Het is niet eenvoudig om het onderwerp terrorisme op intellectuele wijze te bespreken. Want alhoewel de wereld momenteel verenigd is in een (door Amerika geleide) Oorlog tegen Terrorisme, is er geen overeenstemming over wat precies terrorisme is.

Dit blijkt duidelijk uit de reactie van politiek en media op gebeurtenissen die onder de meest gangbare definitie van terrorisme vallen, “het zonder wettige grond plegen van ernstig geweld, of ernstige dreiging daarmee, met een politiek of religieus doel”. Deze reactie is niet consistent, namelijk, maar afhankelijk van de locatie van de gebeurtenis, de dader en het slachtoffer.

Bijvoorbeeld als een moslim met een politiek of religieus motief een niet-moslim in één van de voorname landen in de wereld doodt, zoals bij de aanslagen in Parijs (13 november 2015), de aanslagen in Londen (7 juli 2005), de aanslagen op Madrid (11.3.2004) en de aanslagen in New York (11 september 2001). Politici en media spreken dan van “terrorisme” en besteden voor langere tijd uitgebreid aandacht aan de gebeurtenis. Er is veel aandacht voor de directe slachtoffers en het leed dat hun familie en bekenden is aangedaan. Er is vaak ook een impliciete oproep aan de mensen van de wereld om stil te staan bij dit lijden, alsook een expliciete oproep om de daad en de daders verantwoordelijk voor dit lijden te veroordelen. Politici en media proberen in deze gevallen ook een consensus tot stand te brengen die zegt dat de daad en haar daders het toppunt van kwaad en barbaarsheid representeren, die enkel en alleen compleet verworpen kunnen worden. Dientengevolge is er weinig tot geen aandacht voor de mogelijke beweegredenen van de daders. Dit vraagstuk is feitelijk taboe en wie deze probeert op te brengen wordt gewoonlijk weggezet als iemand die de daad probeert goed te praten. De gemeenschap van waaruit de daders voortgekomen zijn wordt ook tegen het licht gehouden. Zij moet duidelijk maken waarom zij niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor de daad en haar daders. Oftewel, zij wordt verantwoordelijk geacht maar krijgt de kans om zichzelf vrij te pleiten. Dit vereist dat de gemeenschap zich compleet distantieert van de daad en haar daders en zich in het openbaar streng tegen hen uitspreekt.

Als een moslim met een politiek of religieus motief een niet-moslim in één van de moslimlanden doodt, zoals bij de aanslag op het Radisson Blu hotel in Bamako, Mali (20 november 2015), de aanslag op het Westgate winkelcentrum in Nairobi, Kenia (21 september 2013), of de aanslagen op het vakantie-eiland Bali, Indonesië (12 oktober 2002), dan reageren politiek en media op dezelfde manier maar korter van duur. Met uitzondering van de landen waar de daders of slachtoffers vandaan komen, gaan politiek en media in dit geval na een paar dagen weer over tot de orde van de dag.

De reden hiervoor is dat gebeurtenissen buiten de voorname landen in de wereld standaard minder belangrijk worden geacht. De mensen in de voorname landen in de wereld associëren zich toch meer met elkaar dan met mensen buiten hun gezelschap.

Het wordt al iets anders wanneer een moslim met een politiek of religieus motief een niet-moslim in één van de moslimlanden doodt, maar deze niet-moslim ondersdeel was van een invasie- of bezettingsmacht. Omar Khadr en Anis Sardar, bijvoorbeeld, zijn ervan beschuldigd gevochten te hebben tegen Amerikaanse soldaten in Afghanistan en Irak nadat Amerika deze landen was binnengevallen om een politieke verandering tot stand te brengen. Voor politiek en media zijn zij daarom terroristen, maar men besteed maar weinig aandacht aan de precieze daad die zij gedaan zouden hebben om deze titel te verdienen. In deze gevallen is de aandacht gericht op de daders en hoe slecht zij wel niet zijn omdat zij slachtoffers hebben gemaakt. Vragen zoals hoe zij de daad hebben begaan, waar en wanneer precies worden grotendeels genegeerd in deze gevallen.

De reden voor deze specifieke reactie van politiek en media laat zich eenvoudig raden. Alle landen achter de Oorlog tegen Terrorisme vereren immers mensen juist omdat die zich middels geweld hebben verzet tegen invasies door vreemde machten, oftewel die mensen gedood hebben om hun landen te verdedigen – Willem van Oranje in Nederland, de verzetsstrijders tegen de Nazi’s in gans Europa, de Founding Fathers in Amerika, enzovoorts. Het is derhalve duidelijk hypocriet om moslims die ditzelfde doen in hun landen van terrorisme te beschuldigen. Daarom kunnen politiek en media niet al teveel aandacht besteden aan wat mensen zoals Khadr en Sardas gedaan zouden hebben, omdat er een groot risico bestaat dat de mensen in de voorname landen in de wereld dan zullen inzien dat het gebruik van de term terrorisme in dit geval onrechtvaardig is.

Dientengevolge is er in deze gevallen vaak ook geen oproep om wereldwijd stil te staan bij de daad en haar slachtoffers, omdat een dergelijke oproep vraagt om de uitgebreide beschouwing van de gebeurtenis die men niet wil geven.

Als een moslim met een politiek of religieus motief een andere moslim in één van de moslimlanden doodt, dan begint de reactie van politiek en media echt anders te worden. Voorbeelden van deze gebeurtenissen zijn de recente aanslagen in Beiroet (12 november 2015) en Ankara (10 oktober 2015). Politiek en media veroordelen dit wel als terrorisme, maar staan er verder niet teveel bij stil. Er is bijvoorbeeld gewoonlijk geen aandacht voor de slachtoffers voor de daad. Wel is er in deze gevallen aanval op de moslimgemeenschappen in de voorname landen in de wereld, omdat Islam gewoonlijk verantwoordelijk wordt gehouden voor het geweld – “Altijd wat in die moslimlanden…”.

“De wereld draait door” zeggen politiek en media als ze gewezen wordt op het verschil in hun reactie op dergelijke gebeurtenissen in één van de voorname landen in de wereld en dergelijke gebeurtenissen in één van de moslimlanden – waarmee ze eigenlijk zeggen “ons leven is hierdoor niet beïnvloedt, dus interesseert het ons niet echt veel”.

Als een niet-moslim met een politiek of religieus motief een moslim in één van de voorname landen in de wereld doodt, dan lijkt de reactie van politiek en media niet meer op hun reactie bij de eerder genoemde gebeurtenissen. Voorbeelden van dergelijke gebeurtenissen zijn de moord op Marwa El Sherbini, door de racist Alex Wiens in een rechtbank in het Duitse Dresden op 1 juli 2009, en de racistische moord op Muhammad Saleem en Muhsin Ahmed in Groot-Brittannië, beiden grootvaders en beiden gedood toen zij van de moskee naar huis onderweg waren. Opmerkelijk genoeg is er in deze gevallen volgens politiek en media geen sprake van terrorisme. In deze gevallen spreken politiek en media van een misdaad, iets waar nauwelijks aandacht aan besteden omdat er ook zoveel andere misdaden plaatsvinden in de voorname landen in de wereld.

Hetzelfde gebeurt als een niet-moslim met een politiek of religieus motief een niet-moslim in één van de voorname landen in de wereld doodt, zoals Anders Breivik deed in Noorwegen op 22 juli 2011, of Dylon Roof in een kerk in Charleston in de Amerikaanse staat North-Carolina op 17 juni 2015, of Robert Lewis Dear in een abortuskliniek in Colorado Springs in de Amerikaanse staat Colorado. Ook in deze gevallen wordt het woord terrorisme angstvallig gemeden door politiek en media. Er is in deze gevallen wel aandacht voor de dader, maar in de vorm van een onderzoek naar zijn mentale welzijn – was hij misschien gek of krankzinnig? Niemand in politiek en media legt in deze gevallen een link met de gemeenschap waarin de dader is opgegroeid of de ideologie en ideeën waarmee hij is opgevoed.

Ten slotte, als een niet-moslim met een politiek of religieus motief een moslim in één van de moslimlanden dood, dan is volgens politiek en media zelfs van een misdaad geen sprake meer. Voorbeelden hiervan zijn de Amerikaanse invasies van Afghanistan en Irak. Dit is voor politiek en media allerminst terrorisme. Integendeel, in hun reacties schetsen ze het beeld van een prijzenswaardige daad – “hulp”, “bevrijding”, enzovoort. En als deze façade op een gegeven moment niet meer hoog gehouden kan worden, zoals bij de Amerikaanse aanval op het ziekenhuis van Doktoren Zonder Grenzen in Afghanistan op 3 oktober 2015, dan spreken politiek en media van een “fout”, van een handeling die met de beste intenties ondernomen werd maar niet goed uitgevoerd.

Dit uitermate inconsistente gebruik van de term terrorisme is in zichzelf een intellectuele kritiek op de term. Het laat zien, namelijk, dat de term onderdeel is van een propaganda-campagne die iets of iemand zwart wil maken in de ogen van de mensen, en niet een objectieve en eerlijke beschrijving van een realiteit.

Aangezien degene die beschuldigd wordt van terrorisme gevangen gezet kan worden, of zelfs gedood, zou ken kunnen beargumenteren dat het gebruik van de term terrorisme door politiek en media een vorm van terrorisme is. Want waar een term willekeurig wordt gebruikt, daar kan iedereen dit etiket opgeplakt worden. En wie dit etiket opgeplakt wordt, die is zijn lijf en leven niet meer zeker.

Oftewel, de term terrorisme wordt gebruikt door de kapitalistische staten om hun eigen “zonder wettige grond plegen van ernstig geweld, of ernstige dreiging daarmee, met een politiek of religieus doel” te rechtvaardigen.

Comments

comments

DELEN