De Nederlandse taal is een taal rijk aan spreekwoorden die blijk geven van grote wijsheid, ondermeer met betrekking tot de menselijke psyche. Spreekwoorden ook wiens oorsprong veelal tot lang geleden terug gaat, ten gevolge waarvan men hetzelfde kan zeggen van de wijsheid die zij bevatten.

Zo bijvoorbeeld de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet, waardoor eigenlijk het principe van reflectionisme uit het (relatief moderne) vakgebied van de psychologie beschreven wordt. Reflectionisme beschrijft de menselijke neiging om juist anderen te bekritiseren vanwege zwakheden en tekortkomingen in de eigen persoonlijkheid en het eigen gedrag, in een poging deze eigen zwakheden en tekortkomingen te bedekken. De pot, die zelf roetzwart is geworden door vele uren boven het kookvuur, verwijt de ketel dat hij zwart geworden is.

Het een goede buur is beter dan een verre vriend herinnert de mens aan een realiteit van het menselijk bestaan. De mens is een sociaal wezen met een instinctieve behoefte aan aangename omgang met andere mensen, en het bestaan van dergelijke relaties maakt het leven tot zoals het behoort te zijn, aangenaam en kalm. Het spreekwoord herinnert de mens aan het feit dat zowel vriendschap als goed buurmanschap een fundament vormen waarop juiste intermenselijke relaties gebouwd kunnen worden. Maar een buur is per definitie nabij in tegenstelling tot de verre vriend. Deze tegenstelling maakt een goede buur in het leven van de mens tot een groter bezit dan een verre vriend.

Het spreekwoord herinnert de mens tevens aan het verschil dat bestaat tussen vriendschap enerzijds en goed buurmanschap anderzijds, door tussen beiden onderscheidt te maken. De realiteit van vriendschap is dat zij een emotie is, die resulteert wanneer twee individuen een wederzijdse waardering koesteren voor (sommige van) elkanders eigenschappen. Eigenschappen die veel eerder liggen in het bereik van denken dan in het bereik van doen, want het denken, een deel van het denken, of een intellectuele houding is wat een vriend(in) bij oprechte vriendschap apprecieert in zijn vriend(in). En bij oprechte vriendschap volstaat deze eigenschap vaak om de “mindere” eigenschappen van de vriend in het bereik van doen te bedekken. De realiteit van goed buurmanschap, daarentegen, is dat dit het resultaat is van gedrag en handelingen en niet van opvattingen of ideeën, want de goede buurman is behulpzaam, vriendelijk en zijn buren niet tot last. Hoewel dus zowel uit vriendschap als uit goed buurmanschap mooie en goede intermenselijke relaties resulteren, hebben beiden tevens iets van een tegenovergestelde in zich: iemand wiens gedrag men apprecieert maar wiens denken men veracht kan onmogelijk een vriend worden, terwijl iemand wiens denken men apprecieert maar wiens gedrag men veracht onmogelijk een goede buur kan zijn.

In een samenleving vindt de mens zich geconfronteerd met het bestaan van continue relaties. Ieder mens in de samenleving leeft en verricht handelingen, ten gevolge waarvan hij of zij voortdurend in relatie treedt tot anderen. Een juiste samenleving, derhalve, is die samenleving waarin juiste relaties bestaan tussen de mensen. Relaties die op de juiste manier de instinctieve behoefte aan intermenselijk contact bevredigen, en die daardoor de mens rust brengen en kalmte van hart. Het resultaat hiervan zal zijn dat ook de samenleving rust zal ademen, en een aangename leefomgeving voor haar leden zal vormen. Het spreekwoord van de goede buur verraadt zoals gezegd dat er feitelijk twee fundamenten bestaan waarop juiste relaties in een samenleving gebaseerd kunnen worden. Een juiste relatie tussen mensen in een samenleving kan resulteren wanneer deze gebaseerd is op vriendschap, en een juiste relatie kan resulteren wanneer deze gebaseerd is op goed buurmanschap. Beide manieren om de relaties vorm te geven zullen de mens relaties bieden die op de juiste manier de instinctieve behoefte aan intermenselijk contact bevredigen, die daardoor de mens rust brengen en kalmte van hart, en de samenleving rust zal doen ademen.

De realiteit van de samenleving, echter, is dat de meeste van de intermenselijke relaties niet gebaseerd zijn op vriendschap. En dit is begrijpelijk, ten eerste omdat het een feitelijke onmogelijkheid is dat vriendschap bestaat tussen al de leden van een samenleving. Maar ook, ten tweede, omdat de meeste van de relaties in de samenleving niet afhankelijk zijn van het bestaan van vriendschap tussen degenen die de relatie betreft. Voor de meeste intermenselijke relaties in een samenleving geldt dat zij veel meer en veel eerder afhankelijk zijn van het bestaan van goed gedrag, oftewel goed buurmanschap. Voor een goede relatie tussen baas en werknemer bijvoorbeeld, is, zo zal iedereen erkennen, geen vriendschap noodzakelijk tussen baas en werknemer. De juiste relatie tussen baas en werknemer zal resulteren wanneer zowel baas als werknemer juist gedrag vertonen: de baas komt zijn afspraken na, beloont zijn werknemer naar redelijkheid, belast hem niet te zwaar, et cetera; en de werknemer houdt zich aan zijn deel van de afspraak en komt dus op de afgesproken tijd op zijn werkplek, spant zich naar behoren in bij de verrichting van de arbeid, et cetera. In geval van de relatie leraar versus leerling is dit niet anders, ook hier is juist gedrag veel meer en veel eerder de vereiste voor het bestaan van een goede relatie dan vriendschap: de leraar is geduldig en spant zich in voor zijn leerlingen en de leerling schenkt de leraar zijn aandacht en doet zijn best om te begrijpen en te onthouden; de leraar is rechtvaardig tegenover al zijn leerlingen, en de leerlingen toont de leraar respect voor diens positie en werk. En ook de relatie klant versus koper, een van de meest voorkomende relaties in het leven van een mens, is een voorbeeld waar de kwaliteit van de relatie afhankelijk is van gedrag en niet van het wel of niet bestaan van vriendschap tussen de twee. De relatie is goed zolang de verkoper maar eerlijk is en niet liegt, en de koper betaalt zoals afgesproken.

Uit al deze punten tezamen, de vrucht van het denken gebaseerd op een eenvoudig oud spreekwoord, resulteert een belangrijk inzicht in de kwestie samenleven. De kwestie samenleven draait fundamenteel om relaties tussen mensen in een samenleving en de kwaliteit van deze relatie tussen de mensen in de samenleving. Relaties, die op twee mogelijke manieren een juiste vorm gegeven kunnen worden, zijnde vriendschap of goed buurmanschap, waarbij opgetekend moet worden dat vriendschap onmogelijk kan bestaan tussen al de leden van de samenleving en dat de meeste van de relaties in de samenleving veel meer en veel eerder goed buurmanschap vereisen dan vriendschap. Dit betekent dat werken aan het verbeteren van samenleven, oftewel het verbeteren van de relaties tussen de mensen in de samenleving, primair op gedrag en handeling (de vereiste voor goed buurmanschap) gericht zou moeten zijn en niet op ideeën (de vereiste voor vriendschap).

Het is dan opmerkelijk te noemen dat de nieuw geïntroduceerde Rotterdam Code, het beleid van de stad Rotterdam om samenleven te bevorderen, in haar introductie heel expliciet stelt dat “echt een samenleving” pas bestaat als “de burgers die er wonen een aantal fundamentele waarden en normen delen”. Uit deze stelling, namelijk, spreekt de overtuiging dat ideeën en opvattingen (want dit zijn normen en waarden) de basis van de relaties in de samenleving moeten worden. Met haar Code probeert Rotterdam de door haar vastgestelde normen en waarden geadopteerd te krijgen door de leden van haar samenleving, effectief door haar burgers voor te schrijven hoe te denken. Zo wordt de burgers van Rotterdam opgedragen afstand te nemen van het idee dat een seksuele relatie tussen man en vrouw buiten het huwelijk verwerpelijk is, ten gunste van idee dat een dergelijke relatie moet kunnen wanneer men maar wil en met wie men maar wil. Verder wordt hen opgedragen de opvoeding in teken te laten staan van overgave van het seculier liberaal gedachtegoed, ongeacht of dit botst met de eigen tradities, cultuur of religie; en wordt hen voorgeschreven in welke taal zij mogen communiceren en in welke niet. Dit is opmerkelijk omdat het betekent dat volgens Rotterdam vriendschap de basis van de relaties in de samenleving is danwel moet worden, want haar werk voor samenleven beperkt zich feitelijk tot de vereisten voor vriendschap – ideeën. De Rotterdam Code zegt niets tot bijna niets over gedragingen, waaruit haar achting voor het belang van goed buurmanschap in deze context blijkt.

De zeven geboden van de stad Rotterdam

Rotterdam, 23 jan. De Rotterdam Code begint met een korte beschouwing. Volgens deze inleiding is een stedelijke samenleving pas „echt een samenleving” als „de burgers die er wonen (…) een aantal fundamentele waarden en normen delen en elkaar op basis van die waarden en normen respecteren”. Omdat de diversiteit „aan mensen, kleuren, opvattingen, meningen, waarden en normen” in Rotterdam leidt „tot spanningen en botsingen”, heeft het stadsbestuur zeven normen op schrift gesteld. Elke norm is onderverdeeld in subnormen, 34 in totaal.

1. Wij Rotterdammers nemen verantwoordelijkheid voor onze stad en voor elkaar en discrimineren elkaar niet.

Doordat autochtonen en allochtonen zich „vrijwel uitsluitend bewegen in eigen kring (ze gaan naar de eigen slager, de eigen groentewinkel en de eigen school)”, ontstaan over en weer vooroordelen en, uiteindelijk, discriminatie. Om die te voorkomen „nemen wij actief deel aan de samenleving – door te werken, een opleiding te volgen of vrijwilligerswerk te doen”. Dit doen wij ook „buiten onze eigen etnische of religieuze kring”. Verder „discrimineren wij niet”.

2. Wij Rotterdammers gebruiken Nederlands als onze gemeenschappelijke taal.

Het komt te vaak voor „dat de één niet begrijpt wat de ander bedoelt”, wat „leidt tot onbehagen, vervreemding, angst en tenslotte tot verwijdering”. Daarom „spreken we in het openbaar Nederlands – op school, op het werk, op straat en in het buurthuis”. Ook „voeden wij onze kinderen grotendeels in het Nederlands op, zodat zij volop kansen hebben in onze samenleving”.

3. Wij Rotterdammers accepteren geen radicalisering en extremisme.

Vooral „het tegengaan van radicalisering van jongeren is op dit moment een van de grote uitdagingen”, dus „spreken wij mensen die dit gedrag vertonen, of dreigen te vertonen, daarop aan, ook in eigen kring”. Eventueel „waarschuwen we de politie”.

4. Wij Rotterdammers voeden onze kinderen op tot volwaardige burgers.

Ouders „moeten hun kinderen de instrumenten geven om goed om te kunnen gaan met de vrijheid van het individu en de eigen verantwoordelijkheid”. Hier hoort bij dat „ouders hun kinderen steunen bij het (leren) maken van hun eigen keuzes – ook ten aanzien van geloof, levensbeschouwing en seksualiteit”, „jongens en meisjes gelijkwaardig opvoeden” en „het recht op vrije partnerkeuze respecteren.”

5. Wij Rotterdammers behandelen vrouwen gelijk aan mannen en met respect.

Om te voorkomen dat vrouwen „seksuele vrijheid wordt ontzegd” en „de ontplooiingsmogelijkheden van meisjes worden beperkt” doordat zij niet met jongens om mogen gaan, „tolereren wij geen (…) belediging van en geweld tegen meisjes en vrouwen die er niet voor kiezen maagd te zijn of seks te hebben voor het huwelijk”. Ook hebben vrouwen „het recht om zonder belemmeringen, door hun partners en anderen, deel te nemen aan het openbare leven”.

6. Wij Rotterdammers behandelen homoseksuelen gelijk aan heteroseksuelen en met respect.

„Ook in onze tijd wordt de gelijkwaardige positie van homoseksuelen niet door alle Rotterdammers gezien als vanzelfsprekend. (…) Op straat krijgen homo’s te maken met intolerantie en agressie, op scholen worden homoseksuele leerkrachten en leerlingen geïntimideerd en bedreigd.” Dit gaan wij tegen door „homoseksuelen niet te discrimineren en dit te leren aan onze kinderen”. Immers, „wij respecteren homoseksuelen, ook als onze eigen kinderen homoseksueel zijn”.

7. Wij behandelen (anders-)gelovigen en niet-gelovigen gelijk en met respect.

„Verschillende groepen, waaronder moslims en niet-moslims, zijn in toenemende mate tegenover elkaar komen te staan. (…)” Toch heeft „iedereen recht op zijn eigen geloof of levensovertuiging”. [1]

Het is daarom nog opmerkelijker dat onmiddellijk na publicatie van de Rotterdam Code van verschillende zijden geopperd is om de Rotterdam Code te vertalen naar een code voor gans Nederland: een Nederlandse Code met voorschriften in het bereik van denken, zogezegd om integratie te verzekeren en samenleven te verbeteren. Immers, bij de Rotterdam Code bestaat een grote contradictie tussen idee en realiteit, want zij beweert feitelijk het tegendeel van alles dat de mens betreffende samenleven aan algemene wijsheid – in de vorm van spreekwoorden – meedraagt en alles dat de mens in de samenleving dagelijks kan waarnemen. Rotterdam stelt, zonder enige vorm van beargumentering, dat vriendschap de vereiste is voor samenleven, terwijl iedereen weet dat goede relaties ook kunnen resulteren uit goed buurmanschap en terwijl iedereen kan waarnemen dat de meeste juiste relaties in de samenleving resulteren uit goed buurmanschap en niet uit vriendschap. Buiten dit, het is opmerkelijk dat beleid dat mensen richtlijnen met betrekking tot denken oplegt, in de zin van “dit mag men denken” en “dat mag men niet denken en vinden”, als oplossing gezien wordt. Een land zoals Nederland dat de ideologie (liberaal secularisme) uitdraagt die oproept tot vrijheid van denken, dat andere landen en culturen bekritiseert vanwege een vermeend gebrek aan vrijheid van denken en dat nationale trots haalt uit een veronderstelde geprakticeerde vrijheid van denken; dit land ziet in beleid van onderdrukking van vrijheid van denken een oplossing. Maar, kan iemand die overtuigd is van secularisme en de vrijheden waar deze staat werkelijk een oplossing zien in iets dat een bepaalde manier van denken voorschrijft? Dit is een voorbeeld van de pot die de ketel verwijt dat hij zwart ziet…

Men moet dus nog al wat zaken betreffende de Rotterdam Code vergeten danwel negeren wil men hierin een oplossing zien: vergeten dat vriendschap tussen al de leden van een samenleving een onmogelijkheid is, en vergeten dat de verandering van denken noodzakelijk voor de totstandbrenging van vriendschap onmogelijk door dwang gerealiseerd kan worden, en vergeten dat vriendschap voor de meeste relaties in de samenleving niet de juiste basis vormt, en vergeten dat dwang indruist tegen de eigen principes en een fundamenteel menselijk recht. En natuurlijk, vergeten dat er geen enkele argumentatie bestaat voor de stelling die zegt dat in een samenleving convergentie van ideeën noodzakelijk is, of een feit dat dit idee bevestigt! Dit zijn alles dus punten van kritiek op de fundamenten van de Rotterdam Code en de oproep tot nationale implementatie hiervan. Enkel deze realisaties op zichzelf maken al dat beiden een belediging van het intellect genoemd moeten worden, en een schande voor degenen die aan hun bestaan ten grondslag liggen. Desalniettemin wordt in de Rotterdam Code toch de oplossing gezien voor de kwestie samenleven, en voor deze reden is een kritische blik op ook haar details gerechtvaardigd:

Altijd wanneer in de westerse landen wordt gesproken over de totstandbrenging van juist samenleven dan wordt geëist dat mensen zich aan bepaalde ideeën conformeren; de Rotterdam Code staat hier niet alleen in. Ook in het feit dat deze ideeën ondermeer vrijheid van ontucht en homofilie betreffen, daarin staat de Rotterdam Code niet alleen. Altijd worden specifiek deze ideeën aangedragen als degenen waarvan acceptatie geëist moet worden van burgers. Hoewel er zoals gezegd het nodige in te brengen valt tegen het idee van gedwongen verandering van ideeën, moeten betreffende deze methode meer vragen gesteld worden. Bijvoorbeeld, waarom, als men de samenleving ideeën wil laten delen, zijn het juist deze ideeën die door iedereen geaccepteerd moeten worden? Zijn dit de mensreddende en verheven ideeën waarop de westerse beschaving is gebaseerd? Zijn dit de ideeën bij uitstek waar de westerse wereld trots uit put? En ook, waarom verwacht men van specifiek deze ideeën dat zij alomvattende vriendschap tussen de mensen in de samenleving zullen doen resulteren? Want deze ideeën zijn niet meer dan bij-ideeën, ideeën die zijn geresulteerd uit een meer fundamenteel idee. En daarom is de vraag ook, waarom worden zogezegd bij het doel van samenleven bij-ideeën tot voorwaarde en niet fundamentele ideeën zoals “iedereen zal accepteren dat Jezus Christus de zoon van God is, die is gestorven voor de zonden van de mens; dat enkel door Hem de weg tot verlossing leidt; en dat de Paus Zijn vertegenwoordiger op aarde is aan wie wij allen absolute gehoorzaamheid schuldig zijn”? Bij fundamentele ideeën, namelijk, zullen de mensen echt iets van betekenis delen. Het is mogelijk dat in antwoord hierop men zegt dat het onmenselijk is alsmede strijdig met de seculiere opvattingen om een mens te verplichten tot adoptie van een overtuiging, maar dat is nu juist het punt: als dwang tot adoptie van een fundamenteel idee onrecht en onmenselijk is, waarom is dwang tot adoptie van bij-ideeën die resulteren uit een fundamenteel idee dan wel acceptabel?

Hieruit blijkt dus ook een inconsistentie in het denken dat schuil gaat achter de Rotterdam Code: men mag mensen niet dwingen tot adoptie van fundamentele ideeën maar blijkbaar wel tot adoptie van bij-ideeën die resulteren uit fundamentele ideeën. Maar er zijn nog meer van dergelijke inconsistenties. “Ouders (moeten) hun kinderen steunen bij het maken van hun eigen keuzes – ook ten aanzien van geloof, levensbeschouwing en seksualiteit”, zegt Rotterdam Code gebod 4. Maar dan rijst natuurlijk de vraag, wat als het kind kiest voor een geloof of levensbeschouwing die ontucht en homofilie afwijst? Of – nog erger, misschien – een die vrijheid afwijst en die beargumenteert dat dit idee de mens tot ellende zal leiden? Moeten de ouders ook dan hun kinderen steunen? Of moeten ze in dat geval rapport uitbrengen bij de politie van radicalisering van hun kinderen? Deze vragen doen ook de feitelijke betekenisloosheid van het laatste gebod 7 – “iedereen heeft recht op zijn eigen geloof of levensovertuiging” – tot uitdrukking komen. Wat als dit geloof of deze levensovertuiging stelt dat ontucht en homofilie een kwaad zijn? Wat als dit geloof of deze levensovertuiging stelt dat vrijheid een kwaad is?

De Rotterdam Code, en net zo al de andere initiatieven die verklaren de facilitatie van samenleven ten doel te hebben, toont de radeloosheid van de westerse ideologie aan zoals die resulteert wanneer van haar gevraagd wordt het samenleven van mensen met verschillende religies en overtuigingen te ordenen. Zij pretendeert verheven en verlicht te zijn, maar haar oplossing, een gedwongen verandering van ideeën, is enkel barbaars. Enkel een barbaar, namelijk, lost de kwestie samenleven van verschillende mensen met verschillende ideeën op door te verklaren dat iedereen dan maar zoals hem moet zijn. Overigens, zo de waard is behandelt hij zijn gasten, stelt een ander wijs en oud spreekwoord. Samenleven impliceert verschillen tussen mensen. En samenleving betekent dat er continue relaties bestaan tussen deze verschillen. Net zoals het bestaan van deze verschillen een menselijk recht is, dat geen enkel individu of groep een ander mag ontnemen, is het bestaan van juiste relaties in de samenleving tussen deze verschillen een menselijk recht. In afwezigheid hiervan zal de samenleving geen rust ademen, en voor geen haar leden een aangename leefomgeving vormen. Dus geldt ook dat geen enkel individu of groep een ander dit recht op goede relaties in de samenleving mag ontnemen. En omdat het bestaan van vriendschap tussen al de leden van de samenleving een onmogelijkheid is, is goed buurmanschap een menselijk recht voor ieder lid van de samenleving omdat dit de juiste relaties zal doen ontstaan in de samenleving. Goed buurmanschap, goed en respectvol gedrag tegenover verschillen, is daarmee een plicht op ieder lid van de samenleving. Voor een juiste en een werkelijk menselijke en rechtvaardige oplossing van de kwestie samenleving zal deze realiteit de weg voorwaarts moeten bepalen, en niets anders. En ter informatie, de moslims die zich vasthouden aan Islam en die zich vasthouden aan de geboden en verboden van Islam, zij zijn deze weg reeds ingeslagen.

Abdullah as Siddiq

[1] NRC Handelsblad: “De 7 Geboden van de Stad Rotterdam”, 23 januari 2006, http://vorige.nrc.nl/binnenland/article1649586.ece/De_zeven_geboden_van_de_stad_Rotterdam

Comments

comments

DELEN