In het westen is de evolutie theorie een algemeen aanvaarde theorie wanneer er gesproken wordt over het ontstaan van het universum en het leven. Van kleins af aan worden de mensen deze gekoesterde evolutie theorie met de paplepel ingegoten. Ze wordt beschreven als rationeel, wetenschappelijk en intellectueel. De evolutie theorie is gekomen als alternatief voor de scheppingsleer, met de bewering dat het geloof in God niet meer nodig is omdat middels de evolutie theorie het ontstaan van de mens verklaard kan worden op een wetenschappelijke manier, en dat hiermee is aangetoond dat het bestaan van een Schepper slechts op fabeltjes berust. Het geloof in een Schepper die de wereld en alle materie geschapen heeft, wordt in het Westen daarom gepresenteerd als iets achterlijks en irrationeel. Iets dat vroeger gebruikt werd om complexe materie te verklaren. Wat vandaag de dag dus met behulp van de wetenschap verklaard kan worden. Om deze reden kan men bemerken dat wanneer iemand komt met de theorie dat het universum geschapen is door een God, velen dit een belachelijk idee vinden, ondanks het feit dat ze vaak geen een afdoend begrip hebben van de evolutieleer. Wamt wat houdt deze theorie nu precies in? Is deze theorie inderdaad zo rationeel, wetenschappelijk en correct als de mensen denken? En is ze een werkelijk en gerechtvaardigd argument tegen de scheppingsleer? Dit artikel zal trachten deze vragen te beantwoorden door de evolutie theorie te verduidelijk, om vervolgens te onderzoeken of deze inderdaad een argument is dat volstaat tegenover de scheppingsleer.

“De evolutie van de evolutiele”: De geschiedenis van de evolutiele

Het idee van de evolutie van soorten leefde reeds bij sommige natuurfilosofen in de Oudheid. In Europa was het pas na de Verlichting dat deze theorie in haar algemeenheid meer aanhang verwierf. Er zijn verschillende personen geweest die bijgedragen hebben aan de ontwikkeling en beschrijving van de theorie.

Hoewel Charles Darwin het meest bekend is in de evolutieleer, was hij niet de eerste onderzoeker die stelde dat soorten in de loop der tijd veranderen in nieuwe soorten. In de achttiende eeuw was er een naturalist genaamd Georges de Buffon (1707 – 1788) die het idee introduceerde dat het leven niet sinds de creatie vast heeft gestaan, qua vorm. Hij geloofde dat leeuwen, tijgers, huiskatten en luipaarden allemaal een gemeenschappelijke voorouder hadden. Één van de eerste wetenschappers die een evolutie theorie uiteenzette was Jeann-Baptiste de Lamarck (1744 – 1829). Zijn opvattingen zijn bekend geworden als het Lamarckisme. Lamarck was gefascineerd door de overeenkomsten tussen verschillende dieren die hij bestudeerde en de gelijkenis van de fossielen. Dit leidde hem tot de speculatie dat het leven niet vast stond. Wanneer omgevingen veranderen is het noodzakelijk dat dieren hun gedrag zullen veranderen om te overleven, zo stelde hij. Als een giraffe bijvoorbeeld zijn nek zou uitstrekken om bladeren van de bomen te eten, zal er een bepaalde vloeistof door zijn nek lopen waardoor zijn nek zal groeien. Volgens Lamarck zal zijn nageslacht vervolgens de langere nek erven, met als resultaat dat door de eeuwen heen er giraffen zullen zijn met zeer lange nekken, zoals vandaag de dag waarneembaar is. Organen die de organismen minder gebruiken zullen vervolgens over de jaren heen gaan krimpen. Hetzelfde geldt voor de mens, waarin als voorbeeld wordt gebruikt dat het nageslacht van de familie van een smid sterker zal zijn dan het nageslacht van een kleermaker, door het fysiek zware werk dat de smid verricht. Lamarck zette deze theorie uiteen in zijn boek “Philosophie zoologique” (1809).

Lamarck’s theorie werd echter hevig bespot en aangevallen door zijn collega naturalisten, zoals Georges Cuvier (1769 – 1832). Hij was een fervent tegenstander van de ideeën van Lamarck en ridiculiseerde het idee dat kinderen van een smid grotere spieren zouden hebben dan die van een kleermaker. Uiteindelijk werden de ideeën van Lamarck nooit algemeen geaccepteerd voor hij stierf in 1829.

De beroemde onderzoeker Charles Darwin had een andere argumentatie dan Lamarck. Hij beargumenteerde namelijk dat de complexiteit van het wezen evolueert doordat het zich aanpast aan zijn lokale omstandigheden, en dit van generatie op generatie. Hij beweerde eveneens dat soorten eerder uitsterven dan dat zij veranderen in nieuwe vormen. Dit fenomeen wordt “natuurlijke selectie” genoemd. Echter, Darwin gebruikte dezelfde bewijzen voor evolutie als Lamarck en hij accepteerde net zoals Lamarck de bewering dat veranderingen in het leven van een organisme overgeheveld kunnen worden naar de volgende generaties. Darwin ontwikkelde zijn ideeën tijdens zijn loopbaan als natuuronderzoeker en in 1859 publiceerde hij zijn theorie in het boek “On the origins of species by means of natural selection”. Hetgeen Darwin echter frustreerde en hij niet kon verklaren was herediteit. Herediteit is een benaming voor het proces waarbij er eigenschappen van een organisme overgebracht worden op het nageslacht. Darwin vroeg zich af hoe het kon zijn dat kinderen grotendeels lijken op hun ouders, maar toch ook anders zijn? Deze vraag frustreerde de onderzoeker, daar herediteit een fundament is in de evolutie.

Een Britse bioloog genaamd Alfred Russel Wallace (1823 – 1913) ontwikkelde zoals Darwin ook een theorie over evolutie, toen hij reisde door Indonesië en Maleisië om monsters te verzamelen en de natuur te bestuderen. Wallace stuurde zijn ideeën naar Darwin middels een essay genaamd “On the Tendency of Varieties to Depart Indefinetely From the Original Type”. Darwin en Wallace hadden beiden, onafhankelijk van elkaar, een natuurlijke en observeerbare theorie van evolutie gevonden, het proces dat Darwin “natuurlijke selectie” noemde.

Binnen enkele decennia accepteerden de meeste wetenschappers het argument van evolutie, dat soorten afstammen van een gemeenschappelijke voorouder. Maar natuurlijke selectie werd over het algemeen nog niet geaccepteerd. Darwin beweerde namelijk dat in natuurlijke selectie de soorten veranderen door minuscule variaties. Echter, de andere onderzoekers (de Mendelisten, naar Gregor Mendel) vonden grote verschillen tussen eigenschappen gecodeerd door allellen. Om van een bepaald allel te veranderen in een ander allel dient evolutie gigantische veranderingen te ondergaan, een idee dat tegenstrijdig is aan Darwin’s idee.

In 1920 begonnen genetici te geloven dat de natuurlijke selectie inderdaad invloed kan hebben op de genen. Het werd duidelijk voor hen dat iedere eigenschap een product is van meerdere genen, in plaats van één. Derhalve kan een mutatie van eenieder van deze genen kleine veranderingen in de eigenschap doen realiseren, eerder dan een drastische transformatie. Wetenschappers zoals Ronald Fisher, J.B.S. Haldane en Sewall Wright bewezen dat natuurlijke selectie kon opereren in een Mendeliaanse wereld. Zij voerden experimenten uit en bouwden nieuwe ingewikkelde mathematische modellen van evolutie. Hun benadering, beter bekend als “population genetics”, onthulde hoe mutaties, indien zij beïnvloed zijn door natuurlijke selectie, ontstaan en verspreid kunnen worden door een populatie heen. Zelfs een klein voordeel kan ervoor zorgen dat genen zich versneld verspreiden door een groep van dieren, planten en dat zelfs andere vormen zullen uitsterven. Evolutie, zoals zij zeggen, vindt plaats door middel van kleine mutaties, daar grote mutaties bijna altijd schadelijk zullen zijn voor het organisme. Aldus verwerd populatie genetica tot één van de fundamentele elementen van wat Moderne Synthese genoemd zou worden.

In 1937 schreef een geneticus genaamd Theodosius Dobzhansky een boek genaamd “Genetics and the Origin of Species”. In dit boek beschrijft hij de combinatie van genetica en de natuurlijke geschiedenis. Deze combinatie trok de aandacht van veel biologen om samen een verklaring te zoeken voor het evolutieproces. Uiteindelijk resulteerde dit in het boek “The Modern Synthesis”. Dit boek wordt gezien als een duidelijke uitleg van de evolutieleer. Genetica, paleontologie en vele andere soorten wetenschappen, werden gecombineerd om te laten zien hoe mutaties en natuurlijke selectie grootschalige evolutionaire veranderingen kunnen teweegbrengen.

Terwijl biologen de “Modern Synthesis” afwerkten, zochten genetici intensief naar de moleculen die de genetische informatie zouden moeten dragen. Zij wisten dat cellen verschillende soorten moleculen bevatten, zoals proteïnen en zuur, maar de vraag was welke de capaciteit heeft om informatie te dragen en gekopieerd te worden tot nieuwe cellen. Het antwoord kwam door middel van de ontdekking van DNA door Francis Crick en James Watson. Deze ontdekking bracht een revolutie teweeg in de evolutionaire biologie. De mutaties werden verklaard door de veranderingen in DNA-structuur. Het is namelijk mogelijk dat een paar genen kan veranderen of dat een set genen gedupliceerd kan worden. Aldus zorgen de mutaties ervoor dat een bepaald voordeel meer gewoon wordt voor de persoon, waardoor uiteindelijk deze gemuteerde genen de oudere versies kunnen vervangen.

Uitleg van de moderne evolutie theorie

Biologische evolutie wordt gedefinieerd als “een afstammeling met een modificatie van een gemeenschappelijke voorouder”. In deze context wordt er met afstammeling bedoeld “het overgaan van de ene generatie op de andere”. Modificaties zijn veranderingen in de genetische opmaak en in de frequentie van de genen. Deze definitie omvat de zogenaamde kleinschalige evolutie, ofwel veranderingen in de genen frequentie van een volk van één generatie tot de volgende. En ook grootschalige evolutie, ofwel de afstamming van verschillende soorten van een gemeenschappelijke voorouder over vele generaties. Er moet wel begrepen worden dat biologische evolutie niet enkel een verandering over tijd is, zoals het vallen van bladeren van een boom. Deze processen hebben namelijk niets te maken met een genetische afstammeling door genetische erfenis.

Men beweert dat vier basisprocessen de mechanismen van evolutie beschrijven. Dezen zijn:

1. Mutatie

2. Migratie

3. Genetische drift

4. Natuurlijke selectie

Mutatie refereert naar de eigenlijke veranderingen van het DNA in de cellen. Volgens de evolutieleer bepaalt de DNA hoe de mens eruit ziet en hoe hij zich gedraagt. Derhalve kan een verandering in het DNA zorgen voor een verandering in alle aspecten van het leven. Op het moment dat cellen vermenigvuldigen wordt het DNA exact gekopieerd zoals zij is. Echter het kan gebeuren dat er een mutatie voorkomt. Vanaf dat moment is het DNA dus veranderd. Deze mutaties gebeuren willekeurig en zijn gewoonlijk niet afhankelijk van externe factoren. De mutatie beïnvloedt de genen met als gevolg dat deze beïnvloedde genen overgaan op de volgende generatie. Dit is derhalve een vorm van evolutie. Mutaties worden meestal veroorzaakt door straling, chemicaliën en virussen. Een voorbeeld hiervan is kanker, dat ontstaat wanneer (minimaal) zeven mutaties plaatsvinden. Mutatie is een vorm van genetische variatie. Genetische variatie is het bestaan van verschillen in het genetisch materiaal van een populatie, biologische soort of een geheel ecosysteem. Deze variatie zorgt voor verschillen binnen een soort. De variatie ontstaat ofwel door geslachtelijke voortplanting waarbij het genetisch materiaal van twee ouders gecombineerd worden, of door mutatie.

Migratie (gene flow) is het vloeien van de genen van een bepaalde populatie naar een andere. Wanneer de genen verplaatst worden naar een populatie waar die genen voorheen niet bestonden, verwordt de migratie van de genen tot een belangrijke bron van genetische variatie. De migratie kan zowel bij mensen als andere organismen voorkomen. Zo was de migratie van vele Afrikanen naar Amerika een vorm van migratie waar beide volkeren werden gemengd. In het geval van dieren en planten worden sommige soorten met elkaar gekruist. Zo bestaat er de Zeedonk, wat een kruising is tussen de zebra en de ezel (in het Engels: donkey).

Er kan gezegd worden dat zowel mutatie als migratie bronnen zijn voor genetische variatie, naast het feit dat ze mechanismen van evolutie zijn, omdat variatie in de populatie voorkomt door mutatie en migratie.

Genetische drift refereert naar de situatie waar bij toeval sommige individuen wat meer afstammelingen achterlaten dan anderen. Waardoor er dus meer genen zijn van deze individuen dan van andere individuen. Wanneer er bijvoorbeeld op een insect getrapt wordt, is er één insect minder om zijn genen naar een nieuwe generatie over te geven. Dit betekent weer dat er meer insecten zijn met andere karakteristieken die in staat zijn hun genen voort te brengen, binnen dezelfde populatie. Deze genetische drift beïnvloedt derhalve de genetische opmaak van een populatie.

Natuurlijke selectie op zijn beurt bestaat uit weer drie componenten:

1. Variatie in karakteristieken: bijvoorbeeld, sommige kevers zijn bruin en anderen zijn zwart;

2. Verschillen in reproductie: bijvoorbeeld, sommige insecten worden eerder opgegeten dan anderen, dus er ontstaat een verschil in reproductie;

3. Overerving: Bruine kevers hebben bruine baby’s, zij geven de genen door die bepalen dat de kleur bruin wordt.

Wanneer we deze componenten samen nemen, krijgen we de werking van natuurlijke selectie: de bruine kleur van de kever komt steeds meer voor in de populatie doordat hij meer reproduceerd of minder opgegeten wordt. En wanneer dit proces lang genoeg doorgaat dan zullen uiteindelijk alle kevers in de keverpopulatie bruin zijn. Een ander begrip dat verbonden is met natuurlijke selectie is de lichamelijke toestand van het organisme. Dit is gerelateerd aan de beroemde Darwinistische theorie: “Survival of the fittest (overleven van de sterkste)”. Dit begrip omschrijft hoe goed een specifiek organisme zijn genenset zal overgeven aan de volgende generatie, in vergelijking met andere genensets. Indien bruine kevers meer nageslacht zouden voortbrengen in vergelijking met zwarte kevers, wordt de bruine kever beschouwd als het hebben van een hogere lichamelijke toestand. Al het overige gelijblijvende zal de bruine kever dan alsmaar dominanter worden in de keverpopulatie.

Over het algemeen kunnen al deze mechanismen ervoor zorgen dat de frequenties van de genen in de populatie veranderen. Derhalve zijn zij allen mechanismen voor evolutionaire verandering.

Op basis van bovenstaande uiteenzetting stelt de evolutieleer dat al het leven op aarde één en dezelfde voorouder deelt. Dit betekent dat alles familie van elkaar is: mens, dier, plant, vis, et cetera. Het leven is uit de zee ontstaan en heeft zich daar verder ontwikkeld, waardoor uiteindelijk organismen vanuit de zee ter land kwamen en zich verder ontwikkelden. In tegenstelling tot wat velen denken, beweert de theorie niet dat de mens van een aap afstamt, maar dat de aap en mens een gemeenschappelijke voorouder hebben. Voortgaand op deze theorie wordt er beweerd dat de mens geëvolutioneerd is van een soort aapachtig wezen. De eerste gemeenschappelijke voorouder van de mensen en apen zou de “Australiopithecus” zijn, een oud en uitgestorven apensoort. Verder is de mens niet “hoger” of “verder geëvolueerd” dan andere levende wezens. Dit omdat er een gespleten afstamming heeft plaatsgevonden. Vanaf een gemeenschappelijke voorouder zijn er twee soorten ontstaan, die daarna verschillende geëvolueerd zijn. Derhalve hebben de mens en de aap elk verschillende karakteristieken die in hen geëvolueerd zijn en die uniek zijn aan hun eigen afstamming.

Een andere conclusie die evolutionisten trekken is dat het leven per toeval ontstaan is. Volgens hen zijn levenloze en onbewuste atomen toevallig bij elkaar gekomen om een cel te vormen en door middel van evolutie heeft de cel zich uiteindelijk ontwikkeld tot de organismen die we vandaag de dag waarnemen. En met dit punt staan de evolutionisten tegenover de creationisten, die geloven dat het leven is geschapen door een Schepper.

Argumenten aangedragen ter ondersteuning van de evolutie theorie

De mechanismen die zojuist uitgelegd zijn, zijn de bouwstenen van de evolutie theorie. De volgende stap is om te kijken naar het bewijs aangedragen ter ondersteuning van deze theorie. Immers, een wetenschappelijke theorie valt of staat met het aangedragen bewijs. De vraag die derhalve gesteld moet worden is: wat is het bewijs dat er evolutie heeft plaatsgevonden en dat ze verantwoordelijk is voor de variëteit in het leven? En is er ook bewijs dat laat blijken dat de genoemde mechanismen werkelijk de oorzaak zijn van al deze veranderingen? De aangedragen bewijzen zijn onder te verdelen in zes categorieën. We zullen al deze categorieën hieronder behandelen.

Fossielen
Fossielen zijn het eerste bewijs dat aangedragen wordt ter ondersrteuning van de evolutie theorie. Men beweert dat de gevonden fossielen uitstekende momentopnames zijn van het verleden, waarin evolutionair bewijs over miljoenen jaren te vinden is. Men kan verschillende conclusies trekken aan de hand van gevonden fossielen. Zo kan men bijvoorbeeld aan de hand van verschillende gaten of puncturen in het fossiel achterhalen hoe de interactie was met andere diersoorten. Dit stelt de wetenschappers in staat om te onderzoeken wat voor soort organisme voor de gaten verantwoordelijk was, het formaat van zijn kaken, enzovoort. Verder kunnen fossielen ons wat vertellen over de groeipatronen van de dieren. Door de doorsnede van de botten te onderzoeken, is het mogelijk om het aantal bloedvaten te achterhalen, dit zal dan een indicatie zijn voor de snelheid waarmee het dier is gegroeid.

Een significante sectie van de fossiele vondsten worden “transitionele vormen” genoemd. Er zijn fossielen gevonden waarvan men zegt dat dezen de tussenliggende staat tussen organismen uit de oudheid en hun afstammelingen van tegenwoordig laten zien. Een voorbeeld van een dergelijke vondst is het fossiel van de Beluga walvis. Deze walvis heeft vandaag de dag zijn neusgaten aan de top van zijn schedel. Een andere walvis genaamd Pakicetus, die beschouwd wordt familie te zijn van de hedendaagse walvissen en dolfijnen, had zijn neusgaten aan de voorkant van zijn schedel. Dit dier leefde ongeveer 50 miljoen jaar geleden. Er zijn ook fossielen ontdekt die dateren van ongeveer 25 miljoen jaar geleden, waar de neusgaten zich in het midden van de schedel bevinden. Dit dier werd de Aetiocetus genoemd. De wetenschappers pleiten derhalve dat de Aetiocetus mogelijk de transitionele vorm kan zijn, de Pakicetus linkend met de Beluga walvis, wat dus volgens hen een bewijs voor de evolutie is.

Bij de foto links: De Beluga walvis
Bij de foto rechts: Schedel Pakicetus

Bij de foto links: Schedel van de Beluga walvis
Bij de foto rechts: Schedel van de Aetiocetus

Homologieën
Het tweede dat aangedragen wordt als bewijs voor de evolutie theorie zijn de zogenoemde homologieën. De evolutie theorie voorspelt dat organismen van dezelfde voorouder gelijkenissen vertonen. Deze gelijke karakteristieken worden homologieën genoemd. De aanname hierachter is dat alle soorten organismen een gemeenschappelijke voorouder delen. In de loop der tijd evolueren nieuwe soorten en de verwachting is dat deze soorten gelijkenissen delen, gezien het feit dat zij afstammen van dezelfde voorouder. Een bekend voorbeeld is die van de mens en de aap. In de geschiedenis hadden zij een gemeenschappelijke voorouder van waaruit beide soorten evolueerden. Derhalve hebben mensen en chimpansees gemeenschappelijke karakteristieken, omdat zij dezelfde voorouders delen.

Door de anatomie van verschillende organismen te bestuderen en te kijken naar cellulaire gelijkenissen en verschillen, en middels het besturen van de embryologische ontwikkeling van organismen, kunnen er homologieën gevonden worden en vindt men aanwijzingen voor de evolutie van de organismen van vandaag de dag. Gedurende verschillende ontwikkelingsfases, erven organismen voorouderlijke kenmerken in volledige of onvolledige vorm. Bijvoorbeeld, sommige soorten slangen hebben achterpoten in hun vroege embryo stage, maar zij verliezen dezen en ontwikkelen zich uiteindelijk tot pootloze volwassenen. Het onderzoek naar de ontwikkelingsfases van slangen, gecombineerd met de fossiele bewijsvoering van slangen met ledematen, ondersteunt de hypothese dat slangen geëvolueerd zijn van een voorouder met poten.

Op cellulair en moleculair niveau vindt men vele fundamentele gelijkenissen tussen de cellen van levende wezens. Dit kan uitgelegd worden met behulp van de evolutieleer. Alle organismen zijn gemaakt van cellen, die op hun beurt bestaan uit membranen die gevuld zijn met water wat genetisch materiaal, proteïnen, vetten, koolhydraten, zouten en andere substanties bevat. De cellen van de meesten van de organismen gebruiken suiker als brandstof, terwijl zij proteïnen produceren als bouwende blokken en boodschappers. Wanneer een dierlijke cel vergeleken wordt met de cel van een plant, zijn er enkel drie structuren uniek tegenover de ander. Namelijk, de celwand, de centriool en de chloroplast. Alle andere aspecten zijn gemeenschappelijk, zoals de nucleus, cytoplasma en de vacuole.

Ook wanneer men de genen van verschillende organismen bestudeert vindt men bij sommigen verbazingwekkende gelijkenissen. Wormen vertonen bijvoorbeeld voor 25% dezelfde genen als mensen. DNA is als het ware een homologie voor alle levende dingen. Alles heeft een DNA en dit is een gemeenschappelijke eigenschap die dus, volgens de aanhangers van de evolutieleer, voortgekomen moet zijn vanuit een gemeenschappelijke voorouder.

Homologieën worden als het ware gebruikt als een bewijs voor de theorie, daar het ontstaan van gelijkenissen tussen groepen organismen een indicatie wordt geacht van gemeenschappelijke voorouders en dus evolutie.

Diversiteit
Het bestaan van biodiversiteit vandaag de dag is het derde dat als bewijs wordt aangedragen voor de evolutie theorie. Er is voldoende tijd geweest om de diversiteit van vandaag de dag te produceren. De leeftijd van de aarde is vastgesteld door relatieve vaststelling, door de verschillende rotslagen op de aarde te bestuderen, en door numerieke vaststelling, wat afhankelijk is van de bederving van radioactieve elementen zoals uranium en potassium. De conclusie die hieruit getrokken is is dat de tijdschalen adequaat genoeg zijn voor de evolutie om de biodiversiteit vandaag de dag tot bestaan te brengen.

Kunstmatige selectie
Kunstmatige selectie wordt eveneens aangedragen als een bewijs voor evolutie. Dit omdat mensen selectieve kweking met planten en dieren voor honderden jaren hebben uitgevoerd en deze kweking heeft laten zien hoe soorten drastisch kunnen veranderen. Het kan gesteld worden dat kunstmatige selectie de mogelijkheid heeft om de vormen en gedragingen van populaties te wijzingen tot het punt dat zij schijnbarend anders dan hun voorouders verworden. Dus kunstmatige selectie wordt daarom als model genomen voor de werking van natuurlijke selectie.

Omgang met variatie in omgeving en ecologie
De variatie in de omgeving en ecologie wordt ook gezien als een bewijs voor evolutie. Een voorbeeld hiervan is de huismus die in de 19e eeuw overkwam vanuit Europa naar Noord-Amerika. Er wordt gezegd dat de variërende woonomgevingen tot genetische variatie heeft geleid, die het mogelijk maakte voor de huismus om het grootste gedeelte van het continent te bewonen. Huismussen in het noorden zijn groter en donkerder dan de zuidelijke huismus. Donkergekleurden absorberen zonlicht beter dan lichtgekleurden en een groter formaat van het dier is voordelig in koude omstandigheden.

Wetenschappelijke experimenten
Als laatst hebben wetenschappelijke experimenten laten zien dat populaties kunnen evolueren. John Endler van de Universiteit van Californië experimenteerde met guppies (een vissoort). Vrouwelijke guppies prefereren kleurrijke mannetjes voor het paren en jagende vissen prefereren eveneens een kleurrijke vis omdat dezen makkelijker te zien en dus te vangen zijn. In sommige delen van het water waar minder jaagvissen leven, leven eveneens meer kleurrijke guppies. Echter, in de delen van het water waar veel jaagvissen leven, zijn de guppies minder kleurrijk. Toen Endler jaagvissen verplaatste naar de regio’s waar veel felgekleurde guppies leefden, ging natuurlijke selectie in werking waardoor er een populatie van donkerdere mannelijke guppies werden geproduceerd. Dit demonstreert volgens Endler dat de variatie van een populatie verandert wanneer de levensomstandigheden veranderen.

Kritiek op de evolutie theorie

Alvorens kritiek te geven op de evolutie theorie dient men twee zaken met betrekking tot de theorie te onderscheiden, namelijk de processen van de evolutie theorie en de aangenomen hypotheses van de evolutie theorie. De mutatie, migratie, genetische drift en natuurlijke selectie zijn namelijk allen waarneembare realiteiten en kunnen derhalve niet bediscussieerd worden. Derhalve zal de focus van de kritiek niet hierop gericht zijn. De centrale vraag is echter: zijn de waargenomen processen de verklaring voor de biodiversiteit, zoals de evolutionisten stellen?

Het eerste punt van kritiek richt zich op de methodologie achter de ontwikkeling van de theorie. Het is namelijk zo dat de evolutie theorie, in tegenstelling tot wat velen denken, niet wetenschappelijk is. Wetenschap, namelijk, is gebaseerd op waarneming. Men probeert een waarneming door middel van de ontwikkeling van een theorie te verklaren, waarna er vervolgens wederom waarnemingen gedaan worden om de theorie te toetsen. Wanneer ook de additionele waarnemingen passen bij de theorie, wordt de theorie bevestigd en wanneer de additionele waarnemingen slechts gedeeltelijk passen bij de theorie, wordt hierdoor duidelijk dat de theorie aangepast dient te worden. Wanneer geen van de additionele waarnemingen passen bij de theorie, kan de theorie in zijn geheel verworpen worden.
Toen Charles Darwin zijn theorie aan de mensen presenteerde is daar echter geen waarneming van het evolutieproces zelf aan voorafgegaan. Er waren wel waarnemingen van feiten die op elkaar leken en net iets van elkaar verschilden, maar er was geen waarneming van het evolutieproces zelf. Hoewel hij nooit dieren- of plantensoorten heeft zien evolueren, beweerde Darwin toch dat het wel degelijk plaatsvond. Hij stelde dat het onmogelijk was voor de mens om dit proces waar te nemen, omdat dit over een zeer lange tijd plaatsvond. Hieruit blijkt dat Darwin juist het omgekeerde uitvoerde van wetenschap: hij bedacht eerst zijn theorie zonder het proces van evolutie ooit waargenomen te hebben, en ging daarna over op waarneming, ofwel op zoek naar wat hij als bewijzen voor zijn theorie zou kunnen presenteren. Deze methode van onderzoek vertoont echter twee methodische problemen voor wat betreft de objectiviteit van het resultaat. Ten eerste, men is geneigd om te zoeken naar een bevestiging van de theorie, waardoor men te snel conclusies kan trekken betreffende de waarneming en de objectiviteit verloren gaat. En ten tweede, door deze methode van onderzoek is men geneigd om de waarnemingen die het tegendeel van de theorie bewijzen, te negeren. Waardoor de objectiviteit eveneens verloren gaat.

Een goed voorbeeld hiervan is de zogenaamde “Piltdown Man”, een schedel gevonden in 1912 in Groot-Britannië. Deze schedel werd initieel gepresenteerd als bewijs voor de theorie. Er werd gezegd dat de “Piltdown Man” de missende link of transitievorm was tussen aap en mens. Na 40 jaar geaccepteerd te zijn als bewijs, beschreven in vele krantenstukken en tentoongesteld in meerdere musea, kwam men erachter dat de onderkaak van de schedel niet bij de mens hoorde, maar eigenlijk afkomstig was van een orang-oetang.

Het tweede punt van kritiek is dat er waarnemingen zijn geweest die de evolutie theorie weerleggen.
Er zijn namelijk tientallen voorbeelden van planten en dieren die er vandaag de dag nog exact hetzelfde eruit zien als honderden miljoenen jaren geleden. Dus naast de feiten die zouden kunnen impliceren dat evolutie werkelijk voorgekomen is, zijn er feiten waar men uit kan concluderen dat evolutie helemaal niet plaatsgevonden heeft.

Een derde kritiekpunt is dat nergens ter wereld organismen in echt transitionele vorm gevonden zijn. Waar zijn de organismen met half ontwikkelde vleugels en ogen, bijvoorbeeld? En waar zijn de vissen die over nog in ontwikkeling zijnde poten beschikken? De beroemde Darwin heeft deze vraag ook aan zichzelf gesteld in de volgende bewoordingen: “Waarom zien we niet overal transitionele vormen, als soorten afgestamd zijn door middel van onwaarneembare kleine veranderingen? Waarom is niet al de natuur in de war, in plaats van soorten, zoals we ze vandaag de dag zien, goed gevormd? Het is een uitstekende vraag en ik kan geen bevredigend antwoord hierop geven”.

De vierde kritiek op de evolutieleer is dat de oudste fossielen ter wereld dieren weergeven met complexe vormen. Oftewel, die ver ontwikkeld zijn. Dit zijn de fossielen gevonden in de Cambriaanse rotsen. Dezen stammen uit een tijd van maar liefst 500 tot 550 miljoen jaar geleden. Zij zijn zo oud dat zij geen voorouders kunnen hebben , maar zij zijn tegelijkertijd zeer complexe levensvormen. Volgens de evolutie theorie behoren de levensvormen zich zich op dat moment nog in een ontwikkelingsstaat te bevinden, echter.
Bij de foto: De fossielen uit de cambria rotsen

Eén van de grootste atheïsten en voorstander van de evolutie theorie, Richard Dawkins, zei het volgende hierover: “De Cambriaanse strata van rotsen zijn de oudste waarin we de meeste ongewervelde groepen vinden. En velen van hun bevinden zich in een geavanceerde staat van evolutie, terwijl het de eerste keer is dat ze verschenen zijn. Het is alsof zij er spontaan zijn neergezet, zonder enige evolutionaire historie.”

Het vijfde kritiekpunt richt zich op het verschil tussen de organismen. Wanneer we het hebben over kunstmatige selectie, dan kan het mixen van organismen in voortplanting wel zorgen voor nieuwe combinaties, maar het aantal is heel erg beperkt. Het aantal nieuwe combinaties is beperkt tot een vaste set van genencombinaties. Derhalve kan deze mix niet een radicaal nieuwe soort voortbrengen. Een Afrikaanse die gemeenschap heeft met een Europeaan, kan niet een geheel nieuwe soort mens voortbrengen. Een mens bijvoorbeeld met een paarse huidskleur. Het is daarom onmogelijk dat een mens en een aap aan elkaar verwant kunnen zijn, zoals de evolutie theorie dit beweert. De kloof tussen mens en aap zijn ontzettend groot, waardoor een evolutionistische paleoantropoloog genaamd Elaine Morgan ook bekende:

“De vier grootste mysteries van de mensen zijn:

1) Waarom lopen ze op twee benen?

2) Waarom hebben ze hun vacht verloren?

3) Waarom hebben ze zulke grote hersenen ontwikkeld?

4) Waarom hebben ze leren spreken?

De orthodoxe antwoorden op deze vragen zijn:

1) Wij weten het nog niet;

2) Wij weten het nog niet;

3) Wij weten het nog niet;

4) Wij weten het nog niet.

De vragenlijst kan nog aanzienlijk verlengd worden zonder invloed te hebben op de eenduidigheid van de antwoorden.”

In feite kan er dus gezegd worden dat eigenschappen kunnen veranderen, maar de karakteristieken van de organismen kunnen dit niet. En dit is een argument tegen evolutie theorie, die juist beweert dat de karaktersitieken wel kunnen veranderen over tijd.

Een andere onderzoeker genaamd Ferreras zei het volgende nadat hij een fossiel van een mens vond die meer dan 800.000 jaar oud is: “Wij verwachtten iets grootst, iets omvangrijks, iets adembenemends… je weetwel, iets ‘primitiefs’. Onze verwachtingen van een 800.000-oude jongen was zoiets als de Turkana-jongen. En wat wij vonden, was een volledig modern gezicht. Dit is voor mij het spectaculairst… Dit zijn de soort dingen die je door elkaar schudden. Om iets volkomen onverwachtst zoals dat te vinden. Het niet vinden van fossielen, en het vinden van fossielen is ook onverwacht, en het is okee. Maar het is spectaculairst iets vinden waarvan je dacht, dat het tot het heden behoort en het komt uit het verleden. Het is net zoals iets als een taperecorder in de Gran Dolina te vinden. Dat zou erg verrassend zijn. We verwachten geen cassettes en taperecorders in het late Pleistoceen. Het vinden van een modern gezicht is hetzelfde. Wij waren erg verbaasd, toen we het zagen.”

Het zesde en laatste kritiekpunt heeft betrekking op de mutatie. Wanneer we vandaag kijken naar gemuteerde organismen, kunnen we zien dat de mutaties altijd negatief zijn. Elke mutatie is een “ongeluk”en beschadigt de nucleotiden die het DNA vormen of veranderen hun plaats. We kunnen gevolgen van mutaties vandaag de dag zien door te kijken naar de slachtoffers van Hiroshima, Nagasaki en Chernobyl. De gevolgen zijn de dood, mismaaktheid en misstanden van de natuur. Dit werd mooi verwoord door B.G. Ranganathan: “De mutaties zijn gering, willekeurig en schadelijk. Zij komen maar sporadisch voor en het beste is als zij geen effect hebben. Deze vier eigenschappen van mutaties houden in, dat mutaties niet naar een evolutionistische ontwikkeling kunnen leiden. Een willekeurige verandering in een hoog ontwikkeld organisme is of zonder effect of schadelijk. Een willekeurige verandering in een horloge kan het horloge niet verbeteren. Waarschijnlijk brengt het schade toe of heeft op z’n best geen effect. Een aardbeving verbetert de stad niet, het zorgt voor haar vernietiging.”

Conclusie

Het is waarneembaar dat soorten kunnen veranderen. Maar de veranderingen zijn altijd in de eigenschappen van de soort en niet in de karakteristieken. De karakteristieken, echter, definiëren de soort. Dus wanneer een persoon met een donkere huidskleur en een persoon met een lichte huidskleur kinderen krijgen, dan heeft dit kind al de karakteristieken van de mens en enkel de karaktersitieken van de mens. Enkel zijn eigenschappen, zoals zijn huidskleur en haar, kunnen anders zijn dan beide ouders. En wanneer er kruisbestuiving plaatsvind, ook dan zijn het de eigenschappen die beïnvloedt worden en niet de karakteristieken. Het kan dat de druif verschillende eigenschappen van een ander fruit kan overnemen, waardoor sommige van haar eigenschappen veranderen, zoals de afwezigheid van een pit, maar het blijft een druif. De manieren waarop deze veranderingen in de eigenschappen plaatsvinden kunnen geschieden door Migratie, Genetische Drift en Natuurlijke selectie.

De evolutionisten, echter, beweren dat soorten kunnen veranderen in andere soorten. Dat de karakteristieken van een soort kunnen veranderen. Maar uit bovenstaande analyse van de argumenten voor deze bewering moet geconcludeerd worden dat de evolutie theorie eerder berust op fantasie en speculatie dan op feit en wetenschap. De verkeerde methode van Darwin heeft geleidt tot subbjectief onderzoek, en er zijn veel waarnemingen gedaan die definitief het tegendeel van evolutie bewijzen.
De onjuistheid van de evolutie theorie en de vele waarnemingen die de onderzoekers hebben gedaan impliceren zeer duidelijk dat soorten niet veranderd zijn en dat zij te ingewikkeld en complex zijn om door middel van toeval tot bestaan te komen. Het is duidelijk dat de organismen in al hun complexiteit geschapen zijn door een Schepper die alles tot in detail ontworpen heeft.

“In de schepping van de hemelen en de aarde, in het verschil tussen nacht en dag, in de schepen die op zee varen met wat nuttig is voor de mensen, in het water dat Allah uit de hemel laat neerdalen om daarmee de aarde te doen herleven nadat zij dood was, in dat Hij allerlei dieren erop heeft verspreid, in het besturen van winden en in de wolken die voortgedreven worden tussen hemel en aarde, zijn tekenen voor mensen die verstandig zijn.” (Zie de vertaling van de betekennissen van de Koran, soera Al Baqara 2, vers 164)

Comments

comments

DELEN