te strenger de straf zou moeten zijn, omdat het des te belangrijker is dat de misdaad in de toekomst voorkomen zou worden. Oftewel, het utilitarisme kijkt vooruit in de tijd, vanuit het perspectief van de misdadiger, om misdaden in de toekomst te voorkomen.

Het utilitarisme is door de Britse filosoof Jeremy Bentham (1748 – 1832) uitgewerkt als complete morele theorie op basis waarvan de samenleving geordend kan worden. Maar vóór hem definieerde de Italiaanse filosoof Cesare Beccaria (1738 – 1794) het als basisidee betreffende bestraffing in zijn boek “Dei delitti e delle pene (Betreffende misdaad en straf)” uit 1764. Hierin stelt Beccaria ondermeer: “(…) Misdaden moeten enkel beoordeeld worden op basis van de schade die zij de samenleving berokkenen.” En: “Het is niet enkel in het gemeenschappelijk belang van de mensheid dat misdaden niet verricht worden, maar ook dat misdaden van welke soort dan ook minder verricht worden, proportioneel aan het kwaad dat zij tot stand brengen in de samenleving. Derhalve moeten de middelen waarvan de wetgever gebruikt maakt om misdaden te voorkomen in kracht proportioneel zijn aan de vernietiging van de publieke veiligheid en geluk [door de misdaad], en aan de kracht van de motivatie om hen [de misdaden] te verrichten.” En: “Door het bovenstaande is duidelijk dat het doel van straffen niet is om een voelend wezen te martelen, of om een reeds begane misdaad ongedaan te maken. (…) Het doel van straffen, derhalve, is niets anders dan voorkomen dat de misdadiger de samenleving verder kwaad aandoet, en voorkomen dat anderen gelijke misdaden begaan.”
“Markies” Cesare Beccaria

De hedendaagse visie op straf

In de loop van de 20e eeuw zijn verschillende ideeën betreffende straf geformuleerd die iets van een middenweg tussen het retributivisme en het utilitarisme proberen in te nemen. Men zocht naar een manier om te straffen en om rechtvaardig te zijn, oftewel een correctie voor de gepleegde misdaad; en nuttig, oftewel een manier om toekomstige misdaden te voorkomen.

De meest invloedrijke oplossing aangedragen voor deze kwestie is het humanisme. De humanistische visie op straf gaat in principe uit van het utilitarisme dat zegt dat straffen misdaden moeten voorkomen. Maar waar het oorspronkelijke utilitarisme primair bezorgd was over het welzijn van de samenleving, daar verschoof het humanisme de primaire aandacht naar de misdadiger. Ieder mens heeft “waardigheid”, stelt het humanisme namelijk, en vanuit dit perspectief oordeelt het humanisme dat een mens niet gebruikt mag worden om misdaden van anderen te voorkomen. Dit is gebruiken van mensen als een voorwerp, namelijk, en dat gaat in tegen het respect dat een mens verdient vanwege zijn mens zijn. Bovendien is volgens het humanisme ieder mens in essentie “goed” en zijn het omstandigheden in het leven van sommige mensen geweest die hen tot misdadiger hebben gemaakt. Om de samenleving te beschermen tegen misdaden, stelt het humanisme daarom, moet de misdadiger geholpen worden om een beter leven op te bouwen. Een leven zonder misdaad. Want zo kan misdaad voorkomen en verminderd worden zonder dat mensen gebruikt worden. Volgens het humanisme moet straf dus primair heropvoeding ten doel hebben, en niet afschrikking.

Middels het humanisme is het utilitarisme leidend geworden in de heden ten dage dominante visie op straf zoals die ten uitdrukking komt in de “Universele Verklaring van de Rechten van de Mens” (1946). Artikel 1 hiervan bespreekt de “waardigheid” van de mens: “Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren”. Artikel 3 het algemene gevolg van deze aanname: “Een ieder heeft het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon”. En Artikel 5 vervolgens het directe gevolg voor wat betreft de straf voor misdaad: “Niemand zal onderworpen worden aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing”.[1]

Dit is waarom in de heden ten dage dominante visie op straf de doodstraf en lijfstraffen compleet worden verworpen als immorele bestraffingen. Gevangenname wordt gezien als de meeste strenge van de moreel gerechtvaardigde straffen, waarbij – idealiter – de periode van gevangenschap in het teken moet staan van heropvoeding van de misdadiger en het voorbereiden van hem of haar op wederintreding in de samenleving als een waardevol lid van deze samenleving. Dit is de visie op straf die heden ten dage gepromoot wordt: bescherming van de samenleving tegen misdaad door heropvoeding van de misdadiger, wat gerealiseerd moet worden door de misdadiger vooral “humaan” te behandelen.

Een intellectuele kritiek op de humanistische visie op straf

Zowel het retributivisme als het utilitarisme zijn niet principieel tegen de doodstraf of tegen lijfstraffen. Omdat het retributivisme gebruik maakt van proportionaliteit kan het de doodstraf of lijfstraffen niet op basis van principe verbieden. Wie doodt verdient het immers om gedood te worden, als men uitgaat van proportionaliteit. En omdat het utilitarisme in principe kijkt naar de afschrikking die uitgaat van een straf kan het evenmin principieel tegen de doodstraf of lijfstraffen zijn. Als een misdaad geacht wordt groot nadeel te veroorzaken voor de samenleving, dan kan afschrikking door middel van de doodstraf gerechtvaardigd worden. In beide kampen kan men daarom filosofen vinden die voor de doodstraf en lijfstraffen argumenteren en filosofen die hiertegen argumenteren.

De vraag is dan ook, welke filosofische ideeën hebben ertoe geleid dat de moderne visie op straf toch zo principieel tegen de doodstraf en lijfstraffen is? Anders gezegd, op basis waarvan concludeert de moderne visie op straf dat sommige straffen immoreel of “barbaars” zijn? Er worden door de aanhangers van de humanistische visie op straf verschillende argumenten gebruikt om dit te beargumenteren.

Bijvoorbeeld zegt men, het is altijd mogelijk om fouten te maken in de rechtspraak en daarom zijn de doodstraf en lijfstraffen immoreel omdat zij niet ongedaan gemaakt kunnen worden als iemand uiteindelijk toch onschuldig blijkt te zijn. Dit, echter, is geen filosofisch argument maar een praktisch argument. Het is niet gericht tegen de argumenten voor de doodstraf en lijfstraffen, maar tegen de praktijk van rechtspraak. Het behandelt de vraag of de doodstraf en lijfstraffen soms gerechtvaardigd zijn niet. Het laat deze kwestie in het midden, en verwerpt de doodstraf en lijfstraffen dus niet, met het excuus “we zijn bang om een fout te maken wanneer we oordelen of iemand schuldig is of niet”. Het is dus niet werkelijk een beargumenteerde principiële opvatting tegen de doodstraf en lijfstraffen zelf.
Bovendien, het argument gaat er van uit dat straffen anders dan de doodstraf en lijfstraffen wel ongedaan gemaakt kunnen worden als de veroordeelde later onschuldig blijkt. Dit is op zijn minst twijfelachtig. Inderdaad, de doodstraf kan nooit ongedaan worden gemaakt. Maar de vraag is in hoeverre een gevagenisstraf van 20, 30, of 40 jaar ongedaan kan worden gemaakt. Is het werkelijk mogelijk om iemand die 40 jaar onterecht in de gevangenis heeft gezeten volledig te compenseren? Zijn verlies aan potentieel inkomen, misschien. Maar zijn verlies aan intermenselijke relaties; het vestigen van een gezin; het hebben van kinderen; het samenzijn met de eigen kinderen; het samenzijn met ouders, familie en hechte vrienden; geen enkele financiële vergoeding kan dit verlies compenseren. De doodstraf en lijfstraffen als geheel kunnen dus soms wel en soms niet gecorrigeerd worden – de doodstraf niet, maar beperkte lijfstraffen kunnen wel redelijkerwijs gecompenseerd worden. En hetzelfde geldt voor straffen anders dan de doodstraf en lijfstraffen. Sommigen van hen kunnen wel gecompenseerd worden, maar anderen van hen kunnen evenmin redelijkwerwijs gecompenseerd worden. De mogelijkheid tot compensatie is dus niet een argument dat principeel tegen de doodstraf en lijfstraffen als geheel is. En als men zegt dat het dit wel is, dan moet men het ook accepteren als argument dat principieel tegen andere straffen dan de doodstraf en lijfstraffen is. Oftewel, wie zegt “wij zijn bang om een fout te maken in de beoordeling van mensen, daarom willen we geen dood- of lijfstraf voor misdadigers”, die moet eigenlijk zeggen “wij zijn bang om een fout te maken in de beoordeling van mensen, daarom willen we geen straf voor misdadigers”.

Om voor de humanistische visie tegen de doodstraf en lijfstraffen te argumenteren zegt men ook dat er geen onomstotelijk wetenschappelijk bewijs is dat deze straffen beter werken dan andere straffen. Maar ook dit is niet een filosofisch argument maar een paktisch argument. En het probleem van praktische argumenten in filosofische discussies is dat zij enkel enkel gebruikt kunnen worden op de plaats waar en op het moment dat men de praktische waarneming heeft gevonden. Een praktisch argument kan daarom niet gebruikt worden om overal en altijd – oftewel princpieel – tegen de doodstraf en lijfstraffen te zijn.

Een voorbeeld om dit duidelijk te maken. In Amerika zijn er staten met de doodstraf en staten zonder doodstraf. Tussen hen is geen substantieel verschil in de misdaadcijfers, zegt men. En voor wat betreft de Amerikaanse staten die relatief recent de doodstraf hebben afgeschaft, daar vindt men, zo wordt ook gezegd, geen substantieel verschil in de misdaadcijfers voor en na de afschaffing van de doodstraf. Mogelijk is dit correct, alhoewel er ook wetenschappelijk onderzoek is dat deze meningen bestrijd. Maar als men dit als correct accepteert, dan is dit enkel in Amerika een praktisch argument tegen de doodstraf. Want in landen als Qatar en Maleisië waar gebruikt wordt gemaakt van de doodstraf en lijfstraffen zijn de misdaadcijfers – naar Amerikaanse en Europese maatstaven, althans – onvoorstelbaar laag. [2]. Hoe kan men op basis van waarneming tegen de doodstraf en lijfstraffen zijn in deze landen, gezien het feit dat zij zo succesvol zijn? Voor wat betreft deze landen zou men dus voor de doodstraf en lijfstraffen moeten zijn.

Bovendien, de realiteit van wetenschappelijk onderzoek is dat er altijd een kans bestaat dat de conclusie van het onderzoek van vandaag weerlegd wordt door nieuw onderzoek morgen. Nieuw wetenschappelijk onderzoek in Amerika kan altijd met een andere conclusie komen dan het reeds gedane wetenschappelijke onderzoek. Het is theoretisch mogelijk, derhalve, dat “morgen” er wel onomstotelijk wetenschappelijk bewijs gevonden wordt voor de doodstraf en lijfstraffen. Op basis van het praktische argument tegen de doodstraf en lijfstraffen dat hier behandeld wordt zou men dan moeten zeggen dat men voor de doodstraf en lijfstraffen is.

Dit is wat bedoeld wordt wanneer gezegd wordt dat een praktisch argument “niet gebruikt [kan] worden om overal en altijd – oftewel princpieel – tegen de doodstraf en lijfstraffen te zijn”.

Overigens is er ook geen onomstotelijk wetenschappelijk bewijs dat straffen anders dan de doodstraf en lijfstraffen beter werken dan de doodstraf en lijfstraffen. Dit betekent dat het argument “er is geen onomstotelijk wetenschappelijk bewijs dat de doodstraf en lijfstraffen beter werken, en daarom zijn we tegen deze straffen” tot de volgende essentie valt te herleiden: “Wij zijn tegen de doodstraf en lijfstraffen, zonder argumenten, en totdat jij kunt bewijzen dat de doodstraf en lijfstraffen beter werken, blijven wij tegen de doodstraf en lijfstraffen, zonder argumenten”.

Men zegt ter ondersteuning van de humanistische visie tegen de doodstraf en lijfstraffen soms ook: “Als wij doden voor straf, dan zijn we niets beter dan de moordenaar – we doen dan immers hetzelfde”. Maar de aanname achter dit argument, dat moord en de doodstraf hetzelfde zijn, is natuurlijk hoogst discutabel. De daadwerkelijke handelingen kunnen eventueel dezelfde zijn, hun gevolg is zeker hetzelfde, maar de intentie achter de handelingen moord en doodstraf zijn duidelijk verschillend. Een beul is dus niet gelijk aan een moordenaar en het is daarom niet onmogelijk – makkelijk zelfs! – om over de daad van de beul een ander moreel oordeel te hebben dan over de daad van moordenaar.

Maar dit is niet het belangrijkste punt ter weerlegging van dit argument. Het belangrijkste punt is de overeenkomst tussen de doodstraf en lijfstraffen, gevangenisstraf en boetes. Het argument zegt dat aangezien moord en fysieke mishandeling misdaden zijn, de doodstraf en lijfstraffen ook niet geaccepteerd kan worden omdat dit eveneens moord en fysieke mishandeling is. Maar hoe zit het dan met gevangenisstraf? Is het acceptabel voor een persoon om een andere persoon op te sluiten? Nee, dit noemen we een misdaad. Op basis van dit argument tegen de doodstraf en lijfstraffen moet gevangenisstraf dan ook verworpen worden! En hoe zit het dan met de boete? Is het acceptabel voor een persoon om onder dwang geld af te nemen van een andere persoon? Nee, dit noemen we een misdaad. Op basis van dit argument tegen de doodstraf en lijfstraffen moeten boetes dan eveneens verworpen worden! Het argument “de beul is gelijk de moordenaar” is dus evenmin een valide argument tegen de doodstraf en lijfstraffen.

Het slotargument van degenen die op humanistische basis argumenteren tegen de doodstraf of lijfstraffen is dan ook vaak een verwijzen naar de “Universele Verklaring van de Rechten van de Mens” die zegt dat deze straffen een overtreding van de mensenrechten zijn. Maar waarom dan? Het leven van de mens is een onschendbaar iets, zegt dit verdrag feitelijk. En daarom wordt de doodstraf gezien als een schending van een fundamenteel mensenrecht. Maar, persoonlijke vrijheid is volgens dezelfde verklaring eveneens een fundamenteel mensenrecht, van gelijke orde van grootte als het recht op leven. En toch wordt gevangenname, die dit fundamentele mensenrechten schendt, door dit document niet gezien als een mensenrechtenschending. Dit is volstrekt inconsequent en dit geeft aan dat de “Universele Verklaring van de Rechten van de Mens” geen rationele rechtvaardiging voor een verbod op de doodstraf en lijfstraffen is. Het ageert tegen de doodstraf en lijfstraffen omdat het dit nu eenmaal “fout” vindt. Maar waarom het dit fout vindt, terwijl het gevangenname niet fout vindt, dat is een vraag die het niet kan beantwoorden.

De humanistische positie betreffende straf, zijnde dat de doodstraf en lijfstraffen immoreel zijn, is dus slechts een mening zonder rationele argumenten.

Een praktische kritiek op de humanistische visie op straf

Sinds de humanistische visie op straf de wereld rond gepromoot wordt, is misdaad een alsmaar groter probleem geworden in de wereld.

Overal in het westen is het aantal moorden, mishandelingen, verkrachtingen, inbraken, diefstallen zo sterk toegenomen dat men spreekt van “de na-oorlogse misdaadgolf”. [3] De meest recente uiting van deze misdaadgolf is de organisatie en internationalisering van de misdaad, volgens de Commissie ter voorkoming van misdaad en strafrecht van de United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC) in 2009: “Tijdens het voorbije decennia is de natuur van misdaad veranderd. Het is georganiseerd en internationaal geworden; het heeft macro-economische dimensies bereikt; het is veranderd in een wereldwijde business die samenwerkt met legitieme [economische] activiteit. Het is meer geworden dan enkel plaatselijk geweld – het is veranderd in een wijdverspreide bedreiging van de veiligheid van steden, naties en zelfs volledige regio’s”. [4]

De humanistische visie op bestraffing kan dus niet enkel het verstand niet overtuigen van haar juistheid, ze kan ook niet terugvallen op overweldigende resultaten in de praktijk. Want sinds de humanistische visie op bestraffing wereldwijd gepromoot wordt door de Verenigde Naties en haar “Universele Verklaring van de Rechten van de Mens” is de misdaad vooral in de grote ondersteuners van dit instituut en haar verklaringen sterk gestegen.

Terug naar het retributivistisme en utilitarisme dan maar?

De vraag is in hoeverre een terugkeer naar het retributivistisme of het utilitarisme een oplossing zal zijn voor het huidige misdaadprobleem.

Omdat wraak een normale menselijke emotie is, moet de reactie op misdaad retributivistische elementen kennen. De emotie wraak ontstaat in de mens wanneer hij van mening wordt dat hem onrecht is aangedaan. Het duwt hem om te werken voor de totstandbrenging van rechtvaardigheid. De praktijk laat zien dat verschillende dingen het gevoel van rechtvaardigheid kunnen geven aan mensen. Bij sommige mensen nemen maatregelen ter voorkoming van het onrecht in de toekomst de wraakgevoelens al weg, omdat dit hen het gevoel geeft dat zij door het onrecht dat hen is aangedaan anderen geholpen hebben om gevrijwaard te blijven van dit onrecht. Maar andere mensen hebben meer nodig. Zij willen ook compensatie zien voor hun lijden. Oftewel, zij willen correctie van het onrecht dat hen aangedaan is. Maar er zijn ook mensen die wraakgevoelens blijven koesteren ook na maatregelen en correctie, omdat er volgens hen geen rechtvaardigheid is totdat de misdadiger gelijk “onrecht” is aangedaan. Dus tenzij men de menselijke natuur kan veranderen, zal de reactie op misdaad aan de menselijke behoefte tot wraak tegemoet moeten komen wil men voorkomen dat de misdaad permanente onrust en ontevredenheid in de samenleving veroorzaakt.

Maar de voorkoming van misdaad is niet meer of minder belangrijk dan het herstellen van rechtvaardigheid na de misdaad. De reactie op misdaad moet daarom ook utilitaristische elementen kennen, oftewel aandacht kennen voor afschrikking en heropvoeding. Betreffende de voorkoming van misdaad is de complete behoefte echter aan het volgende:

1. Opvoeding, oftewel primaire preventie, oftewel voorkomen dat mensen denken aan het doen van misdaden;

2. Afschrikking, oftewel secundaire preventie, oftewel voorkomen dat mensen die toch denken aan het doen van misdaden hun denken daadwerkelijk omzetten in actie; en

3. Heropvoeding, oftewel tertiaire preventie, oftewel stuur de misdadiger naar stap 1 in de omgeving van een penitentiëre instelling.

Het fundamentele probleem van de westerse samenlevingen wanneer het aankomt op misdaad is gelegen in opvoeding. De recente rellen in Londen zijn een bewijs hiervoor. Aan de “Londense Rellen” van 2011 deed feitelijk iedereen mee: rijk en arm, blank en gekleurd, autochtoon en allochtoon. Sommige mensen deden dit omdat ze aandacht wilden voor hun sociale problemen. Men zei “als we op een positieve manier aandacht vragen voor onze situatie is er niemand die reageert. Nu luisteren jullie wel!”. Andere mensen trokken de straat op omdat zij een mogelijkheid zagen om materiële rijkdom te vergaren. De politie was de situatie niet de baas en dus was een belangrijkste obstakel voor diefstal – arrestatie – weg. Weer andere mensen zagen de rellen als gewoon “leuk” en “gezellig”. Al deze mensen geven geen tot weinig blijk van respect voor anderen. Van een “doorgeschoten individualisme”, zouden sommigen zeggen, waarmee ze de vinger effectief op de zere plek leggen: het idee van individualisme.

In de theorie klinkt dit idee misschien leuk en aardig, maar in de praktijk zet het sommige mensen aan tot misdaad. Vooral wanneer het gepromoot wordt in combinatie met het idee van materialisme dat de mensen door de opvatting “als je iets hebt dan ben je iets, en als je niets hebt dan ben je ook niets” ertoe aanzet om het leven ten dienst te stellen van de vergaring van materiële rijkdommen.

Dat onder invloed van deze ideeën in de westerse samenlevingen het taboe op misdaad aan het verdwijnen is, is duidelijk zichtbaar. Misdadigers worden tegenwoordig immers in populaire media zoals films geroemd. Soms vanwege hun ingenieuziteit (Ocean’s 11), andere keren vanwege hun brutaliteit (Scarface), of een combinatie van beiden (The Godfather). Dus zolang de mensen opgevoed blijven worden op basis van de seculiere ideologie zal misdaad een groot probleem blijven in de samenleving.

________________________________________

[1] Verenigde Naties Commissie voor de Mensenrechten: “Universele Verklaring van de Rechten van de Mens”, www.ohchr.org/en/udhr/pages/Language.aspx?LangID=dut

[2] www.nationmaster.com/graph/cri_tot_cri_percap-crime-total-crimes-per-capita

[3] www.law.jrank.org/pages/2159/Statistics-Historical-Trends-in-Western-Society-post-World-War-II-crime-wave.html

[4] “The global crime threat – we must stop it”, introductie tot de 18e Sessie van Commissie ter voorkoming van misdaad en strafrecht, www.unodc.org/unodc/en/about-unodc/speeches/2009-16-04.html

Comments

comments

DELEN