De Verenigde Staten zijn heden ten dage met afstand de dominante macht in de wereld, zowel economisch als militair. Het is belangrijk te weten dat dit niet altijd het geval is geweest en dat voor de Eerste Wereldoorlog deze positie voorbehouden was aan Groot-Brittannië, als gevolg van haar immense verzameling koloniën en de uitgestrektheid van de gebieden onder haar invloed. Bij internationale handel was Groot-Brittannië in deze periode feitelijk altijd een van de betrokken partijen; hetzij als verkopende partij in geval van grondstoffen en specerijen uit haar koloniën of industriële producten uit het thuisland zelf; hetzij als kopende partij, op zoek naar de producten die haar industrie benodigde; hetzij als partij wiens militair apparaat de internationale handel mogelijk maakte of toestond.

Deze positie in de wereld had Groot-Brittannië te danken aan haar militaire macht, in het bijzonder haar zeemacht die de zeeën en daarmee de voornaamste routes voor transport beheerste. Geen andere natie was in staat in te gaan tegen de wensen en verlangens van Groot-Brittannië. Zo gingen militaire macht en economische macht, net als nu, hand in hand: de militaire macht stelde Groot-Brittannië in staat economisch machtig te zijn en van deze macht de vruchten te plukken, terwijl de rijkdom die resulteerde uit de economische macht Groot-Brittannië in staat stelde haar militaire macht te consolideren.

Als vanzelfsprekend was in deze tijd het pond, de munteenheid van Groot-Brittannië, een munteenheid die over geheel de wereld gebruikt werd bij ruilhandel. Goud is van oudsher het middel geweest om ruil te faciliteren maar voor de mensen die in deze tijd niet over goud beschikten volstond tevens het pond. En dit feit deed opgeld of men zich nu in Groot-Brittannië zelf bevond, of in India, Zuid-Afrika of China. Goud of het Britse pond stelde ieder mens in staat alles te verkrijgen wat men wilde, wanneer men wilde. Wilde in deze tijd iemand “moderne technologie” aankopen, dan was men genoodzaakt zich naar Groot-Brittannië te begeven. En daar was men genoodzaakt in Britse ponden te betalen. Anderzijds, als gevolg van het feit dat Groot-Brittannië een groot deel van de wereld tot eigendom had gemaakt, wilde men in die tijd grondstoffen kopen dan deed men ook bijna altijd zaken met een Brit.

Maar naarmate de invloed van Groot-Brittannië op de wereld, omdat de Verenigde Staten alsmaar sterker werden, nam tevens het belang van het Britse pond in de wereld af. Steeds minder van de internationale handel vond plaats met Groot-Brittannië als partner en daarmee volstond steeds vaker een andere munteenheid dan het Britse pond om de handel financieel af te ronden. Voor Groot-Brittannië betekende dit dat zij, enerzijds, steeds meer moeite diende te ondernemen om haar industrie van de benodigde grondstoffen te kunnen voorzien, terwijl anderzijds zij steeds meer inkomsten mis liep als gevolg van het feit dat ze niet langer als partner aan de tafel een deel van de taart voor zichzelf op kon eisen.

Hoewel toendertijd minder duidelijk, nu weten we dat Groot-Brittannië deze ontwikkeling niet zonder slag of stoot plaats liet vinden. Geconfronteerd met de afname in haar invloed in de wereld, voornamelijk haar economische macht, zette ze steeds vaker het laatste middel in waarmee zij nog wel gezag afdwong: haar militaire macht. Bijvoorbeeld de continuering van de aanvoer van grondstoffen verzekerde men door opstanden in koloniën onder de lokale bevolking, moe van de uitbuiting en onderdrukking aan de hand van de Britten, onder het mom van “bestrijding van terroristen” bloedig neer te slaan. Zo werd in Kenia een beloning ingesteld voor het doden van opstandelingen. De jagers op deze “terroristen” namen de gewoonte aan om de handen van de gedode Kenianen af te hakken als bewijs om de beloning te innen. In Oman werden de opstanden ofwel “opgelost” of “voorkomen” door middel van massabombardementen op dorpen en steden. En waterputten en landbouwgronden werden vernietigd omdat, zo redeneerde men, mensen die omkwamen van honger en dorst wel andere dingen aan hun hoofd zouden hebben dan het beramen van opstanden tegen het koloniale bewind.

Maar, de Eerste Wereldoorlog aan het begin twintigste eeuw zorgde ervoor dat niet langer Groot-Brittannië uit kon stellen wat in feite onafwendbaar was. Groot-Brittannië kwam aan de zijde van Frankrijk en de Verenigde Staten weliswaar als overwinnaar uit de strijd tegen keizerlijk Duitsland, maar de inspanning van 4 jaren oorlog, militair en economisch, hadden haar dusdanig verzwakt dat niet langer zij in staat was weerstand te bieden aan de Verenigde Staten. De Tweede Wereldoorlog, vervolgens, consolideerde de dominantie van de Verenigde Staten over de wereld want aan het einde van zes jaren strijd lagen de economieën van Europa, Groot-Brittannië incluis, letterlijk en figuurlijk in puin. En de Europeanen vonden zich voor wederopbouw overgeleverd aan de Verenigde Staten, want enkel de economie van de Verenigde Staten was in staat te produceren hetgeen Europa hiertoe benodigde. De wereld keerde zich derhalve en masse richting Verenigde Staten. Net zoals eerder het overgrote deel van de wereldhandel Groot-Brittannië als partij had gekend, bestond in de tijd kort na de Tweede Wereldoorlog de wereldhandel uit handel van de Verenigde Staten vis-à-vis de overige landen in de wereld.

Hiermee was de rol die Groot-Brittannië had gespeeld in de wereld in haar geheel overgenomen door de Verenigde Staten. Als teken hiervan was ook de Amerikaanse dollar het Britse pond in belang voorbij gestreefd en verworden tot de centrale munteenheid voor de wereldhandel; een situatie die sindsdien geldt.

Men kan derhalve stellen dat de huidige positie van de Amerikaanse dollar in de wereld een natuurlijk gevolg is geweest van de verandering in de economische verhoudingen in de wereld. Maar een dergelijk oordeel zou niet al de feiten hieromtrent mee in ogenschouw nemen. Nog tijdens de Tweede Wereldoorlog, namelijk, toen reeds duidelijk was geworden dat een nederlaag voor Hitler Duitsland onafwendbaar zou zijn, vond in het Amerikaanse plaatsje Bretton Woods overleg plaats tussen Groot-Brittannië en de Verenigde Staten over hoe de internationale economie geordend zou moeten worden na het einde van deze oorlog. Het jaar van dit overleg was 1942.

Tot aan de Eerste Wereldoorlog had de wereld het systeem van de Gouden Standaard gekend, het monetair systeem waarin de waarde van de nationale munteenheid wordt uitgedrukt in een bepaalde hoeveelheid goud of zilver. Feitelijk ieder land met een nationale munt had deze gekoppeld aan goud. De aan het overleg in Bretton Woods deelnemende landen deelden eenzelfde mening over dit monetair systeem en over oorzaken voor haar uiteindelijke ineenstorting als gevolg van de Grote Crisis tijdens het interbellum. Mede hierop baseerde men de gemeenschappelijke visie op de gewenste toekomstige ordening van de internationale handel.

Het voornaamste voordeel dat resulteert uit het systeem van de Gouden Standaard, bijvoorbeeld ten opzichte van het huidige monetair systeem waar de waarde van het geld uitsluitend is gebaseerd op het vertrouwen in de munteenheid, is stabiliteit. In tegenstelling tot de euro of dollar van nu had het Britse pond ten tijde van de Britse dominantie een reële waarde omdat zij vrij inwisselbaar was tegen een vooraf bepaalde en vastgestelde hoeveelheid goud. Deze inwisselbaarheid voorkomt dat regeringen onbeperkt papiergeld bijdrukken om uitgaven mee te bekostigen en daarmee de waarde van het papiergeld ondermijnen en dus inflatie veroorzaken.

Inflatie resulteert als gevolg van een toename van de voorraad van een bepaalde munteenheid (het drukken van geld) zonder dat er hiervoor een echte noodzaak bestaat. Met echte noodzaak wordt bijvoorbeeld bedoeld dat er plotseling meer mensen zijn die producten willen kopen met deze munteenheid, of dat dezelfde mensen meer producten willen gaan kopen. Indien in dergelijke gevallen niet meer papiergeld beschikbaar komt dan zullen de mensen met de beschikbare hoeveelheid geld meer transacties moeten bekostigen. Om dit mogelijk te maken moet de waarde van het geld toenemen, waaruit resulteert dat de prijzen van producten en diensten dalen. Bij gelijkblijvende prijzen zullen de producenten niet al hun productie kunnen verkopen, omdat het geld in de handen van de kopers niet voldoende is hiervoor, en dus zal men zijn prijzen moeten verlagen. Dit proces, waarbij prijzen dalen omdat er niet genoeg geld in omloop is om al de transacties te bekostigen, noemt men deflatie, als tegenovergestelde van inflatie.

Maar wanneer bij gelijkblijvende reële variabelen (productie; aantal mensen; vraag naar goederen en diensten, et cetera) de overheid zich bezondigt aan het bijdrukken van geld, dan zal het lijken alsof de mensen meer geld te besteden hebben. De producenten zullen merken dat zij bij de oude prijs nog altijd wel iemand kunnen vinden die bereid is een hogere prijs te bieden – de overheid bijvoorbeeld die hiervoor gewoon wat geld bijdrukt – in reactie waarop zij hun prijzen zullen verhogen. Op korte termijn, tot het moment waarop men zich realiseert dat de overheid meer geld heeft gedrukt en de prijzen omhoog kunnen, zal de overheid voordeel hebben van dit beleid. Maar op langere termijn doet dit beleid de mensen in de samenleving enkel lijden omdat bij gestegen prijzen maar met gelijk loon of pensioen zij plotseling minder kunnen kopen.

Een systeem van gouden standaard voorkomt dat overheden excessief geld zullen bijdrukken daar iedere eenheid van de munt omgewisseld kan worden voor goud. Wanneer in de munt de prijzen zijn gestegen omdat de beschikbare hoeveelheid van de munt is toegenomen dan zullen de mensen hun munten wensen om te wisselen in goud. Immers, de hoeveelheid goud is niet toegenomen en dus zijn de prijzen van de goederen en diensten, wiens beschikbare hoeveelheid ook niet is veranderd, uitgedrukt in goud onveranderd gebleven. De overheid weet dat dit plaats zal vinden en weet ook dat ze voor de extra munten die ze in omloop heeft gebracht geen goud heeft om om te wisselen. Dit weerhoudt haar ervan het extra geld te drukken en zo inflatie te veroorzaken.

Dat Groot-Brittannië en de Verenigde Staten deze stabiliteit, of met andere woorden de lage kans op inflatie, van het Gouden Standaard systeem zo waardeerden, is gelegen in het feit dat papiergeld zoals gezegd staat of valt met het vertrouwen dat erin gesteld wordt. Enkel indien men verwacht met het papiertje in de toekomst iets van een waarde gelijk aan wat men nu geruild heeft te kunnen verkrijgen, zal men bereid zijn het te accepteren als betaalmiddel. De Gouden Standaard beperkt de kans dat dit niet zo zal zijn tot een minimum en versterkt de bereidheid tot acceptatie van de munt dus tot een maximum.

Onder het systeem van de Gouden Standaard zijn wisselkoersen tussen verschillende munten zijn ook stabiel. Feitelijk drukken zij immers een verhouding in goud uit. Voor de mensen die internationaal handel drijven is dit gunstig. Prijzen in andere valuta zijn wat men “doorzichtig” (omgezet in goud begrijpt men goed de werkelijke prijs die betaald zou moeten worden, in welk land dan ook) en afspraken in andere valuta brengen geen tot weinig risico met zich mee omdat de wisselkoersen stabiel zijn. Het voordeel hiervan wordt het best duidelijk door een uiteenzetting van wat plaats kan vinden bij internationale handel wanneer munten niet gekoppeld zijn aan goud.

Wanneer munten niet gedekt zijn door goud dan is de wisselkoers enkel het resultaat van vertrouwen in de munt. En vertrouwen kan ieder moment veranderen, zoals iedere menselijke emotie. Wanneer men een afspraak maakt en verplichtingen voor de toekomst aangaat in ruil voor een bepaalde hoeveelheid van een vreemde munt, dan kan indien deze munt niet gedekt is door goud de waarde van de werkelijke betaling plotseling volledig anders zijn dan vooraf ingeschat. Dit risico dat men loopt met wisselkoersen die dag op dag kunnen veranderen, maakt mensen huiverig voor het aangaan van internationale handel.

De deelnemers aan Bretton Woods waren van mening dat na de oorlog ieder obstakel voor internationale handel desastreus zou zijn. Men realiseerde zich dat Groot-Brittannië en Europa wel in de Verenigde Staten moesten kopen wat zij nodig zouden hebben voor hun wederopbouw. De Verenigde Staten zagen wel in dat stabiele wisselkoersen derhalve in haar belang zouden zijn omdat bij dezen zij optimaal zou profiteren van haar economische macht en haar positie in de wereld in klinkende munt om zou kunnen zetten. De deelnemers aan de conferentie in Bretton Woods waren het er dus over eens dat een systeem ontworpen diende te worden voor na de oorlog dat zorg zou dragen voor stabiliteit, zowel voor wat betreft de interne waarde van munten als voor wat betreft hun externe waarde.

Het inzicht dat dit noodzakelijk zou worden resulteerde, zoals gezegd, deels uit de ervaringen opgedaan tijdens het interbellum, de periode na de Eerste Wereldoorlog tot aan de Tweede Wereldoorlog. Na deze Eerste Wereldoorlog keerden de meeste landen in de wereld weer terug naar een koppeling van de waarde van hun munt aan een bepaalde hoeveelheid goud. Maar, in het aanzicht van de economische tegenspoed ten tijde van de Grote Crisis van de jaren twintig, probeerden evenzovele landen door afstand te doen van deze vaste koppeling tussen geld en goud de effecten van de crisis op hun economieën te minimaliseren. Men probeerde door de waarde van de nationale munt in goud uitgedrukt te verlagen, de prijzen van hun producten ten opzichte van de producten uit andere landen te verlagen. Hoe precies dit proces werkt, wordt in het volgende vereenvoudigde voorbeeld duidelijk gemaakt:

In de uitgangssituatie heeft land A haar munteenheid A de waarde gegeven van 1 gram goud, terwijl land B haar munteenheid B de waarde heeft gegeven van twee gram goud. Voor het gemak nemen we aan dat beide landen slechts een product produceren en nodig hebben, zijnde brood. In de uitgangssituatie is de reële prijs van brood in land A en B gelijk: brood in land A kost twee eenheden van munt A, en in land B een eenheid van munt B. In deze uitgangssituatie maakt het niet uit waar men zijn brood koopt, in land A of land B. Als iemand uit land A in land A zijn brood koopt dan kost hem dit twee eenheden van de eigen munt A. Als dezelfde persoon uit land A zijn brood in land B wil kopen, dan kost hem dit nog steeds twee eenheden van munt A. Hij dient twee eenheden van munt A in land A in te wisselen voor twee gram goud; deze twee gram goud in land B in te wisselen voor een eenheid van munt B; en deze eenheid van munt B stelt hem in staat in land B een brood te kopen.

In een tweede situatie krijgt land B te maken krijgt met een economische crisis. We stellen dat als gevolg van een aardbevingen vele fabrieken vernield zijn, als gevolg waarvan vele mensen hun baan hebben verloren. Omdat de mensen in land B ten gevolge van de crisis derhalve over minder inkomen beschikken, zullen ze minder brood kopen. Hierdoor wordt de crisis voor land B een steeds groter probleem, want omdat de bakkers minder brood zullen verkopen, zullen ze minder graan inkopen bij de boeren, die op hun beurt dan weer moeten bezuinigen op het brood dat ze eten, et cetera, et cetera. Een vicieuze cirkel die de economische crisis in land B steeds erger doet worden.

Om de crisis te bestrijden kan land B er voor kiezen munt B de devalueren, oftewel in waarde te verminderen. In plaats van twee gram goud kondigt de regering aan dat munt B nog maar een gram goud waard zal zijn. Het onmiddelijke gevolg hiervan is dat brood uit land B goedkoper wordt dan brood uit land A. Immers, wil nu iemand uit land A een brood kopen uit land B, dan hoeft hij daarvoor slechts een enkele eenheid van munt A om te wisselen in goud; de gram goud die hij hiervoor heeft verkregen kan in land B ingewisseld worden voor een eenheid van munt B; en deze volstaat om een brood te kopen in land B. In land A, echter, kost een brood nog altijd twee eenheden van munt A. Als gevolg van de devaluatie van munt B de prijs van brood in land B uitgedrukt in goud gedaald van twee naar een gram, terwijl zij in land A nog steeds twee gram goud bedraagt.

Geconfronteerd met deze situatie zullen de mensen uit land A voortaan hun brood kopen in land B omdat dit goedkoper is. Land B is hierdoor in staat te voorkomen dat de bakkers in land B minder brood zullen gaan verkopen in reactie op de aardbeving. De afname in de vraag naar brood in land B zelf zal mogelijk meer dan goed gedaan worden door de vraag naar brood in land B vanuit land A. De bakkers zullen dus mogelijk zelfs meer brood kunnen verkopen. De verlaging van de waarde van munt B zal dus de omvang van de invloed van de aardbeving op de economie in land B tot een minimum kunnen beperken, of zelfs te niet kunnen doen.

Op basis van een redenering als in het bovenstaande voorbeeld waren tijdens de Crisisjaren veel landen overgegaan tot een devaluatie van hun munt. De Verenigde Staten en Groot-Brittannië deelden dezelfde conclusies over gevolgen van dit beleid. Zoals het voorgaande voorbeeld aangeeft, beperkt een devaluatie de invloed van een crisis op het land dat de devaluatie doorvoert maar schaadt het de landen die dit niet doen. Dit wordt duidelijk indien de analyse van de gevolgen van het beleid van devaluatie in land B uitgebreid wordt tot land A.

Met een lagere prijs voor brood in land B dan in land A, worden de bakkers in land A geconfronteerd met een lagere vraag naar hun product. Immers, mensen in land A kopen hun brood goedkoper in land B dan thuis. Daardoor kopen de bakkers in land A bij de boeren minder graan, huren de boeren op hun beurt minder hulp in en kopen minder brood, et cetera, et cetera. De crisis die zijn oorsprong vind in land B wordt door de devaluatie van munt B effectief “geëxporteerd” naar land A dat geen aardbeving heeft gekend. Op haar beurt, derhalve, devalueert land A haar munt om de oorspronkelijke wisselkoersverhouding weer terug tot stand te brengen en de invloed van de crisis in land B op de economie van land A te stoppen.

Wat dit duidelijk maakt is dat men dus niet kan zeggen dat de huidige rol van de dollar in de wereld een puur natuurlijk verschijnsel is. Het is duidelijk dat dit mede het resultaat is van een bewuste keuze van de kant van de overwinnaars in de Tweede Wereldoorlog. Het systeem dat door hen de wereld werd opgelegd en dat de Amerikaanse dollar tot centrale munteenheid bombardeerde was een politieke keuze, te rechtvaardigen door de toenmalige economische realiteit dat de Verenigde Staten ook werkelijk het economisch epicentrum van de wereld waren.

Zoals gezegd, al de landen in Europa moesten zich wel wenden tot de Verenigde Staten om de wederopbouw van hun landen en economieën mogelijk te maken. Tegelijkertijd, onder het Marshall-plan stelde de Verenigde Staten de Europese landen ook leningen in Amerikaanse dollars beschikbaar om hun importen uit de Verenigde Staten te kunnen bekostigen. Geen van de Europese landen was immers in staat om door middel van exporten de zo noodzakelijke importen te kunnen bekostigen. Het resultaat hiervan was dat in de naoorlogse jaren de Europese landen een handelsbalans (exporten minus importen) met de Verenigde Staten hadden die zwaar negatief was; men kocht veel meer in de Verenigde Staten dan dat men aan de Verenigde Staten verkocht. Vanuit twee perspectieven leek Bretton Woods derhalve een uitkomst voor Europa.

Ten eerste omdat de vaste wisselkoersverhoudingen de onzekerheid bij internationale handel tot een minimum beperkte. Daarmee waren zowel verkoper als koper bereid verplichtingen aan te gaan. Ten tweede was er het besef onder de Europese landen dat in een systeem van vrij zwevende wisselkoersen op langere termijn de tekorten op de handelsbalans wel zouden moeten leiden tot devaluatie van de Europese munten ten opzichte van de Amerikaanse dollar. (Men dient in te zien dat de vraag naar Amerikaanse producten laat zich vertalen in de vraag naar de Amerikaanse dollar, omdat de producten met dollars betaald dienen te worden. Tegelijkertijd, de vraag naar de dollar laat zich vertalen in het aanbod van de nationale munt, omdat deze geruild moet worden voor de dollar. Indien men over langere tijd meer koopt van de Verenigde Staten dan verkoopt aan de Verenigde Staten, dan bestaat over langere tijd een grote vraag naar dollars en een groot aanbod van nationale munten. In het spel van vraag en aanbod zal uiteindelijk de waarde van de munt waarnaar de vraag groot is stijgen (de dollar), en de waarde van de munt waar van het aanbod groot is (de nationale munten) dalen.)

Om de handel met de Verenigde Staten te vereenvoudigen was de vaste wisselkoers dus gewenst voor de Europese landen, maar tevens gezien hun in dollars uitgedrukte schuldpositie, het resultaat van het Marshall-plan. De Marshall-plan dollar leningen die met de Verenigde Staten overeengekomen waren moesten immers op een later moment eveneens in dollars terug betaald worden. Het probleem van een devaluatie bij uitstaande leningen in een vreemde munt, is dat het de schuld uitgedrukt in de eigen munt doet toenemen.

Stelt men zich voor dat in België men een bedrag van 1000 Amerikaanse dollars leent, terwijl de wisselkoers 1 euro voor 1 dollar is. Men kan dan voor een bedrag van 1000 euro goederen en diensten kopen in de Verenigde Staten. Als op het moment dat de dollars terug betaald dienen te worden 1 euro nog maar 0,50 dollar waard is, dan dient men 2000 euro uit te geven om de 1000 dollar schuld te kunnen voldoen.

Met de immense schulden opgebouwd onder het Marshall-plan, was dit zeer zeker een situatie waarin de Europese landen niet wensten te geraken.

Maar net zo goed als dat Bretton Woods vanuit het perspectief van de Europese landen gunstig was, vanuit het perspectief van de Verenigde Staten stelde dit systeem het land in staat ten optimale munt te slaan uit haar rol als voornaamste economische macht in de wereld. Bretton Woods, tezamen dus met de financiële hulp die de Verenigde Staten beschikbaar stelden onder het Marshall-plan, maakte het voor Europa mogelijk om te kopen wat zij nodig had en dus voor de Verenigde Staten om te verkopen wat zij kon. Het mes sneed dus aan beide kanten en de Verenigde Staten wist in deze tijd een ongekende groei van haar economie en haar welvaart te realiseren.

Maar Bretton Woods heeft haar centrale spil meerdere voordelen gebracht. Ten tweede, namelijk, naast de groei van de economie die het faciliteerde, stroomde als gevolg van de immense overschotten op de Amerikaanse handelsbalans goud het land binnen in betaling voor de aankopen uit de Verenigde Staten. Goud waarmee men de benodigde dollars verkreeg. Voor een tijd waren de Verenigde Staten hierdoor in staat goud te accumuleren, wat van een strategisch voordeel biedt dat maar zelden op waarde wordt geschat. Er is reeds uiteengezet dat een groot probleem van papiergeld blijft dat het in essentie slechts papier is. Het papier an sich is waardeloos, het geld heeft een waarde als gevolg van het vertrouwen dat de mensen er in stellen. Omdat mensen er op vertrouwen dat het papiergeld waarmee zij betaald worden hen in staat zal stellen producten van gelijke waarde te kopen, accepteren zij het. Indien mensen in een monetair systeem gebaseerd op papiergeld dit vertrouwen verliezen, dan is economische ineenstorting een feit. Voorbeelden hiervan zijn te over. Bijvoorbeeld de Weimar Republiek, de Duitse staat van na de Eerste wereldoorlog, kende inflatie van duizenden procenten per dag juist omdat de mensen geen vertouwen hadden in hun munt. Niemand was bereid de Weimar mark als betaling te ontvangen omdat men vreesde niets te kunnen kopen met deze munt. In afwezigheid van een munt als ruilmiddel kwam de handel zo goed als tot stilstand, wat op zijn beurt de crisis enkel verder verergerde. Maar minder ver in de geschiedenis heeft bijvoorbeeld Turkije hetzelfde ervaren. Mensen raakten het vertrouwen in de nationale munt kwijt, voornamelijk de internationale speculanten, en deze tuimelde dientengevolge in waarde. Zelfs het kleinste beetje dat mensen gespaard hadden werd als gevolg van de immense waardedaling van de munt waardeloos en miljoenen mensen vervielen in armoede omdat plotseling hun salaris, uitkering of spaartegoeden waardeloos waren geworden.

In tijden van dergelijke crises zoeken mensen altijd hun toevlucht in zaken met een werkelijke waarde, voornamelijk edelmetaal zoals goud. Dat is zelfs nu, nu de wereld verwikkeld is in een oorlog tegen terrorisme met al de onzekerheid daaromtrent, het geval. In tijden van crises van het formaat Weimar Republiek of Turkije, waar een economie volledig instort, is goud een zo waardevol bezit dat alle andere goederen en diensten goedkoop worden aangeboden omdat men zo graag in het bezit wil komen van goud. In tijden dergelijke crises kan enkel degene die het bezit heeft over goud zijn zaken en handel continueren als of er niets gebeurt is. Sterker nog, degene die in dergelijke tijden over het goud bezit geniet plotseling een groot voordeel. Juist omdat de mensen zo graag in het bezit komen van goud en het verwordt tot voornaamste ruilmiddel, zijn de mensen bereidt tegen zeer gunstige voorwaarden te ruilen om in het bezit te komen van goud. In tijden van crises is voor degene die in het bezit is van goud alles goedkoop. Dit is waarom Bretton Woods de Verenigde Staten tevens een strategisch voordeel opleverde ten opzichte van de andere landen in de wereld.

Het derde voordeel dat de uitgever van de internationaal centrale munteenheid ervaart is dat zij als enige al haar importen kan financieren met de eigen munt. Normaal gesproken dient een land haar importen te financieren in de munteenheid van het verkopende land. Echter, voor de centrale munteenheid geldt dat iedereen bereid is haar te accepteren in betaling. Dus waar ieder ander land in haar mogelijkheid tot het importeren van goederen beperkt wordt door de verkopen van haar eigen goederen in het buitenland die zij weet te realiseren – dit bepaalt namelijk de hoeveelheid buitenlandse valuta waar een land over beschikt die haar in staat stellen in het buitenland goederen en diensten te kopen – geldt deze belemmering voor het land met de centrale munteenheid niet. Voor de Verenigde Staten, dus, telt deze belemmering sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer omdat ieder land graag in het bezit wil komen van haar munt om de eigen importen mee te financieren.

Olie is voor een economie wat deeg is voor een pastamaaltijd: het basisingrediënt. Olie is de voornaamste bron van energie in al de landen in het rijke westen. Het is de energie uit olie die de machines in de fabrieken draaiende houdt; die de auto’s, vrachtwagens en vliegtuigen vooruit doet laten komen; en die legers van invloed laat zijn. Olie, met andere woorden, is tegenwoordig de bron van economische en militaire macht.

Als gevolg van het feit dat haar munteenheid de centrale munteenheid is geworden hebben de Verenigde Staten bijna geruisloos ervoor kunnen zorgen dat verschillende producten en materialen internationaal in Amerikaanse dollars verhandeld worden, of de Verenigde Staten nu bij de handel betrokken was of niet. Olie is het meest sprekende voorbeeld hiervan.

Bekend is dat kort na de Tweede Wereldoorlog de Verenigde Staten en Saoedi-Arabië stilzwijgend overeen zijn gekomen dat in ruil voor bescherming tegen de interne en externe vijanden, de Saoediërs de Verenigde Staten rijkelijk van goedkope olie zouden voorzien. Vele stemmen fluisteren dat in ruil voor de toestemming de olie-industrie te nationaliseren Saudie-Arabië haar invloed in OPEC, de organisatie van olie producerende en exporterende landen, heeft aangewend om de dollar tot munt te nemen waarin de olie door de OPEC geprijsd en verhandeld zou worden.

Dit is iets dat enkel een centrale munteenheden zou kunnen doen realiseren en het is het vierde voordeel dat de centrale munteenheid geniet dat een ongekend groot strategisch voordeel met zich mee brengt.

Het strategisch belang van olie, als voorbeeld, is iedereen duidelijk. Doordat deze in Amerikaanse dollars verhandeld wordt en niet in een andere munt hoeven de Verenigde Staten niet eerst eigen goederen en diensten te verkopen om in staat te zijn dit product van groot belang voor militaire en economische macht te verkrijgen. Voor ieder ander niet-zelfvoorzienend land (wat betreft olie) geldt dat dit vitale product enkel verkregen kan worden door eerst te exporteren; maar voor de uitgever van de centrale munteenheid in de wereld, de Verenigde Staten, geldt dit probleem niet. En tegelijkertijd, net zoals vroeger Groot-Brittannië altijd bij internationale handel een stukje van de taart voor zichzelf kon opeisen, komt nu een deel van het voordeel dat het bezit aan olie biedt nu altijd de Verenigde Staten toe. Dit is omdat eenieder die olie wil kopen eerst producten dient te verkopen aan de Verenigde Staten. Vanwege het belang van olie, maar hetzelfde geldt voor grondstoffen als koper of tin bijvoorbeeld, is ieder land bereid tegen voor de Verenigde Staten goede voorwaarden goederen en diensten te leveren aan de Verenigde Staten. Goedkope goederen en diensten voor de Verenigde Staten dus, die zo ook nog eens mogen betalen in de eigen munt.

De huidige rol van de Amerikaanse dollar in de wereld rust dus op twee pilaren, één economisch en de andere politiek. Nu het duidelijk is wat het betekend een munt te hebben die tevens de rol van centrale munteenheid in de wereld speelt – wat dus niet enkel een economisch voordeel met zich mee brengt maar een nog groter strategisch voordeel – kan het belang van de recente beweging in de economische variabelen olieprijs, dollar waarde en handelsbalans van de Verenigde Staten echt op waarde worden geschat.

De handelsbalans van een natie geeft een goede indicatie van haar economische macht. Haar omvang geeft weer in hoeverre de natie inwikkelt is in de internationale handel en uit haar positie (negatief of positief) kan men aflezen of een natie in deze internationale handel dominant of afhankelijk is. De beweging in de handelsbalans van de Verenigde Staten maakt duidelijk dat de economische rechtvaardiging van de dollar als centrale munteenheid over tijd volledig is geërodeerd. De eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog (1945 – 1970) verkeerden de Verenigde Staten duidelijk in een dominant positie, met een groot overschot op haar internationale handel, wat betekent dat zij meer exporteerde dan importeerde. Omstreeks 1968, echter, sloeg haar handelsbalans om van positief naar negatief.

Dit was een uiting van een trend waarin de Verenigde Staten in steeds grotere mate afhankelijk worden van producten geproduceerd buiten haar eigen grondgebied. Omdat de Verenigde Staten alsmaar meer importeerden dan exporteerden, en grote sommen geld moest lenen in het buitenland om haar oorlog in Vietnam te financieren, vloeiden in deze jaren (met handelstekorten tot 18% van exporten) grote hoeveelheden goud de Verenigde Staten uit.

In reactie schortte de Amerikaanse overheid in 1971 de inwisselbaarheid van de dollar in goud op en liet ze de dollar sterk in waarde dalen. Aan het systeem van Bretton Woods kwam hiermee een einde, maar de neiging van de Amerikaanse handelsbalans om terug in het rood te vallen kon er slechts enkele jaren door worden uitgesteld. Vanaf 1981 is deze continu negatief geweest en vandaag de dag importeren de Verenigde Staten per dag voor anderhalf miljard dollar meer als dat zij aan producten en diensten exporteert; slechts 60% van de importen wordt gedekt door exporten.

In internationale handel spelen de Verenigde Staten dus niet langer een dominante rol. En niet langer dus bestaat het voornaamste deel van de wereldhandel uit de Verenigde Staten vis-à-vis de rest. Japan, de Europese Unie en sinds vrij recent China spelen een alsmaar grotere rol; de EU tegenwoordig zelfs een rol groter dan die van de Verenigde Staten. Cynisch wordt wel eens gezegd dat het enigste wat de Verenigde Staten vandaag de dag nog exporteren haar banen zijn: volledige industrieën worden opgedoekt in de Verenigde Staten en weder opgebouwd in Mexico, China of India, waar de lonen vele malen lager zijn (“outsourcing” is de term die wordt gebruikt). Hoewel dit Amerikaanse bedrijven winstgevend houdt, is de keerzijde van de medaille dat alsmaar meer producten en diensten door de Verenigde Staten geïmporteerd moeten worden. Zo wordt het tekort op de handelsbalans van de Verenigde Staten alsmaar groter, omdat de export van banen de export van goederen en diensten vervangt door import van dezelfde goederen en diensten.

Zonder economische rechtvaardiging wankelt de positie van de Amerikaanse dollar als centrale munteenheid. Een steeds groter deel van de internationale wereldhandel vindt plaats zonder dat de Amerikaanse dollar er aan te pas komt, en steeds meer landen bezinnen zich derhalve of zij werkelijk nog de Amerikaanse dollar als reserve munteenheid aan moeten houden, of misschien niet de euro of de Chinese yuan. Beiden hebben geresulteerd in een steeds groter aanbod van de dollar op de internationale valutamarkten, en een alsmaar geringere vraag. Er bestaat dus geen werkelijke economische rechtvaardiging meer voor de huidige positie van de dollar in de wereld, en dit is de voornaamste voor de recente val in de waarde van de dollar ten opzichte van bijvoorbeeld de euro.

Feitelijk gezien, dus, is het enigste dat de Amerikaanse dollar nog de centrale munteenheid laat zijn het feit dat olie wordt verhandeld in dollars. De Amerikaanse obsessie met olie heeft dus deels tevens te maken met het feit dat olie de Amerikaanse dollar de centrale munteenheid laat zijn. Het gaat haar niet enkel om de verdeling van het geld dat wordt verdiend met olie, het gaat tevens om het controleren van de stromen van olie en om het bepalen van de munteenheid waarin de olie wordt verhandeld.

150 jaar geleden probeerde Groot-Brittannië haar invloed en de invloed van haar munteenheid door middel van intimidatie (lees: geweld en dreiging met geweld) te behouden. Net zo kan men het huidig Amerikaanse buitenland beleid ontleden: gebruik makend van de militaire dominantie wordt geprobeerd de oorsprong van deze macht – Amerika’s economische macht – te beschermen; en daarmee de huidige positie van de dollar.

Irak onder Saddam was het eerste land dat haar olie in euro’s verhandelde op de international markt; haar lot is bekend, en Iraakse olie wordt nu weer in Amerikaanse dollars verhandeld. De oppositie van de Verenigde Staten tegen Venezuela’s regering onder leiding van president Hugo Chavez is ook algemeen bekend. De CIA heeft bekend bij verscheidene coup pogingen tegen deze democratisch verkozen leider betrokken te zijn geweest. Venezuela ruilt haar olie voor goederen en diensten met haar buurlanden in Zuid- en Centraal-Amerika en China, waarmee het de dollar buiten spel zet.

De druk op de dollar is dus reëel, en groter dan ooit tevoren. Want ook zowel Noorwegen (Europa’s grootste producent van olie) en Rusland hebben een zelfde stap geopperd, erop wijzend dat puur economisch dit voor hen het beste zou zijn, daar het meeste van hun internationale handel reeds met de Europese Unie is.

De consequenties voor de Verenigde Staten van olie verhandelt in een andere munt dan de Amerikaanse dollar – hoewel wederom vanuit zuiver economisch perspectief een verstandelijke stap daar ook de OPEC landen meer handel drijven met Europa dan met de Verenigde Staten – zijn duidelijk: het zou het einde betekenen van de dollar als centrale munteenheid.

Dit zou de Verenigde Staten met een economisch probleem en strategisch nadeel opschepen. Haar economie kampt met een groot tekort op de handelsbalans en is afhankelijk van olie uit het buitenland (60% van de olie benodigd om de economie draaiende te houden wordt door de Verenigde Staten geïmporteerd; 55% daarvan uit Canada, Saudie-Arabië, Mexico en Venezuela). Indien de euro werkelijk de munteenheid wordt waarin de olie wordt verhandeld, dan betekent dit dat het enorme tekort op de handelsbalans van de Verenigde Staten zal moeten worden omgebogen naar een overschot, om de euro’s te kunnen verdienen nodig om de benodigde olie te importeren. Een schier onmogelijke opgave op de korte termijn; en het einde van de economische (en daarmee militaire) hegemonie van de Verenigde Staten.

Comments

comments

DELEN