In de economische theorie van kapitalisme bestaat eigenlijk alleen maar aandacht voor “groei”. Er is feitelijk maar één theorie die de verdeling van rijkdom als onderwerp heeft. Dit is de zogenoemde “Trickle Down”-theorie.

De Nederlandse vertaling van de Engelse uitdrukking “trickle down” is “neersijpelen”. Het betekent “langzaam, in druppels neerkomen op datgene wat onder is”. De “Trickle Down”-theorie in kapitalistische economische theorie zegt dat de rijkdom van de rijken in een samenleving de neiging heeft om langzaam, in druppels omlaag te vallen op de overige mensen in de samenleving. Oftewel, dat uiteindelijk iedereen profiteert van de rijkdom van de rijken. Want, zegt de “Trickle Down”-theorie, de rijken in de samenleving zullen hun rijkdom uit willen geven aan dingen die ze graag willen hebben. Van hun rijkdom zal dus vraag naar goederen en diensten uitgaan. En, zegt het verder, bedrijven zullen van deze vraag profiteren door goederen en diensten te verkopen en winsten te maken. En de overige mensen zullen van deze vraag profiteren door het werk te doen dat nodig is voor het produceren van deze goederen en diensten.

De “Trickle Down”-theorie zegt dus in feite dat het niet uitmaakt wie in de samenleving profiteert van groei omdat uiteindelijk iedereen van deze groei zal profiteren. De “Trickle Down”-theorie is zo een rechtvaardiging voor de economische theorie van het kapitalisme om zich verder niet met de verdeling van rijkdom bezig te houden maar zich volledig te concentreren op groei van de rijkdom.

De geschiedenis van de “Trickle Down”-theorie

Van oorsprong is de “Trickle Down”-theorie meer een politiek concept dan een echte economische theorie. “Trickle Down” wordt bijvoorbeeld niet expliciet besproken door de grote economen van het kapitalisme, die uit het verleden of die in het heden.

In de Amerikaanse politiek, echter, speelt “Trickle Down” al sinds het einde van de 19e eeuw een belangrijke rol. Een speech van William Jennings Bryan, de presidents-kandidaat voor de Democratische Partij in Amerika in 1866, wordt vaak genoemd als de eerste expliciete verwijzing naar de “Trickle Down”-theorie: “Er zijn twee ideeën over regeren. Er zijn degenen die geloven dat als je wetgeeft om de welgestelden succesvol te laten zijn, dat hun succes dan zal lekken naar degenen onder hen. [Daarentegen] Het idee van de Democraten is geweest dat als je wetgeeft om de massa’s succesvol te laten zijn, dat hun succes dan zijn weg naar boven zal vinden naar iedere klasse die op hen steunt.” Volgens de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith (1908 – 2006) werd de “Trickle Down”-theorie destijds de “paard en zwaluw”-theorie genoemd. Omdat, zo zei men, als de paarden voldoende granen gevoerd worden, de zwaluwen een deel van deze granen op zullen kunnen eten.

In de 20e eeuw plaatste president John F. Kennedy de “Trickle Down”-theorie terug in de schijnwerpers toen hij in 1963, tijdens een speech waarin hij zijn economische beleid uitlegde, zei: “Bij de opkomst van vloed gaan alle boten omhoog”. Kennedy geloofde dat de belastingopbrengst voor de overheid in Amerika laag was omdat de belastingtarieven te hoog waren. Om de belastingopbrengst voor de overheid in Amerika te verhogen wilde hij daarom de belastingtarieven verlagen. Dit klinkt tegenstrijdig maar is gebaseerd op een economische theorie die als eerste geformuleerd werd door de Ibn Chaldoen (1332 – 1406), de moslimgeleerde en vader van de sociale wetenschappen. Ibn Chaldoen merkte op dat als een staat meer belastingen probeert te heffen van haar onderdanen, dat de onderdanen dan meer hun best zullen doen om belastingen te ontduiken of te ontwijken. Volgens Ibn Chaldoen was er daarom een punt waarop een verhoging van de belastingentarieven de totale belastingopbrengst van de staat zou verlagen. Deze theorie is later bekend geworden als de Laffer-curve naar de Amerikaanse econoom Arthur Laffer (1940).

De Laffer-curve
Op de horizontale as wordt het belastintarief weergegeven. Op de verticale as wordt de belastingopbrengst van de staat weergegeven. De hyperbole is de Laffer-curve. Deze geeft de relatie aan tussen het belastingtarief en de belastingopbrengst van de staat.

Als het belastingtarief 0% is heeft de staat geen belastingopbrengst. Als het belastingtarief vanaf 0% langzaam maar zeker verhoogd wordt, dan stijgt de belastingopbrengst van de staat. Er is een belastingtarief, echter, waar de belastingopbrengst van de staat maximaal is. Een verdere verhoging van het belastingtarief na dit punt doet de belastingopbrengst van de staat dalen omdat de mensen belastingen zullen gaan ontwijken en ontduiken.
Volgens Kennedy zou een verlaging van de belastingtarieven de economie dus stimuleren omdat het extra uitgaven door de staat mogelijk zou maken. In de jaren ’80 werd dit idee verder uitgewerkt, waarna president Reagan het als fundamentele visie achter zijn economisch beleid nam. Ronald Reagan werd president van Amerika in 1981, een tijd waarin de economie maar weinig groeide en de inflatie hoog was: stagflatie. Op dat moment namen enkele Amerikaanse economen een oude kapitalistische theorie genaamd de “Wet van Say” – Jean-Baptiste Say (1767 – 1832) was een Franse econoom die opmerkte dat de productie van goederen en diensten zorgde voor vraag naar andere goederen en diensten, zoals grondstoffen, machines en arbeid – weer op om te beargumenteren dat de economie enkel aangespoord zou kunnen worden door niet de vraag maar de productie te stimuleren. Volgens de economen Robert Mundell (1932), Arthur Laffer (1940) en Jude Wanniski (1936 – 2005) werden de economische problemen van Amerika tijdens de jaren ’70 en ’80 niet veroorzaakt door te weinig vraag naar goederen en diensten maar door te weinig productie van goederen en diensten. Dit veroorzaakte inflatie, zeiden zij, want de mensen boden tegen elkaar op om te kunnen kopen wat beschikbaar was. En dit hield de economische bedrijvigheid achter, zeiden zij, omdat het tekort aan productie ervoor zorgde dat er niet voldoende banen beschikbaar waren voor de Amerikaanse bevolking. De ideeën van deze economen zijn bekend geworden onder de term aanbod-economie (“Supply-side Economics”).

De boeken “The Way the World Works” van Wanniski uit 1975 en het boek “The Foundations of Supply-Side Economics” uit 1982 van Victor Canto zetten de principles van aanbod-economie uiteen. Een overheid moet volgens deze leer zorgen voor een gezond investeringsklimaat wil het de economie laten groeien. Lage belasting spelen een belangrijke rol hierbij. Volgens de aanbod-economie zorgen hoge belastingtarieven er niet enkel voor dat mensen proberen de belastingen te ontwijken en ontduiken, waardoor de belastingopbrengst voor de staat laag zal zijn, maar ontnemen ze de mensen ook de motivatie om te ondernemen en te werken. Want wie veel belastingen moet betalen over zijn inkomen, zo zegt deze theorie, die profiteert maar weinig wanneer hij meer geld gaat verdienen. Volgens de aanbod-economie zorgen hoge belastingtarieven dus voor algehele economische malaise: weinig ondernemersschap, weinig enthousiasme, weinig inspanning, weinig vooruitgang, lage belastingopbrengsten voor de staat, weinig investeringen door de staat.

De aanbod-economen adviseerdende Amerikaanse overheid daarom om vooral de belastingen op ondernemingen en de belastingen op inkomsten uit ondernemingen (dividenden) te verlagen. Zodat de overheid én hogere belastingopbrengsten zou hebben, én ondernemers gemotiveerd zouden worden om meer te investeren in nieuwe ondernemingen en nieuwe productie. Waardoor gans de economie in beweging zou komen, nieuwe banen gecreëerd zouden worden, en dus iedereen zou profiteren. President Reagan volgde dit advies en verlaagde de belastingen op inkomsten uit ondernemingen sterk, wat hij deels financierde door hogere heffingen op arbeid te introduceren.

Kritiek op de “Trickle Down”-theorie

Het probleem van de theorie van de Laffer-curve is dat het feitelijk onmogelijk is om vast te stellen welk belastingpercentage de belastingopbrengst van de staat maximaliseert. Dit maakt de theorie dus praktisch onbruikbaar.

De Amerikaanse ervaring is ook dat waar deze theorie gebruikt is om verlaging van de belastingen te rechtvaardigen, het resultaat altijd is geweest dat de totale belastingopbrengst van de staat daalde. Het frequente gebruik van de “Trickle Down”-theorie om verlaging van de belastingtarieven te rechtvaardigen heeft er voor gezorgd dat de belastingopbrengst voor de Amerikaanse overheid, als percentage van de waarde van de economie, sinds 1950 continu gedaald is. [1]

Onder invloed van de “Trickle Down”-theorie zijn in Amerika vooral de belastingtarieven voor de hoogste inkomens verlaagd geworden. [2] De belasting op inkomen uit investeringen is zelfs lager dan de belasting op arbeid. In de praktijk betekent dit dat de belastingdruk voor de allerhoogste inkomens in Amerika lager is dan de belastingdruk voor de meeste overige inkomens, omdat de allerhoogste inkomens hoofdzakelijk inkomen uit investeringen hebben terwijl de overige inkomens hun inkomen hoofdzakelijk uit arbeid halen. [3]

In tegenstelling tot wat de “Trickle Down”-theorie beweert heeft dit niet iedereen in de Amerikaanse samenleving geholpen. Sinds 1979 zijn de inkomens van de rijkste 1% van de Amerikanen met gemiddeld 224% gestegen. De inkomens van de allerrijkste 0,1% van de Amerikanen is zelfs met gemiddeld 390% gestegen. Maar over dezelfde periode zijn de inkomens van de middenklasse met 40% gestegen, terwijl de inkomens van de armste 20% van Amerikanen met slechts 20% zijn gestegen. Ten gevolge hiervan ontvangt 99% van de Amerikanen nu een kleiner deel van het totale jaarlijkse inkomen in Amerika dan in 1979. Het deel van het totale jaarlijkse inkomen in Amerika voor de rijkste 1% van Amerikanen is verdubbelt, echter. [4] Vanwege feiten zoals deze hebben de onderzoeken die gedaan zijn naar de “Trickle Down”-theorie niet kunnen aantonen dat bevoordelingen van de allerrijksten de mensen in de samenleving onder hen substantieel voordeel brengt. [5]
Volgens verschillende vooraanstaande economen heeft de “Trickle Down”-theorie zelfs dramatische gevolgen voor het welzijn van een economie omdat het in de praktijk de allerrijksten bevoordeeld. Zij gaan uit van het feit dat de maatregelen die op basis van de “Trickle Down”-theorie genomen zijn in Amerika de inkomensongelijkheid tussen de allerrijksten en de rest van de samenleving niet verminderd heeft maar vergroot. Volgens nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz zorgt dit er ondermeer voor dat de pilaren onder een gezonde economie eroderen. Economische ontwikkeling heeft innovatie nodig, dus een goed opgeleide bevolking en dus een goed onderwijssysteem. Het heeft ook een gezonde bevolking nodig en dus een goed ziekenzorgsysteem. En het heeft een goede infrastructuur nodig. Om deze zaken op de schaal van een ganse staat te regelen en te organiseren zijn enorme uitgaven nodig. Daarom is een staat nodig, zegt hij, die door middel van belastingheffing ervoor zorgt dat al de mensen samenwerken om deze uitgaven te bekostigen. Maar de rijken kunnen hun onderwijs, hun ziekenzorg en de wegen van en naar hun huizen en fabrieken zelf wel regelen en betalen. Zij zien dus geen noodzaak in samenwerking met de overige mensen in de samenleving en zij zullen zich daarom verzetten tegen belastingheffing door de staat. Het gevolg hiervan is dat het steeds moeilijker wordt voor de staat om te zorgen voor goed onderwijs, goede ziekenzorg en een goede infrastructuur. Wat op langere termijn de economie van deze samenleving schaadt. [6]

Volgens Joseph Stiglitz zorgt inkomensongelijkheid in kapitalistische landen ook voor bubbels in de economie, die, als ze eenmaal ontploffen, immense crises kunnen veroorzaken. Zoals de huidige kredietcrisis. Want, zegt Stiglitz, “de trickle-down economie is dan misschien wel een hersenschim, maar trickle-down gedrag bestaat wel degelijk”. Hij wijst hiermee op de neiging van massas om de rijken en de succesvollen in de samenleving tot voorbeeld te nemen. Mensen willen daarom graag leven zoals hen. In de kapitalistische economieën staan de banken klaar om de niet-rijken te helpen toch iets van de levensstijl van de rijken te kopiëren. Door middel van leningen kunnen mensen auto’s kopen die ze eigenlijk niet kunnen betalen; huizen die die ze eigenlijk niet kunnen betalen; vakanties die ze eigenlijk niet kunnen betalen; et cetera. Dit doet de economie op korte termijn groeien, maar bij iedere lening komt er natuurlijk een moment waarop terugbetaald moet worden. Dit moment ontneemt de lenende klasse dan de mogelijkheid om andere uitgaven te doen, waardoor de economie weer zal krimpen. En met meer dan de oorspronkelijke groei omdat over iedere lening ook rente betaald moet worden. Dit zorgt voor grote economische problemen, zoals nu overal in de westerse wereld aanschouwt kan worden. [7]

Stiglitz heeft ook oog voor de politieke gevolgen van inkomensongelijkheid. De concentratie van rijkdom in de handen van slechts enkelen heeft hen een onevenredig grote invloed op de politiek gegeven, zegt hij. Hierdoor hebben de superrijken de mogelijkheid gekregen – en genomen, volgens Stiglitz – om wetten geïmplementeerd te krijgen die hen bevoordelen ten koste van alle anderen. Wetten die voor hen alles makkelijk maken maar voor alle andere mensen alles moeilijk. [8]

Volgens de econoom Noriel Roubini is de “Trickle Down”-theorie ook een bron van sociale onrust. De bevoordeling van de allerrijksten waar deze theorie in de praktijk op uit draait is er volgens hem de reden voor dat mensen overal ter wereld in opstand zijn gekomen tegen hun regeringen. Niet enkel in de Arabische landen als onderdeel van de Arabische Lente, maar ook in de westerse landen als onderdeel van de Occupy-beweging. Hij voorspelt derhalve een ideologische crisis in de westerse landen als ze niet snel de gevolgen van de “Trickle Down”-theorie ongedaan maken. Zelfs een revolutie die aan kapitalisme een einde maakt sluit hij niet uit. [9]

[1] “Tax Returns: A Comprehensive Assessment of the Bush Administration’s Record on Cutting Taxes”, Joel Friedman & Isaac Shapiro, Center on Budgets and Policy Priorities, www.cbpp.org/cms/index.cfm?fa=view&id=1811

[2] “Do Millionaires Pay Less Tax Than Their Secretaries?”, Luke Landes, www.consumerismcommentary.com/millionaire-less-tax-secretaries/

[3] “Warren Buffett’s Effective Federal Income Tax Rate Was Just 11%”, www.forbes.com/sites/janetnovack/2011/10/12/warren-buffets-effective-federal-income-tax-rate-is-just-11/

[4] “The upward redistribution of income in the United States 1979 to 2007”, David Ruccio, Real World Economics Review Blog, www.rwer.wordpress.com/2011/10/27/the-upward-redistribution-of-income-in-the-united-states-1979-to-2007/

[5] “Stop Trying To Make “Trickle-Down Economics” An Economic Thing…Please…”, www.economistsdoitwithmodels.com/2010/07/30/stop-trying-to-make-trickle-down-economics-an-economic-thingplease/

[6] “Of the 1%, by the 1%, for the 1%”, Joseph Stiglitz, www.vanityfair.com/society/features/2011/05/top-one-percent-201105

[7] Ibidem noot 6

[8] “The Price of Inequality”, Joseph Stiglitz, www.project-syndicate.org/commentary/the-price-of-inequality

[9] “The Instability of Inequality”, Nouriel Roubini, www.project-syndicate.org/commentary/the-instability-of-inequality

Comments

comments

DELEN