Gelukzaligheid is wat ieder mens nastreeft in het leven en wat iedere ideologie zegt te zullen realiseren voor de mensen. Echter, wat gelukzaligheid precies is, en hoe dit gerealiseerd kan worden, daarover verschillen de meningen. In het volgende een overzicht van de dominante ideeën in de westerse filosofie betreffende gelukzaligheid en een kritische beschouwing van dezen.
De geschiedenis van gelukzaligheid in de westerse filosofie

Voor de oude Grieken zoals Aristoteles (384 – 322 voor het begin van de christelijke jaartelling) was gelukzaligheid (eudaimonia) het hoogste goed in het leven. Want, zo zei Aristoteles, enkel gelukzaligheid wordt gewenst voor zichzelf en niet vanwege iets anders, terwijl alle andere dingen die goed zijn in het leven worden gewenst vanwege gelukzaligheid: ‘Gelukzaligheid is wenselijk enkel en alleen voor zichzelf, en niet ten gunste van iets anders. Terwijl we genot, verstand en eer kiezen voor zichzelf, maar ook om gelukzaligheid te realiseren, omdat we oordelen dat we door hen gelukkig zullen zijn. Gelukzaligheid, daarentegen, kiest niemand ten gunste van dezen, en evenmin voor iets anders dan zichzelf.’
Aristoteles

De oude Grieken definieerden gelukzaligheid als ‘het gevoel van tevredenheid dat resulteert uit een leven van deugdzame handelingen’. Met deugdzaam handelen bedoelden de oude Grieken dat de persoon in een gegeven situatie de juiste handeling verricht en niet de onjuiste handeling. Dit betekent dat de persoon op de beste wijze omgaat met iedere situatie en de beste reactie heeft hierop. Oftewel, dat hij in iedere situatie handelt op optimale wijze. Degene die aldus handelt, zo stelden de oude Grieken, zal wanneer hij aan het einde van zijn leven terugkijkt op zijn leven het gevoel van gelukzaligheid ervaren. Want hij zal zien dat hij in gans zijn altijd het best mogelijke resultaat tot stand heeft gebracht. En dit zal hem gelukkig doen voelen.

In de visie van de oude Grieken heeft gelukzaligheid dus niets van doen met de ‘emotie van het moment’ waarnaar vandaag de dag vaak verwezen wordt wanneer iemand zegt ‘ik voel me gelukkig’.

Om deugdzaamheid te realiseren is het volgens de oude Grieken noodzakelijk dat de mens niet zijn emoties volgt maar zijn verstand. En daarbij moet de mens dan goed opgevoed zijn en veel kennis opgedaan hebben, want enkel de denkende mens die gebruik maakt van goede ervaring en kennis is in staat om in een gegeven situatie te herkennen wat de goede handeling is. Net zoals de welonderwezen dokter in iedere situatie in staat is de juiste behandeling voor te schrijven en de patiënt te genezen, gebruik makende van zijn ervaring en kennis.

In de praktijk is het denken dat nodig is om deugdzaamheid te realiseren de logica, zo stellen de oude Grieken, met een major-premisse die definieert wat precies goed en deugdzaam is en een minor-premisse die dit goede en deugdzame in een specifieke situatie bepaalt. Hierdoor kan dan geconcludeerd worden welke handeling goed en deugdzaam is. Een voorbeeld hiervan is:

 Major-premisse: ‘Moedig zijn is een deugd’
 Minor-premisse: ‘Wanneer aangevallen door een te overwinnen individu dan is vechten, en niet wegrennen, moedig’
 Conclusie: ‘Wanneer aangevallen door een te overwinnen individu dan is vechten de optimale, deugdzame handeling’

Het goede, deugdzame, optimale handelen heeft volgens Aristoteles een aantal karakteristieken waaraan het herkend kan worden. Ten eerste resulteert het, zoals al gezegd, uit verstandelijke redeneringen die gebruik maken van de logica en niet uit een emotionele zoektocht naar (fysiek) genot, oftewel de bevrediging van fysieke behoeften (geld, macht, seksuele relaties, et cetera). Het goede, deugdzame, optimale handelen is veel vaker juist het tegenovergestelde van het handelen dat enkel zoekt naar (fysiek) genot. Het volgen van genot is immers bij uitstek een gevoelskwestie waarbij het denken veelal genegeerd wordt. En het volgen van fysiek genot kijkt vooral naar de korte termijn en negeert de lange termijn, terwijl het denken de gevolgen voor de korte termijn en de lange termijn afweegt.

Hiermee beweert Aristoteles overigens niet dat (fysiek) genot geen onderdeel van het leven behoort te zijn. Integendeel. Genot ontspant en stelt de persoon daardoor in staat om beter te worden in de zoektocht naar deugdzaamheid en daarom zal het volgens Aristoteles altijd onderdeel zijn van het leven. Maar omdat het dus gezocht wordt om een ander doel te realiseren, namelijk de deugdzaamheid, is het niet het hoogste goed in het leven. En dus mag het leven niet in het teken staan van de zoektocht naar (fysiek) genot.

Een andere karakteristiek van het goede, deugdzame, optimale handelen volgens Aristoteles is dat het altijd het middelpunt is tussen gebrek en overdaad. Anders gezegd, het goede, deugdzame, optimale handelen is het middelpunt tussen twee extremen. Bijvoorbeeld, voor wat betreft moed is lafheid het ene extreme uiterste en overmoed het andere extreme uiterste. Als iemand laf is dan vlucht hij in iedere situatie, ook als de situatie zo is dat hij de winnaar zou kunnen zijn. De laffe mens zal dus niet in iedere situatie de optimale handeling kiezen. Als iemand overmoedig is, daarentegen, dan vecht hij altijd, ook in de situaties waarin hij niet de winnaar kan zijn. Ook de overmoedige mens zal dus niet in iedere situatie de optimale handeling kiezen. Enkel de deugdzame mens, de welopgevoede en welonderwezen mens die zijn verstand gebruikt om logisch te redeneren, zal in staat zijn om het juiste moment voor vechten en het juiste moment voor niet vechten te bepalen. Waardoor hij zal winnen als hij hiertoe in staat is en niet als verliezer ten onder zal gaan wanneer hij niet in staat is om te winnen.

Aristoteles beargumenteert verder dat vier deugden de ‘scharnierpin deugden’ zijn, oftewel de deugden die onmisbaar zijn voor een deugdzaam leven. Naast deze essentiële deugden bestaan er nog anderen die de welopgevoede en welonderwezen mens zal kennen en zal herkennen in iedere situatie, maar de scharnierpin deugden zijn moed, maat, verstandigheid en rechtvaardigheid.

Het middeleeuwse Europese denken was sterk beïnvloed door de filosofieën van de oude Grieken. Toen bijvoorbeeld Augustinus (354 – 430 naar christelijke jaartelling) schreef over gelukzaligheid (beatitudo) definieerde hij dit op identiek dezelfde wijze als Aristoteles, oftewel als het resultaat van deugdzaam handelen. Hij stelde dat al hetgeen de mens doet op enige ingegeven is door het verlangen naar gelukzaligheid, dat volgens Augustinus het meest diepe verlangen is in de mens. Maar, stelde Augustinus, het is ook het verlangen dat de mens niet zal kunnen bevredigen omdat de ware gelukzaligheid enkel in het Hiernamaals ervaren kan worden, door de christenen die God in het Paradijs toelaat. Op aarde, daarentegen, bestaat de ware gelukzaligheid niet, zo zegt Augustinus: ‘De ziel is zeker niet gelukkig, zelfs niet op de momenten dat gezegd wordt dat zij gelukkig is, als zij in haar toekomst ellende en schande voorziet. En als zij in haar toekomst geen ellende en schande voorziet, maar er van uitgaat dat zij altijd gelukkig zal blijven, dan is zij gelukkig door valse overmoedigheid, wat tot het meest domme behoort dat gezegd zou kunnen worden.’ Met andere woorden, in het aardse bestaan is volgens Augustinus geen ruimte voor gelukzaligheid omdat alles waarnaar de mens in het aardse kan streven op zoek naar gelukzaligheid overschaduwd moet worden door de vrees voor de bestraffing van God in het Hiernamaals. En als de mens zich dus gelukkig voelt in het aardse bestaan, juist dan is hij dit volgens Augustinus dus niet werkelijk. Want, zo zegt Augustinus, gelukzaligheid in het aardse bestaan is enkel mogelijk wanneer men geen vrees heeft voor de mogelijke bestraffing in het Hiernamaals. Maar juist dan is deze bestraffing het meest reëel en de realiteit van deze bestraffing is dat deze iedere mate van gelukzaligheid in het aardse leven zal overschaduwen. Dus de mens die denkt gelukkig te zijn in dit leven die is dit niet echt. Hij is enkel misleid tot denken dat hij gelukkig is omdat hij zijn realiteit, de komende straf in het Hiernamaals, niet onderkent.
Augustinus

De filosofische stroming die reageerde op het dogmatische autoriteitsgeloof dat de Middeleeuwen domineerde, de zogenoemde Moderniteit, blies middels het utilitarisme een oud idee betreffende gelukzaligheid nieuw leven in. Jeremy Bentham (1748 – 1832 naar christelijke jaartelling) beargumenteerde in de lijn van de Oudgriekse filosoof Epicurus (341 – 270 voor het begin van de christelijke jaartelling) dat gelukzaligheid hetzelfde is als genot. Hij zei: ‘De natuur heeft de mensheid geplaatst onder de heerschappij van twee soevereine heersers, pijn en genot’. Hieruit concludeerde Bentham dat genot derhalve goed moet zijn en pijn slecht. En op basis hiervan concludeerde hij vervolgens: ‘Gelukzaligheid is een kwestie van het ervaren van genot en de afwezigheid van pijn’.

Jeremy Bentham

Bij dit alles gaat Bentham er van uit dat ieder mens in essentie egoïstisch is: ‘In de borst van ieder mens (…) is het op zichzelf gerichte belang overheersend over de belangen van de gemeenschap; het individuele belang van de persoon over de belangen van al de (andere) mensen tezamen’. Dit betekent dat volgens het idee van Bentham gelukzaligheid enkel gevonden kan worden in maximalisatie van het eigen genot en minimalisatie van de eigen pijn. Bentham geloofde overigens niet in het bestaan van sociale relaties. Over gemeenschappen en samenlevingen zei hij: ‘de gemeenschap is een fictief wezen’ en ‘(het is niets anders dan) de som van de belangen van de verschillende leden die haar uitmaken’. In de visie van Bentham, met andere woorden, is ieder mens egoïstisch in de zin dat de belangen en het welzijn van andere er niet toe doen bij hem. Deze visie werd op mooie wijze verwoord door Hobbes in zijn Leviathan: ‘Geen mens geeft (aan anderen) of met de intentie om het goede te doen realiseren voor hemzelf, want geven is een vrijwillige handeling. En bij al de vrijwillige handelingen is voor ieder mens het doel het eigen genot’.

John Stuart Mill

John Stuart Mill (1806 – 1873) raffineerde het idee van Bentham. Volgens Bentham bestaan er namelijk geen kwalitatieve verschillen voor wat betreft genot, enkel kwantitatieve verschillen. Anders gezegd, volgens Bentham kan men niet zeggen dat het lezen van een boeiend filosofisch boek meer genot verschaft dan een plat spelletje kaarten. Volgens Bentham kan men de waarde van het genot enkel meten op basis van (hoofdzakelijk) duur en intensiteit. Volgens John Stuart Mill, daarentegen, bestaat er verschil tussen genot van laag niveau en genot van hoger niveau. Het lage fysieke genot zoals bij eten is volgens Mill ondergeschikt aan het hogere intellectuele genot van een goede filosofische discussie, bijvoorbeeld. De reden die Mill hiervoor geeft is het feit dat de dieren wel het fysieke genot kunnen ervaren, maar niet het intellectuele genot van discussie. Dat enkel de mensen dit genot kunnen ervaren maakt dat dit genot van een hogere orde is, volgens Mill.

Een kritiek op de visie van Aristoteles

Het probleem van de oud Griekse definitie van de weg naar gelukzaligheid is dat zij de mens zelf goed en slecht laten bepalen, terwijl duidelijk is dat de mens niet in staat is om goed en slecht te bepalen. De meningen van mensen worden namelijk beïnvloedt door de omstandigheden waarin zij opgroeien en waarin zij leven. Dit is er de oorzaak voor dat de mensen van mening verschillen over wat precies goed en slecht is. Het verstand van de mens is ook beperkt, in de zin dat geen enkel mens, het grootste genie incluis, kan voorzien wat precies al de gevolgen van zijn handelingen zullen zijn. Dit blijkt het meest duidelijk wanneer de mens zich bezig houdt met het bepalen van wetten. Voortdurend worden deze wetten veranderd en aangepast in reactie op hun onvoorziene gevolgen. En er is verder ook geen consistentie in de meningen van mensen betreffende goed en slecht. Waar zij op één moment iets als slecht beoordelen, daar kunnen zij korte tijd laten van mening zijn dat dit toch wel goed is. Een voorbeeld hiervan is pedofilie. Ten tijde van de oude Grieken werd de praktijk van homofiele pedofilie goed geacht. Sindsdien werd deze praktijk voor lange tijd slecht geacht. En tegenwoordig gaan er onder invloed van wetenschappelijke studies naar het functioneren van het brein weer stemmen op die het als goed beoordelen, omdat, zo men zegt, pedofilie veroorzaakt wordt door chemische imbalansen in de hersenen en dus volstrekt natuurlijk is.

Uit dit alles blijkt duidelijk dat de mens niet in staat is om een constante en correcte maatstaf voor goed en slecht te bepalen. Het gevolg hiervan is, ten eerste, dat de mens bij de keuze voor een handeling altijd twijfel zal voelen of de uitkomsten van deze handeling wel echt goed zullen zijn, omdat hij geconfronteerd wordt met verschillende meningen over wat goed en slecht is in de kwestie. Ten tweede, het gevolg hiervan is ook dat, omdat de mens al de gevolgen van zijn handelingen niet kan overzien, de mens bij het verrichten van een handeling altijd twijfel zal voelen of hij wel echt het goede doet. Ook al bestaat er een consensus over wat goed en slecht is in de kwestie. En inderdaad, niet zelden zal hij met onvoorziene uitkomsten van zijn handelen geconfronteerd worden waardoor hetgeen hem goed leek in werkelijkheid slecht blijkt te zijn. En ten derde, het gevolg van het feit dat de mens niet in staat is om een constante en correcte maatstaf voor goed en slecht te bepalen is dat alhoewel de mens op het moment van verrichting van de handeling tevreden kan zijn met de uitkomst ervan, hij op een later moment in de toekomst deze uitkomst kan komen te verafschuwen omdat hij over tijd zijn mening betreffende goed en slecht in de kwestie veranderd heeft. Dus wanneer aan de mens de taak wordt gegeven om goed en slecht te bepalen, dan zal de mens nooit terug kunnen kijken op een leven van deugdzaam handelen zoals gedefinieerd door de oude Grieken. Hij zal nooit terug kunnen kijken op een leven waarin hij altijd op de correcte en best mogelijke wijze gehandeld heeft, omdat de mens niet in staat is het correcte en best mogelijke te bepalen.

Verdermeer, wanneer de oude Grieken gelukzaligheid koppelen aan deugdzaamheid, en dan deugdzaam koppelen aan de mate waarin door de handeling goed of slecht gerealiseerd wordt, koppelen ze gelukzaligheid effectief aan de uitkomst van de handeling en niet aan de handeling zelf. Alhoewel zij zelf zeggen dat het bij gelukzaligheid gaat om de handeling. En dit is een inconsistentie.

Bovendien, het mag niet vergeten worden dat veel van hetgeen plaatsvindt in het leven van de mens buiten de controle van de mens zelf is. De uitkomst van een handeling is niet onder volledige controle van de mens want er gebeuren vaak dingen die de gewenste uitkomst niet plaats doen laten vinden. Wanneer de oude Grieken dan gelukzaligheid koppelen aan deugdzaamheid, en dan deugdzaam koppelen aan de mate waarin de door handeling goed of slecht gerealiseerd wordt, dan negeren ze dit feit dat de mate van goed en slecht die resulteert vaak het resultaat is van dingen die buiten de controle van de mens ligt. Het resultaat van de handeling is vaak afhankelijk van toeval, met andere woorden. En hoe kan de mens werkelijke gelukzaligheid voelen vanwege het gevolg van een handeling, als hij met de uitkomst van de handeling veelal weinig van doen heeft?

Een kritiek op de middeleeuws-christelijke visie

De visie van ‘kerkvader’ Augustinus op gelukzaligheid maakt begrijpelijk waarom de Middeleeuwen, toen de kerk de absolute macht had, zo een diepdonkere periode in de Europese geschiedenis is. Augustinus kijkt naar gelukzaligheid op dezelfde wijze als de oude Grieken en dit betekent dat al de bovenstaande kritieken op de oude Grieken eveneens op zijn zienswijze van toepassing zijn.
Augustinus voegt aan de oud Griekse ideeën betreffende gelukzaligheid toe dat de mens onmogelijk gelukzaligheid zal kunnen ervaren in dit leven omdat de bedreiging door de straf van God in het Hiernamaals ieder gevoel van gelukzalig zal overschaduwen. De kritiek hierop is dat Augustinus de kracht van hoop negeert wanneer hij dit zegt. Wanneer de gelovige mens probeert een deugdzaam leven te leiden, waarbij hij zijn religie – oftewel God – de deugden laat bepalen, dan put hij hieruit hoop dat dit hem tegen de straf van God in het Hiernamaals zal beschermen en hoop dat dit hem de beloning van God in het Hiernamaals zal doen verkrijgen. Deze hoop is in zichzelf een bron van gelukzaligheid. Sterker nog, voor degene die nauwkeurig analyseert wanneer mensen gelukzalig ervaren is duidelijk dat deze hoop de voornaamste bron van gelukzaligheid is. Het is de bron die de mens gelukzaligheid kan laten ervaren zelfs bij de ergste fysieke en emotionele pijn. De gelukzaligheid die resulteert uit de hoop dat de fysieke of emotionele pijn in het huidige leven de bestraffing in het Hiernamaals zal voorkomen overschaduwd iedere fysieke en emotionele pijn, namelijk.

Een kritiek op de visie van het utilitarisme

Wanneer het utilitarisme gelukzaligheid zoekt in de aanwezigheid van genot en de afwezigheid van pijn, en daarbij stelt dat ieder persoon enkel kijkt naar zijn eigen genot en pijn en geen bezorgdheid kent voor de aanwezigheid van genot en de afwezigheid van pijn van anderen, dan beperkt het utilitarisme genot en pijn effectief tot fysiek genot en fysieke pijn. Want doordat men ontkent dat de mens bezorgdheid kan ervaren voor het welzijn van anderen worden de emotionele behoeften, zoals genoemd kunnen worden de ouderlijke, romantische en vriendschappelijke liefde, ontkend. Omdat bezorgdheid voor het welzijn van anderen de kern is van liefde, zoals één van de grote klassieke Russische auteurs al eens zei, ‘men houdt het meest van degene aan wie men het meest heeft gegeven’ (en niet zozeer van degene van wie men het meest heeft gekregen). Met andere woorden, in de visie van de utilitaristen worden emotioneel genot en emotionele pijn, zoals dezen bestaan in sociale relaties, genegeerd. En als het emotioneel genot en de emotionele pijn dat bestaat in sociale relaties genegeerd wordt, dan wordt geconcentreerd op fysiek genot en fysieke pijn. Dit betekent dat wanneer de utilitaristen verklaren dat gelukzaligheid in de aanwezigheid van genot en de afwezigheid van pijn is en daarbij sociale relaties ontkennen, dan zeggen zij in feite dat gelukzaligheid enkel in materiële consumptie is.

De eerste kritiek op deze zienswijze is dat deze beperking van genot en pijn niet overeenstemt met de realiteit. Emotioneel genot en emotionele pijn bestaan namelijk overduidelijk. Neem bijvoorbeeld de ouderlijke liefde, de liefde die een vader en moeder voelen voor hun kinderen. Ouders worden gedreven door bezorgdheid om het welzijn van hun nageslacht. En niets geeft hen meer gelukzaligheid dan de aanwezigheid van genot en de afwezigheid van pijn voor hun nageslacht. En niets doet hen meer pijn dan de aanwezigheid van pijn en de afwezigheid van genot voor hun nageslacht.

De tweede kritiek op de zienswijze van de utilitaristen is dat zij gelukzaligheid zoeken juist in de zwakkere van de twee soorten genot en pijn. Het is namelijk ook waarneembaar dat zowel de intensiteit als de duurzaamheid van juist emotioneel genot en emotionele pijn, zoals bijvoorbeeld de pijn veroorzaakt door het zien lijden van een geliefde, de pijn veroorzaakt door verraad door een geliefde en het genot dat veroorzaakt wordt door de realisatie dat men trouwe en behulpzame vrienden heeft, vele malen groter is dan de intensiteit en duurzaamheid van fysiek genot en fysieke pijn.

Een derde punt van kritiek is een eveneens waarneming, namelijk dat juist in de landen waar enerzijds de mensen de meeste toegang hebben tot realisatie van fysiek genot en afwezigheid van fysieke pijn, en waar anderzijds de ideeën van de utilitaristen het sterkst van invloed zijn, de indicatoren voor ontevredenheid het meest aanwezig zijn. Deze indicatoren zijn zelfmoord, depressie en drugsgebruik. Bijvoorbeeld plegen in Nederland jaarlijks 1.500 mensen zelfmoord, worden jaarlijks 100.000 zelfmoordpogingen ondernomen en lopen 400.000 rond die zelfmoord overdenken als serieuze optie. In België plegen jaarlijks 2.500 mensen zelfmoord.

Zelfmoord per 100.000 inwoners rond de wereld. Bron: Wereld Gezondheid Organisatie (WHO, World Health Organization)

Ten vierde, aangezien emotioneel genot en emotionele pijn aantoonbaar bestaan en aangezien de intensiteit en duurzaamheid van emotioneel genot en emotionele pijn groter zijn dan emotioneel genot en fysieke pijn, is het najagen van fysiek genot schadelijk voor de gelukzaligheid van de mens. De egoïstische zoektocht naar materiële consumptie schaadt namelijk de sociale relaties. Zo worden liefde en zorgzaamheid vervangen door misbruik en uitbuiting als er geen bezorgdheid bestaat voor het welzijn van anderen. En als er niet genoeg belang wordt gehecht aan sociale relaties dan verdwijnen de genietingen van warmte en veiligheid die in sociale relaties gevonden worden plaats voor de pijn van eenzaamheid. De concentratie op materieel genot en het negeren van emotioneel genot, schaadt dus het emotionele genot. En daarmee schaadt het de belangrijkste factor voor wat betreft gelukzaligheid, en dus de gelukzaligheid die de mensen voelen.

Ten vijfde en laatste, de realiteit van materiële consumptie is dat het genot hieruit slechts tijdelijk is. De bevrediging van een materiële behoefte brengt slechts voor korte tijd een gevoel van tevredenheid, oftewel van gelukzaligheid. En, uit iedere de bevrediging van een materiële behoefte resulteert een nieuwe materiële behoefte, de onbevrediging waarvan een gevoel van ontevredenheid en dus ongeluk in de mens te boven brengt. Zoals in het voorbeeld van de persoon die eindelijk de auto koopt waar hij al zo lang van droomt. Het kopen van deze wagen schenkt hem genot. Maar als hij de wagen eenmaal heeft dan beginnen andere, mooiere wagens hem al snel op te vallen. Nieuwe verlangens naar deze wagens ontstaan daardoor in hem. En deze nieuwe verlangens doen die het genot van zijn nieuwe auto verdwijnen, en doen in hem een nieuw gevoel van ontevredenheid boven brengen. De visie dat gelukzaligheid gevonden kan worden in materiële consumptie is daarom eigenlijk een pad richting ontevredenheid en dus ongeluk. De mens wordt door deze visie aangespoord om materiële behoeften te bevredigen, maar de bevrediging van de materiële behoefte zal slechts korte tijd gelukzaligheid brengen, en tegelijkertijd ontevredenheid en ongeluk geven omdat de bevrediging in de mens een nieuwe behoefte creëert. Het leven van de mens die de visie van het utilitarisme volgt zal dus gekenmerkt worden door ongeluk ten gevolge van voortdurende ontevredenheid.

Comments

comments

DELEN