‘Oemar bin Al Chattab (ra) werd door de eerste Khalifa van de Boodschapper van Allah (saw), Aboe Bakr (ra), aangewezen als zijn opvolger in het regeren over de mensen volgens Islam. Hij was derhalve de “Khalifa van de Khalifa van de Boodschapper van Allah (saw)”, en de tweede van de vier Khoelafaa ar Raasjiddien, de Rechtgeleide Kaliefen.

Zijn naam, zijn genealogie, zijn jeugd, en zijn status onder Qoraiesj

Zijn naam was ‘Oemar bin Al Chattab bin Noefayl bin ‘Abd al ‘Oezza bin Riya ibn Qart bin Raza bin ‘Adi bin Ka’ab bin Loe’ayy. Hij werd geboren 12 jaar na de Boodschapper van Allah (sw) als zoon van Chattab en Chatma. De stam waartoe hij behoorde was Banoe Adi, een zijtak van Qoraiesj. Hij behoorde tot de nobelen van Qoraiesj en was door hen de rol van ambassadeur toegewezen. Wanneer een oorlog uit brak tussen Qoraiesj onderling, of tussen Qoraiesj en een andere stam, dan stuurde men ‘Oemar als ambassadeur om besprekingen te leiden en boodschappen over te brengen. En wanneer iemand de Qoraiesj vroeg om een persoon te zenden die zou kunnen oordelen in bepaalde aangelegenheden, zoals kwesties betreffende status en afkomst, dan stuurden ze ‘Oemar.

De familie van ‘Oemar was niet rijk. Hij stond bekend als een sterke en gedisciplineerde man. Hij was groot en gespierd, een vooraanstaande worstelaar. Hij was bijzonder rechtlijnig en als hij ergens in geloofde dan was er niets dat hem hiervan af kon brengen. En hij kon als één van de weinige mensen in Mekka lezen en schrijven wat betekent dat hij enige opleiding genoten moet hebben. Als jonge volwassene was ‘Oemar ook actief in de handel, wat hem grote rijkdom bracht.

Zijn bekering tot Islam

Bij de komst van de Boodschapper van Allah (saw) hield ‘Oemar in eerste instantie ferm vast aan zijn polytheïsme. Toen zijn slavin Loebna moslim werd sloeg hij haar en eiste dat zij op haar besluit terug zou komen. Ze antwoordde dat hij haar mocht doden maar dat ze niet op haar besluit terug zou komen. Vanaf dat moment sloeg ‘Oemar haar iedere dag, soms totdat hij, de grote sterke ‘Oemar, de grote worstelaar en gevreesde vechter, zo moe werd dat hij haar niet meer kon slaan. Maar Loebna week niet van haar geloof.

Nog in de tijd dat de moslims in Mekka gering in aantal waren en zichzelf niet publiekelijk bekend maakten, sprak de Boodschapper van Allah (saw) volgens een overlevering van Ibn ‘Oemar (ra): “O Allah! Versterk Islam met wie van de volgende twee mannen U het meest geliefd is: ‘Oemar bin Al Chattab of Aboe Djahl bin Hisjaam”. En in de overlevering van Ibn ‘Abbas: “O Allah! Versterk Islam in het bijzonder met ‘Oemar bin Al Chattab.”

Er bestaan twee verhalen over de bekering van ‘Oemar tot Islam. Imam As Soejoeti heeft vermeld dat ‘Oemar zei: “Ik ging naar buiten op zoek naar een confrontatie met de Boodschapper van Allah (saw), en ik leerde dat hij me voor was geweest in het bereiken van de moskee (van Mekka). Ik stond achter hem en hij (saw) begon soera Al Haaqqa te reciteren. Ik was verwonderd over de compositie van de Koran, en dus zei ik: ‘Bij Allah, dit is een poëet zoals de Qoraiesj zeggen’. Toen reciteerde hij (saw): ‘Dit is voorzeker de boodschap die een eerwaardige boodschapper heeft gebracht. Het is niet het woord van een dichter; nietig is hetgeen gij gelooft.’ (69:40 – 41) tot het einde van het vers, en Islam kwam in mijn hart.”

Anas (ra) heeft verteld hoe ‘Oemar naar buiten kwam met zijn zwaard en een man van Bani Zoehra hem staande hield en vroeg: “Waar ben je van plan te gaan?”. ‘Oemar antwoordde: “Ik wil Mohammed vermoorden!”. Hem werd verteld: “Hoe zul je veilig zijn voor Bani Haasjim en Bani Zoehra nadat je Mohammed hebt vermoordt?”. ‘Oemar antwoordde: “Ik kan enkel geloven dat jij je bekeerd hebt”. Hierop zei de man van Bani Zoehra: “Zal ik je iets verbazingwekkends laten zien? Jouw eigen schoonbroer en zuster hebben jouw geloof verlaten!”. ‘Oemar liep hierop door en kwam bij hen op het moment dat Chabbab samen met hen was. Toen Chabbab de stem van ‘Oemar hoorde verborg hij zich in het huis. ‘Oemar trad binnen en zei: “Wat is dit voor gefluister?”. Ze hadden zojuist soera Taha van de Koran gereciteerd. Ze zeiden: “Niets anders dan een eenvoudige conversatie tussen ons”. ‘Oemar zei: “Misschien hebben jullie je bekeerd?”, waarop de schoonbroer van ‘Oemar antwoordde met een wedervraag: “Wat als de waarheid buiten jouw geloof ligt?”. In reactie belaagde ‘Oemar zijn schoonbroer, sprong boven op hem en sloeg hem hard. Zijn zuster probeerde tussenbeide te komen en ‘Oemar weg te duwen van haar man. Maar ‘Oemar sloeg ook haar en wel zo hard dat het bloed van haar gezicht stroomde. Daarna zei ze, boos: “En wat als de waarheid buiten jouw geloof ligt?”. Na een korte pauze zei ze: “Ik getuig dat er geen God is buiten Allah en dat Mohammed Zijn (swt) slaaf en Boodschapper is!”. ‘Oemar vroeg haar: “Geef aan mij datgene wat jullie hebben en ik zal het lezen”. Maar zijn zuster zei: “Jij bent vuil en niemand leest dit buiten degenen die zich gereinigd hebben (dus was jezelf)”. ‘Oemar verrichte hierop de kleine rituele wassing (woedhoe) en begon soera Taha te lezen, totdat hij kwam bij:

“Voorwaar, Ik ben Allah en er is geen God buiten mij dus aanbidt mij en verricht de Salat in herinnering aan mij”. (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Taha 20, vers 14)

‘Oemar zei hierop: “Leidt mij de weg naar Mohammed”. Toen Chabbab de woorden van ‘Oemar hoorde kwam hij tevoorschijn en zei: “Verheug je ‘Oemar! Want ik hoop dat jij het antwoord bent op de smeekbede die de Boodschapper van Allah (saw) voor jouw gedaan heeft op de avond van de donderdag: ‘O Allah, versterk Islam met ‘Oemar bin Al Chattab of met ‘Amr bin Hisjaam’”. In de overlevering van Aslam vertelt ‘Oemar: “Ze wezen me de weg naar de Profeet (saw), in een huis aan de voet van (de berg) As Saffa. Ik ging er naar toe en klopte op de deur. Ze zeiden: ‘Wie is daar?’. Ik zei: ‘Ibn Al Chattab’. Ze kenden de ernst van mijn tegenstand tegen de Boodschapper van Allah (saw), dus niemand bewoog zich om de deur te openen totdat hij (saw) zei: ‘Open het (de deur) voor hem’. Ze openden de deur voor me en twee mannen grepen me bij mijn bovenarmen en brachten me bij de Profeet (saw), die zei: ‘Laat hem los’. Toen greep hij me bij mijn hemd en zei: ‘Accepteer Islam, Ibn Al Chattab. O Allah, leid hem!’. En ik getuigde en de moslims zeiden “Allahoe Akbar!” zo luid dat het gehoord werd in de valleien van Mekka”.

Zijn tijd in Mekka

‘Oemar (ra) heeft eens gezegd, sprekend over zijn verleden: “Ik hield er niet van dat mensen sloegen of geslagen werden tenzij ik het zelf ook ervaarde. Dan deed het me niets. Ik ging naar mijn oom, Aboe Jahl bin Hisjaam, die één van de nobelen van Qoraiesj was, en klopte op zijn deur. Hij vroeg: ‘Wie is daar?’. Ik zei: ‘Ibn Al Chattab en ik ben bekeerd’. Hij zei: ‘Niet doen’ en sloeg de deur dicht in mijn gezicht. Ik zei ‘dit is niets’ en ging verder naar één van de andere nobelen van Qoraiesj. Ik riep hem naar buiten en hij kwam. Ik vertelde hem hetzelfde als ik mijn oom had verteld maar hij zei me hetzelfde als mijn oom had gezegden sloeg ook de deur dicht in mijn gezicht. Ik zei: ‘Dit is niets, de moslims worden geslagen en ik word niet geslagen’. Een man zei tegen me: ‘Wil je dat je aanvaarding van Islam bekend wordt?’. Ik zei ‘Ja’. Hij zei: ‘Als de mensen samen zitten in de Hijr, ga dan naar die-en-die, een man die geen geheim kan bewaren, en zeg tegen hem, gewoon als tussen hem en jouw ,,ik ben bekeerd’’. Het is slechts zelden dat hij een geheim heeft kunnen bewaren’. Ik ging naar de mensen die reeds in de Hijr bijeen waren gekomen. Ik ging zitten bij die-en-die en zei: ‘Ik ben bekeerd’. Hij zei: ‘Meen je dat echt?’. Ik zei ‘Ja’. Hierop piepte de man, op het hoogst van zijn stem: ‘Ibn Al Chattab heeft zich bekeerd!’. Al de mensen renden in mijn richting, ik sloeg hen en zij sloegen mij. Toen zei mijn oom: ‘Wat is deze groep (van mensen)?’. Iemand zei: ‘ ‘Oemar is bekeerd’. Hij (de oom) stond op de Hijr en gaf met de palm van zijn hand aan ‘ik heb de zoon van mijn zuster geholpen’ (oftewel: ‘ik bescherm hem en niemand mag hem aanraken’). Ze gingen uiteen rondom mij. Ik wilde niet zien dat dat ook maar één van de moslim geslagen zou worden en zou slaan, zonder dit zelf te ervaren, dus ik zei: ‘Dat wat mij overkomen is, is niets’. Ik ging naar mijn oom en zei: ‘Je hulp wordt je teruggegeven’ (oftewel, ‘ik wil je bescherming niet’). En ik bleef slaan en geslagen worden totdat Allah (swt) Islam versterkte.”

Ibn Mas’oed (ra) zei: “We werden sterker en sterker na de acceptatie van Islam door ‘Oemar”. En hij (ra) zei: “Ik zag ons terwijl we niet in staat waren om het gebed te verrichten in de richting van het Huis (Ka’aba; ten gevolge van de vervolgingen van de moslims door Qoraiesj), totdat ‘Oemar Islam accepteerde. Hij vocht met hen totdat zij ons met rust lieten en we konden bidden.”

Zijn titel “Al Faroeq”

Moedjaahid (ra) heeft van Ibn Abbas (ra) verteld dat hij ‘Oemar bin Al Chattab (ra) had gevraagd waarom hem de naam “Al Faroeq” was gegeven, hetgeen betekent “degene die onderscheidt maakt tussen waarheid en valsheid”. ‘Oemar (ra) antwoordde: “Nadat ik Islam had aanvaard, vroeg ik de Boodschapper van Allah (saw): ‘Zijn wij niet op het rechte pad, hier en in het Hiernamaals?’. De Boodschapper van Allah (saw) antwoordde: ‘Vanzelfsprekend ben je dat! Ik zweer bij Allah, in wiens hand mijn ziel is, dat jij het juist hebt in deze wereld en in het Hiernamaals’. Ik vroeg de Boodschapper van Allah (saw) derhalve: ‘Waarom hebben wij onze activiteiten dan op verborgen wijze moeten uitvoeren, oftewel waarom niet open en provocatief?’. De Boodschapper van Allah (saw) antwoordde: ‘Ik zweer bij Allah, die jouw met de waarheid heeft gezonden, dat we onze beschutting zullen verlaten en dat we ons nobele doel openlijk zullen verkondigen’. Hierna gingen wij uit in twee groepen, eentje onder leiding van Hamza, de ander onder mijn leiding. We liepen in de richting van de moskee in daglicht. Toen polytheïsten van Qoraiesj ons zagen trokken hun gezichten bleek weg, ze raakten teleurgesteld en werden bijzonder vijandig. Bij deze gelegenheid kende de Boodschapper van Allah (saw) mij de naam ‘Al Faroeq’ toe.”

Zijn emigratie naar Medina

‘Ali (ra) vertelde: “Ik ken niemand die niet in het geheim de Hidjra {emigratie van Mekka naar Al Madina) heeft verricht, behalve ‘Oemar bin Al Chattab. Toen hij wou emigreren bond hij zich zijn zwaard om, hing zich zijn boog over de schouder, droeg zijn pijlen in zijn hand en kwam naar de Ka’aba waar de nobelen van Qoraiesj zich hadden verzameld. Hij verrichte twaalf tawaf (omwandelingen van de Ka’aba) en bracht een twee-rakat gebed op de plaats van Ibrahiem (as). Hierna begaf hij zich naar hun kring en zei: ‘Wat een lelijke gezichten! Wie van jullie zijn moeder wil beroven (van haar kind), zijn kinderen tot wees wil maken en zijn vrouw tot weduwe, laat hem mij ontmoeten achter de vallei’. Niet één van hen heeft ‘Oemar gevolgd”. Onder de bescherming van ‘Oemar (ra) trokken omstreeks 20 moslims met hem naar Al Madina.

Zijn tijd in Al Medina

In Al Medina voorzag ‘Oemar (ra) samen met Aboe Bakr (ra) de Boodschapper van Allah (saw) van assistentie. Zij waren zijn assistenten en hij (saw) vroeg hen om advies en naar hun mening bij verschillende kwesties. Imam As Soejoeti zegt dat ‘Abdoerrahman bin Ghanam heeft gezegd, dat de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Als jullie twee (Aboe Bakr en ‘Oemar) bij een verzoek om advies het eens zijn, zal ik niet tegen jullie ingaan”. Imam An Nawawi heeft gezegd: “ ‘Oemar heeft, tezamen met de Boodschapper van Allah (saw), al de veldslagen meegemaakt. En hij was één van hen die op de dag van Oehoed standvastig naast hem (saw) bleef”. Na de dood van de Boodschapper van Allah (saw), werd ‘Oemar (ra) de voornaamste assistent van Khalifa Aboe Bakr (ra). ‘Oemar (ra) was degene die Khalifa Aboe Bakr (ra) overtuigde van de noodzaak tot het samenbrengen van de geschreven Koran, om te voorkomen dat delen van de Koran met het overlijden van degenen die deze gememoriseerd hadden verloren zouden gaan. De taak waarmee Zaid ibn Thabit (ra) belast werd door Khalifa Aboe Bakr (ra).

Zijn verkiezing tot Khalifa

Op zijn sterfbed vroeg Khalifa Aboe Bakr (ra) aan enkele van de vooraanstaande metgezellen van de Boodschapper van Allah (saw) om een reactie op het idee om ‘Oemar (ra) als zijn opvolger aan te wijzen. Dit, opdat er onder de moslims geen twist zou ontstaan na zijn dood over wie de nieuwe Khalifa zou moeten worden. De mensen waren het erover eens dat ‘Oemar (ra) de meest geschikte persoon zou zijn. De enigste zorg die uitgesproken werd betrof ‘Oemar’s (ra) rechtlijnigheid. Moest de leider van een staat niet ook over een bepaalde flexibiliteit beschikken in de omgang met mensen? Maar Aboe Bakr (ra) stelde de mensen gerust. Hij zei: “Ik kan uit eigen ervaring verklaren dat ‘Oemar me altijd tot kalmte gemaand heeft wanneer ik mijn geduld verloor met iemand, en dat hij het advies gaf om meer streng te zijn wanneer hij vond dat ik te meegaand was. Derhalve ben ik zeker dat met de tijd ‘Oemar de gematigdheid zal realiseren die jullie vragen”.

‘Oemar (ra) was uiterst rechtlijnigheid en accepteerde geen afwijkingen van Islam. De mensen wisten dit. En wanneer er een reden toe was dan gebruikte hij deze reputatie om ervoor te zorgen dat de mensen niet in een moment van zwakte af zouden wijken van Islam. Maar tegelijkertijd bezat ‘Oemar (ra) de wijsheid om in te zien dat sommige mensen een zachte hand benodigden om hen op het Rechte Pad te krijgen en te houden en dan bezat hij ook de flexibiliteit om aldus met de mensen om te gaan. Derhalve was de zaak feitelijk beslist toen ‘Ali (ra) opstond en verklaarde dat hij na Aboe Bakr (ra) geen andere Khalifa zou accepteren dan ‘Oemar. Aboe Bakr (ra) riep ‘Oemar bij zich en vertelde hem dat de vooraanstaande moslims hem hadden gekozen als de Khalifa. ‘Oemar (ra) zei: “Maar ik heb helemaal geen behoefte aan die positie”. Aboe Bakr (ra) antwoordde: “Maar de positie heeft behoefte aan jouw”.
Na de dood van Aboe Bakr (ra) sprak Khalifa ‘Oemar (ra) de moslims toe. Hij zei: “O gelovigen. Aboe Bakr is niet langer onder ons. Nadat hij ons voor twee jaren heeft geleid is hij teruggekeerd tot zijn Schepper. Hij moet de tevredenheid kennen dat hij met succes het schip van de Staat der moslims bestuurd heeft over een woelige zee. Hij heeft met succes de oorlog tegen de apostatie gevoerd. En dankzij hem is Islam nu de heerser in Arabië. Islam gaat voorwaarts en wij dragen nu de Djihaad in de naam van Allah (swt) tegen de machtige rijken van Perzië en Byzantium. Na Aboe Bakr is de mantel van Khalifa om mijn schouders gewikkeld. Ik zweer bij Allah dat ik naar deze positie nooit in het geheim verlangd heb. Ik wou dat deze positie aan iemand anders toegewezen was, iemand meer waardig dan ik. Maar nu dat in het gemeenschappelijk belang de positie van leider van de moslims tot mij gekomen is, verzeker ik jullie dat ik niet weg zal rennen van deze positie. Ik zal een eerlijke poging doen om de zware taken van deze positie te vervullen, zo goed als ik kan en in overeenstemming met de Leiding van Islam. Bij het ten uitvoer brengen van mijn taken zoek ik de Leiding van het Boek van Allah (swt) en ik zal de voorbeelden van de Boodschapper van Allah (saw) en Aboe Bakr (ra) volgen. Hierbij vraag ik jullie hulp. Als ik het Rechte Pad volg, volg mij dan. Als ik afwijk van het Rechte Pad, corrigeer me dan. Zodat we niet af zullen dwalen”.

Gebeurtenissen ten tijde van het Kalifaat van ‘Oemar (ra)

Kort na het innemen van de positie van Khalifa riep ‘Oemar (ra) de mensen bijeen om hen toe spreken. Hij zei hen: “Broeders, ik heb bemerkt dat de mensen angst hebben voor mij. Men zegt: ‘Toen de Boodschapper van Allah (saw) nog in leven was, was ‘Oemar streng tegen ons. Tijdens het Kalifaat van Aboe Bakr (ra) was ‘Oemar streng en hard. Nu dat hijzelf de Khalifa is geworden weet enkel Allah (swt) hoe streng hij zal zijn’. Wie dit gezegd heeft, zijn uitlating is niet onjuist. De waarheid is dat ik een slaaf en een dienaar was van de Boodschapper van Allah (saw). De Boodschapper van Allah (saw) de meest zachtaardige, inschikkelijke en vrijgevige. In tegenstelling hiertoe was ik hard en streng, zodat ik was zoals het naakte zwaard. Het was voor de Boodschapper van Allah (saw) om het zwaard te gebruiken danwel om het in haar schede terug te doen. Bij sommige gelegenheden deed hij het in haar schede terug en soms gebruikte hij het. Het was mijn doel om de Boodschapper van Allah (saw) ook de andere kant van het plaatje te laten zien. De (uiteindelijke) beslissing was bij hem (saw). Soms negeerde hij mijn mening. Er waren andere momenten waarop hij het met me eens was. Tot aan de dood van de Boodschapper van Allah (saw) bleef dat de verhouding tussen hem (saw) en mij. Allah zij dank, de Boodschapper van Allah (saw) was tevreden met mij. Alhoewel de Boodschapper van Allah (saw) soms mijn advies accepteerde, en het soms afwees, was hij (saw) tevreden met mijn gedrag. Tijdens het Kalifaat van Aboe Bakr bleef mijn rol dezelfde. Aboe Bakr was de meest zachtaardig en meelevende. Het was mijn zaak om de andere kant van het plaatje onder zijn aandacht te brengen. Hij nam mijn mening altijd in overweging maar de uiteindelijke beslissing lag bij hem. Soms was hij het met mij eens en handelde ik als zijn dienaar om een beslissing die streng leek ten uitvoer te brengen. Soms ook was hij het niet eens met mijn mening en moest ik stil blijven. Ik ben blij dat Aboe Bakr mijn gedrag goedkeurde ten tijde van zijn positie en mij uiteindelijk voorstelde als zijn opvolger. Alhoewel ik niet naar de positie verlangde. Nu dat de gehele verantwoordelijkheid tot mij gekomen is, weet mijn broeders dat ik voel dat er een verandering in mij opgetreden is. Ik zal niet langer hard en streng zijn in alle zaken. Zij die tirannen zijn en anderen hun rechten ontnemen, ik zal hard en streng zijn (tegenover hen). Maar zij die de wet volgen, en die toegeweid zijn aan de religie, ik zal de meest zachtaardige en meelevende zijn. Ik zal niet tolereren dat iemand zichzelf te buiten gaat. Wie tirannie bedrijft, ik zal hem ter verantwoording roepen. Ik zal streng en hard zijn tegen de agressor, maar ik zal een pilaar van kracht zijn voor de zwakke. Zij zullen in mij hun beste vriend vinden”.

Khalifa ‘Oemar (ra) zou bekend worden voor zijn nederigheid en eenvoud, zijn rechtvaardigheid in het oordelen tussen mensen en zijn zorg het welzijn van de mensen. Omdat het ambt van Khalifa hem zozeer bezig hield dat hij zich niet langer aan de handel kon wijden, stelden de metgezellen van de Boodschapper van Allah (saw) hem voor om een loon te nemen uit de Bait oel Mal (Schatkist van de Islamitische Staat). ‘Oemar (ra) vroeg aan ‘Ali (ra) hoeveel hij zou moeten nemen. ‘Ali (ra) stelde voor een bedrag gelijk aan hetgeen een modale Arabier nodig had om te overleven. Niet zoveel als de rijke Arabier, noch zo weinig als de arme Arabier, maar hetgeen genoeg was voor een modale Arabier. ‘Oemar (ra) ging akkoord. Maar als verantwoordelijke voor de aangelegenheden van de moslims zag Khalifa ‘Oemar (ra) het als een grote plicht op hemzelf en zijn familie om niet onrechtmatig uit de Bait oel Mal te nemen. Hij nam enkel een absoluut minimum aan loon uit de schatkist. Als Khalifa beschreef men zijn kleren als “een gewaad van wol met vier lederen flarden tussen de schouderbladen (om de gaten in het gewaad te bedekken)”. Toen Khalifa ‘Oemar (ra) op Hadj ging gebruikte hij bij het slapen het deel van het gewaad dat zijn bovenlichaam bedekte als tent. Hij was niet bereid om geld aan de Bait oel Mal te onttrekken om voor zichzelf een tent te laten plaatsen. De Amier al Moe’uminien legde het bovendeel van het gewaad over een struik en ging dan zelf onder de struik liggen. In een overlevering wordt gezegd dat Khalifa ‘Oemar (ra) bij thuiskomst eens door zijn vrouw getrakteerd werd op een zoetigheid die ze voor hem had gemaakt. ‘Oemar (ra) vroeg haar waar ze de ingrediënten vandaan had, waarop ze hem vertelde al vele weken een kleine beetje van zijn loon als Khalifa te hebben gespaard. Zodat ze nu voor hem een zoetigheid had kunnen maken. Daarop verlaagde Khalifa ‘Oemar (ra) zijn loon uit de Bait oel Mal met het bedrag dat zijn vrouw had weten te sparen.

Van de mensen die Khalifa ‘Oemar (ra) als vertegenwoordiger van de Islamitische Staat uitzond, bijvoorbeeld als wali (goeverneur), verwachte hij eenzelfde omgang met de bezittingen van de Islamitische Staat. Oftewel de bezittingen van de Oemma die de Islamitische Staat voor hun voordeel behoort te gebruiken. Hij stelde enkel mensen aan en hij accepteerde geen verzoeken tot een aanstelling als gouverneur. Omdat volgens hem juist deze mensen uit waren op het materiële voordeel dat een positie als gouverneur zou kunnen doen realiseren. Verder liet hij (ra) de bezittingen opnemen van de mensen die hij uitzond, zodat hij zou merken wanneer ze zich teveel zouden toe-eigenen. Choezayma bin Thabit heeft verteld: “Iedere keer dat ‘Oemar een wali aanstelde, dan stuurde hij hem een brief waarin hij de voorwaarden (voor het ambt) uiteenzette, dat hij niet een birdhaun (een groot en sterk niet-Arabisch paard) zou bereiden, geen delicatessen zou eten, zich niet in fijne gewaden zou kleden, en zijn deur niet zou sluiten voor de behoeftigen. En als hij dit wel zou doen, dan zou het toegestaan worden om hem te bestraffen.”

Tegelijkertijd stelde Khalifa ‘Oemar (ra) een systeem ter verdeling van de welvaart van de Islamitische Staat in. Feitelijk stelde Khalifa ‘Oemar (ra) een systeem van uitkeringen in. De moslims kregen uit het bezit van de Islamitische Staat op basis van hun verdienste voor Islam. Maar ook de niet-moslims kregen uit het bezit van de Islamitische Staat indien zij niet in hun eigen onderhoud konden voorzien en zij niemand hadden om voor hen te zorgen. Er is overgeleverd dat Khalifa ‘Oemar (ra) eens voorbij een oude man van Ahl oel Dhimma (niet-moslim onderdanen van de Islamitische Staat) liep, die hij bedelend aantrof. Hij vroeg deze: “Wat is de reden dat je dit doet?”. De oude man antwoordde: “De leeftijd, djiziyya en behoefte”. ‘Oemar zei tot hem: “We hebben je onrechtvaardig behandeld, want we hebben djiziyya van je genomen toen je jong was maar niet voor je gezorgd nu je oud bent”. ‘Oemar (ra) nam de man daarop mee naar zijn huis en gaf hem te eten. Hierna stuurde hij de man naar de Bait oel Mal en gaf de opdracht niet langer de djiziyya van de man te nemen, maar om in plaats daarvan hem te voorzien uit de Bait oel Mal. Verder kon Khalifa ‘Oemar (ra) in de avonden geregeld op straat tegen worden gekomen omdat hij gewoon was er dan op uit te trekken om te horen of er toch geen mensen waren die moesten huilen uit nood of behoefte.

Maar Khalifa ‘Oemar (ra) vergat ook zijn andere verplichtingen tegenover Allah (swt) niet. Hij bouwde aan een professioneel leger, terwijl daarvoor de legers van de moslims altijd uit vrijwilligers hadden bestaan die hun dagelijkse leven onderbraken om voor korte tijd soldaat voor Islam te zijn. Onder Khalifa ‘Oemar (ra) kregen de soldaten die het soldatenbestaan als beroep kozen een loon. ‘Oemar (ra) oordeelde ook dat geen soldaat langer dan vier maanden op expeditie mocht zijn, omdat dit het leven van de echtgenote onnodig zwaar zou maken. Dit leger bleef werken aan de uitnodiging tot Islam, en onder het Kalifaat van ‘Oemar (ra) openden de legers van de moslims de gebieden in Noord-Afrika voor Islam, de gebieden van Jordanië en Asj Sjam (Syrië en Libanon), Perzië, Azerbeidjaan en Palestina. In de voor Islam geopende gebieden richtte Khalifa ‘Oemar (ra) militaire basissen in, waar soldaten en paarden continu gereed werden gehouden. En er werd voedsel opgeslagen voor noodsituaties.

Khalifa ‘Oemar (ra) vertrok persoonlijk naar Al Qoeds (Jeruzalem) om daar het verdrag te ondertekenen dat het overgaan op de moslims van het bewind over de stad zou ordenen. Onderweg wisselden hij en zijn dienaar het berijden van het rijdier van Khalifa ‘Oemar (ra) af. Ieder kreeg evenveel tijd om te rusten als de ander. Bij toeval was het de dienaar van ‘Oemar (ra) wiens beurt het was voor het berijden van het rijdier op het moment van aankomst bij Al Qoeds. Omdat er verder ook in kleding geen onderscheid te maken viel tussen Khalifa ‘Oemar (ra) en zijn dienaar dachten de mensen van Al Qoeds in eerste instantie dat de dienaar van de Khalifa, de berijder van het rijdier, de Amier al oe’uminien was. Toen de aanvoerder van het leger van de moslims dit zag, dat de dienaar van ‘Oemar (ra) bij aankomst in Al Qoeds de berijder van het rijdier was terwijl Khalifa ‘Oemar (ra) te voet ging en gekleed in een oude vest, zij hij: “O leider der gelovigen, is het niet eervoller voor u dat u, de Khalifa van Islam, de stad binnentreed met nieuwe kleren aan en met een ontvangstcomité?’. Hierop antwoordde ‘Oemar (ra): “Wij zijn een natie die vereerd is door Allah (swt) met Islam. Het past ons niet om eer en waardigheid te zoeken buiten Islam”.

Het verdrag dat Khalifa ‘Oemar (ra) liet optekenen betreffende Al Qoeds is bekend geworden als het “Pact van ‘Oemar”. Het verdrag stelde: “In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. Dit is wat de slaaf van Allah (swt) en de Aanvoerder van de gelovigen, ‘Oemar bin Al Chattab, heeft aangeboden aan de mensen van illiya betreffende veiligheid. Het garandeert hen bescherming van hun leven, hun geld, hun kerken, hun kinderen, hun behoeftigen en hun onschuldigen, en het restant van hun volk. Hun kerken zullen niet ingenomen worden, noch zullen ze vernietigd worden, noch zullen ze beledigd of gekleineerd worden, en evenmin zullen hun kruizen en hun geld dit overkomen, en ze zullen niet gedwongen worden om van religie te veranderen, noch zal één van hen kwaad aangedaan worden. Geen joden zullen met hen wonen in illiya, en het is vereist dat de mensen van illiya de djiziyya betalen, zoals de mensen in de steden. Het is ook vereist om de Byzantijnen van hun land te verwijderen. En wie van de mensen van onder de illiya die met hun geld tezamen met de Byzantijnen willen vertrekken, hun handelsgoederen en kinderen achterlatend, zijzelf, hun handelsgoederen en hun kinderen zullen veilig zijn totdat zij hun bestemming bereiken. Op dit boek is het Woord van Allah, het verbond van Zijn Boodschapper, van de Choelafa’a, en de gelovigen, als zij (de mensen illiya) geven hetgeen van hen vereist is voor wat betreft djiziyya. De getuigen hierbij waren Khalid bin Al Walid, ‘Amr bin Al ‘Aas, ‘Abdoerrahman bin ‘Auf en Moeawiyya bin Aboe Soefyan. Geschreven en ondertekend in het 15e jaar Hidjri”.

Khalifa ‘Oemar (ra) bouwde de staatsstructuur verder uit naarmate de Islamitische Staat groeide. Hij deelde het land op in gouvernementen, waarvoor hij (ra) een gouverneur aanstelde. De gouvernementen werden opgedeeld in districten, voor elk waarvan hij (ra) een amil liet aanstellen die verantwoordelijk werd voor de algemene zaken betreffende bestuur, en een qadi als rechter. Khalifa ‘Oemar (ra) stelde een systeem van administratie in werking, waaronder registers bijgehouden werden van al de staatsaangelegenheden: van de bevolking, van het leger, van de besluiten die de Khalifa nam, van de plichten en taken van eenieder die een officiële rol vervulde in het bestuur van de Islamitische Staat, van de inkomsten van de Staat, van de uitgaven van de Staat, et cetera. Onder Khalifa ‘Oemar (ra) werden officiële rechtbanken opgericht waar de mensen bij geschillen hun zaak neer konden leggen voor beoordeling volgens het Boek van Allah (swt) en de Soenna van de Boodschapper (saw). Ook werd een administratie van de landerijen binnen van de Islamitische Staat opgesteld waardoor het eigendom over grond werd vastgelegd. En deze gronden werden beoordeeld op vruchtbaarheid zodat de belasting die betaald hoort te worden over het bezit van land en de opbrengst van landbouw, bepaald kon worden en rechtvaardig zouden zijn. Zo zorgde Khalifa ‘Oemar (ra) ervoor dat de Islamitische Staat ook bij haar nieuwe grootte een eenheid bleef, die goed georganiseerd te werk ging bij het zorgen voor de mensen volgens de Wet van Allah (swt).

En in al de gebieden die de legers van de moslims openden voor Islam liet Khalifa ‘Oemar (ra) moskeeën en scholen bouwen, opdat de nieuwe onderdanen van de Islamitische Staat zouden kunnen leren over Islam. Hij (ra) stelde verschillende individuen aan om de mensen op deze plaatsen de Koran en Islam te leren, en hij (ra) zorgde ervoor dat men voor deze posities een loon kreeg uit de Bait oel Mal. Zo kwamen ganse naties tot Islam, naties die later zelf de taak van implementatie, bescherming en verspreiding van de boodschap van Islam op zich namen.

Overige zaken waarin ‘Oemar (ra) de eerste was

In het tijdperk van Khalifa ‘Oemar (ra) werd de Hidjri kalender ingesteld als de officiële kalender van de staat. Vóór het tijdperk van Khalifa ‘Oemar (ra) kenden de Arabieren geen officiële kalender, ze kenden enkel dagen en maanden. Khalifa ‘Oemar (ra) realiseerde zich dat dit problematisch was voor de administratie van de staatsaangelegenheden en hij vroeg de metgezellen om na te denken over een oplossing van deze kwestie. Er werden voorstellen gedaan om de kalenders van de Perzen en de Byzantijnen over de nemen, maar Khalifa ‘Oemar opteerde voor het voorstel van ‘Ali (ra) om de Hidjra van de Boodschapper van Allah (saw) van Mekka naar Al Medina te nemen als beginpunt van de kalender voor de Islamitische Staat.

Khalifa ‘Oemar (ra) werd in eerste instantie “Khalifa van de Khalifa van de Boodschapper van Allah (swt)” genoemd. Op een gegeven moment vroeg hij zijn wali (gouverneur) in Irak om twee vakkundige arbeiders te sturen die de mensen in Al Medina een aantal ambachten zouden kunnen leren. Laabid bin Rabiyya en Adi bin Haathim werden gestuurd. Toen zij aankwamen in Al Medina vroegen zij de mensen om hun aankomst aan te kondigen bij de Amier al Moe’uminien (Leider der Gelovigen). De mensen waren verbaasd door deze aanduiding en ze vroegen waarom Laabid en Adi de Khalifa deze titel toe hadden gekend. Ze zeiden: “We zijn allemaal moe’uminien (moslims), en ‘Oemar is onze amier (leider), dus Amier al Moe’uminien”. Toen dit ‘Oemar (ra) verteld werd liet hij de Sjoera (Raad voor Consultatie en Overleg) bijeenkomen. Men was het eens dat Amier al Moe’uminien een goede aanduiding voor de post van Khalifa zou zijn. Zo werd ‘Oemar (ra) de eerste Amier al Moe’uminien en na hem hebben al de Khoelafaa deze titel gedragen.

Zijn dood

Firoz, alias Aboe Loeloe, was een slaaf in het bezit van Moeghira Sj’oeba, de gouverneur van Basra. Moeghira vroeg Khalifa ‘Oemar (ra) toestemming om Aboe Loeloe te werk te mogen stellen in Al Medina, alhoewel hij geen moslim was. Khalifa ‘Oemar (ra) was terughoudend in eerste instantie maar gaf uiteindelijk toestemming omdat Moeghira hem verzekerde dat Aboe Loeloe een meester in verschillende ambachten was waarvan de bevolking van Al Medina veel voordeel zou kunnen hebben.
In Al Medina trok Aboe Loeloe naar Khalifa ‘Oemar (ra) om zijn beklag te doen over het inkomen dat zijn meester Moeghira van hem eiste. Aboe Loeloe werd door Moeghira een vrij leven gelaten op voorwaarde dat hij iedere dag twee dirham van zijn inkomsten betaalde aan Moeghira. Khalifa ‘Oemar (ra) ontving Aboe Loeloe, hoorde zijn klacht aan, en vroeg hem welke werkzaamheden hij precies verrichte. Aboe Loeloe vertelde dat hij als timmerman werkte, als schilder en als smid. Khalifa ‘Oemar (ra) zei Aboe Loeloe dat twee dirhams per dag hem niet echt veel toescheen, gezien de lucratieve werkzaamheden die Aboe Loeloe verrichte, maar dat hij Moeghira zou contacteren alvorens een oordeel in de kwestie uit te spreken. Aboe Loeloe was niet tevreden met dit antwoord en vertrok al mokkende van Khalifa ‘Oemar (ra). Moeghira schreef Khalifa ‘Oemar (ra) een brief om hem uit te leggen waarom twee dirhams niet een overdreven belasting op Aboe Loeloe was. Hij zette uiteen wat een timmerman, schilder en smid normaal gesproken verdiende en dus wat voor een inkomen Aboe Loeloe moest genieten. Khalifa ‘Oemar (ra) riep Aboe Loeloe daarop bij zich om hem te vertellen dat hij de loonafdracht aan Moeghira niet excessief vond en dat hij deze in stand zou houden en niet zou verlagen. Dit maakte Aboe Loeloe woest en hij besloot hierop Khalifa ‘Oemar (ra) te vermoorden. Hij maakte voor zichzelf een mes en doopte dit in gif. Hij verschanste zich in de moskee in afwachting Khalifa ‘Oemar (ra) die het ochtendgebed zou komen leiden. Toen de rijen recht gemaakt waren en Khalifa ‘Oemar (ra) het gebed begon stormde Aboe Loeloe naar voren en stak Khalifa ‘Oemar (ra) zes maal. Hierna vluchtte hij de moskee uit waarbij hij links en rechts op de mensen instak. Naast Khalifa ‘Oemar (ra) stak hij nog dertien mensen neer, zes waarvan uiteindelijk zouden overlijden. Bij de uitgang van de moskee werd Aboe Loeloe gegrepen, waarop hij zelfmoord pleegde.

Op zijn sterfbed vroeg Khalifa ‘Oemar (ra) naar de persoon die hem neergestoken had. Men vertelde hem dat dit Aboe Loeloe was geweest, waarop hij zei: “Allah zij geprezen dat ik niet door een moslim vermoord ben”.

Khalifa ‘Oemar (ra) liet aan ‘Aiesja (ra) vragen of hij naast zijn vrienden, de Boodschapper van Allah (saw) en Aboe Bakr (ra) begraven mocht worden. ‘Aiesja (ra): “Ik heb deze plaats gereserveerd voor mijn eigen begrafenis, maar ik geef ‘Oemar voorrang boven mezelf. Laat hem daar begraven worden”. Daarna vroeg Khalifa ‘Oemar (ra) zijn zoon om op te maken hoeveel schulden hij had, inclusief het loon dat hij als Khalifa ontvangen had. Hij betaalde uit zijn bezittingen alles terug.

De mensen vroegen Khalifa ‘Oemar (ra) ook om de benoeming van een opvolger. Iemand stelde hem (ra) zijn zoon Ibn ‘Oemar (ra) voor, waarop Khalifa ‘Oemar (ra) zei: “Moge je vervloekt zijn bij Allah (swt), omdat je me probeert te verleiden tot nepotisme door mijn zoon te benoemen op het moment dat ik mijn Schepper ga ontmoeten. Het Kalifaat is een kwestie die de gehele moslim Oemma aangaat, en ik zou niet willen dat dit een erfenis wordt binnen mijn familie. Ik zweer bij Allah dat ik nooit verlangd heb naar het Kalifaat voor mij. En wat ik niet verlangd heb voor mijzelf zou ik niet willen doorgeven aan mijn familie. Als er iets goeds is in deze positie van Khalifa, dan door tien jaren deze positie gehad te hebben heb ik de zegeningen voor gans mijn familie gerealiseerd. Als de positie van Khalifa iets slechts is waarom zou ik deze dan overdragen op mijn familie? Allah is mijn getuige dat ik tijdens mijn Kalifaat geen gunsten heb verleend aan mijn familie. Juist het tegenovergestelde, ik was strenger tegenover hen dan tegenover de andere moslims. Ik heb altijd geprobeerd om mijn taak te doen, met de vrees dat ik een dag zal wankelen in de verrichting van mijn taak. Ik weet niet of ik geslaagd ben in mijn opzet, maar ik zal tevreden zijn als hetgeen ik bereikt heb en mijn mislukkingen in balans zijn, zodat ik noch beloond noch bestraft zal worden voor mijn positie als Khalifa. Onthoudt, jullie mannen, wanneer ik een opvolger aanwijs dan is een man beter dan ik (Aboe Bakr) mij voorgegaan. En wanneer ik geen opvolger aanwijs, onthoudt dan dat de beste man, namelijk Mohammed (saw) geen opvolger aan heeft gewezen. Wat ook het geval is, ik ben ervan overtuigd dat Allah (swt) zelf de belangen van Islam zal beschermen”.

Hierna vertrokken de mensen en viel Khalifa ‘Oemar (ra) in slaap. Toen hij wakker werd, werd hij nogmaals gevraagd naar zijn opvolging. Khalifa ‘Oemar zei: “Nadat ik jullie heb aangehoord en de de voors en tegens voorzichtig tegen elkaar afgewogen had, had ik besloten om mijn opvolgers te benoemen die jullie zou leiden op het Pad van Rechtvaardigheid. Maar toen verloor ik het bewustzijn, en in die staat van onbewustzijn had ik een droom. Ik zag dat een man die een tuin bereid had al de rijpe en onrijpe vruchten aan het plukken was, en deze op de grond verzamelde. Ik interpreteer deze droom als betekenende dat ik zal sterven en dat Allah (swt) zelf de belangen van de Oemma zal behartigen. Ik zie daarom af van het benoemen van een opvolger want ik wil niet dat ik ook na mijn dood nog de last van (de verantwoordelijkheid over) het Kalifaat zal dragen”. Khalifa ‘Oemar (ra) wees daarop zes van de vooraanstaande mannen aan die na zijn dood één van onder hen zouden moeten kiezen als nieuwe Khalifa. Zij waren ‘Ali bin Aboe Talib (ra), ‘Oethman bin Affan (ra), ‘Abdoerrahman bin Auf (ra), Sa’ad bin Abi Waqqas (ra), Zoebair bin Awwam (ra) en Aboe Talha (ra), die allemaal het Paradijs beloofd waren door de Boodschapper van Allah (saw).

Allah’s (swt) bevestiging van de mening van ‘Oemar (ra)

Wat ‘Oemar (ra) uniek maakt in de geschiedenis van Islam is dat Allah (swt) verschillende malen de mening van ‘Oemar (ra) betreffende een kwestie bevestigde middels een Openbaring. Moedjaahid heeft gezegd: “ ‘Oemar had een mening en de Koran werd geopenbaard (in bevestiging)”. Sommige mensen zeggen dat dit meer dan twintig maal plaatsgevonden heeft. Een aantal hiervan zijn:

‘Oemar (ra) zei: “Ik was in overeenstemming met mijn Heer in drie dingen. Ik zei: ‘Boodschapper van Allah (saw), was toch maar de Plaats van Ibrahiem (as) de plaats van het gebed’, en toen werd er geopenbaard: ‘En neem de plaats van Ibrahiem tot de plaats van het gebed’ (2:215). Ik zei: ‘Boodschapper van Allah (saw), zowel goede als slechte mensen komen uw vrouwen bezoeken. Als Allah toch zou gebieden om de hidjaab te dragen’, en toen werd het vers van de hidjaab geopenbaard (33:32). (En ‘Oemar (ra) zei:) De vrouwen van de Boodschapper van Allah (saw) verenigden zich in jaloezie, en dus zei ik: ‘Misschien dat Zijn Heer (swt), als hij (saw) van jullie scheidt, hem in ruil betere echtgenotes dan jullie zal schenken’, en toen werd geopenbaard: ‘Indien hij van u scheidt, is het mogelijk dat zijn Heer hem betere vrouwen dan u zal geven, die Moslim zijn en onderdanig, gelovig, gehoorzaam, berouwvol, vroom, gewend te vasten, weduwen of maagden.’ (66:5).”

En Anas (ra) zei, dat ‘Oemar (ra) zei: “Ik was in overeenstemming met mijn Heer in vier dingen. Dit vers werd geopenbaard: ‘Voorwaar, Wij scheppen de mens uit een uittreksel van klei’ (23:12). En toen het geopenbaard werd zei ik: ‘Gezegend zij Allah, de Beste Schepper’. En toen werd geopenbaard: ‘Gezegend zij Allah, de Beste Schepper.’ (23:14)”.

Toen de Boodschapper van Allah (saw) nog meer om vergiffenis vroeg voor een bepaald volk, toen zei ‘Oemar (ra): “Het is om het even voor hen”. En toen werd geopenbaard:

“Het is om het even voor hen of gij wel of niet voor hen om vergiffenis vraagt, Allah zal hen stellig niet vergeven. Voorzeker, Allah leidt het opstandige volk niet”. (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Moenaafiqoen 63, vers 6)

En toen de Boodschapper van Allah (saw) het advies van zijn metgezellen zocht met betrekking tot het lasterverhaal (van ‘Aiesja (ra)), zei ‘Oemar: “Wie heeft haar met u getrouwd, Boodschapper van Allah?”. De Boodschapper van Allah (saw) antwoordde: “Allah”. ‘Oemar zei: “Denkt u dat uw Heer een gebrek bij haar van u verborgen zou houden? Heilig zijt Gij (Allah), dit is een grote lastering!” En toen werd geopenbaard:

“Heilig zijt Gij, dit is een grote lastering” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Noer 24, vers 16)

Er is ook de gebeurtenis waar ‘Oemar (ra) een jood ontmoette die tegen hem zei: “Djibriel, waarover jouw metgezel spreekt, is een vijand van ons”. Dus zei ‘Oemar (ra): “Al wie een vijand is van Allah en Zijn engelen en Zijn boodschappers en Djibriel en Mikaiel, waarlijk, Allah is een vijand van zulke ongelovigen”. En toen werd geopenbaard:

“Zeg: ‘Al wie een vijand van Djibril is’ – want waarlijk, hij openbaarde het op Allah’s bevel aan uw hart, vervullende datgene, wat voordien kwam, een leidraad zijnde en een blijde mare voor de gelovigen – ‘Al wie een vijand is van Allah en Zijn engelen en Zijn boodschappers en Djibriel en Mikaiel, waarlijk, Allah is een vijand van zulke ongelovigen’”. (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Baqara 2, vers 97 – 98)

Aboe Al Aswad zei: “Twee mannen brachten een twist bij de Profeet (saw) en hij (saw) oordeelde in hun aangelegenheid. Degene tegen wie het oordeel uitgesproken was (de onderliggende partij) zei: ‘Laat ons naar ‘Oemar bin Al Chattab gaan’. En dus gingen de twee tot hem. De man zei: ‘De Boodschapper van Allah (saw) sprak een oordeel uit tegen deze man in mijn voordeel en hij zei: ,,Laat ons naar ‘Oemar gaan”.’ ‘Oemar zei: ‘Is dat zo?’. Hij zei: ‘Ja’. ‘Oemar zei: ‘Wacht hier op mij tot ik naar buiten kom tot jullie’. Toen kwam hij naar buiten met zijn zwaard in zijn gewaad gewikkeld en hij sloeg (ermee) de man die had gezegd ‘Laat ons naar ‘Oemar gaan’, en doodde hem. De andere man zei: ‘Bij Allah! Mijn metgezel!’. En hij zei: ‘Ik had niet gedacht dat ‘Oemar een gelovige zou doden’. Toen openbaarde Allah (swt):

“Maar neen, bij uw Heer, zij zullen geen gelovigen zijn, voordat zij u (profeet) tot rechter maken over al hun geschillen en in hun hart geen aarzeling vinden aangaande hetgeen gij oordeelt en zij zich geheel en al onderwerpen”. (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera An Nisaa 4, vers 65)

Deze voorbeelden van bevestigingen door Allah (swt) van de mening van ‘Oemar (ra) bewijsen dat ‘Oemar (ra) over diepe wijsheid beschikte, en dat hij een bijzonder diep begrip van Islam had.

Diversen

Ibn ‘Oemar (ra) vertelde: “De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: ‘Terwijl ik sliep dronk ik (hij bedoelde melk, zei Ibn ‘Oemar) totdat ik de verzadiging uit mijn nagels zag komen, en toen gaf ik het over aan ‘Oemar’. De mensen vroegen: ‘Hoe interpreteert u deze droom, Boodschapper van Allah (saw)?’. Hij (saw) zei: ‘Kennis’”.

‘Oethman bin Madh’oen zei: “De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: ‘Deze is het slot op de fitna (onrust en beproevingen)’, en hij wees met zijn hand op ‘Oemar. ‘Er zal een deur tussen jullie en de fitna stevig gesloten blijven zolang deze man onder jullie leeft’”.

Comments

comments

DELEN