Na de dood van ‘Oethman bin ‘Affan (ra) werd ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) door de moslims verkozen tot Khalifa. Hij was derhalve de vierde van de Khoelafaa ar Raasjiddien, de Rechtgeleide Kaliefen.
Zijn naam, zijn genealogie, zijn jeugd, en zijn status onder Qoraiesj

Zijn naam was ‘Ali bin ‘Abd Manaf bin Sjayba bin Haasjim bin ‘Abd Manaf bin Qoessay bin Moerra bin Ka’ab bin Loe’ayy bin Ghaalib bin Fihr bin Maalik bin Nadr bin Kanana. Hij werd geboren in het 28e jaar na het Jaar van de Olifant. De Boodschapper (saw) werd geboren in het Jaar van de Olifant. ‘Abd Manaf, zijn vader, was bekend onder de naam Aboe Taalib. Aboe Taalib, letterlijk “vader van Taalib”, was feitelijk de koenja van ‘Abd Manaf. Taalib was de oudere broer van ‘Ali. De moeder van ‘Ali was Fatima, dochter van Asad, zoon van Haasjim. Zowel van vaderszijde als van moederszijde was ‘Ali van Banoe Haasjim, wat onder de Arabieren bijzonder eervol was. De vader van ‘Ali, Aboe Taalib, was een broer van ‘Abdoellah, de vader van de Boodschapper van Allah (saw). ‘Ali en Profeet Mohammed (saw) waren volle neven, derhalve.

‘Ali werd geboren in de Ka’aba. Zijn moeder Fatima verrichte als hoogzwangere vrouw nog omcirkelingen van de Ka’aba. Tijdens deze activiteit voelde zij plotsklaps de pijn van de bevalling opkomen. Ze trok zich daarop terug op een rustige plaats bij de Ka’aba, waar ‘Ali vervolgens geboren werd. De Profeet (saw) was bij zijn geboorte aanwezig en hij was de eerste op wie de ogen van ‘Ali vielen na zijn geboorte. Zijn moeder wilde hem Asad noemen naar haar vader, terwijl zijn vader hem Zaid wilde noemen. De Profeet (saw) noemde hem daarop ‘Ali, een naam die afgeleid is van het woord Allah, omdat ‘Ali in het huis van Allah geboren was. Een unicum daar er voorheen niemand was die de naam ‘Ali droeg.

‘Ali was van gemiddelde lengte en neigde eerder tot klein dan tot lang. Hij had een mooi gezicht met een rechte neus, mooie lippen en ogen die gezag uitstraalden. Zijn stem was melodieus en in zijn jeugd was zijn lichaam krachtig en sterk. Op latere leeftijd werd hij ietwat kalend bij het voorhoofd en ontwikkelde hij een buikje. Hij had een lange, volle baard tot op zijn borst die hij geregeld rood verfde met henna.

Zijn bekering tot Islam

Na de dood van zijn vader ‘Abdoellah werd Profeet Mohammed (saw) opgevoed in het huis van zijn oom Sjayba bin Haasjim, de grootvader van ‘Ali die bekend was onder de naam ‘Abdoel Moetallib. Na diens dood, toen de Profeet (saw) negen jaar oud was, werd Profeet Mohammed (saw) met veel liefde opgevoed in het huis van Aboe Taalib. Profeet Mohammed (saw) was als een zoon voor Aboe Taalib en derhalve was ‘Ali van kinds af aan als een broer voor Profeet Mohammed (saw), hoewel feitelijk dus een neef. Nadat Profeet Mohammed (saw) met Khadidja (ra) getrouwd was en bij haar ingetrokken was, kwam Profeet Mohammed (saw) met Aboe Taalib overeen dat hij (saw) voor de peuter ‘Ali zou zorgen.
Toen de eerste openbaringen van Allah (swt) tot Profeet Mohammed (saw) kwamen was ‘Ali omstreeks acht jaren oud. Profeet Mohammed (saw) vertelde eerst zijn vrouw Chadidja van zijn ervaring en zij (ra) geloofde daarop in hem (saw). Toen nam zij (ra) hem mee naar Waraqa bin Naufal omdat hij als christen bekend was met Tora en Bijbel, en ook hij geloofde in hem. Toen nodigde hij de jonge ‘Ali uit tot Islam, en ook hij geloofde in hem (saw). Omdat ‘Ali nog zo jong was toen hij Islam aannam heeft hij nooit in zijn leven afgoden aanbeden zoals de mensen van het Arabisch schiereiland destijds gewoon waren.

Zijn tijd in Mekka

Ongeveer drie jaren in het profeetschap besloot de Boodschapper van Allah (saw) de leiders van Banoe Haasjim bijeen te roepen voor een maaltijd, om hen dan na de maaltijd uit te nodigen tot Islam en om hun steun te vragen voor Islam. Omstreeks veertig mannen van Banoe Haasjim verzamelden zich en de op dat moment elfjarige ‘Ali (ra) was onder hen. Na de maaltijd nodigde de Boodschapper van Allah (saw) hen uit tot Islam en vroeg hen Islam en de Boodschapper van Allah (saw) te ondersteunen. Het bleef stil en enkel de jonge ‘Ali (ra) stond op en zei: “Ik zal u ondersteunen, o Boodschapper van Allah!”. De Boodschapper van Allah (saw) bedankte ‘Ali (ra) daarop voor zijn steun en in de richting van de overige gasten herhaalde hij zijn oproep een tweede en een derde keer. Iedere keer bleef het stil, buiten ‘Ali (ra) die iedere keer temidden van zijn volwassen familieleden opstond om zijn steun voor Islam en de Boodschapper van Allah (saw) uit te spreken.

Tijdens de jaren van uitnodiging tot Islam bleef ‘Ali (ra) aan de zijde van de Boodschapper van Allah (saw). Toen de Boodschapper van Allah (saw) de berg Safa beklom en van daar de mensen toesprak, stond ‘Ali (ra) aan zijn rechter zijde. De Boodschapper van Allah (saw) zei: “Als ik jullie zeg dat er zich in de vallei een vijandelijk leger bevind klaar om jullie aan te vallen, zouden jullie mij dan geloven?”. De mensen antwoordden: “Jawel, wij zouden je geloven want het is ons bekend dat jij betrouwbaar bent”. Toen zei de Boodschapper van Allah (saw): “Ik zeg jullie dat er geen God is buiten Allah, en dat ik Zijn profeet ben”. Daarop joelden de mensen de Boodschapper van Allah (saw) uit en vertrokken.

Bij de migratie van de Boodschapper van Allah (saw) naar Al Madina bleef ‘Ali (ra) achter in zijn huis. De Boodschapper van Allah (saw) had ‘Ali (ra) de opdracht gegeven om de vijanden van Islam te misleiden door te gaan slapen in zijn bed (van de Boodschapper van Allah (saw)). Hierna moest ‘Ali (ra) ervoor zorgen dat de mensen die bij de Boodschapper van Allah (saw) goederen in bewaring af hadden gegeven dezen terug zouden krijgen. Dus toen de vijanden van Islam later het huis van de Boodschapper van Allah (saw) binnen braken om hem (saw) in zijn (saw) slaap te doden, troffen zij ‘Ali (ra) aan op de plaats waar zij dachten dat de Boodschapper van Allah (saw) lag te slapen. Dankzij deze hulp van ‘Ali (ra), die zijn eigen leven waagde om de Boodschapper van Allah (saw) te helpen, leerden de vijanden van Islam pas een tijd na het vertrek van de Boodschapper van Allah (saw) over zijn (saw) emigratie naar Al Medina. Waardoor de Boodschapper van Allah (saw) een voorsprong op de vijanden van Islam kon opbouwen die hem in staat stelde om uit hun handen te blijven.

Zijn tijd in Al Medina tijdens de Boodschapper van Allah (saw)

Enkele dagen later vertrok ook ‘Ali (ra) uit Mekka naar Al Madina, alwaar de Boodschapper van Allah (saw) de Islamitische Staat had gesticht. In Al Madina zou ‘Ali (ra) bekend worden als één van de meest moedige strijders van de moslims. ‘Ali (ra) vocht aan de zijde van Boodschapper van Allah (saw) tijdens al de veldslagen die bij het leven van de Boodschapper (saw) uitgevochten werden, met uitzondering van de Slag bij Taboek. Voor deze slag liet de Boodschapper van Allah (saw) ‘Ali (ra) achter in Al Madina als verantwoordelijke in zijn (saw) afwezigheid. Bij de Slag van Badr was hij één van de drie die naar voren traden in reactie op de uitdaging van ‘Oetba, Sjaiba en Al Walid van onder de Qoraiesj. Hamza (ra) trad naast ‘Ali (ra) naar voren, evenals ‘Oebayda bin Harith (ra). ‘Ali (ra) doodde Al Walid en Hamza (ra) doodde Sjaiba. ‘Oebaida bin Harith (ra) werd dodelijk getroffen door ‘Oetba, maar hierna werd ‘Oetba gedood door ‘Ali (ra) en Hamza (ra) tezamen. Daarop stormden nog eens drie Mekkanen op ‘Ali (ra) en Hamza (ra) af en ook zij werden alledrie door hen beiden gedood. In het daaropvolgende gevecht tussen het leger van de moslims en het leger van Qoraisj doodde ‘Ali (ra) volgens overleveringen eenentwintig Mekkanen, mede waardoor de moslims die dag de overwinnaars waren. Ook bij de Slag van Oehoed werden de moslims uitgedaagd door de Qoraiesj. Talha bin Abi Talha was de vaandeldrager van de Qoraiesj en stond onder hen bekend als de allerbeste zwaardvechter. Hij trok naar voren en daagde de moslims uit. ‘Ali (ra) was die dag de vaandeldrager van de moslims en hij (ra) trad Talha tegemoet. Talha viel als eerste aan, maar ‘Ali (ra) weerde diens aanval af waarna hij Talha doodde. Toen tijdens de slag veel van de moslims vluchtten, denkende dat de Boodschapper van Allah (saw) gedood was, hield ‘Ali (ra) stand en beschermde de Boodschapper van Allah (saw). Nadat duidelijk was geworden dat de Boodschapper van Allah (saw) niet gedood was en de moslims zich gehergroepeerd hadden, gaf de Boodschapper van Allah (saw) de opdracht voor een aanval op de Qraiesj. Hij gaf ‘Ali (ra) de opdracht voorwaarts te trekken. Al vechtend scheurde ‘Ali (ra) het leger van Qoraiesj uiteen. De Mekkanen stoven uiteen in reactie op de komst van ‘Ali (ra). Op gegeven ogenblik tijdens het gevecht brak het zwaard van ‘Ali (ra), die daarop van de Boodschapper van Allah (saw) diens zwaard overhandigd kreeg. Met in zijn linkerhand het vaandel van de moslims en in zijn rechterhand het zwaard van de Boodschapper van Allah (saw) vocht ‘Ali (ra) vervolgens tot het einde van de slag. Hij liep zestien wonden op die dag maar bleef vechten voor de zaak van Islam. Vanwege deze dag noemde de Boodschapper van Allah (saw) ‘Ali “Asad Allah”, oftewel leeuw van Allah.

Bij de Slag om Chaybar zei de Boodschapper van Allah (saw) tegen de moslims: “Ik zal morgen het vaandel geven aan een man middels wiens hand Allah (ons) de overwinning zal schenken. Hij houdt van Allah en Zijn Boodschapper, en Allah en Zijn Boodschapper houden van hem”. De volgende dag overhandigde hij (saw) aan ‘Ali (ra) het vaandel van Islam. ‘Ali (ra) bleek bij de Slag van Chaybar inderdaad degene die de weg naar de overwinning opende voor de moslims. In een uiting van immense kracht brak hij (ra) in zijn eentje de poort van het fort van Chaybar open, waarna de moslims het fort wisten te overmeesteren. Na de slag kon de poort door acht moslims niet weggedragen worden omdat deze te zwaar voor hen was.

Na de Slag bij Badr vroeg ‘Ali (ra) de Boodschapper van Allah (saw) om de hand van zijn dochter Fatima (as). De Boodschapper van Allah (saw) zei dat hij ‘Ali (ra) zou antwoorden nadat hij Fatima (as) om haar mening had gevraagd. Fatima (as) antwoordde de Boodschapper van Allah (saw) niet in antwoord op diens vraag, waarmee ze haar instemming met het voorstel tot huwelijk met ‘Ali (ra) aangaf. ‘Ali (ra), echter, beschikte niet over geld en was daardoor niet in staat om de huwelijksceremonie en de bruidsschat te bekostigen. Hij verkocht daarom zijn harnas en wapen aan ‘Oethman (ra) voor vijfhonderd dirham. Bij het huwelijk schonk ‘Oethman (ra) vervolgens hetzelfde harnas en wapen aan ‘Ali (ra) terug. Toen ‘Ali (ra) de Boodschapper van Allah (saw) hierover vertelde prees hij (saw) ‘Oethman (ra) en bad voor hem (ra).

In het zesde jaar na de Hidjra vertrokken de moslims onder aanvoering van de Boodschapper van Allah (saw) uit Al Madina naar Mekka om de Oemra (kleine bedevaart) te verrichten. Maar de moslims werd de toegang tot Mekka ontzeg door de Qoraiesj. In plaats te vechten koos de Boodschapper van Allah (saw) ervoor om een verdrag met de Qoraiesj overeen te komen, waaronder de moslims het volgende jaar terug zouden mogen keren om Oemra te verrichten. Dit verdrag tussen de Boodschapper van Allah (saw) en de Qoraiesj zou bekend worden als het Pact van Hoedaybiyya en het hield een grote overwinning in voor de moslims. Tot het moment van ondertekening van het verdrag hadden de Qoraiesj altijd neergekeken op de moslims, hen beschouwende als een opstandige groep van onder hun midden die vernietigd moest worden. Hun ondertekening van het Pact van Hoedaybiyya met de moslims betekende dat zij de moslims voortaan accepteerden als een afzonderlijke gemeenschap over wie Qoraiesj niets te zeggen hadden en tegen wie zij niet opgewassen waren. En het Pact van Hoedaybiyya betekende dat zij de staat van de moslims in Al Madina erkenden als een onafhankelijke staat, de Islamitische Staat. De Boodschapper van Allah (saw) gaf aan ‘Ali (ra) de opdracht het Pact van Hoedaybiyya op te schrijven, waarna het ondertekend werd door Soehail bin ‘Amr namens de Mekkanen en de Boodschapper van Allah (saw) als leider van de Islamitische Staat en de moslims.

Toen twee jaar na het Pact van Hoedyabiyya de Qoraiesj hun zijde van de overeenkomst verbraken marcheerde het moslim leger naar Mekka om de stad in te nemen. De Qoraiesj gaven zich over en Mekka werd zonder slag of stoot ingenomen door de moslims. De Boodschapper van Allah (saw) begaf zich daarop naar de Ka’aba en sloeg al de afgodsbeelden die zich hierin bevonden kapot. Sommigen van de afgodsbeelden, echter, bevonden zich hoog aan de muren van de Ka’aba. Daarom vroeg de Boodschapper van Allah (saw) aan ‘Ali (ra) om op de schouders van de Boodschapper van Allah (saw) te gaan staan en dezen kapot te slaan. ‘Ali (ra) deed aldus.

Na deze overwinning was de Islamitische Staat definitief de grootste macht op het Arabisch schiereiland. De Boodschapper van Allah (saw) stuurde daarop afgevaardigden naar de verschillende steden op het Arabisch Schiereiland om hen persoonlijk tot Islam uit te nodigen. Bij verschillende gelegenheden koos de Boodschapper van Allah (saw) ‘Ali (ra) als zijn gezant, zoals naar Banoe Djazima. Naar de steden die de uitnodiging tot Islam verwierpen en die tot oorlog tegen Islam opriepen stuurde de Boodschapper van Allah (saw) legers van de moslims. En bij verschillende gelegenheden wees hij ‘Ali (ra) aan als aanvoerder van deze legers, zoals voor het leger dat optrok tegen de stad Ta’ief, tegen Banoe Tai, tegen Banoe Zabada en tegen Banoe Ramla. ‘Ali (ra) was ook de aanvoerder van het leger dat Jemen opende voor Islam. Niet enkel dit, de debatten die ‘Ali (ra) daarna voerde met de leiders van de christenen en de joden in Jemen deden velen van hen zich bekeren tot Islam, waarna het volk van Jemen zich massaal tot Islam wendde.

Zijn tijd in Al Medina tijdens de Khoelafaa ar Raasjiddien voor hem

Na de dood van de Boodschapper van Allah (saw) zag ‘Ali (ra) toe op de wassing en begrafenis van diens lichaam. Onderwijl kwamen verschillende leiders van de Ansaar bijeen om van onder hen een opvolger voor de Boodschapper van Allah (saw) te kiezen die de leider van de moslims zou worden en die ervoor zou zorgen dat met Islam geregeerd zou blijven worden. Toen de Moehadjirien (emigranten uit Mekka) hiervan hoorden spoedden Aboe Bakr (ra) en ‘Oemar (ra) zich naar deze bijeenkomst om zich eveneens met deze zaak te bemoeien. Uiteindelijke kamen de aanwezigen bij deze bijeenkomst overeen om Aboe Bakr (ra) te verkiezen als Khalifa, ondermeer omdat hij (ra) ook degene was die door de Boodschapper van Allah (saw) aangewezen was om het gebed te leiden tijdens zijn (saw) ziekte, wat een uiting was van het feit dat Aboe Bakr (ra) in de ogen van de Boodschapper van Allah (saw) onder al de metgezellen de meest vooraanstaande positie genoot.

‘Ali (ra) was niet tevreden met het feit dat de beslissing over de Khalifa van de Boodschapper van Allah (saw) in het regeren over de mensen met Islam genomen was in zijn afwezigheid. ‘Ali (ra) was ook van mening dat hij (ra) aanspraak mocht maken op de positie van Khalifa. Imaam As Soejoeti heeft overgeleverd van Aboe Sa’id al Choedri dat toen Aboe Bakr de preekstoel besteeg nadat hij gekozen was tot Khalifa, hij vroeg naar (ondermeer) ‘Ali (ra). ‘Ali (ra) gaf toen de eed van gehoorzaamheid en trouw aan Aboe Bakr (ra). Volgens sommige overleveringen zou ‘Ali (ra) hierover gezegd hebben: “In de Islamitische wetenschappen doe ik voor niemand onder en het Kalifaat zou tot mij moeten zijn gekomen. Bij deze veronachtzaming van mijn recht raakte ik verward. Ik begon te overleggen of ik mijn claim (op het Kalifaat) zou moeten bevestigen, of dat ik geduld zou moeten uitoefenen. En na veel overleg besloot ik te kiezen voor het laatste”.

Bij de dood van Aboe Bakr (ra) was ‘Ali (ra) zeer bedroefd. Op zijn sterfbed had Aboe Bakr (ra) de moslims aangeraden om ‘Oemar bin Al Chattab (ra) als zijn opvolger aan te stellen en de moslims deden aldus. ‘Oemar bin al Chattab (ra) werd zo de tweede Khalifa van de moslims. ‘Ali (ra) huwde zij dochter Oemm Koelthoem met Khalifa ‘Oemar (ra). En onder Khalifa ‘Oemar (ra) vervulde ‘Ali (ra) in het staatsbestel van de Islamitische Staat de rol van rechter en van assistent en adviseur van de Khalifa. Toen de Byzantijnen een aanval openden op Damascus, dat op dat moment onderdeel van de Islamitische Staat was, adviseerden sommigen van de sahaba Khalifa ‘Oemar (ra) om naar Syrië te vertrekken om het leger van de moslims aan te voeren. ‘Ali (ra), daarentegen, adviseerde Khalifa ‘Oemar (ra) om in Al Madina te blijven en om een aanvoerder voor het leger te benoemen. Omdat een mogelijke dood van Khalifa ‘Oemar (ra) op het slagveld het voorbestaan van de Islamitische Staat in gevaar zou kunnen brengen. Khalifa ‘Oemar (ra) nam het advies van ‘Ali (ra) en besloot zelf in Al Madina te blijven. Toen weer later de moslims Al Qoeds (Jeruzalem) openden voor Islam adviseerden sommigen van de sahaba Khalifa ‘Oemar (ra) om in Al Madina te blijven. ‘Ali (ra), daarentegen, adviseerde Khalifa ‘Oemar (ra) om naar Al Qoeds te vertrekken om hoogstpersoonlijk het verdrag tussen de moslims en de christenen in Al Qoeds te ondertekenen. Ook in dit geval koos Khalifa ‘Oemar (ra) ervoor om het advies van ‘Ali (ra) te volgen.

Onder ‘Oethman (ra) als Khalifa bleef ‘Ali (ra) in functie als de meest voornam rechter binnen de Islamitische Staat. Hiernaast kwam ‘Ali (saw) in de rol van “tussenpersoon” toen sommige lieden zich door laster lieten misleiden tot ontevredenheid over Khalifa ‘Oethman (ra). De ontevreden opstandigen verzochten ‘Ali (ra) om hun klachten bij Khalifa ‘Oethman (ra) kenbaar te maken. En Khalifa ‘Oethman (ra) verzocht ‘Ali (ra) om aan de mensen de boodschap over te brengen dat de meesten van hun klachten aantoonbaar onjuist waren en dat hij (ra) betreffende de klachten die enigszins gegrond waren beloofde de reden voor de klacht weg te nemen. Toen de ontevreden opstandelingen het huis van Khalifa ‘Oethman belegerden, toen stuude ‘Ali (ra) zijn zoons Al Hassan (ra) en Al Hoessein (ra) om de Khalifa te beschermen.

Zijn benoeming tot Khalifa

Na de dood van Khalifa ‘Oethman (ra) boden de ontevreden opstandigen die verantwoordelijk waren voor de dood van ‘Oethman (ra) ‘Ali (ra) aan om hem de eed van gehoorzaamheid en trouw te geven. Oftewel, om hem de post van Khalifa te geven. Maar ‘Ali (ra) weigerde. Ook anderen van de vooraanstaande moslims weigerden het aanbod om als Khalifa aan te worden gesteld. Omdat allen diep bedroefd waren betreffende de moord op Khalifa ‘Oethman (ra) en niet dankzij deze moord op ‘Oetman (ra) Khalifa wensten te worden. En omdat velen van hen van mening waren dat na Aboe Bakr (ra), ‘Oemar (ra) en ‘Oethman (ra) ‘Ali (ra) de enige juiste persoon was om Khalifa te worden. Om het probleem van opvolging van Khalifa ‘Oethman (ra) op te lossen kwamen al de moslims in Al Medina bijeen in de moskee van de Boodschapper van Allah (saw). Nadat één van hen publiekelijk zijn eed van gehoorzaamheid en trouw had afgegeven aan ‘Ali (ra) volgden al de andere moslims snel. Zo werd ‘Ali (ra) door de mensen van Al Medina gekozen als Khalifa.

Gebeurtenissen ten tijde van het Kalifaat van ‘Ali (ra)

Al snel na zijn verkiezing tot Khalifa werd ook ‘Ali (ra) bedreigd door de ontevreden opstandelingen. Ze zeiden hem: “O Khalifa! Weet dat wij mensen zijn die dingen tot het bittere einde doorzetten. We kunnen de zaak op zijn kop zetten en regeringen omver werpen”. Khalifa ‘Ali (ra) realiseerde zich dat zij hiermee de waarheid spraken, hoe misleid de ontevreden opstandigen ook mochten zijn. Wat ze waren groot in aantal in Al Medina en ze waren effectief de meest machtige factie in de stad.

Als een van zijn eerste handelingen als Khalifa besloot ‘Ali (ra) daarom om degenen die verantwoordelijk waren voor de moord op ‘Oethman (ra) niet direct voor het gerecht te brengen. Khalifa ‘Ali (ra) besloot dit uit te stellen totdat hij de situatie in de Islamitische Staat onder zijn controle had gebracht. Hij (ra) vreesde dat de ontevreden opstandelingen ook tegen hem in opstand zouden komen als hij hen op dat moment direct zou vervolgen. Wat de situatie van de Islamitische Staat nog meer paniebel zou maken. In plaats hiervan besloot Khalifa ‘Ali (ra) daarom eerst al de woelaa (gouverneurs) die onder ‘Oethman (ra) gediend hadden te vervangen, of zij nu door Khalifa ‘Oethman (ra) waren aangesteld of door Aboe Bakr (ra) of ‘Oethman (ra), en of zij nu inderdaad laakbaar hadden gehandeld als wali of niet. Dit, daar de ontevreden opstandigen hun opstand tegen ‘Oethman (ra) hadden geprobeerd te rechtvaardigen middels klachten over deze woelaa (goeverneurs).

Zo probeerde Khalifa ‘Ali (ra) de gemoederen te kalmeren in de Islamitische Staat. Door de woelaa te vervangen zou iedere reden voor ontevredenheid betreffende de Khalifa weggenomen worden en dus iedere steun voor de ontevreden opstandelingen vervagen. En door al de woelaa te vervangen, en niet slechts enkelen zoals uitsluitend de woelaa die door ‘Oethman (ra) waren aangesteld, zou Khalifa ‘Ali (ra) niet van voortrekkerij beschuldigd kunnen worden. Hierna, als Khalifa ‘Ali (ra) dan eenmaal de macht en invloed van de ontevreden opstandelingen zou hebben verzwakt, dan zou gewerkt worden aan vervolging van de moordenaars van ‘Oethman (ra).

Khalifa ‘Ali (ra) benoemde daarom ondermeer ‘Abdoellah ibn ‘Abbaas (ra) als wali (gouverneur) voor Basra en Ziyad ibn Abiya voor Perzië. Hij (ra) benoemde Malik Asjtar als wali voor Egypte, en schreef hem: “O Malik, laat de mensen weten dat je benoemt bent als gouverneur voor Egypte. Al je handelingen als gouverneur van Egypte zullen open staan voor kritiek van de mensen. Je moet goede daden doen. Beheers je emoties. Je behandeling van je onderdanen moet eerlijk en rechtvaardig zijn. Behandel hen met genegenheid en hou van hen. Er zijn twee typen van onderdanen over wie geregeerd moet worden. Ten eerste je broeders in Islam en ten tweede de mensen wiens bescherming gegarandeerd is (niet-moslim onderdanen van de Islamitische Staat, de dhimmi). Moedwillig of per vergissing, de mensen zijn geneigd tot het maken van fouten. Het zal je sieren wanneer je hen vergeeft, zoals jij hoopt dat Allah (swt) jouw je zondes zal vergeven. Schaam je er niet voor om hen te vergeven. Zoek nooit plezier in het bestraffen van hen. Wees niet opvliegend. Zeg nooit dat je een gouverneur boven hen bent, want dat doet een gevoel van minderwaardigheid in hen broeden. Als je ooit het gevoel van trots zou voelen in je verheven positie, denk dan aan Macht en Grandeur van Allah (swt) want dat is de manier om je arrogantie onder controle te brengen. Onthoud dat Allah (swt) degenen haat die wreed en arrogant zijn. Wees eerlijk en rechtvaardig, want als je hierin faalt dan zul je een tiran zijn. En de tiran is de vijand van Allah (swt)”.

Maar in de instabiele situatie die heerste in de Islamitische Staat op dat moment, en die al eerder de moord op Khalifa ‘Oethman ten gevolge had gehad, hadden deze beide beslissingen van Khalifa ‘Ali (ra) een onbedoeld resultaat. Ten eerste, namelijk, waren niet al de woelaa bereid om hun posities op te geven terwijl zij niets verkeerd hadden gedaan. En onder hen waren woelaa die invloedrijk en daardoor machtig waren. Zoals Moe’awiya (ra), bijvoorbeeld, die op dat moment al ruim twintig jaar lang wali van Syrië was en die zeer geliefd was onder het volk van Syrië. Ten tweede was de familie van ‘Oethman (ra) ontevreden over het besluit om de vervolging van de ontevreden opstandelingen die ‘Oethman (ra) vermoord hadden uit te stellen. Zij waren van mening dat de moordenaars direct vervolgd moesten worden. En daarom werden zij van mening dat Khalifa ‘Ali (ra) nalatig was in het nakomen van de Wet van Allah (swt) toen hij niet direct de moordenaars van ‘Oethman (ra) voor het gerecht bracht. Dus zij zagen in het besluit van Khalifa ‘Ali (ra) een reden om in opstand te komen tegen hem. Een opstand om de Khalifa te dwingen de moordenaars van ‘Oethman (ra) voor het gerecht te brengen.

Khalifa ‘Ali (ra) stuurde daarop een afgevaardigde naar Moeawiyya (ra) om hem de beweegredenen achter het besluit van ‘Ali (ra) uit te leggen, om hem te vragen zijn positie af te staan aan de persoon die Khalifa ‘Ali (ra) benoemd had, en om hem te vragen zijn macht en invloed te gebruiken om de moordenaars van ‘Oethman (ra) voor het gerecht te krijgen. Maar Moe’awiya (ra) weigerde en verklaarde dat hij ‘Ali (ra) pas als Khalifa zou accepteren als ‘Ali (ra) de moordenaars van ‘Oethman (ra) had laten berechten. Daarop restte Khalifa ‘Ali (ra) niets anders dan een leger bijeen te brengen om Moe’awiya (ra) uit zijn ambt te verwijderen, omdat hij een bevel van de rechtmatige Khalifa genegeerd had.

Echter, ook in Mekka ontstond ontevredenheid betreffende het besluit van Khalifa ‘Ali (ra) om de moordenaars van ‘Oethman vooralsnog niet te vervolgen. Ook zij besloten een leger bijeen te brengen om naar Al Medina op te trekken en de ontevreden opstandigen daar een lesje te leren. Dit Mekkaanse leger stond onder aanvoering van ‘Aiesja (ra), de vrouw van de Boodschapper van Allah (saw), en Talha (ra) en Zoebair (ra) die beiden het Paradijs beloofd waren door de Boodschapper van Allah (saw). Zij verklaarden enkel uit te zijn op bestraffing van de moordenaars van ‘Oethman (ra). Dus wie niets met de moord van doen had zou niets te vrezen hebben, verklaarden ze. En wie tegen hen op zou trekken in oorlog zou daarmee aantonen achter de moord op ‘Oethman (ra) te zitten, zo redeneerden ze. Khalifa ‘Ali (ra), echter, achtte dit een vorm van rebellie tegen zijn gezag terwijl hij (ra) niets gedaan had wat tegen de Wet van Allah (saw) indruiste. Hij (ra) bereidde daarom een leger voor om de Mekkanen te stoppen. En zo dreigde een complete burgeroorlog in de Islamitische Staat. Een catastrofe geresulteerd uit het feit dat sommige dwalende mensen zich hadden laten verleiden tot opstand tegen de rechtmatige Khalifa ‘Oethman (ra).

Bij Basra troffen de beide legers elkander. Khalifa ‘Ali (ra) liet zijn leger niet vechten, maar hij stuurde een gezant naar ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra). De gezant zette voor hen nogmaals uiteen waarom Khalifa ‘Ali (ra) de beslissingen had genomen die hij had genomen. Toen ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) dit uitgelegd kregen, kregen ze meer begrip voor de positie van Khalifa ‘Ali (ra). Ze antwoorden dat ze niet tegen Khalifa ‘Ali (ra) in opstand wensten te komen maar dat ze enkel de moordenaars van ‘Oethman (ra) gestraft wilden zien. De gezant legde hen daarna uit dat het wel degelijk de doelstelling van Khalifa ‘Ali (ra) was om recht geschied te krijgen maar dat de moordenaars van ‘Oethman (ra) een te grote groep waren geweest om dat meteen te doen. Ze zouden ook Khalifa ‘Ali (ra) vermoord hebben. En ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) zagen ook wel in dat dit de waarheid was. Toen vroeg de gezant van Khalifa ‘Ali (ra) aan ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) of ze zich we gerealiseerd hadden dat ze met hun actie de moordenaars van ‘Oethman (ra) geholpen hadden. De moordenaars van ‘Oethman (ra) waren blij met de actie van ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra), omdat hierdoor Khalifa ‘Ali (ra) gedwongen was om zich met hun rebellie bezig te houden in plaats van met hun vervolging. De moordenaars van ‘Oethman (ra) hadden zich daarom allemaal aangesloten bij het leger van Khalifa ‘Ali (ra), hopende dat door de oorlog tussen de moslims hun misdaad vergeten zou worden. Toen ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) dit hoorden realiseerden ze zich dat ze verkeerd waren geweest. Ze vroegen om vrede met Khalifa ‘Ali (ra). Khalifa ‘Ali (ra), Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) kwamen zo overeen om de volgende dag een vredesovereenkomst te ondertekenen. Maar toen de moordenaars van ‘Oethman (ra), die zich dus onder het leger van Khalifa ‘Ali (ra) bevonden, dit te horen kregen, wisten ze dat hun uur gekomen was. Daarom besloten ze in de nacht voorafgaand aan de ondertekening van het vredesverdrag het leger van ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) aan te vallen. Toen dit gebeurde dachten Talha (ra) en Zoebair (ra) dat Khalifa ‘Ali (ra) hen aanviel, en zij riepen hun soldaten op om een tegenaanval te lanceren. Zo vervielen de beide legers toch in oorlog. Het leger van Khalifa ‘Ali (ra) concentreerde haar aanval op de kameel waarmee ‘Aiesja (ra) zich vervoerde. Hiervoor werd de slag bekend als de Slag van de Kameel. Toen het dier eenmaal geveld was gaven de strijders van Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) zich over, maar meer dan tienduizend moslims hadden reeds de dood gevonden. Na de strijd gaven de volgelingen van ‘Aiesja (ra), Talha (ra) en Zoebair (ra) aan Khalifa ‘Ali (ra) de eed van trouw en gehoorzaamheid.

Dit deed enkel de opstand van Moe’awiya (ra) tegen Khalifa ‘Ali (ra) nog over blijven. Khalifa ‘Ali (ra) stuurde een afgezant naar Moe’awiya (ra) om de kwestie te bespreken en om te proberen een vreedzame oplossing te zoeken. Maar Moe’awiya (ra) bleef bij zijn besluit om Khalifa ‘Ali (ra) niet te gehoorzamen zolang deze de moordenaars van ‘Oethman (ra) niet berecht had. Daarop trok Khalifa ‘Ali (ra) met zijn leger op naar het noorden, in de richting van het Syrië waar Moe’awiya (ra) de wali was. Bij As Siffin aan de flank van de rivier de Eufrates troffen de legers van Khalifa ‘Ali (ra) en wali Moe’awiya (ra) elkaar. Khalifa ‘Ali (ra) daagde Moe’awiya (ra) uit tot een persoonlijk duel om zo de kwestie te beslechten. Maar Moe’awiya (ra) weigerde. Daarop bevochten beide legers elkaar lang en hard waarbij duizenden moslims de dood vonden. Op een gegeven moment leek het leger van Moe’awiya (ra) aan de winnende hand, maar onder aanvoering van Khalifa ‘Ali (ra) zelf kwam het leger van ‘Ali (ra) sterk terug. Zo sterk zelfs dat Moe’awiya (ra) vreesde de slag te zullen verliezen. Moe’awiya (ra) liet zijn troepen toen pagina’s van de Edele Koran aan hun speren vastmaken en hen luid oproepen tot onderhandelingen in de kwestie op basis van Koran en Soenna. Dit had het door Moe’awiya (ra) gewenste effect, namelijk dat de troepen van Khalifa ‘Ali (ra) de wapens neerlegden en weigerden verder te vechten. Khalifa ‘Ali (ra) kon daarop niets anders dan ingaan op het aanbod van onderhandelingen met Moe’awiya (ra), ook al realiseerde Khalifa ‘Ali (ra) zich dat hij met een list van Moe’awiya (ra) van doen had. Dit bleek inderdaad zo te zijn omdat de afgevaardigden van Moe’awiya (ra) aangaven dat ze wilden onderhandelen over wie de Khalifa zou zijn, Moe’awiya (ra) of ‘Ali. Voor Khalifa ‘Ali (ra) was dit aanbod onacceptabel. Hij was immers als Khalifa gekozen door de mensen van Al Medina en derhalve was zijn Khilafa rechtmatig. Voor Khalifa ‘Ali (ra) was het enige dat over onderhandeld kon worden de kwestie van berechting van de moordenaars van ‘Oethman (ra). Maar enkele aanvoerders van de troepen van Khalifa ‘Ali (ra) dwongen de Khalifa om toch akkoord te gaan met het voorstel van Moe’awiya (ra), om de Slag bij As Siffin tot een einde te laten komen. De beide troepen gingen derhalve uiteen met de afspraak dat op een later moment afgevaardigden van beide partijen samen zouden komen. Om tezamen de Koran en de Soenna te raadplegen betreffende de vraag wie de Khalifa zou moeten zijn.

De moord op Khalifa ‘Ali (ra)

De kweste tussen Khalifa ‘Ali (ra) en Moe’awiya (ra) bleef dus in feite onopgelost. Khalifa ‘Ali (ra) bleef aan de macht maar stuurde geen opdrachten meer naar Moe’awiya (ra). En Moe’awiya (ra) bleef wali van Syrië zonder zich iets aan te trekken van Khalifa ‘Ali (ra) maar ook zonder zichzelf tot Khalifa uit te roepen. Het probleem tussen Khalifa ‘Ali (ra) en Moe’awiya (ra) was dus niet uit de wereld maar sluimerde onder de oppervlakte verder. De Slag bij As Siffin had het probleem van opstandigheid dus niet opgelost voor Khalifa ‘Ali (ra). Bovendien, na deze slag zag de Khalifa zich met een verder probleem geconfronteerd. Van onder zijn troepen waren er omstreeks 12.000 geweest die zich hadden afgezonderd van de overige moslims omdat zij het niet eens waren met het besluit van Khalifa ‘Ali (ra) om akkoord te gaan met het voorstel tot bemiddeling tussen hemzelf en Moe’awiya (ra) middels afgezanten. Deze 12.000 mensen waren de Chawaaridj. Hun slogan was een vers van de Koran, “het oordeel is enkel voor Allah”, maar hun begrip van de betekenis hiervan was verre van correct. Zij zagen enkel zichzelf als moslim en iedereen die het in een kwestie niet met hen eens was, die was volgens hen een dwalende geworden. Een kafir (ongelovige) die wegens apostasie gedood moest worden. De Chawaaridj bekritiseerden Khalifa ‘Ali (ra) omdat hij, zo zij zeiden, het oordeel voor zijn kwestie met Moe’awiya (ra) had gezocht in bemiddeling van afgezanten en niet in de Koran en de Soenna. Khalifa ‘Ali (ra) verweerde zich door hen te wijzen op het feit dat de afspraak met Moe’awiya (ra) stelde dat de bemiddelaars het oordeel in de kwestie uit de Koran en de Soenna moesten halen. Maar de woorden van Khalifa ‘Ali (ra) waren aan dovemans oren gericht. De Chawaaridj stonden niet open voor argumenten. Zij hadden al besloten dat Khalifa ‘Ali (ra) een fout had gemaakt en geen enkel argument, hoe juist ook, kon hen hun mening laten veranderen. Voor de Chawaaridj stond vanaf dat moment vast dat Khalifa ‘Ali (ra) gedood moest worden.

Toen de afgevaardigde van Khalifa ‘Ali (ra) en de afgevaardigde van Moe’awiya (ra) elkaar ontmoetten zoals de afspraak was, toen liet de afgevaardigde van Khalifa ‘Ali (ra) zich door de afgevaardigde van Moe’awiya (ra) misleiden tot akkoord gaan met het afzetten van ‘Ali (ra) als Khalifa en het benoemen van Moe’awiya (ra) als Khalifa. Toen Khalifa ‘Ali (ra) dit hoorde was hij woest vanwege dit verraad van de rechtmatige Khalifa. Hij (ra) beet op zijn vingers en vroeg zichzelf vertwijfeld af: “Men is ongehoorzaam tegenover mij maar gehoorzaam tegenover Moe’awiya (ra)?”.

De Chawaaridj reageerden direct toen ze het nieuws over de uitkomst van de onderhandelingen tussen Khalifa ‘Ali (ra) en Moe’awiya (ra) hoorden. Drie van hen kwamen bijeen om een plan te maken. Ze waren ‘Abd al Rahman ibn Moeldjam al Moeradi, Al Boerk bin ‘Abdoellah at Tamimi en ‘Amr bin Boekayr at Tamimi. Deze drie kwamen bijeen in Mekka en zworen dat ze, zoals ze dit zelf zeiden, de Oemma zouden verlossen van Khalifa ‘Ali (ra), Moe’awiya (ra) en ‘Amr ibn al ‘Aas (die de vertegenwoordiger van Moe’awiya (ra) was geweest bij de onderhandelingen). ‘Abd al Rahman zou Khalifa ‘Ali (ra) voor zijn rekening nemen, Al Boerk zou Moe’awiya (ra) doden en ‘Amr bin Boekayr zou ‘Amr bin al ‘Aas doden.
Op de ochtend van de vrijdag, de zeventiende Ramadan van het jaar 40 Hidjri, werd Khalifa ‘Ali (ra) vroeg wakker en zei tegen zijn zoon Al Hassan (ra): “Deze nacht zag ik de Boodschapper van Allah (saw), en ik zei: ‘O Boodschapper van Allah (saw), welk een ellende en onenigheid heb ik gekregen van uw Oemma!’. Hij (saw) zei tegen me: ‘Smeek tot Allah tegen hen’. Ik zei: ‘O Allah, geef me in ruil voor hen iets dat beter is voor mij dan zij zijn en geef hen in ruil voor mij iets dat slechter is voor hen dan ik ben’.” Toen klonk de oproep tot het ochtendgebed en trok Khalifa ‘Ali (ra) naar buiten. Daar sloeg ‘Abd al Rahman hem met een vergiftigd zwaard neer. Khalifa ‘Ali (ra) overleed aan de toegebrachte verwonding twee dagen later.

Verdere zaken die ‘Ali (ra) bijzondere maken

‘Ali (ra) had een bijzondere band met de Boodschapper van Allah (saw). Hij was feitelijk grootgebracht als lid van zijn huishouden en was met geliefde dochter van Boodschapper van Allah (saw), Fatima (as), getrouwd waardoor hij ook zijn (saw) schoonzoon was. Toen de Boodschapper van Allah (saw) in Al Madina de broederschappen maakte tussen de moslims van Mekka (de emigranten of Moehadjirien) en de moslims van Al Madina (de helpers of Ansaar) kwam ‘Ali (ra) met tranen in de ogen naar hem (saw) toe, omdat hij (saw) hem niet een broeder van onder de Ansaar had aangewezen. De Boodschapper van Allah (saw) ging toen zelf het broederschap met ‘Ali (ra) aan. ‘Ali (ra) was ook, tezamen met Ibn ‘Abbaas (ra), degene die het lichaam van de Boodschapper van Allah (saw) waste en voorbereide op de begrafenis.

Imaam as Soejoeti heeft overgeleverd dat de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Ik ben de stad van Kennis, en ‘Ali de poort”. Er wordt gezegd dat tien mannen eens bij ‘Ali (ra) kwamen en hem vroegen om uitleg voor zijn bewering dat kennis beter is rijkdom. Ieder van hen wenste een antwoord enkel voor zichzelf. ‘Ali (ra) antwoordde toen als volgt:

1. Kennis is de nalatenschap van de Profeten, terwijl rijkdom de nalatenschap is van Farao;
2. Men moet zijn rijkdom beschermen, maar zijn kennis beschermt hem;
3. Wanneer kennis gedeeld wordt dan neemt dit toen, en wanneer rijkdom gedeeld wordt dan neemt dit af;
4. Een rijke man heeft veel vijanden, terwijl een man met kennis veel vrienden heeft;
5. Een man met kennis is genegen meer genereus te zijn, terwijl een man met rijkdom meer genegen is om gierig te zijn;
6. Kennis kan niet gestolen worden, terwijl rijkdom voortdurend blootgesteld is aan diefstal;
7. Over tijd wordt kennis dieper en breder, terwijl munten slechts roestig worden;
8. Rijkdom kan geteld worden, terwijl kennis niet geteld kan worden;
9. Kennis verlicht de geest, terwijl rijkdom genegen is deze zwart te maken;
10. Kennis deed bij de Profeet (saw) de bescheidenheid bestaan om te zeggen “U aanbidden wij want wij zijn Uw dienaren”, terwijl rijkdom bij Farao en Nimrod de hooghartigheid deed bestaan die hen ertoe bracht zichzelf tot God uit te roepen.

‘Ali (ra) behoorde tot degenen die nog bij het leven van de Profeet (saw) onder de mensen oordeelden middels het Oordeel van Allah (swt). Andere mensen die dit deden waren ondermeer Aboe Bakr (ra), ‘Oemar (ra) en Moe’adh bin Djebbel (ra), maar ‘Ali (ra) werd door allen erkend als de beste rechter. ‘Ali (ra) kon ondermeer als beste voor de zaak onder behandeling het Oordeel van Allah (swt) extraheren uit de openbaringen van Allah (swt). Zo vertelde Aboe Hoeraira (ra) dat ‘Oemar bin Al Chattab (ra) zei: “ ‘Ali is de beste van ons in juridische aangelegenheden”.

‘Ali (ra) werd eens een zaak voorgelegd waarin twee vrouwen discussieerden over het moederschap van een jongen. Beide vrouwen beweerden dat zij de moeder waren, maar geen van beiden kon bewijzen voor deze claim overleggen. Daarop zei ‘Ali (ra) dat hij in dat geval gedwongen was om de jongen in tweeën te laten hakken om iedere vrouw een deel van de jongen te kunnen geven. Deze woorden deden één van de twee vrouwen in tranen uitbarsten en ze zei tegen ‘Ali (ra): “Dood het kind niet. U mag het aan de andere vrouw toekennen”. Zo wist ‘Ali (ra) te achterhalen wie de echte moeder van het kind was. Hij (ra) wees de jongen als zoon toe aan de vrouw die de gedachte van het doden van de jongen niet kon verdragen.

In een andere kwestie ruzieden twee mannen over het geld dat ze tezamen verdiend hadden met het voeden van een derde persoon. De ene man had drie broden, de andere man had acht broden, en de derde persoon had tezamen met hen acht broden opgegeten. Hiervoor had de derde persoon acht dirhams achtergelaten als betaling en nu ruzieden de beide eigenaren van het brood over hoeveel van deze acht dirham ieder zou krijgen. De eigenaar van de vijf broden bood de eigenaar van de drie broden drie dirham aan, maar deze wilde de helft van de acht dirham hebben. In eerste instantie adviseerde ‘Ali (ra) de eigenaar van de drie broden om de aangeboden drie dirham te accepteren, maar deze weigerde en zei dat hij een rechtvaardig oordeelde wenste. ‘Ali (ra) vroeg toen of alle drie de deelnemers aan het eten een gelijk deel hadden gegeten en de beide eigenaren van de broden antwoordden bevestigend. Daarop oordeelde ‘Ali dat de eigenaar van de vijf broden zeven dirham zou krijgen en de eigenaar van de drie broden slechts één dirham. De eigenaar van de drie broden was verbaasd en vroeg ‘Ali (ra) om uitleg. ‘Ali antwoordde: “Jij had drie broden en je metgezel vijf. Dus er waren acht broden in totaal. Al de broden werden gelijk verdeeld door de drie mensen. Deel ieder brood in drie stukken, dat waren vierentwintig stukken. Jouw metgezel met vijf broden bracht vijftien van deze stukken in, terwijl jij eigenaar was van drie broden oftewel negen stukken. Aangezien jullie de vierentwintig stukken eerlijk deelden at ieder van jullie acht stukken. Jij had negen stukken waarvan je acht zelf op at. Dus de vreemdeling at slechts één stuk van jouw brood. Je metgezel had vijftien stukken brood. Hiervan at hij er acht zelf op, zeven achter latende die de vreemdeling op at. Dus de vreemdeling at één stuk van jouw en zeven stukken van je metgezel. Jij hebt derhalve recht op één dirham voor één stuk brood en je metgezel op zeven dirham voor zeven stukken brood.”

‘Ali (ra) was tevens een meester in de Arabische taal. Hij (ra) stond bekend om zijn welbespraaktheid. Hij (ra) was één van de beste dichters in de Arabische taal en hij wist middels korte en beknopte zinnen grote wijsheden tot uitdrukking te brengen. Hij is de feitelijke vader van de grammatica van de Arabische taal omdat hij als eerste een boek liet schrijven met de regels van de grammatica erin uiteengezet. Hij gaf Aboe al Aswad ad Doeali hiertoe de opdracht. Aboe al Aswad ad Doeali vertelde dat de Amier al Moe’uminien ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) op een dag hem bij zich liet komen en zei: “Ik heb in deze stad van jouw fouten gehoord (in het gebruik van het Arabisch), en ik wil een boek maken met (daarin) de principes van de Arabische taal”. Khalifa ‘Ali (ra) gaf Aboe al Aswad drie dagen laten een papier met een ruwe uiteenzetting van de eerste principes en hij gaf Aboe al Aswad de opdracht dit verder uit te werken.

Weerlegging van de leugens die over ‘Ali (ra) worden verteld

Na de dood van ‘Ali bin Aboe Taalib (ra) onstonden groeperingen die allerhande leugens over hem (ra) verkondigden. De nakomelingen van Moe’awiya (ra), de Oemeyaden, spraken enkel slecht over Khalifa ‘Ali (ra) en zij beschuldigden hem ervan actief of passief deel te hebben genomen aan de moord op Khalifa ‘Oethman (ra). Maar de betrouwbare overleveringen betreffende deze kwestie, zoals hierboven uiteengezet, bewijzen dat dit niet het geval was.

Anderen begonnen ‘Ali (ra) te verheerlijken. Sommigen van hen gingen zo ver in hun dwaasheid dat ze zeiden dat ‘Ali (ra) God was, of dat eigenlijk ‘Ali (ra) uitverkoren was door Allah (swt) om profeet te zijn. Deze mensen hebben Islam verlaten met deze beweringen. ‘Ali (ra) zelf liet deze mensen ter dood brengen toen zij zich voor hem verzamelden, hem deze nonsens vertelden en hem begonnen te aanbidden. De eerste maal dat dit gebeurde waarschuwde hij (ra) hen en gaf hij (ra) het goede advies terug te keren naar het Rechte Pad van Islam. Maar toen de deze mensen voor een tweede keer voor hem verschenen, met dezelfde woorden en hetzelfde gedrag, liet hij hen ter dood brengen.

Weer anderen beweerden dat Allah (swt) ‘Ali (ra) en zijn nageslacht uit het huwelijk met Fatima (as) heeft uitverkozen om leider van de Oemma van Islam te zijn; dat ‘Ali (ra) eigenlijk de eerste Khalifa had moeten zijn en dat Allah (swt) dit verordend heeft; dat ‘Ali (ra) een tegenstander was geweest van de Khilafa van Aboe Bakr (ra), ‘Oemar (ra) en ‘Oethman (ra); en dat deze sahaba samen hadden gespannen tegen het Oordeel van Allah (swt) om zelf Khalifa te kunnen zijn. Maar Imaam As Soejoeti heeft overgeleverd van Al Hasan (ra) dat toen ‘Ali (ra) als Khalifa naar Basra kwam, dat toen twee mannen tot hem kwamen en hem vroegen: “Zul je ons niet informeren betreffende de zaak waarvoor je gekomen bent, leiding nemende over de oemma, waardoor sommigen van hen de anderen (neer)slaan? Is dit (jouw leiderschap, vert.) een overeenkomst met de Boodschapper van Allah (saw) die hij (saw) met jouw gesloten heeft? Vertel het ons want jij bent degene die vertrouwd wordt, degene in wie wij vertrouwen hebben betreffende hetgeen jij gehoord hebt”. ‘Ali (ra) antwoordde: “Voor wat betreft een overeenkomst betreffende deze zaak met de Profeet (saw), nee. Bij Allah (swt), ik was de eerste die hem (saw) bevestigde en ik zal niet de eerste zijn die een leugen over hem (saw) spreekt. Als ik een overeenkomst zou hebben gehad met de Profeet (saw) over deze zaak, dan zou ik het nooit toegestaan hebben dat de broeder van Banoe Taym bin Moerra (oftewel Aboe Bakr (ra), vert.) en ‘Oemar ibn Al Chattab (ra) op zijn (saw) minbar zouden staan. Ik zou hen bevochten hebben met mijn eigen hand, zelfs als ik niets zou hebben kunnen vinden buiten dit kleed van mij. Echter, de Boodschapper van Allah (saw) werd niet vermoord, noch stierf hij plotsklaps. Integendeel, hij sluimerde in ziekte voor dagen en nachten, terwijl de moe’adhdhien tot hem kwam en de tijd van het gebed aankondigde. Hij (saw) gaf Aboe Bakr (ra) de opdracht, die dan de mensen in het gebed voorging. Ook al wist hij (saw) mijn stand. Één van zijn vrouwen wilde dat hij zich wegdraaide van Aboe Bakr (en iemand anders zou kiezen om voor te gaan in gebed, vert.) en hij (saw) weigerde en werd boos. Hij (saw) zei: ‘Jullie zijn de vrouwelijke metgezellen van Joesoef! Zeg Aboe Bakr dat hij de mensen moet leiden in het gebed!’. Toen Allah (swt) de Profeet (saw) tot zich nam toen overpeinsden wij onze belangen en we verkozen voor onze aardse aangelegenheden hem met wie de Profeet (saw) tevreden was voor onze Dien (oftewel Aboe Bakr, vert.). Het gebed is de wortel van Islam en het is de leider van de Dien, dus legden wij de eed (van gehoorzaamheid en trouw, vert.) af aan Aboe Bakr (ra) omdat hij dit waard was. Geen twee van ons waren het oneens over hem, niemand van ons getuigde tegen anderen, en evenmin ontkenden we zijn voorrecht. Ik heb mij van mijn plicht tegenover Aboe Bakr (ra) gekweten, de gehoorzaamheid die zijn recht was erkennende, ging op militaire expedities met zijn legers. Ik nam wanneer hij (ra) me gaf, ging op militaire expedities wanneer hij (ra) me stuurde, en ik sloeg voor hem (ra) met de zweep voor de Hadd-bestraffing. Toen hij stierf nam ‘Oemar (ra) het (de Khilafa, vert.) op zich, en hij deed dit volgens het voorbeeld van zijn metgezel en hetgeen hij (ra) wist van deze zaak. Wij legden de eed (van gehoorzaamheid en trouw, vert.) af aan ‘Oemar (ra) omdat hij dit waard was. Geen twee van ons waren het oneens over hem, niemand van ons getuigde tegen anderen, en evenmin ontkenden we zijn voorrecht. Ik heb mij van mijn plicht tegenover ‘Oemar (ra) gekweten, de gehoorzaamheid die zijn recht was erkennende, ging op militaire expedities met zijn legers. Ik nam wanneer hij me gaf, ging op militaire expedities wanneer hij me stuurde, en ik sloeg voor hem met de zweep voor de Hadd-bestraffing. Toen hij (ra) stierf herinnerde ik in mijzelf de nauwe band die ik had (met de Profeet (saw), vert.), mijn voorrang, mijn voorrang en mijn verdiensten, denkende dat niemand aan mij gelijk zou zijn. Echter, hij (‘Oemar, vert.), was bang dat als de Khalifa na hem een verkeerde handeling zou doen dat dit dan aan hem zou kleven in zijn graf. Hij trok zichzelf en zijn zoon terug van deze zaak (de benoeming van een nieuwe Khalifa, vert.), en als er iets van partijdigheid in hem geweest was dan zou hij zijn zoon (Ibn ‘Oemar, vert.) de voorkeur hebben gegeven bij de zaak (van Khalifa, vert.). Hij onthief zichzelf hiervan en droeg deze over aan een groep van zes van onder Qoraiesj, van wie ik er één was. Toen de groep bijeenkwam dacht ik dat zij niemand gelijk aan mij zouden achten. Abdoerrahman bin ‘Auf (ra) nam een belofte van ons dat we zouden luisteren en gehoorzamen naar wie Allah (swt) ook de autoriteit zou geven. Toen later nam hij de hand van ‘Oethman bin ‘Affan (ra) en legde zijn hand in diens hand. Ik overpeinsde mijn situatie en zag in dat mijn gehoorzaamheid mijn gelofte van trouw vooraf was gegaan en mijn overeenkomst was afgenomen voor iemand anders. Daarom legden wij de eed (van gehoorzaamheid en trouw, vert.) af aan ‘Oethman (ra). Ik heb mij van mijn plicht tegenover ‘Oethman (ra) gekweten, de gehoorzaamheid die zijn recht was erkennende, ging op militaire expedities met zijn legers. Ik nam wanneer hij me gaf, ging op militaire expedities wanneer hij me stuurde, en ik sloeg voor hem met de zweep voor de Hadd-bestraffing.”

Comments

comments

DELEN