In de tijd dat de koning van Spanje heerste over Nederland beschouwden de Spanjaarden het gebied waar de Nederlanders woonden als een achtergebleven moerassig land waar niks mee gedaan kon worden. Om deze reden duidden de Spanjaarden de Nederlanders aan als “gueux”, wat zoveel als “schooiers” en “bedelaars” betekende. Spanje liet de gebieden der Nederlanden dus maar een beetje links liggen. Maar het eiste van de Nederlanders wel de betaling van hoge belastingen omdat de Spanjaarden geld nodig hadden om hun oorlogen tegen de Ottomaanse Islamitische Staat Al Khilafa in de Middellandse Zee te kunnen bekostigen. Dit zette natuurlijk veel kwaad bloed bij de Nederlanders en motiveerde hen om een vrijheidsstrijd tegen de Spanjaarden te beginnen.

Terwijl de Nederlandse opstandelingen dus grote minachting koesterden voor de Spanjaarden hadden zij groot respect voor de moslims van de Ottomaanse Islamitische Staat Al Khilafa. In tegenstelling tot de Spanjaarden verplichtte die de mensen namelijk niet om een door de staat bepaalde religie aan te nemen. Omdat ook de Khilafa zoals reeds gezegd op dat moment ook met de Spanjaarden in oorlog waren, zochtten de Nederlandse opstandelingen daarom contact met de moslims.

De marine van de Ottomaanse Islamitische Staat Al Khilafa had verschillende Nederlanders in dienst en zo leerden de moslims van de gebeurtenissen in “de Nederlanden”. Slechts enkele maanden nadat de Nederlanders in 1566 hun opstand waren begonnen ontvingen ze daarom al een brief van de Ottomaanse Khilafa Soeleyman (1494 – 1566). Onder het motto “de vijand van mijn vijand is mijn vriend” zei Soeleyman in deze brief de opstandige Nederlanden financiële en militaire hulp toe. In reactie op de brief stuurden de Nederlanders in 1568 een delegatie naar Istanboel die ook officieel werd ontvangen door de Khalifa.

In 1569, vervolgens, vroeg de leider van de opstand in de Nederlanden, Willem van Oranje, zijn kennis Josef Nasi om de relatie tussen Nederland en de moslims te onderhouden. Josef Nasi was een rijke joodse bankier die oorspronkelijk uit Spanje kwam maar die daar door de Spanjaarden gedwongen was geweest om zich te bekeren tot het christendom. Hij was daarop gevlucht. In eerste instantie was Nasi naar Antwerpen getrokken. Maar ook daar had hij problemen gekregen vanwege zijn joodsheid. Nasi werd daarom uitgenodigd om in de Ottomaanse Islamitische Staat Al Khilafa te komen wonen. Vanwege zijn tijd in Antwerpen kende Nasi velen van de leiders van de opstand in Nederland. En in Istanboel had hij ook een hoge positie in de samenleving ingenomen. Zo werd hij vanaf 1569 de adviseur van de Khalifa voor wat betreft de opstand in de Nederlanden.

Om de Nederlanders praktisch te helpen tegen de Spanjaarden openden de moslims een front in de Middellandse Zee. Ze veroverden Cyprus en delen van Venetië om de Spanjaarden te dwingen hun aandacht op de Middellandse Zee te vestigen. De Spanjaarden konden hierdoor minder troepen inzetten in de Nederlanden. Tussen 1579 en 1582, vervolgens, reisden vertegenwoordigers van grootvizier Sokollu Mehmet (1506-1579) diverse keren van Istanboel naar Antwerpen om de Nederlanders geld te kunnen geven en wapens en kleding te kunnen leveren.

Als uiting van dank voor deze hulp gebruikten de Nederlandse opstandelingen Ottomaanse vlaggen op hun schepen en hanteerden ze de leus “Liever Turks dan Paaps”. De steun van de moslims maakte des te meer indruk op de Nederlanders daar al de andere Europese landen geweigerd hadden hulp te bieden aan de Nederlanders.[1]

Door een gebeurtenis in 1604 werd een verdere stap in de relatie tussen Nederland en de Islamitische Staat Al Khilafa genomen. Bij de verovering van Sluis op de Spanjaarden in 1604 viel een Spaans galei-eskader in handen van de Nederlandse opstandelingen. Onder de galei-slaven bevond zich een groot aantal moslims. De Nederlanders besloten hen in vrijheid te stellen zonder losgeld te eisen. Bovendien kregen ze een gratis overtocht naar Noord-Afrika aangeboden op de schepen die in 1605 een Nederlands gezantschap naar Marokko vervoerden. Zes jaar na deze gebeurtenis ontvingen de Nederlanders een brief van de Groot-Admiraal van de marine van de moslims, Khalil Pasa (1570-1629). In deze brief, geschreven namens de Khalifa, bevestigde hij de aankomst van de door de Nederlanders bevrijde moslims, waarvoor hij de Nederlanders bedankte. Om de dankbaarheid van de moslims verder te benadrukken bevatte de brief een uitnodiging aan de Nederlanders om een ambassadeur naar Istanboel te sturen zodat de vriendschap en handelsbetrekkingen tussen de twee landen formeel geregeld zouden kunnen worden. De ontvangst van deze brief was een grote overwinning voor de opstandelingen en een grootse gebeurtenis in de Nederlandse geschiedenis. Want door een ambassadeur uit te nodigen erkende de Islamitische Staat Al Khilafa de Nederlanden als een onafhankelijke natie. Terwijl op dat moment al de andere Europese landen zoals Groot-Brittannië en Frankrijk, Nederland nog altijd als onderdeel van Spanje beschouwden. De Islamitische Staat Al Khilafa was dus de eerste natie die Nederland als onafhankelijke staat erkende.

In 1611, vervolgens, stuurden de Nederlanders een delegatie naar Istanboel. Cornelius Haga (1578-1654), een jonge advocaat uit Schiedam, werd aangewezen als afgevaardigde.
Cornelius Haga

In 1612 arriveerde Haga in Istanboel. De vertegenwoordigers van Groot-Brittannië en Frankrijk in Istanboel probeerden Haga te dwarsbomen maar desondanks werd het Haga toch toegestaan om op audiëntie te gaan bij Khalifa Ahmed I (1603-1617). Op 1 mei 1612 overhandigde Haga de Khalifa persoonlijk zeer waardevolle geschenken vanuit Nederland, waaronder cartografisch materiaal waarvan andere Europese mogendheden vonden dat het niet in moslimhanden mocht komen omdat ze dit als een artikel van strategisch belang zagen. Mede hierdoor kon Haga in 1612 melden dat hij onder bijzonder gunstige voorwaarden een handelsovereenkomst had gesloten met de Ottomaanse Islamitische Staat Al Khilafa. De Nederlanders mochten vrij reizen door de landen van de Islamitische Staat en vrij handel drijven met iedereen. En dit stelde Nederland in staat om haar economie uit te bouwen. [2]

Bronnen

“De relatie tussen Nederland en het Osmaanse Rijk in de zeventiende en achttiende eeuw”, auteur onbekend, http://igitur-archive.library.uu.nl/student-theses/2007-1009-200252/Super%20versie%2005-07.doc

“De opkomende internationale betrekkingen tussen Nederland en Turkije”, Armand Sag, http://www.armandsag.nl/papers/A.%20Sag%20-%20Masterscriptie.pdf
________________________________________

[1] Veel steden in Nederland namen daarom de Ottomaanse halve maan op in hun vlag, bijvoorbeeld Jacobswoude, Krimpen aan den Ijssel, Nederlek, Ouderkerk, Voorschoten, Ameland, Doesburg, Hedel, Oosterhout en Schijndel.

[2] De aankomst van Cornelius Haga in Istanboel en zijn ontvangst door de Khalifa is in detail beschreven in oude documenten weergegeven in het boek “The Harleian miscellany: a collection of scarce, curious, and entertaining pamphlets and tracts, as well in manuscript as in print”, door Thomas Park en Edward Harley Oxford. Dit boek geeft ook de brieven weer die de Khalifa en zijn assistenten stuurden naar de Nederlandse autoriteiten na hun ontvangst van Haga.

Comments

comments

DELEN