De volgende artikelen zijn afkomstig van de ontwerpgrondwet voor de Islamitische Staat van Hizb ut Tahrir.

Algemene artikelen

Artikel 1
Het Islamitisch basisidee (‘aqieda) constitueert het grondbeginsel van de Staat. Niets is toegestaan in het regeringsapparaat, de verantwoordelijkheden van de regering, of enig ander aspect gebonden aan de regering, dat dit basisidee niet neemt als haar bron. De ‘aqieda is tevens de bron voor de grondwet van de Staat en de sjar’ai canons. Niets dat gerelateerd is aan de grondwet of de canons is toegestaan, tenzij het voortvloeit uit de Islamitische ‘aqieda.

Artikel 5
Al diegenen die het staatsburgerschap van de Islamitische Staat dragen, genieten alle Goddelijke rechten en plichten.

Artikel 6
Het is de Staat niet toegestaan om op enigerlei wijze te discrimineren tussen haar onderdanen, of het nu regeren betreft, wetgeven, of het behartigen van de belangen. Al de onderdanen van de Staat zullen gelijk behandeld worden, ongeacht ras, kleur, of enig andere overweging.

Artikel 7
De Islamitische Staat past, volgens de hieronder beschreven visie, de Goddelijke Wet in zijn geheel toe op alle burgers die het staatsburgerschap van de Islamitische Staat dragen, ongeacht of zij moslim of niet-moslim zijn, op de volgende manier:

a. De Goddelijke Wet wordt, zonder enige uitzondering, ten uit voer gebracht op alle moslims.

b. Bij wat niet in conflict is met de algemene ordening, zijn de niet-moslims vrij in hun keuze van religie en aanbidding.

c. De straf van afvalligheid wordt van toepassing op diegenen die zich schuldig maken aan afvalligheid van Islam (moertad), op voorwaarde dat zij zelf aangeven afvalligen te zijn. Maar, wanneer zij de kinderen van afvalligen zijn en als niet-moslim geboren zijn, dan worden zij behandeld als niet-moslims in overeenstemming met hun status van polytheïst of als een van de Mensen van de Boek (Ahl oel Kitaab).

d. Inzake de spijswetten en klederdracht worden niet-moslims behandeld volgens hun religie of geloofsovertuiging, binnen het raamwerk gesteld door de Goddelijke Oordelen.

e. Huwelijken en echtscheidingen tussen niet-moslims onderling geschieden volgens hun religie. Echter, bij huwelijken tussen niet-moslims en moslims wordt de Goddelijke Wet van toepassing.

f. Al de overgebleven Sjari’a kwesties en regels, zoals betreffende de transacties, bestraffing en bewijsvoering in rechtzaken, regeren en economie, et cetera, worden door de Staat op iedere burger toegepast zonder onderscheid te maken tussen moslim en niet-moslim. Hierin is inbegrepen de mensen die vallen onder de bestanden (moe’aahid), de mensen onder bescherming, en eenieder die zich onderwerpt aan de autoriteit van Islam. De ten uitvoer brenging op hen is gelijk aan de ten uitvoer brenging op onderdanen van de Staat. Ambassadeurs en diplomaten genieten diplomatieke onschendbaarheid.

Artikel 8
Alleen de Arabische taal is de taal van Islam en het is de enigste taal waarvan de Staat gebruik maakt.

Artikel 11
De primaire taak van de Staat is het uitdragen van Islam.

Artikel 12
Alleen Kitaab, Soennah, Idjma oes Sahaba (consensus onder de metgezellen) en Qiyaas (analogie) zijn bronnen van bewijsvoering voor bepaling van de Ahkam Sjari’a.

Artikel 13
Eenieder is onschuldig totdat schuld bewezen is, en niemand wordt gestraft zonder een gerechtelijk vonnis hiertoe. Het is ten strengste verboden om iemand te martelen, en wie zich hieraan schuldig maakt zal worden gestraft.

Artikel 14
De essentie van handelen is dat het verbonden is met de Goddelijke Oordelen. Geen actie dient te worden ondernomen totdat men het oordeel erover weet. De essentie van dingen en objecten is dat zij toegestaan (halal) zijn, tenzij er een bewijs is van een verbod (haraam).

Artikelen betreffende het systeem van regeren

Artikel 18
De regerenden zijn: de Khalifa, de Moe’awin at Tafwiedh, de Wali en de ‘Aamil. Alle anderen worden niet beschouwd als regerenden, zij zijn werknemers.

Artikel 20
Het ter verantwoording roepen van de heersers vanwege hun handelingen is zowel een recht voor de moslims als een fard kifaya (plicht voor het collectief) op hen. De niet-moslim onderdanen hebben recht op klagen in geval van onrechtvaardigheid van de heerser of de verkeerde toepassing van de Islamitische regels op hen.

Artikel 21
De moslims hebben het recht politieke partijen op te richten om de regerenden ter verantwoording te roepen of om posities van regeren te bemachtigen middels de Oemma, met als voorwaarde dat deze partijen zich baseren op de Islamitische ‘aqieda en de door hen geadopteerde regels de Ahkam Sjari’a zijn. De oprichting van een dergelijke partij behoeft geen toestemming van de Staat. Alle partijen die zich niet baseren op Islam zijn verboden.

Artikel 22
De pilaren van het systeem van regeren zijn vier:

1. De soevereiniteit behoort de Sjar’a (Wetgever, oftewel Allah (swt)) en niet het volk.
2. De autoriteit is bij de Oemma.
3. Het benoemen van één Khalifa is een verplichting voor alle moslims.
4. Alleen de Khalifa heeft het recht om de Goddelijke Oordelen, de grondwet en de diverse canons, te adopteren.

Artikel 23
Het Staatsbestel bestaat uit dertien apparaten:

1. Khalifa
2. Gedelegeerde assistenten (Moe’awin at Tafwiedh)
3. Uitvoerende assistenten (Moe’awin at Tanfiedh)
4. Gouverneurs (Al Woelaat)
5. Leider van Djihad (Al Amier oel Djihad)
6. Binnenlandse veiligheid (Al Amnoe ad Daagili)
7. Buitenlandse zaken (Al Gharidjiya)
8. Industrie (As Sinaa’a)
9. Justitie (Al Qadha)
10. Diensten (Masaalah an Nas)
11. Staatskas (Bayt al Mal)
12. Media (Al ‘Ilaam)
13. Raad van Consultatie en Verantwoording (Madjlis al Oemma)

Artikelen betreffende Al Khalifa

Artikel 24
De Khalifa is door de Oemma aangesteld als vertegenwoordiger in autoriteit en de ten uitvoer brenging van de Goddelijke Wet.

Artikel 25
Khilafa is een contract dat gebaseerd wordt op instemming en vrije keus. Van niemand kan de goedkeuring worden afgedwongen, en niemand is verplicht om een bepaalde persoon te benoemen.

Artikel 26
Elke volwassene moslimman en moslimvrouw in het bezit van een gezond verstand, heeft het recht deel te nemen aan de verkiezing voor een Khalifa en om hem de belofte (bay’a) te geven. Niet-moslims hebben in dit verband geen recht.

Artikel 36
De Khalifa bezit de volgende bevoegdheden:

a. De Khalifa adopteert de noodzakelijke Ahkam Sjari’a om de belangen van de mensen te behartigen, op basis van een juiste ijtihad van Kitab en Soenna. Deze Goddelijke Oordelen verworden tot canons die gehoorzaamd dienen te worden; het overtreden van deze canons is verboden.

b. De Khalifa is verantwoordelijk voor zowel het interne als het externe beleid van de Staat. Hij vervult de functie van legerleider en hij heeft het recht oorlog te verklaren, vrede te sluiten, wapenstilstanden af te sluiten, en verdragen te ondertekenen.

c. De Khalifa heeft het gezag om buitenlandse ambassadeurs goed te keuren en om dezen te weigeren, en om moslimambassadeurs te benoemen in en te ontheffen uit functie.

d. De Khalifa benoemt en ontheft de assistenten (moe’awin) en de gouverneurs (woelaat). De assistenten en de gouverneurs hebben zich te verantwoorden tegenover de Khalifa en tegenover de Madjlis al Oemma.

e. De Khalifa benoemt en ontheft de hogerechter en de rechters, met uitzondering van de Rechter van het Hof voor de Handelingen van Onrechtvaardigheid (Qadhi al Madhaalim) als deze werkt aan een zaak tegen de Khalifah, één van diens assistenten of de hogerechter; de directeuren van de departementen van de Staat, de aanvoerenden van strijdkrachten en de generaals. Allen zijn verantwoordelijk tegenover de Khalifa en niet tegenover Madjlis al Oemma.

f. De Khalifa adopteert de Ahkam Sjari’a die bepalend zijn voor de begroting van de Staat. Hij beslist over de onderdelen van de begroting en voor elk van dezen de noodzakelijke middellen, of het nu een inkomenspost of uitgavenpost betreft.

Artikel 38
De Khalifa heeft het absolute recht de zaken van de burgers te ordenen volgens zijn ijtihad. Dus heeft hij het recht om alles wat binnen de moebah valt te adopteren, als hij dit in het belang acht van de Staat en de behartiging van de belangen van de burgers. Nochtans is het hem niet toegestaan een Goddelijke Oordeel tegen te spreken, belangen (maslaha) aanhalende. Bijvoorbeeld, hij kan geen familie verbieden om meer dan één kind te nemen onder het voorwendsel van een tekort aan levensmiddelen. Noch is hij gerechtigd om prijzen te bepalen onder het voorwendsel van voorkoming van uitbuiting, of om een kafir of vrouw te benoemen als wali onder het voorwendsel van het behartigen van de belangen, of iets anders dat in tegenspraak is met de Sjar’i regelgeving. De Khalifa mag dat wat halal is niet haram verklaren, noch dat wat haram is halal verklaren.

Artikel 39
Er zijn geen beperkingen opgelegd aan de ambtstermijn van de Khalifah. Zolang hij zich houdt aan de Sjari’a, diens regels ten uitvoer brengt en in staat is de zaken van de Staat beheren, blijft hij Khalifa tenzij zijn situatie dermate verandert dat hij aan de voorwaardes voor Khalifa niet meer voldoet. Zodra een dergelijke situatie zich voor doet moet hij onmiddelijk worden afgezet.

Artikel 40
Er zijn drie kwesties waardoor de situatie van de Khalifa dermate verandert dat hij de Khilafa verliest. Dezen zijn:

a. Als één van de contractuele voorwaarden van Khilafa onvervuld wordt, zoals in geval van apostatie van Islam, duidelijk begane zonde (fisq) of krankzinnigheid en dergelijke. Dit is omdat dezen de voorwaarden zijn van het contract van Khalifa en voor de continuïteit ervan.

b. Indien hij door onvermogen de verantwoordelijkheden voor Khilafa niet na kan komen, dit om welke reden dan ook.

c. Als de Khalifa zich onder dwang bevindt en niet in staat is de belangen van de moslims volgens zijn eigen visie in overeenstemming met Sjari’a te behartigen. Als de Khalifa door een macht dermate wordt onderworpen dat hij niet in staat is de zaken van de burgers volgens zijn eigen mening te behartigen in overeenstemming met de Sjari’a, dan wordt hij officieel beschouwd als onbekwaam om de functies van de Staat te bekleden en houdt hij op Khalifa te zijn. Deze situatie kan zich in twee omstandigheden voordoen. Dezen zijn:

– Ten eerste, wanneer de Khalifa dermate beïnvloed wordt door een persoon van zijn entourage dat dit erin resulteert dat deze de aangelegenheden van de Staat in eigen hand neemt. Als er een mogelijkheid bestaat dat de Khalifa zichzelf hier van kan ontdoen en zichzelf kan bevrijden, dan wordt hem een periode van respijt gegeven, waarna hij alsnog afgezet wordt als hij er niet in slaagt om zich van hun overheersing te bevrijden. Als blijkt dat er geen kans bestaat dat de Khalifa zich kan bevrijden van hun overheersing moet hij onmiddellijk worden afgezet.

– Ten tweede, indien de Khalifa in handen van een vijand valt, zowel indien hij gevangen wordt genomen als indien hij onder de autoriteit van een vijand komt. In dit geval dient de situatie te worden onderzocht. Als er een kans bestaat om Khalifa te redden zal hem een periode van respijt worden gegeven, totdat blijkt dat er geen hoop meer is om hem te redden, waarop hij afgezet zal worden. Indien vanaf het begin geen hoop op redding bestaat, moet hij onmiddellijk worden afgezet.

Artikel 41
Alleen het Hof voor de Handelingen van Onrechtvaardigheid (Mahkamaat oel Madhaalim) is gerechtigd om te oordelen of er zich een verandering heeft voorgedaan in de situatie van de Khalifah, en om te beslissen of deze verandering zijn ontslag rechtvaardigt of niet. Alleen dit Hof is bevoegd om de Khalifa te waarschuwen en af te zetten.

Artikelen betreffende de Gedelegeerde Assistent (Moe’awin at Tafwiedh)

Artikel 42
De Khalifa stelt één of meer gedelegeerde assistenten (Moe’awin at Tafwiedh) aan, die de verantwoordelijkheid van het regeren op zich nemen. Hij delegeert hen om de Staatsaangelegenheden naar eigen standpunt en ijtihad te organiseren. En indien de Khalifa sterft, dan eindigt de aanstelling van de gedelegeerde assistenten en mogen zij hun werkzaamheden niet continueren. Enkel indien er een interim regent is mogen zij hun werkzaamheden zolang continueren.

Artikel 45
De Moe’awin at Tafwiedh moet in zijn uitvoering van Staatsaangelegenheden de Khalifa informeren, om niet te verworden tot Khalifa. Hij moet betreffende zijn activiteiten richting de Khalifa rapporteren, en hij moet doen hetgeen de Khalifa hem opdraagt.

Artikelen betreffende de Uitvoerende Assistent (Moe’awin at Tanfiedh)

Artikel 49
De Khalifa stelt een uitvoerende assistent (Moe’awin at Tanfiedh) aan. Diens functie omvat het administratieve en niet het regerende. Hij voert de opdracht van de Khalifa met betrekking tot zowel de binnenlandse als de buitenlandse belangen van de Staat uit, en houdt de Khalifa op de hoogte betreffende hetgeen hem opgedragen is. Hij is de intermediair tussen de Khalifa en de anderen. Zij nemen van hem (opdrachten) en geven aan hem (rapport) betreffende de volgende dingen:

a. De relaties met de burgers;

b. De internationale relaties;

c. Het leger en de soldaten;

d. De overige apparaten van de staat die niet tot het leger behoren.

Artikel 51
De Moe’awin at Tanfiedh staat altijd in direct contact met Khalifa, op dezelfde manier als de Moe’awin at Tafwiedh wordt ook de Moe’awin at Tanfiedh beschouwd als een assistent, maar deze enkel in uitvoering en niet in regeren.

Artikelen betreffende de goevernementen en de gouverneurs

Artikel 52
De gebieden die bestuurd worden door de Staat worden onderverdeeld in deelgebieden genaamd provincieën (wilayaat). Elke wilaya is verder onderverdeeld in deelgebieden genaamd districten (‘imalaat). De persoon die de wilaya bestuurd wordt Wali of Amir genoemd, en de persoon die de ‘imala bestuurd wordt ‘Aamil genoemd.

Artikel 53
De Woelaa (mv. Wali) en de ‘Oemaal (mv. ‘Aamil) worden door de Khalifa aangewezen. De Wali kan, als hij gemachtigd is, ook de ‘Oemaal aanwijzen. Ze moeten worden gekozen van onder de mensen van vroomheid (taqwa) en kracht.

Artikel 56
Elke provincie kiest een raad (Madjlis) vanuit haar eigen mensen, met aan het hoofd de wali. De raad heeft de autoriteit om haar mening te geven inzake administratieve zaken, maar niet inzake regeren. Het doel van deze raad is tweeledig: enerzijds het bieden van de noodzakelijke informatie en haar mening betreffende de situatie in de wilaya en haar behoeften, en anderzijds het uiting geven aan goedkeuring betreffende het regeren van de wali danwel het uiten van twijfel of beklag hieromtrent.

Artikel 59
De wali kan worden afgezet als de Khalifa dit bepaald, of als de Madjlis al Oemma uitdrukkelijk ontevreden over hem is, of als de raad van de provincie ontevreden over hem is. Maar, enkel de Khalifa kan de wali uit zijn functie zetten.

Artikelen betreffende de Rechterlijke Macht (Qadaa’a)

Artikel 75
Rechtspreken is het uitspreken van een bindend vonnis. Het ordent de geschillen tussen mensen, voorkomt hetgeen dat schadelijk is voor de rechten van de gemeenschap, en beëindigt geschillen tussen het volk en leden van het regeringsapparaat (heersers en ambtenaren), waaronder de Khalifa en degenen met een lagere rang.

Artikel 76
De Khalifa stelt een Qadhi al Qoedaat (hogerechter) aan, een volwassen man, vrij, moslim, van gezond verstand en betrouwbaar, van onder de foeqahaa (rechtsgeleerden). Als de Khalifa hem de authoriteit geeft om de Qadhi al Madhaalim te benoemen en weg te sturen, dan moet deze moejtahid zijn. De Qadhi al Qoedaat heeft de bevoegdheid om rechters te benoemen, te disciplineren en weg te sturen, binnen de administratieve systemen. Wat andere ambtenaren van rechtshoven betreft, zij zijn gebonden aan de directeur van het department dat de zaken van de rechtshoven behartigt.

Artikel 77
Er zijn 3 soort rechters, en dezen zijn:

1. De rechter die bij geschillen tussen mensen voor wat betreft transacties en bestraffing recht spreekt;
2. De moehtasib die oordeelt over schendingen van de rechten van de gemeenschap; en
3. De rechter van het Hof voor Onrechtvaardige Handelingen, die oordeelt over geschillen tussen het volk en ambtenaren van de staat (waaronder de mensen in positie van regeren).

Artikel 83
Er zijn geen rechtbanken waar een hoger beroep of cassatie ingediend kan worden, omdat alle rechtbanken gelijk zijn in autoriteit. Dus wanneer een rechtbank een vonnis uitspreekt wordt dit effectief en kan geen vonnis van een andere rechter het tenietdoen. Dit, tenzij er geoordeeld is met iets anders dan Islam, iets wat de Koran, de Soenna of Idjma’a oes Sahaba tegenspreekt, of in geval de rechter heeft geoordeeld in strijd met de realiteit van de zaak.

Artikel 88
Rechters die zitting hebben in het Hof voor Onrechtvaardige Handelingen zijn aangesteld door de Khalifa of de hogerechter. Voor wat betreft het ter verantwoording roepen van hen, het disciplineren van hen of het wegsturen van hen, deze taak is voor de Khalifa en de hogerechter, indien de Khalifa hem de bevoegdheid hiertoe gegeven heeft. Echter, het is niet toegestaan hen weg te sturen tijdens een onderzoek naar een (mogelijk) onrechtvaardige daad door de Khalifa, een Moe’awin at Tafwiedh of de hogerechter. In dit geval is de bevoegdheid tot het ter verantwoording roepen van hen, het disciplineren van hen of het wegsturen van hen voor het Hof voor Onrechtvaardige Handelingen.

Artikel 90
Het Hof voor Onrechtvaardige Handelingen heeft de autoriteit om iedere bestuurder, gouverneur of ambtenaar van de Staat uit zijn functie te ontheven, inclusief de Khalifa, in gevallen waar dit de enigste manier is waarop de onrechtvaardigheid verwijderd kan worden.

Artikel 91
Het Hof voor Onrechtvaardige Handelingen heeft de autoriteit om onderzoek te doen naar iedere onrechtvaardigheid, of deze nu te maken heeft met ambtenaren van de Staat, een afwijking van het Goddelijk Oordeel door de Khalifa of het begrip van de tekst door een ambtenaar of de Khalifa. Bijvoorbeeld bij de grondwet, de wetten en de Goddelijke Oordelen binnen het kader geadopteerd door de Khalifa, of de oplegging van belastingen, et cetera.

Artikelen betreffende de Raad van de Oemma (Madjlis al Oemma)

Artikel 105
De leden van de Madjlis al Oemma zijn de mensen die de moslims vertegenwoordigen met betrekking tot het uiten van hun meningen, wanneer ze de door Khalifa om advies gevraagd worden. Voor niet-moslims is het toegestaan om lid te zijn van de Madjlis al Oemma, zodat zij hun klachten kunnen laten horen met betrekking tot onrechtvaardig handelen opgedragen door de leiders, of verkeerde toepassing van de Islamitische wetten (op hen).

Artikel 106
De leden van de Madjlis al Oemma worden gekozen door het volk.

Artikel 107
Elke inwoner van de Staat heeft het recht om lid te worden van de Madjlis al Oemma en de Madjlis oel Wilaya, onder de voorwaarden dat hij volwassen is en over gezond verstand beschikt. Dit geldt voor man en vrouw, en voor moslim en niet-moslim. Echter, het lidmaatschap van de niet-moslims is beperkt tot het uiten van klachten met betrekking tot onrechtvaardig handelen opgedragen door de leiders en het verkeerd toepassen van Islam (op hen).

Artikel 111
De Madjlis al Oemma is belast met 5 taken. Dezen zijn:

1. Geraadpleegd worden door de Khalifa of hem adviseren bij praktische zaken en handelingen waarvoor geen diep intellectueel onderzoek vereist is – zoals zaken betreffende het regeren, onderwijs, gezondheid, economie, handel, industrie, landbouw en dergelijke – waarvoor geldt dat de mening van de Majlis bindend is; en wat de intellectuele zaken betreft die een diep intellectueel onderzoek vereisen – de technische zaken, de financiële zaken, het leger en het buitenlands beleid – daar heeft de Khalifa het recht om de Madjlis te consulteren, alhoewel de mening van de Madjlis in zulke zaken niet bindend zal zijn.
2. De Khalifa mag de Madjlis informeren betreffende de oordelen en canons die hij wil adopteren. Moslimleden van de Madjlis hebben het recht hierover te discussiëren en hun mening te uiten.
3. De Madjlis heeft het recht om de Khalifa ter verantwoording te roepen betreffende alles dat de Staat effectief ten uitvoer heeft gebracht, of dit nu binnenlandse of buitenlandse zaken zijn, en of zij nu betrekking hebben op de financiën, het leger, enzovoorts. De mening van de Madjlis is bindend waar de meerderheid van de meningen bindend is, en zij is niet bindend wanneer de meerderheid van de meningen niet bindend is. Maar als de Madjlis in conflict geraakt met de Khalifa betreffende een bepaalde handeling die is verricht volgens een sjar’ai begrip, dan wordt dit conflict verwezen naar de Mahkamat oel Madhaalim die beslist of deze inderdaad sjar’ai was of niet. Het vonnis van de Mahkamat is bindend.
4. De Madjlis heeft het recht om ontevredenheid te uiten betreffende de assistenten, gouverneurs en districtshoofden. En in deze zaak is de mening van de meerderheid Madjlis bindend, in welk geval de Khalifa zich direct van deze personen zal moeten ontdoen. Indien de Madjlis al Wilaya in derelijke kwesties een andere mening is aangedaan dan de Majlis al Oemma, dan heeft de mening van de Madjlis al Wilaya voorrang in deze.
5. Uit de lijst met kandidaten van wie de Mahkamaat oel Madhaalim geoordeeld heeft dat zij aan de voorwaarden voor het ambt van Khalifa voldoen, stelt de Madjlis al Oemma de lijst met finale kandidaten vast. Het besluit van de Madjlis is bindend in deze. Alleen moslimleden van de Madjlis mogen deelnemen aan het opstellen van de lijst.

Artikelen betreffende het sociaal systeem

Artikel 113
Mannen en vrouwen moeten normaal gesproken gescheiden van elkaar verblijven. Zij moeten niet in gemengde groepen voortgaan, behalve voor hetgeen de sjar’a toestaat zoals de handel of de bedevaart (Hadj).

Artikel 114
Vrouwen hebben dezelfde rechten en plichten als mannen, met uitzondering van de oordelen die Islam heeft beperkt tot een van beiden. Zo heeft zij het recht om handel te drijven, om aan landbouw te doen, om in industrie actief te zijn, om deel te nemen in contracten en transacties, om bezit te hebben, om haar bezit te beheren of te laten beheren, en om al de zaken van het leven naar eigen inzicht te organiseren.

Artikel 115
Een vrouw kan deelnemen aan de verkiezingen en bay’a geven aan de Khalifah, zij kan stemmen, zij kan een lid zijn van de Madjlis al Oemma, en zij kan worden aangesteld als ambtenaar van de Staat.

Artikel 120
Het echtelijke leven is rust en vriendschap. De verantwoordelijkheid van de man tegenover zijn vrouw is het zorgen voor en niet het heersen over. Zij is verplicht haar echtgenoot te gehoorzamen en hij is verplicht voor haar levensonderhoud te zorgen, naar een eerlijke standaard van leven.

Artikel 121
Het getrouwde koppel moet elkaar volledig steunen in het verrichten van de huishoudelijke taken, met de echtgenoot die de handelingen onderneemt die normaal gesproken buiten het huis plaatsvinden, en de echtgenote die de handelingen onderneemt die normaal gesproken binnen het huis plaatsvinden, zo goed zij kan. De echtgenoot moet hulp in het huishouden beschikbaar stellen als er huishoudelijke taken zijn die zij niet aan kan.

Artikelen betreffende het economisch systeem

Artikel 153
De Staat moet zorgen voor werk voor al haar onderdanen.

Artikel 156
De Staat dient voor degene die geen geld en geen werk heeft de kosten van het dagelijks leven te dragen, als sjar’an verantwoordelijken voor hem dit niet kunnen. De Staat is verantwoordelijk voor behuizing en het levensonderhoud van de invalide en gehandicapte mensen.

Artikel 157
De Staat moet zich inspannen om de welvaart te laten circuleren onder al de mensen in de Staat, en moet het circuleren van rijkdom binnen een bepaalde groep in de samenleving voorkomen.

Artikel 164
De Staat verzorgt gratis gezondheidszorg voor iedereen, maar het verhindert niet de gebruikmaking van private medische zorg evenmin als de verkoop van medicijnen.

Artikel 165
Het gebruiken van buitenlands kapitaal en het investeren hiervan in de Staat is verboden. Het is ook verboden om franchises toe te staan aan buitenlanders.

Artikel 167
De valuta van de Staat is goud en zilver, of dit nu gemunt is of niet. Geen enkele andere vorm van valuta is de Staat toegestaan. De Staat kan munten uitgeven die niet van goud of zilver zijn onder de voorwaarde dat de schatkist van de Staat de gelijke hoeveelheid goud of zilver bevat om de uitgegeven munten in waarde te dekken. De Staat mag dus munten uitgeven vervaardigt van messing, brons of papieren biljetten, et cetera, zolang het volledig gedekt wordt met goud of zilver.

Artikelen betreffende de onderwijspolitiek

Artikel 169
De Islamitische ‘aqieda is de basis waarop het onderwijsbeleid wordt gebaseerd. Het curricullum en de methodes van het onderwijzen worden ontworpen om afwijkingen vanaf deze basis te verhinderen.

Artikel 171
Het doel van onderwijs is om de Islamitische persoonlijkheid tot stand te brengen en om mensen te voorzien van wetenschappen en kennis gerelateerd aan de zaken behorende bij het leven. Onderwijs methodes worden tot stand gebracht om dit doel te bereiken. Iedere methode die leidt tot wat buiten dit doel ligt, wordt verhinderd.

Artikel 172
Onderwijs in de Islamitische wetenschappen en de Arabische taal moet op wekelijkse basis worden verricht, de resterende takken van wetenschap naar gelang tijd en aantal.

Artikel 174
Het onderwijs van de Islamitische cultuur is verplicht in alle onderwijsstadia. In het hoger onderwijs moeten speciale departmenten ingericht worden voor de verschillende Islamitische kennisgebieden, net zoals plaats zal vinden op het gebied van geneeskunde, techniek en de natuurwetenschappen.

Artikel 177
Het is een verplichting op de Staat om ieder individu, hetzij man of vrouw, van onderricht te voorzien in de zaken noodzakelijk voor het leven. De Staat moet dit kostenloos beschikbaar stellen op niveau van basis- en middelbaar onderwijs. De Staat dient al het mogelijke te doen om voor iedereen de toegang tot een universitaire opleiding geheel kostenloos te maken.

Artikel 178
De Staat dient de middelen te verstrekken om kennis te ontwikkelen, zoals bibliotheken en laboratoria, naast scholen en universiteiten, om voortgezet onderzoek op het diverse gebied van kennis – zoals Fiqh, ‘Oesoel oel Fiqh, Hadith en Tafsier van de Koran, Fikr (intellectualisme), geneeskunde, techniek en chemie, uitvindingen en ontdekkingen, et cetera – mogelijk te maken voor hen die dit willen. Opdat dit kan leiden aan een overvloed van moejtahidien, eminente wetenschappers en uitvinders.

Artikellen betreffende het buitenlands beleid

Artikel 180
Politiek betekent het behartiging van de zaken van de oemma in zowel binnenlandse als buitenlandse aangelegenheden. Het wordt uitgevoerd door de Staat en de oemma. De Staat voert dit beleid uit in de praktijk en de oemma ziet erop toe dat dit wordt uitgevoerd.

Artikel 182
Het doel heiligt niet de middelen, omdat de methode onlosmakelijk verbonden is aan het idee. Dus, de plicht en wat toegelaten is kunnen niet worden gerealiseerd door een verboden handeling uit te voeren. De politieke middelen moeten niet de politieke methodes tegenspreken.

Artikel 187
Het uitdragen van de Islamitische da’awa is waar het buitenlandse beleid om draait, en waar de relaties tussen de Staat en de andere staten op worden gebouwd.

Artikel 190
Het is de Staat verboden om te behoren tot om het even welke organisatie die zich baseert op iets buiten Islam of die non-Islamitische regels toepast. Dit omvat internationale organisaties zoals de Verenigde Naties, het Internationale Hof van Justitie, het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank, en regionale organisaties zoals de Arabische Liga.

Comments

comments

DELEN