Om de Islamitische Staat in staat te stellen al haar verantwoordelijkheden na te kunnen komen heeft Islam de Islamitische Staat een aantal bronnen van inkomsten gegeven. Deze bronnen van inkomsten voor de Islamitische Staat Al Khilafa zullen in het nu volgende geïntroduceerd worden.

De Charadj

De Islamitische Staat Al Khilafa mag belasting heffen over de opbrengsten van het land dat hetzij door oorlog, hetzij door overeenkomst, voor Islam geopend is. Deze heffing draagt de naam charadj. Het bewijs voorde rechtmatigheid van charadj als bron van inkomsten voor de Islamitische Staat is het volgende vers:

“Wat Allah aan Zijn boodschapper heeft gegeven als buit van het volk van de stadsgebieden, is voor Allah en Zijn boodschapper en voor de naaste familieleden en de wezen en de armen en de reiziger, opdat het niet alleen in omloop zal zijn tussen de rijken onder jullie. En wat de boodschapper jullie ook mag geven, neem het en wat Hij jullie ook verbiedt, onthoud jullie daarvan. En vrees Allah. Zeker, Allah is streng in het straffen. Een deel behoort aan de arme vluchtelingen die van hun huizen en hun eigendommen zijn verdreven, terwijl zij de genade van Allah en Zijn welbehagen zochten en Allah en Zijn boodschapper hielpen; dit zijn de waarachtigen. En degenen die zich in de stad hebben gehuisvest en (anderen) vóórgingen in het geloof, hebben diegenen lief, die tot hen de toevlucht nemen, en voelen geen behoefte in hun hart aan hetgeen hun gegeven wordt, zij geven anderen de voorkeur boven zichzelf, al verkeren zijzelf in armoede. En wie voor zijn eigen vrekkigheid wordt behoed, hij is voorzeker geslaagd. En degenen die na hen kwamen, zeggen: ‘Onze Heer, vergeef ons en onze broeders, die ons voorafgingen in het geloof, en laat geen wrok in ons hart blijven tegen de gelovigen. Onze Heer! U bent inderdaad Liefderijk,Genadevol’.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Hasjr 59, vers 7 – 10)

De Islamitische Staat kan charadj vaststellen als heffing op het land zelf, in welk geval deze ieder maanjaar betaald zal moeten worden. De Islamitische Staat kan charadj ook vaststellen als een heffing op de opbrengst van het land, in welk geval deze over iedere oogst betaald zal moeten worden.

De precieze waarde die betaald zal moeten worden als charadj wordt besloten door de Khalifa, zo blijkt uit de Soenna, de handelingen van de Choelafa’a ar Raasjiddien (Rechtegleide Kaliefen) en de consensus onder de metgezellen (idjma’a oes sahaba). De Khalifa behoort experts aan te stellen die het land beoordelen op vijf factoren, te weten:

– De vruchtbaarheid van het land;
– Hetgeen dat wordt geoogst op het land;
– De kwaliteit en kwantiteit van hetgeen op het land geoogst kan worden;
– De methode waarmee het land geïrrigeerd wordt (onderscheidt wordt gemaakt tussen land dat op natuurlijke wijze wordt geïrrigeerd en land dat door de mens geïrrigeerd moet worden); en
– De locatie van het land ten opzichte van de markt waar de goederen verhandeld worden.

Al deze vijf punten van beoordeling beïnvloeden namelijk het voordeel dat resulteert uit het land. Khalifa ‘Oemar ibn al Chattab (ra) benoemde als expert voor de vaststelling van de charadj voor het gebied van Koefa tot de Tigris-rivier ‘Oethman bin Hanief. En voor de gebieden voorbij de Tigris-rivier Hoedhayfa ibn al Jamaan. Op basis van hun mening werden verschillende gebieden verschillend belast, afhankelijk van de vijf genoemde punten van beoordeling.‘Oethman bin Hanief stelde de charadj in het gebied Sawad vast op twee dirham (€1,25) voor een baal gerst, vier dirham (€2,50) op een baal graan, zes dirham (€3,75) op een baal suikerriet, acht dirham (€5,00) op iedere dadelpalm en 10 dirham (€6,25) op druiven en twaalf dirham (€7,50) op olijven. De experts moeten zich bij hun advies aan de Khalifa over de waarde van de charadj laten leiden door de zoektocht naar rechtvaardigheid. Oftewel, enerzijds moet de betaler van de heffing geen onrecht aangedaan worden, in de zin dat hij meer moeten betalen dan hij redelijkerwijs kan betalen; en anderzijds moet de staatskas (Bayt oel Mal) geen onrecht aangedaan worden, in de zin dat deze minder binnen krijgt dan gerechtvaardigd is gezien de kwaliteit van de grond. In de praktijk betekent dit dat de charadj vastgesteld dient te worden op basis van de minst optimistische van de redelijke inschattingen van de waarde van het land. Dit, omdat in geval van de zakaat de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Verminder de inschatting, want in bezit is erfenis, degene die beïnvloedt is door koud weer, en het mislukken van de oogst, en natuurrampen.” (Tirmidhi, An Nasa’i). Deze instructie zal ervoor zorgen dat de waarde van de chardj de eigenaar van het land in staat zal stellen de opbrengst van het land drie bestedingen te geven: de betaling van de charadj, het onderhoud van zijn gezin en het sparen voor zijn toekomst.

Djiziya

De Islamitische Staat mag ook djiziya heffen op de niet-moslims die in de Islamitische Staat willen leven (Ahl oel Dhimma). Het bewijs voor de rechtmatigheid van de djiziya is het volgende vers:

“Bevecht degenen die niet geloven in Allah en de Laatste Dag, en die niet verbieden hetgeen Allah en Zijn boodschapper hebben verboden, die niet de religie van de waarheid belijden, zijnde de mensen van het boek, totdat zij met de hand u de djiziya betalen en zich daarmee onderdanig maken.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera At Tauba 9, vers 29)

Uit de Soenna blijkt dat de Islamitische Staat de plicht heeft de djiziya te vorderen van de niet-moslim volwassen mannen van gezond verstand die in de Islamitische Staat willen wonen. De staat heeft dus geen recht op djiziya van kinderen, krankzinnigen of vrouwen. De waarde van de djiziya is afhankelijk van de rijkdom van de niet-moslim onderdaan van de Islamitische Staat. De rijken onder hen behoren meer te betalen dan de middenklasse, die op hun beurt weer meer behoren te betalen dan de arme mensen met een inkomen. De armen zonder inkomen zijn niet djiziya-plichtig, want indien iemand recht heeft op financiële bijstand van de Islamitische Staat wordt zijn verplichting tot djiziya opgeheven. De reden hiervoor is dat Allah (swt) zegt:

“En Allah belast geen ziel boven haar vermogen.” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Baqara 2, vers 233)

De waarde van de djiziya die de Boodschapper van Allah (saw) en de Choelafa’a na hem de mensen oplegden was ook niet een vast bedrag. De waarde van de djiziya is overgelaten aan de interpretatie (ijtihad) van de Khalifa. Maar ook hier moet hij zich laten leiden door het principe van rechtvaardigheid. Hij mag de Dhimmi’s namelijk niet bezwaren met iets dat zij niet kunnen dragen, maar tegelijkertijd mag hij de staatskas geen middelen onthouden waar deze recht op heeft.

Toen de Boodschapper van Allah (saw) Moe’adh bin Djebel (ra) naar Jemen stuurde, droeg hij (saw) deze op: “Neem een dinar op het hieraan gelijke in m’afir (kledingstoffen) van iedere volwassene van de Ahl oel Dhimma.” (Boechari). Khalifa ‘Oemar ibn al Chattab (ra) vroeg vier dinar, oftewel 17 gram goud, van de rijken van Egypte en Jordanië, Libanon, Palestina en Syrië; twee dinar van de middenklasse en één dinar van de armen met inkomen. Hij droeg hen tevens op de soldaten van de moslims van voedsel te voorzien en om gastvrijheid te tonen tegenover de moslims. In euros vertaalt zich dit tot ongeveer 180 euro per jaar voor de rijken, 90 euro per jaar voor de middenklasse en 45 euro per jaar voor de armen. Hiernaast vroeg Khalifa ‘Oemar ibn al Chattab (ra) achtenveertig dinar van de rijken van Irak (1.960 euro); vierentwintig dirham van de middenklasse (1.480 euro) en twaalf dirham van de armen met inkomen (740 euro).

In ruil voor de betaling van djiziya garandeert de Islamitische Staat haar niet-moslim onderdanen bescherming van eer en bezit en de vrije uitoefening van religie.

De opbrengsten van het publiek bezit

Bezit is gedefinieerd als de toestemming van Allah (swt) een bepaald goed of dienst te gebruiken. Dit betekent dat de dingen die Allah (swt) de moslims verboden heeft te gebruiken, zoals alcoholische drank en verdovende middelen die de werking van het verstand beïnvloeden, ook niet in het bezit van de moslims mogen zijn. Betreffende het bezit maakt Islam onderscheid tussen privaat bezit en publiek bezit. Dit verschil uit zich in de rechten die voortvloeien uit het bezit. In het geval van privaat bezit bestaat er een toestemming van Allah (swt) om een goed te benutten en ook een toestemming om de benutting vanh et goed door anderen te beperken. Met andere woorden, in geval van privaat bezit mag de bezitter het goed gebruiken zoals hij wil, binnen de grenzen gesteld door Islam, en anderen ervan weerhouden het goed te gebruiken. Ook in het geval van publiek bezit bestaat er een toestemming van Allah (swt) om een goed te benutten, echter geen toestemming om de benutting van het goed door anderen te beperken. Publiek bezit, met andere woorden, is een bezit dat gedeeld wordt door al de moslims. Ieder van de moslims mag het feit dat publiek bezit is benutten, maar niemand van hen mag anderen ervan weerhouden om het publiek bezit te benutten.

Het publiek bezit valt in drie categorieën uiteen. Ten eerste omvat het publiek bezit de openbare voorzieningen waar de samenleving als geheel van afhankelijk is. Het bewijs hiervoor is de hadieth van de Boodschapper van Allah(saw): “De moslims delen in drie dingen: water, vuur en weidegrond”.(Aboe Dawoed). Tegelijkertijd, namelijk, is uit de Soenna bekend dat de Boodschapper van Allah (saw) individuele moslims wel toe stond om specifieke bronnen van water te bezitten, bijvoorbeeld nadat zij de bron zelf uitgediept hadden om water te bereiken. Dit geeft aan dat genoemde hadith spreekt over de zaken waar de samenleving als geheel van afhankelijk is. Bronnen van water mogen namelijk wel individueel bezit zijn als de samenleving niet van deze bronnen afhankelijk is. Maar als de samenleving van de bron van water afhankelijk is, dan delen de moslims in dit bezit. De hadith zet daarom de regel uiteen dat hetgeen waarvan de samenleving afhankelijk is behoort tot het publiek bezit. De openbare voorzieningen zoals de (drink)watervoorziening en de elektriciteitsvoorziening vallen hieronder.

Ten tweede omvat het publiek bezit al de feiten waarvoor geldt dat als gevolg van hun schepping de benutting ervan niet redelijkerwijs kan worden beperkt. Hiermee worden feiten bedoeld zoals rivieren, kanalen, zeeën en de wegen. Want ook van deze feiten is de gemeenschap afhankelijk. En als bijvoorbeeld een deel van een rivier privaat bezit zou worden van een individu, dan zou gans de rivier, ook het deel dat niet in privaat bezit is, haar nut verliezen. Want een rivier zou niet meer als transportroute benut kunnen worden als deze door een stuk privaat bezit in tweeën gesneden is. En als een chemische fabriek een deel van een rivier in privaat bezit zou nemen en zou benutten als afvalplaats dan zou hierdoor gans de rivier verpest worden. Dus de gemeenschap zou dan iets verliezen waar zij afhankelijk van is. De algemene regel die afgeleid wordt uit de hadieth “De moslims delen in drie dingen: water, vuur en weidegrond”, zijnde dat hetgeen waarvan de samenleving afhankelijk is behoort tot het publiek bezit, is dus ook van toepassing op de feiten waarvoor geldt dat de benutting ervan niet redelijkerwijs kan worden beperkt ten gevolge van hun schepping. Dus de rivieren, kanalen,zeeën, wegen, maar ook de moskeeën en de ziekenhuizen.

Ten derde omvat het publiek bezit de natuurlijke mineralen die zich in ongewonnen staat in de grond bevinden en waarvan de hoeveelheid niet precies vast te stellen valt. Te denken valt aan feiten zoals olie, goud, uranium,ijzererts, et cetera, wanneer zij zich nog in ongewonnen staat in de grond bevinden. Het bewijs hiervoor is hadieth waarin de Boodschapper van Allah (saw) aan Abyadh ibn Hammal een stuk land met daarin een zoutmijn schonk, toen deze daarom vroeg. Iemand die hierbij aanwezig was zei echter tegen de Boodschapper van Allah (saw): “Weet u wat u hem geschonken heeft? U heeft hem al ‘oedd geschonken”. Daarop nam de Boodschapper van Allah (saw) het stuk land terug van Abyadh ibn Hammal. (At Tirmidhi). Al ‘oedd is letterlijk “een oneindige bron van water”. Omdat de zoutmijn dezelfde eigenschap had, namelijk dat de precieze hoeveel zout niet vast te stellen omdat deze zo groot was, nam de Boodschapper van Allah (saw) Abyadh zijn private bezit af en maakte hij (saw) het tot publiek bezit. Echter, eenmaal deze mineralen uit de grond gewonnen zijn en de hoeveelheden vastgesteld kunnen worden, dan kunnen de mineralen privaat bezit worden.

Het publieke bezit is eigendom van de Oemma maar valt onder de verantwoordelijkheid van de Islamitische Staat. De Islamitische Staat heeft de verantwoordelijkheid voor het beheer van de publieke goederen toegewezen gekregen. Ze is daarmee verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat deze feiten ten gunste van de gemeenschap benut worden. Oftewel, dat het voordeel dat deze goederen realiseren ingezet wordt ten voordele van de Oemma. De winsten die resulteren uit bijvoorbeeld de delving, verwerking en verkoop van mineralen als olie en aardgas, goud en zilver, uranium en cobalt, komen dus ten gunste van de staatskas. Deze winsten zijn het voordeel dat resulteert uit de publieke goederen en zij dienen daarom gebruikt te worden op een manier die de gemeenschap ten goede te komt. De manier waarop de Staat deze inkomsten benut is naar haar eigen goeddunken, zolang maar de verantwoordelijkheid voor de Islamitische Staat, te weten de zorg voor haar onderdanen en Islam, ermee gediend wordt. Het mag geïnvesteerd worden in de ontwikkeling van andere mijnen of bronnen. Het mag ook verdeeld worden onder de gemeenschap in de vorm van uitkeringen. En het mag op andere wijzen ingezet worden ten bate van de gemeenschap en Islam, zoals voor de bouw van scholen, wegen en overige infrastructuur; voor de oprichting van labaratoria voor het mogelijk maken van wetenschappelijk onderzoek; voor politie en defensie; et cetera.

De overige staatsinkomsten in de Islamitische Staat Al Khilafa

De oorlogsbuit (al anfaal of al ghanaa’im) is één van de overige bronnen van inkomsten voor de Islamitische Staat. Oorlogsbuit ishetgeen de vijanden van de moslims op het slagveld aan bezittingen achterlaten.Tot de oorlogsbuit behoort ook het bezit dat de vijanden van de moslims aan de moslims overhandigen als onderdeel van een vredesovereenkomst.[1] Deze oorlogsbuit werd altijd naar de Boodschapper van Allah (saw) gebracht die dan oordeelde over hoe deze oorlogsbuit gebruikt werd. Met andere woorden, de oorlogsbuit werd ter beschikking gesteld aan de Boodschapper van Allah (saw) in zijn functie als leider en aanvoerder van de moslims.

“Zij vragen u omtrent de oorlogsbuit. Antwoord: ‘De oorlogsbuit behoort aan Allah en de boodschapper’…” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Anfaal 8, vers 1)

Voor wat betreft de verdeling van de oorlogsbuit bestaat er geen specifiek voorschrift. De leider mag de oorlogsbuit naar eigen inzicht verdelen. Het bewijs hiervoor is het feit dat de Boodschapper van Allah (saw) op verschillende momenten de oorlogsbuit verschillend verdeelde. Na de Slag bij Badr verdeelde de Boodschapper van Allah (saw) de gehele oorlogsbuit onder de moslims die hadden gevochten. Hij gaf de bereden soldaat drie delen en de voetsoldaat één deel. Maar bij de Slag van Hoenain, daarentegen, kreeg iedere soldaat het bezit van degene die hij had gedood. Na de slag tegen Bani Nadhier, daarentegen, verdeelde hij (saw) de volledige oorlogsbuit onder degenen die vanwege Islam waren geëmigreerd van Mekka naar Al Madina (de Moehadjiroen). Degenen in Al Madina die Islam hielpen (de Ansaar) kregen, met uitzondering van Sahl bin Hoenaif (ra) enA boe Dadjaana (ra) die vanwege hun armoede vroegen om een deel van de buit, niets. Dit was de praktijk ten tijde van de Boodschapper van Allah (saw), alsook ten tijde van de Rechtgeleide Kaliefen (ra) na hem.

In de huidige tijd is het aannemelijk dat de Khalifa zal besluiten om de oorlogsbuit niet te verdelen onder de soldaten maar om deze in zijn geheel op te nemen in de Bayt oel Mal. Dit is daar tegenwoordig de soldaten niet langer hun eigen wapens meenemen naar het slagveld zoals in de tijd van de Boodschapper van Allah (saw) het geval was, maar door de Staat van uitrusting worden voorzien. Ook verzorgt de Staat hun onderhoud en betaalt het hen een salaris, terwijl in de tijd van de Boodschapper van Allah (saw) de soldaten voor zichzelf zorgden of voor elkaar.

De schatten (al rikaz), oftewel de waardevolle spullen die door eerdere generaties begraven zijn, behoren toe aan degene die ze vindt wanneer ze gevonden worden. Maar de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Er is belasting van eenvijfde op de begraven schatten”. (Maalik).
Hetzelfde geldt voor de hoeveelheden edele metalen (al ma’adin) die gehaald worden uit de kleine voorraden in de aarde die in privaat bezit kunnen zijn. Hierover heeft de Boodschapper van Allah (saw) gezegd: “En in de soeyyoeb is een vijfde”. ‘Ali ibn Aboe Taalib (ra) zei: “Hij (de Profeet) zei: ‘De soeyyoeb zijn de goud- en zilveraderen die onder de grond begraven zijn’.” (Ibn Qoedama in zijn Al Moeghni).

Indien ambtenaren zich op illegale wijze geld toegeëigend hebben, dan moet hen dit afgenomen worden. Illegaal is ondermeer omkoping, omdat de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “De vloek van Allah is op dedegene die omkoopt en degene die omgekocht wordt.” (Aboe Dawoed). Het is mensen die in dienst zijn van de Staat ook verboden om tegelijkertijd in dienst te zijn bij ondernemingen en om dan hun positie in de Islamitische Staat te gebruiken ten voordele van deze onderneming. Hetgeen de Islamitische Staat in navolging van deze wetgeving confisceert gaat in de Bayt oel Mal en wordt zo onderdeel van de middelen waarover de Staat beschikt.

Bezittingen die ambtenaren door fraude hebben verkregen moeten geconfisceerd worden door de Islamitische Staat. Dit wordt gedaan door het bezit van ambtenaren vast te stellen op het moment dat zij in dienst treden. Hierna moet in de gaten worden gehouden hoe hun bezit zich ontwikkelt over de periode dat zij in dienst van de Staat zijn. Als dit meer toeneemt dan mogelijk is gezien het salaris voor de ambtenaar, en als de ambtenaar geen rechtvaardiging heeft voor deze toename in zijn bezit (zoals partnerschap in een commerciële onderneming of bezit van landbouwgrond) dan moet deze toename geconfisceerd worden door de Staat. Dit is bijvoorbeeld wat Khalifa ‘Oemar ibn al Chattab (ra) deed bij Aboe Soefyan toen deze met twee zadeltassen vol geld terugkeerde uit Asj Sjaam, na een bezoek aan zijn zoon Moe’awiyya die daar de gouverneur (wali) voor de Khalifa was. Khalifa ‘Oemar (ra) vertrouwde de zaak niet en Aboe Soeyan kon zichzelf niet verklaren. Daarom nam Khalifa ‘Oemar (ra) het geld in beslagen liet dit toevoegen aan de staatskas.

Confiscatie van bezit van individuen door ambtenaren is verboden indien de ambtenaar geen geldige reden (zoals de heffing van een boete) heeft. Wat geconfisceerd is zonder geldige reden moet teruggegeven worden aan de rechtmatige eigenaar, degene van wie het in eerste instantie genomen is. Maar als de rechtmatige eigenaar niet achterhaald kan worden dan gaat dit bezit ind e staatskas en moet de Khalifa dit benutten ten voordele van Islam en de moslims.

Indien mensen hun bezit hebben laten toenemen op manieren die door de Sjar’ia verboden zijn, zoals het uitlenen van geld met rente of handel in alcohol, dan moet de winst op deze activiteiten geconfisceerd worden door de Staat. Dit bezit gaat in de staatkas. Voor hetgeen door rente verkregen is geldt dat dit teruggegeven moet worden aan degene van wie het in eerste instantie genomen is. Maar als deze niet achterhaald kan worden dan gaat ook dit bezit in de staatskas en moet de Khalifa dit benutten ten voordele van Islam en de moslims.

Als iemand overlijdt zonder dat er iemand is die van hem mag erven, dan gaat zijn bezit over op de Staat omdat de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Ik heb meer recht om voor de gelovige te zorgen dan hijzelf heeft. Dus wie er ook sterft en een schuld of kinderen nalaat, de verantwoordelijkheid (om hiervoor te zorgen) is op mij. En wie er ook sterft en bezit nalaat, dit is voor zijn erfgenamen. En ik ben de beschermer van degene die geen familieleden heeft om hem te beschermen. Ik erf zijn rijkdom en verlos hem van ellende.” (Boechari, Moslim, At Tirmidhi). De Khalifa is de opvolger van de Boodschappervan Allah (saw) in het regeren met Islam over de mensen en het zorgen voor het welzijn van Islam en de moslims. En als zodanig gaat deze hadith na de dood van de Boodschapper van Allah (saw) over op de Khalifa. Het bezit van degene die geen erfgenamen heeft gaat daarom in de staatskas en de Khalifa moet dit benutten ten voordele van Islam en de moslims.

Belastingen

Indien de inkomsten uit de hierboven genoemde bronnen niet voldoende zijn voor de Islamitische Staat om haar verplichtingen na te kunnen komen, dan heeft zij het recht om belastingen te heffen op de moslims. Het bewijs hiervoor is de hadieth van de Boodschapper van Allah (saw) waarin hij (saw) zegt: “Het is niet toegestaan om schade te berokkenen, noch om het berokennen van schade toe te staan.” (Ibn Maadja, Daraqoetni). Islam heeft de Islamitische Staat dus verplicht om belastingen te heffen op de moslims indien de Staat niet genoeg geld heeft om haar verplichtingen na te komen. De belastingen moeten de Staat dan in staat stellen om haar verplichtingen wel na te komen.

Deze belasting moet geheven worden over het bezit van de moslims. Om precies te zijn, het moet geheven worden over het bezit dat de hoeveelheid die noodzakelijk is voor een gewoon leven te boven gaat. Het bewijs hiervoor is het feit dat Islam het individu heeft geleerd om voor zichzelf te zorgen, dan voor de mensen onder zijn verantwoordelijkheid, dan voor de rest van zijn familie, en dan voor de andere mensen. De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Begin met jezelf wanneer je sadaqa [liefdadigheid, vert.] geeft. Als er dan nog iets overblijft, (geef dan) je gezin. Als er dan nog iets overblijft, (geef dan) je familie. Als er dan nog iets overblijft, doe dan als volgt: geef aan degene voor je en aan degene rechts van je en aan degene links van je.” (Moeslim). Dit betekent dat een persoon aan zijn eigen behoeften moet denken en aan de behoeften van zijn gezin en familie. En als dan nog iets overblijft van zijn bezit moet hij dit weggeven aan anderen. Allah (swt) heeft ook gezegd:

“Zij vragen jouw wat ze zouden moeten geven. Zeg: ‘Geef wat wat over is gebleven (al ‘arfoe).” (Zie de vertaling van de betekenissen van de Koran, soera Al Baqara 2, vers 219)

De belasting mag daarom enkel geheven worden over het surplus aan bezit van een moslims, zijnde hetgeen hij over heeft na al de noodzakelijke uitgaven gedaan te hebben. Het mag niet geheven worden over zijn bezit, en ook niet over zijn inkomen.

Slotwoord

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt hoort de zakaat niet tot de bronnen van inkomsten voor de Islamitische Staat. De reden hiervoor is dat de besteding van zakaat is voorgeschreven door Allah (swt). Allah (swt) heeft acht categorieën bepaald waaraan de zakaat uitgegeven mag worden. Dezen zijn:

1. De behoeftigen (al foeqaraa)
2. De mensen in extreme armoede (al masakien)
3. Degenen die betrokken zijn bij inning en verdeling van zakaat (al aamilien)
4. Degenen wiens harten nog niet volledig gewonnen zijn voor Islam (moeallafat oel qoelboeb)
5. Slaven die vrijgekocht kunnen worden (ar riqaab)
6. Degenen die schulden hebben (al ghaariniem)
7. Gestrande reizigers (ibn oes sabiel)
8. Oorlog voor Islam (djihaad)

Islam heeft de Islamitische Staat dus weliswaar verantwoordelijk gemaakt voor organisatie van heffingen en verdeling van de zakaat, maar niet het recht gegeven om de zakaat te gebruiken voor het nakomen van de verplichtingen op haar. Zakaat maakt het echter wel eenvoudiger voor de Islamitische Staat om sommigen van de verplichtingen op haar – zoals bijvoorbeeld de bestrijding armoede – na te komen.

Islam staat de Islamitische Staat Al Khilafa ook niet toe om de in het westen gebruikelijke belastingen zoals BTW en accijnzen te heffen over goederen of diensten. Import- en exportheffingen zijn eveneens verboden, omdat de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd: “Degene die importheffingen heft zal het Paradijs niet betreden.” (Ahmed, Ad Daarimi). Islam voorkomt zo de sluikse confiscatie van grote delen van het inkomen van de mensen door de overheid.

________________________________________

[1] Islam staat plunderen na een overwinning in oorlog, oftewel stelen van de volkeren wiens heersers overwonnen zijn, niet toe.

Comments

comments

DELEN