Vanuit een economische perspectief kan de wereld opgedeeld worden in ontwikkelde- en ontwikkelingslanden.

In ontwikkelde landen is industrialisering reeds een feit. De bevolkingen van deze landen hebben hierdoor de mogelijkheid gekregen om banen met inkomens te vinden die hen in staat stellen om in relatieve luxe te leven. Ontwikkelingslanden, daarentegen, moeten (het grootste deel van) dit proces van industrialisering nog doorlopen. De meeste mensen in deze landen hebben daarom geen toegang tot de banen die het relatief luxe leven dat de norm is in ontwikkelde landen mogelijk maken. In ontwikkelingslanden is armoede derhalve de norm.

Omdat de uitgangssituatie van beide typen van landen verschilt, verschilt gewoonlijk ook het economisch beleid dat zij voeren. In de meeste ontwikkelde landen is het economisch beleid gebaseerd op een wens tot doorontwikkeling van de geïndustrialiseerde economie naar een “kenniseconomie”. Dit is een economie waarin industrieën die gebaseerd zijn op de meest hoogstaande technologische en wetenschappelijke kennis meer voorkomen dan de ouderwetse basisindustrieën zoals de fabricage van kleding en laag-technologische machines en apparaten. In de meeste ontwikkelingslanden is het economisch beleid gericht op het overnemen van deze basisindustrieën waar de ontwikkelde landen geen tot weinig interesse meer in hebben.

Specifiek voor wat betreft het economisch beleid van ontwikkelingslanden, hierin is gewoonlijk een bijzondere rol weggelegd voor buitenlandse investeringen. Bijna al de ontwikkelingslanden hebben een strategie om investeringen in hun economieën aantrekkelijk te maken voor buitenlandse ondernemers, gewoonlijk uit de ontwikkelde landen. Deze strategie is zozeer de standaard geworden dat de ontwikkelingslanden tegenwoordig elkaar beconcurreren in deze zaak. Ieder van hen probeert zich meer dan de andere ontwikkelingslanden interessant te maken voor buitenlandse ondernemers. De vraag is echter hoe correct deze strategie voor ontwikkeling is.

De theorie achter buitenlandse investeringen

Het is niet eenvoudig om een proces van industrialisering op gang te brengen. Het vereist significante uitgaven aan infrastructuur (wegen, havens, gebouwen, ICT, enzovoorts) en de import van machines. De overheden, bedrijven en burgers van ontwikkelingslanden hebben hier gewoonlijk de middelen niet voor.

De kapitalistische economische theorie raadt ontwikkelingslanden af om te proberen dit proces van transformatie te realiseren zonder buitenlandse hulp. Het zou van de overheid, bedrijven en burgers grote spaarzaamheid vereisen, over langere tijd, omdat het ontwikkelingsland enkel zo de middelen bijeen zou kunnen brengen voor de benodigde investeringen. Het zou de mensen van het onwikkelingsland dus lang in hun situatie van armoede houden. Bovendien, zegt de kapitalistische economische theorie, zou het de armoede tijdelijk verergeren. Om het sparen mogelijk te maken zouden de overheid, bedrijven en burgers van het onwikkelingsland namelijk hun consumptie van goederen en diensten moeten verminderen. Hierdoor zou de economische bedrijvigheid in het ontwikkelingsland nog verder verminderen waardoor vele van de reeds schaarse banen in het land verloren zouden gaan.

Het alternatieve plan voor het op gang brengen van industrialisering dat de kapitalistische economen voorstellen is om buitenlandse investeerders zover te krijgen de hiervoor noodzakelijke investeringen te financieren. Met buitenlandse investeerders zou een ontwikkelingsland namelijk niet hoeven te sparen om de voor industrialisering noodzakelijke investeringen te kunnen doen. De industrialisering zou dan dus sneller plaats kunnen vinden en geen opoffering van de overheid, bedrijven en burgers van het ontwikkelingsland vereisen. Volgens de kapitalistische economische theorie is het ook mogelijk voor ontwikkelingslanden om buitenlandse investeerders aan te trekken omdat de lonen in ontwikkelingslanden veel lager zijn dan in de ontwikkelde landen. Ondernemers uit ontwikkelde landen zouden dus meer winst kunnen maken als zij hun fabrieken zouden verplaatsen naar een ontwikkelingsland en dit gegeven alleen al maakt hen van nature geïnteresseerd in en bereid tot het (deels) financieren van de industrialisering.

Een kritiek op directe buitenlandse investeringen in de export sector

Men spreekt van directe buitenlandse investering wanneer een buitenlandse ondernemer in een ontwikkelingsland een bedrijf start, of een bestaand bedrijf koopt en met zijn eigen geld verder ontwikkelt. Het kenmerk van directe buitenlandse investeringen is dus dat de buitenlandse ondernemer (deels) eigenaar wordt van een onderneming in het ontwikkelingsland.

Directe buitenlandse investeringen stellen een ontwikkelingsland inderdaad in staat om sneller te ontwikkelen dan met zelf-financiering van de industrialisering mogelijk zou zijn. En dat is positief.

De schaduwzijde van directe buitenlandse investeringen is dat ten minste een deel van de winst die door de investering tot stand worden gebracht gedeeld zullen moeten worden met de buitenlandse investeerder. Deze repatrieert zijn deel van de winst gewoonlijk naar het land waar hij vandaan komt. Afhankelijk van hoeveel kapitaal de buitenlandse investeerder in heeft gebracht in de onderneming kan het zelfs zo zijn dat al de winst naar hem gaat en dus dat al de winst vanuit het ontwikkelingsland overgemaakt wordt naar het thuisland van de buitenlandse investeerder. Bij directe buitenlandse investeringen zal het ontwikkelingsland dus slechts van een deel van de winst uit de investering kunnen genieten, terwijl in het geval van zelf-financiering de winst volledig ter beschikking zal staan van het ontwikkelingsland.

Zolang de onderneming die door directe buitenlandse investeringen is opgezet zich richt op export uit het ontwikkelingsland heeft dit geen directe negatieve consequenties voor het ontwikkelingsland. In dit geval is het netto resultaat voor het ontwikkelingsland positief zelfs als de onderneming volledig in handen is van buitenlandse investeerders en de winst op de export dus volledig naar het thuisland van de buitenlandse investeerders gaat. Deze onderneming verkoopt haar producten immers buiten het ontwikkelingsland en neemt dus geen geld van de burgers van het ontwikkelingsland. De onderneming gebruikt echter wel arbeiders, grondstoffen, onder-aannemers, enzovoorts, uit het ontwikkelingsland om haar producten te maken, waarvoor het de burgers van het ontwikkelingsland moet betalen.

Op de langere termijn kent deze situatie van een door directe buitenlandse investeringen opgezette onderneming voor export wel negatieve consequenties voor het ontwikkelingsland, echter. Investeerders met interesse in ontwikkelingslanden zoeken gewoonlijk naar goedkope arbeidskrachten voor basisindustrieën zoals de fabricage van kleding en laag-technologische machines en apparaten. Hun belang is dus bij het laag houden van de lonen in het ontwikkelingsland en daarom is het resultaat van directe buitenlandse investeringen in ontwikkelingslanden meestal veel werk maar weinig salaris voor de burgers van het ontwikkelingsland. Voor het ontwikkelingsland is het daarom belangrijk dat de basisindustrie zich doorontwikkelt naar meer hoogstaande industrie, omdat in meer hoogstaande industrieën gewoonlijk hogere salarissen worden betaald. Bovendien, doorontwikkeling van de economie van het ontwikkelingsland maakt het ontwikkelingsland minder afhankelijk van de ontwikkelde landen voor wat betreft hoogtechnologische producten. In plaats van geld uit te geven aan de import van dergelijke producten uit de ontwikkelde landen kan het ontwikkelingsland deze producten dan bij lokale bedrijven kopen en dus lokale bedrijven en banen ondersteunen in plaats van bedrijven en banen in de ontwikkelde landen. De buitenlandse investerdeers hebben echter geen interesse in het doorontwikkelen van de met hun geld opgezette basisindustrie naar meer hoogstaande industrie. Hoogstaande industrieën opzetten kunnen ze ook wel in hun thuisland en dat ze naar het ontwikkelingsland zijn gekomen was vanwege de mogelijkheden daar voor basisindustrie. Buitenlandse investeerders ondersteunen de door het ontwikkelingsland gewenste doorontwikkeling van de economie daarom niet. Zij werken deze eerder tegen. Zodra er in het ontwikkelingsland een oproep ontstaat tot verdere ontwikkeling, zodat lonen verhoogd kunnen worden, dreigen buitenlandse investeerdes met het sluiten van hun fabrieken en verplaatsen van hun basisindustrie naar andere ontwikkelingslanden. Over langere periode werken buitenlandse investeringen dus als een rem op economische ontwikkelings in ontwikelingslanden.

Daarom is het uiteindelijke resultaat van directe buitenlandse investeringen in ontwikkelingslanden meestal een initiële periode van sterke economische groei, die de burgers van het ontwikkelingsland aan laagbetaald werk helpt en hoop geeft voor de toekomst, waarna de economische ontwikkeling stopt en de burgers van het ontwikkelingsland teleurgesteld raken over het feit dat voor hen enkel laagbetaald werk beschikbaar is.

Een kritiek op directe buitenlandse investeringen buiten de export sector

Wanneer directe buitenlandse investeringen zich niet richten op export uit het ontwikkelingsland maar op de interne markt van het ontwikkelingsland, dan zijn zij niet enkel op lange termijn maar ook op korte termijn nadelig voor het ontwikkelingsland.

In deze situatie gaat er een geldstroom van de door directe buitenlandse investeringen opgezette onderneming naar de mensen uit het ontwikkelingsland, omdat de onderneming arbeiders, grondstoffen, onder-aannemers, enzovoorts, uit het ontwikkelingsland gebruikt om haar producten te maken. Maar er gaat in deze situatie ook een geldstroom van de mensen uit het ontwikkelingsland naar deze door directe buitenlandse investeringen opgezette onderneming, omdat deze onderneming haar producten verkoopt aan de mensen uit het ontwikkelingsland.

Als deze door directe buitenlandse investeringen opgezette onderneming winst maakt dan betekent dit dat er meer geld van de mensen uit het ontwikkelingsland naar de onderneming gaat dan dat de onderneming aan de mensen van het ontwikkelingsland geeft. Aangezien buitenlandse ondernemers hun winst terughalen naar hun thuisland is het netto resultaat van deze directe buitenlandse investeringen dus negatief voor het ontwikkelingsland, want er gaat meer geld het ontwikkelingsland uit dan dat er door de buitenlandse investering binnenkomt. Het ontwikkelingsland wordt door deze directe buitenlandse investering armer.

Een kritiek op indirecte buitenlandse investeringen

Men spreekt van indirecte buitenlandse investering wanneer een buitenlandse ondernemer in een ontwikkelingsland door middel van rentedragende leningen geld beschikbaar maakt voor het opstarten of vergroten van bedrijven.

Vanuit puur economisch perspectief kunnen indirecte buitenlandse investering net zoals directe buitenlandse investering zowel positief als negatief zijn voor een ontwikkelingsland. Dit is afhankelijk van de manier waarop het geleende geld gebruikt wordt, hoeveel winst wordt gemaakt en hoeveel aan rente betaald moet worden. Als de investering uiteindelijk meer geld het ontwikkelingsland binnen doet komen naar dan naar buiten doet laten gaan, zoals bij een lening die voor investering in een op export geconcentreerde onderneming gebruikt wordt waardoor grote winsten worden gerealiseerd en waarvoor maar weinig rente betaald hoeft te worden, dan heeft de indirecte investering een netto positief resultaat. Als niet, zoals bij een lening die voor investering in een op de lokale markt van het ontwikkelingsland geconcentreerde onderneming gebruikt wordt waardoor kleine winsten worden gerealiseerd maar waarvoor veel rente betaald moet worden, dan is het netto resultaat negatief voor het ontwikkelingsland.

Indirecte buitenlandse investeringen hebben echter één voor het ontwikkelingsland sterk negatief strategisch gevolg. Het zorgt immers voor schulden voor lokale onderneming bij buitenlanders. Deze bedrijven zullen hun buitenlandse investeerders tevreden moeten houden, want als die op enig moment hun geld opeisen dan gaat de lokale onderneming failliet. [1] Omdat de meeste indirecte buitenlandse investeringen gedaan worden in de munt van de buitenlanders zal zelfs ook het ontwikkelingsland als geheel de buitenlanders tevreden moeten houden. Als namelijk een ontwikkelingsland leent in een buitenlandse munt, en de waarde van de munt van het ontwikkelingsland daalt, dan stijgt de waarde van de lening wanneer uitgedrukt in de munt van het ontwikkelingsland. Dit zou het moeilijker maken om het geleende geld en de rente hierover terug te betalen. Om de waarde van haar munt stabiel te houden ten opzichte van de buitenlandse munt moet het ontwikkelingsland exporteren naar het land waarvan het geleend heeft. De buitenlanders zullen weten dat het ontwikkelingsland wel moet exporteren, en dus heel sterk staan in hun onderhandelingen met het ontwikkelingsland. Het ontwikkelingsland zal dus enkel tegen heel slechte voorwaarden de noodzakelijk exporten kunnen doen. Zo wordt de economie van het ontwikkelingsland door indirecte buitenlandse investeringen volkomen afhankelijk van het buitenland.

Een analyse van het Chinese succes met buitenlandse investeringen

De spectaculaire opkomst van de economie van China is voor een groot deel gebaseerd op directe buitenlandse investeringen. Betekent dit dat directe buitenlandse investeringen toch wel goed zijn en niet slecht?

Het Chinese succesverhaal begint met een studie uitgevoerd door de Chinezen tijdens de jaren ’70 van de vorige eeuw. De Chinese communistische partij realiseerde zich dat voor de snel groeiende Chinese bevolking banen nodig waren, omdat anders opstanden tegen het communistische bewind zouden kunnen uitbreken. De studie moest een oplossing voor dit probleem formuleren.

De adviezen van de studie werden in 1978 de pilaren van een nieuw economisch beleid, het zogenoemde “Open Deuren”-beleid. Onder dit beleid richtte China Speciale Economische Zones (SEZ) op waar buitenlandse ondernemers ondernemingen mochten oprichten. Dit was zeer interessant voor ondernemers in Amerika en Europa omdat in China de loonkosten veel lager waren dan in hun thuislanden. Op deze manier wist China dus vele bedrijven aan te trekken en banen te scheppen voor miljoenen Chinezen.

Investeren in China werd echter niet helemaal vrij gelaten door de Chinezen. Buitenlandse ondernemers mochten alleen bedrijven opzetten in de SEZ’s als ze beloofden technologische en management kennis te zullen delen met de Chinezen (waarna de Chinese regering er streng op na heeft gezien dat de investeerders hun belofte ook daadwerkelijk nakwamen).

Hier hebben de Chinezen veel van geleerd waardoor zij in staat zijn geweest hun economie zelfstandig door te ontwikkelen. China maakt nu niet enkel meer laag-technologische producten van slechte kwaliteit. Chinese bedrijven beconcurreren tegenwoordig westerse bedrijven in hoog-technologische industrieën als Informatie-technologie (Huawei), computers (Lenovo), mobiele telefoons (Foxconn), olie & aardgas productie (CNOOC) en defensie (de Chinese Precision Machinery Export-Import Corporation gaat raketten verkopen aan Turkije [2]).

De Chinezen hebben dus niet door directe buitenlandse investeringen hun economie opgebouwd. Ze hebben directe buitenlandse investeringen gebruikt om kennis te importeren en met deze kennis hebben ze vervolgens zelf hun industrie opgebouwd. [3]

[1] Dit is wat de Aziatische Tijger Crisis van 1996, die de economieën van Thailand en Indonesië verwoeste en Maleisië en Zuid-Korea ernstig verzwakte, veroorzaakte.

[2] “The Chinese Model: Arm the World at a Discount”, www.ibtimes.co.uk/chinese-arms-sale-discount-china-weapons-export-515511

[3] “Demistifying the Chinese economy”, Justin Yifu Liu, http://siteresources.worldbank.org/DEC/Resources/84797-1104785060319/598886-1104852366603/599473-1223731755312/Speech-on-Demystifying-the-Chinese-Economy.pdf

Comments

comments

DELEN